HvJ EU 5 juni 2025, C-310/24, ECLI:EU:C:2025:406

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

5 juni 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Interne markt voor elektriciteit – Verordening (EU) 2019/943 – Richtlijn (EU) 2019/944 – Werkingssfeer – Niet correct gemeten elektriciteitsverbruik als gevolg van een defecte meter – Facturering op basis van een geraamd elektriciteitsverbruik – Rechten van de consument – Richtlijn (EU) 2011/83 – Werkingssfeer – Ongevraagde levering”

In zaak C‑310/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 22 april 2024, ingekomen bij het Hof op 29 april 2024, in de procedure

YL

tegen

„Elektrorazpredelitelni mrezhi Zapad” EAD,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: N. Jääskinen, kamerpresident, M. Condinanzi (rapporteur) en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– „Elektrorazpredelitelni mrezhi Zapad” EAD, vertegenwoordigd door V. Bozhilov, A. Ganev en A. Krastev, advokati,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Beynet, D. Drambozova, I. Rubene en T. Scharf als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 18, leden 1, 7 en 8, van verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB 2019, L 158, blz. 54), artikel 10, lid 4, artikel 46, lid 2, onder d), en artikel 59, lid 1, onder a), van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158, blz. 125), en artikel 27 van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen YL, als huishoudelijke afnemer, en „Elktrorazpredelitelni mrezhi Zapad” EAD (hierna: „ERM Zapad”) inzake de betwisting van een factuur waarvan het bedrag is berekend op basis van een elektriciteitsverbruik dat wegens een defect aan de meter was geraamd.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2011/83

3 De overwegingen 11 en 25 van richtlijn 2011/83 luiden als volgt: „(11) Deze richtlijn dient bepalingen van de Unie betreffende specifieke sectoren, zoals […] de interne markt voor elektriciteit en aardgas, onverlet te laten. […] (25) Overeenkomsten betreffende stadsverwarming dienen onder deze richtlijn te vallen, op dezelfde wijze als overeenkomsten voor de levering van water, gas of elektriciteit. […]”

4 In artikel 3, lid 1, van deze richtlijn staat te lezen: „Deze richtlijn is van toepassing, onder de voorwaarden en in die mate als aangegeven in de bepalingen ervan, op alle tussen een handelaar en een consument gesloten overeenkomsten. Zij is ook van toepassing op overeenkomsten voor de levering van water, gas, elektriciteit of stadsverwarming, ook door openbare leveranciers, voor zover deze producten op een contractuele basis worden geleverd.”

5 Artikel 27 van deze richtlijn luidt: „Consumenten zijn vrijgesteld van enige betalingsverplichting in gevallen van ongevraagde levering van goederen, water, gas, elektriciteit, stadsverwarming of digitale inhoud, dan wel ongevraagde verstrekking van diensten, zoals verboden door artikel 5, lid 5, [van] en punt 29 van bijlage I [bij] [richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22)]. In deze gevallen betekent het uitblijven van een reactie van de consument op de ongevraagde levering of verstrekking niet dat hij met deze instemt.”

Verordening 2019/943

6 Artikel 18 van verordening 2019/943 bepaalt: „1. De door de netwerkbeheerders gehanteerde tarieven voor nettoegang, met inbegrip van tarieven voor de aansluiting op de netten, tarieven voor het gebruik van netten en, indien van toepassing, tarieven voor gerelateerde versterkingen van netten, moeten kostenreflectief en transparant zijn, rekening houden met de noodzakelijke zekerheid van het netwerk en flexibiliteit en een afspiegeling vormen van de werkelijk gemaakte kosten, voor zover deze overeenkomen met die van een efficiënte en structureel vergelijkbare netbeheerder en op niet-discriminerende wijze worden toegepast. Deze tarieven omvatten geen ongerelateerde kosten ter ondersteuning van ongerelateerde beleidsdoelstellingen. Zonder afbreuk te doen aan artikel 15, leden 1 en 6, van [richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB 2012, L 315, blz. 1)] en de criteria van bijlage XI bij die richtlijn ondersteunt de voor het bepalen van de netwerktarieven gebruikte methode op neutrale wijze de algehele systeemefficiëntie op lange termijn door middel van prijssignalen aan afnemers en producenten en wordt zij in het bijzonder zodanig toegepast dat niet op positieve of negatieve wijze wordt gediscrimineerd tussen op distributieniveau aangesloten productie en op transmissieniveau aangesloten productie. Door middel van de netwerktarieven vindt noch op positieve, noch op negatieve wijze discriminatie plaats ten opzichte van energieopslag of aggregatie en worden geen negatieve prikkels tot stand gebracht met betrekking tot zelfproductie, zelfconsumptie of participatie in vraagrespons. Zonder afbreuk te doen aan lid 3 van dit artikel zijn deze tarieven niet afstandsgebonden. […] 7. De distributietarieven zijn kostenreflectief, rekening houdend met het gebruik van het distributienet door systeemgebruikers, met inbegrip van actieve afnemers. De distributietarieven kunnen elementen bevatten met betrekking tot capaciteiten voor aansluiting op het net en kunnen worden gedifferentieerd naargelang van de verbruiks- of productieprofielen van de systeemgebruikers. Wanneer de lidstaten de uitrol van slimme metersystemen hebben geïmplementeerd, houden de regulerende instanties bij het vaststellen of goedkeuren van transmissietarieven of distributietarieven of hun methodologieën overeenkomstig artikel 59, van [richtlijn 2019/944] rekening met aan bepaalde tijdsbestekken gekoppelde nettarieven en kunnen bepaalde tijdsbestekken gekoppelde nettarieven indien nodig worden ingevoerd, waarbij rekening wordt gehouden met het gebruik van het net en zodanig te werk wordt gegaan dat het voor de eindafnemer transparant, kostenefficiënt en voorzienbaar is. 8. De methodologieën inzake distributietarieven stimuleren de distributiesysteembeheerders tot de meest kostenefficiënte exploitatie en ontwikkeling van hun netten, inclusief door de aankoop van diensten. Daartoe nemen de regulerende instanties de relevante kosten in aanmerking en nemen zij deze op in de distributietarieven, en kunnen zij prestatiedoelstellingen vaststellen teneinde de distributiesysteembeheerders te stimuleren om de efficiëntie in hun netten te verbeteren, inclusief door middel van energie-efficiëntie, flexibiliteit en de uitrol van slimme netten en intelligente bemetering.”

Richtlijn 2019/944

7 Overweging 83 van richtlijn 2019/944 luidt: „Regulerende instanties moeten erop toezien dat transmissie- en distributiesysteembeheerders passende maatregelen nemen om hun netwerk veerkrachtiger en flexibeler te maken. Daartoe moeten zij de prestaties van die beheerders in de gaten houden aan de hand van indicatoren zoals het vermogen van transmissie- en distributiesysteembeheerders om lijnen te exploiteren aan de hand van dynamische-lijnvermogens, de ontwikkeling van monitoring op afstand en controle in realtime van onderstations, de beperking van netverliezen en de frequentie en de duur van stroomonderbrekingen.”

8 Artikel 10, lid 4, van deze richtlijn bepaalt: „Eindafnemers worden op toereikende wijze in kennis gesteld van ieder voornemen de contractuele voorwaarden te wijzigen en [worden] op de hoogte […] gesteld van hun recht de overeenkomst op te zeggen wanneer zij van een dergelijk voornemen in kennis worden gesteld. Leveranciers stellen hun eindafnemers op een transparante en begrijpelijke manier rechtstreeks in kennis van aanpassingen van de leveringsprijs, alsmede van de redenen en voorwaarden voor de aanpassing en de reikwijdte ervan, en doen dit uiterlijk twee weken, en voor zover het huishoudelijke afnemers betreft, uiterlijk één maand vóór de aanpassing in werking treedt. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers de mogelijkheid krijgen contracten op te zeggen indien zij de hun door de leverancier meegedeelde nieuwe contractuele voorwaarden of aanpassingen van de leveringsprijs niet aanvaarden.”

9 Artikel 46, lid 2, van deze richtlijn bepaalt: „De werkzaamheden van transmissie van elektriciteit omvatten, naast de in artikel 40 genoemde, ten minste de volgende taken: […] d) inning van alle heffingen in verband met het transmissiesysteem, inclusief toegangsheffingen, energie voor verliezen en heffingen voor ondersteunende diensten; […]”

10 Artikel 59, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt: „De regulerende instantie heeft de volgende taken: a) vaststellen of goedkeuren, volgens transparante criteria, van transmissie- of distributietarieven of de berekeningsmethodes hiervoor of beide; […]”

Bulgaars recht

11 Artikel 50 van de Pravila za izmervane na kolichestvoto elektricheska energia (regels voor het meten van de hoeveelheid elektriciteit; hierna: „PIKEE”), die zijn vastgesteld door de Komisia za energiyno i vodno regulirane (commissie voor energie- en waterbeheer, Bulgarije), de Bulgaarse regulerende instantie in de zin van richtlijn 2019/944, bepaalt: „(1) Wanneer bij een metrologische controle wordt vastgesteld dat het commerciële meetinstrument niet meet of buiten de toegestane foutmarge meet, berekent de beheerder van het betrokken elektriciteitsdistributiesysteem de hoeveelheid elektriciteit op het tijdstip waarop wordt vastgesteld dat er geen/een onjuiste/een onnauwkeurige meting voorligt, en gaat hij terug tot de laatst verrichte controle, waarbij deze periode niet meer dan drie maanden mag bedragen, met dien verstande dat: a) in het geval van een commercieel meetinstrument dat metingen verricht met een foutmarge die de toegestane limieten overschrijdt, de hoeveelheid vervoerde elektriciteit wordt berekend door de gemeten hoeveelheden te corrigeren aan de hand van de vastgestelde fout, rekening houdend met de nauwkeurigheidsklasse van het commerciële meetinstrument; b) in het geval waarin het commerciële meetinstrument geen metingen verricht, de hoeveelheid elektriciteit wordt berekend op basis van een derde van de doorvoermogelijkheid van de meetinstallatie, ervan uitgaande dat de klant gedurende acht uur per dag elektriciteit verbruikt. […]”

12 In artikel 52 PIKEE is bepaald: „(1) In het geval van een technische storing in de commerciële meetinstrumenten waardoor niet kan worden opgenomen hoeveel verbruikte elektriciteit door het meettoestel is gegaan en wanneer bij de controle of de uitlezing, wordt de hoeveelheid elektriciteit die door de installatie is gegaan berekend in de volgende rangorde: […] 2. de gemiddelde rekenkundige hoeveelheid elektriciteit die door de afnemer in een voorgaande boekhoudkundige periode is verbruikt, en de hoeveelheid die door de afnemer is verbruikt tijdens een soortgelijke meetperiode van het voorgaande jaar; […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13 YL is eigenaar van een huis dat is aangesloten op het elektriciteitstransmissiesysteem en is uitgerust met een meter. De meter bevindt zich in een metalen kast langs de weg en is alleen toegankelijk voor de medewerkers van ERM Zapad.

14 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat op 10 april 2023, tijdens een door ERM Zapad uitgevoerde inspectie ter plaatse, is vastgesteld dat de meter defect was, ook al vertoonde deze noch aan de buitenkant noch aan de binnenkant zichtbare gebreken. Deze meter is verwijderd en ter controle naar het Bulgarski institut po metrologia (instituut voor metrologie, Bulgarije; hierna: „BIM”) gestuurd, dat tot de slotsom kwam dat de meter niet voldeed aan de standaard metrologische en technische eisen en dat het elektriciteitsverbruik van YL niet correct had kunnen worden vastgesteld. Ook staat vast dat de laatste inspectie van de meter vóór die van 10 april 2023 is verricht op 14 maart 2018.

15 In de verwijzingsbeslissing is eveneens aangegeven dat ERM Zapad – aangezien het werkelijke elektriciteitsverbruik niet correct was geregistreerd – overeenkomstig de PIKEE een factuur ten bedrage van 2058,26 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 1000 EUR) heeft uitgeschreven, voor een geraamd elektriciteitsverbruik van 3168 kilowattuur (kWh) over de periode van 11 januari 2023 tot 10 april 2023 (hierna: „litigieuze factuur”). Verder is de op dit verbruik betrekking hebbende som berekend op basis van het voor de betrokken periode toepasselijke dagtarief voor elektriciteit, dat hoger is dan het nachttarief.

16 YL heeft bij de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter, beroep ingesteld om de litigieuze factuur aan te vechten. Hij betoogde dat hij onmogelijk kon weter dat de meter defect was, aangezien hij geen toegang tot die meter had. Bovendien betwist hij de periode waarover het geraamde elektriciteitsverbruik is berekend.

17 De verwijzende rechter merkt op dat de PIKEE de regels omvatten voor de procedure en de methoden voor de berekening van de hoeveelheid elektriciteit die aan de consument kan worden aangerekend wanneer het elektriciteitsverbruik niet correct is gemeten.

18 Wanneer de meter niet correct meet zonder dat er sprake is van een externe ingreep door de consument, wordt die berekening verricht overeenkomstig, met name, artikel 52 PIKEE, op grond waarvan de leverancier mag uitgaan van een geraamd elektriciteitsverbruik. In geval van een defect aan de tariefschakelaar, dat wil zeggen de klok die een dag- en een nachtregeling instelt, wordt die berekening verricht op grond van de relevante bepalingen van de PIKEE. Op basis van het beginsel van de ongerechtvaardigde verrijking gaan de PIKEE uit van een vermoeden dat de consument gedurende een bepaalde periode een bepaalde hoeveelheid energie heeft verbruikt – die afhankelijk is van het tijdstip waarop de leverancier of de netbeheerder de technische storing aan de meter heeft vastgesteld – tegen een bepaald nachttarief of dagtarief. Deze bepalingen zien dus kortom op de verbruikte, maar niet gemeten elektriciteit, die wordt aangemerkt als een verlies voor de transmissiesysteembeheerder en waarvan de kosten voor rekening komen van de consument.

19 De verwijzende rechter merkt in de eerste plaats op dat overweging 83 van richtlijn 2019/944 het beginsel invoert van beperking van de verliezen op het elektriciteitstransmissienet – onderdeel van het beginsel van energie-efficiëntie –, van daadwerkelijke uitlezing op afstand en van controle op het net door de beheerders van het elektriciteitstransmissienet.

20 In deze context benadrukt hij dat artikel 46, lid 2, onder d), van deze richtlijn bepaalt dat de activiteit van elektriciteitstransmissie heffingen in verband met energie voor verliezen omvat, en dat de regulerende instantie van de lidstaat overeenkomstig artikel 18, lid 8, van verordening 2019/943 de kosten van het systeembeheer en de ontwikkeling van het net erkent als toelaatbare kosten en deze opneemt in de distributietarieven, teneinde de distributiesysteembeheerders ertoe aan te zetten de efficiëntie van hun netten te verhogen en de verliezen te beperken met het oog op energie-efficiëntie.

21 Wat dat betreft heeft de verwijzende rechter vragen over de betekenis van de uitdrukking „heffingen in verband met […] verliezen” in de zin van artikel 46, lid 2, onder d), van richtlijn 2019/944 en artikel 18, lid 8, van verordening 2019/943. Hij vraagt zich af of deze uitdrukking ook betrekking heeft op de facturering van elektriciteit die is verbruikt maar niet correct is gemeten wegens een defect aan de meter, dat al dan niet te wijten is aan handelingen van de consument, terwijl de leverancier of de netbeheerder dat defect niet tijdig heeft verholpen.

22 Deze rechter benadrukt eveneens dat verordening 2019/943 het beginsel invoert dat de kosten met het oog op de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel in de tarieven moeten worden opgenomen, wat in de praktijk zou kunnen leiden tot een versoepeling van de verplichting van deze beheerders om hun netwerken efficiënter te maken door de verlaging van hun kosten, zoals blijkt uit de omstandigheden van het hoofdgeding.

23 In casu merkt de verwijzende rechter op dat de betrokken meter tussen 2018 en 2023 niet is gecontroleerd en dat ERM Zapad na de controle op 12 april 2023, waarbij is vastgesteld dat die meter defect was, een factuur heeft opgesteld om haar kosten voor de geleverde, maar niet-uitgelezen energie te dekken. Dezelfde rechter vraagt zich af of deze verliezen voor rekening van de consument kunnen komen wanneer de leverancier, de transmissiesysteembeheerder of de distributienetbeheerder het probleem dat is veroorzaakt door de defecte meter niet tijdig heeft verholpen.

24 In de tweede plaats herinnert de verwijzende rechter eraan dat artikel 59, lid 1, onder a), van richtlijn 2019/944 de regulerende instantie machtigt om de transmissie- en distributietarieven of de berekeningsmethoden hiervoor, of beide, vast te stellen of goed te keuren.

25 Hij vraagt zich af of deze bepaling een nationale regeling toestaat om de kosten van de netbeheerder in die tarieven op te nemen wanneer deze betrekking hebben op energie die wordt geleverd en is verbruikt, maar niet of onnauwkeurig is gemeten wegens een defecte meter, gelet op het beginsel dat deze tarieven of de berekeningsmethoden ervan worden vastgesteld volgens transparante criteria.

26 In de derde plaats merkt de verwijzende rechter op dat artikel 18 van verordening 2019/943 de consument ertoe verplicht om aan de transmissiesysteembeheerder tarieven te betalen die een afspiegeling vormen van de kosten van het net (lid 1 van dat artikel) en vereist dat deze kosten rekening houden met het gebruik van het distributienet door systeemgebruikers (lid 7 van dat artikel).

27 Deze rechter vraagt zich echter af hoe bij de bedoelde kosten rekening moet worden gehouden met het gebruik van het distributienet en of in dit verband een kostenraming toelaatbaar is.

28 In de vierde plaats herinnert de verwijzende rechter eraan dat vaststaat dat tussen de partijen in het hoofdgeding een contractuele relatie bestaat voor de levering van elektriciteit aan het betrokken afnamepunt en stelt hij dat richtlijn 2011/83 overeenkomstig artikel 3 ervan van toepassing is op overeenkomsten voor de levering van elektriciteit, en vraagt zich nu af of artikel 27 van deze richtlijn de consument vrijstelt van de verplichting om de elektriciteitsleverancier enig bedrag te betalen dat hoger is dan de daadwerkelijk verbruikte hoeveelheden elektriciteit in geval van een defect aan het meetinstrument.

29 In de vijfde plaats benadrukt de verwijzende rechter dat artikel 10, lid 4, van richtlijn 2019/944 vereist dat de leverancier zijn eindafnemers in kennis stelt van elke aanpassing van de leveringsprijs. Hij vraagt zich af of deze bepaling een nationale regeling toestaat die de leverancier of de systeembeheerder in een situatie als die in het hoofdgeding machtigt om de prijs en de hoeveelheid elektriciteit opnieuw te berekenen.

30 Daarop heeft de Sofiyski rayonen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet [de formulering] ‚heffingen in verband met […] verliezen’ in de zin van artikel 46, lid 2, onder d), van [richtlijn 2019/944] en artikel 18, lid 8, van [verordening 2019/943] aldus worden uitgelegd dat daaronder ook de verbruikte, maar niet door het meetinstrument uitgelezen elektriciteit valt, wanneer het niet of niet nauwkeurig door het meetinstrument uitlezen van energie bij de consument a) te wijten is aan een externe ingreep, b) niet te wijten is aan een externe ingreep en de systeembeheerder of de elektriciteitsleverancier de oorzaak van de storing niet tijdig heeft verholpen, zodat de vergoeding een hoeveelheid elektriciteit omvat die is ‚geraamd’ voor een wettelijk vastgestelde periode waarvan het einde afhangt van de vaststelling van een technische storing door de leverancier? 2) Moet de krachtens artikel 59, lid 1, onder a), van [richtlijn 2019/944] op de regulerende instantie rustende verplichting aldus worden uitgelegd dat aan het beginsel van de vaststelling van transparante criteria voor de transmissie- of distributietarieven of de berekeningsmethoden hiervoor wordt voldaan als het tarief de kosten van de netbeheerder omvat ten belope van de verliezen die wegens een probleem met het meetinstrument (dat niet uitleest of technisch defect is) zijn geraamd over een ingeschatte periode, wanneer de oorzaak van het defect aan het instrument: a) te wijten is aan een externe ingreep, b) niet te wijten is aan een externe ingreep en de oorzaak van de het defect niet tijdig is verholpen door de netbeheerder of de elektriciteitsleverancier die eigenaar is van het meetinstrument? 3) Moet artikel 18, leden 1 en 7, van [verordening 2019/943] aldus worden uitgelegd dat het een nationale regeling toestaat op grond waarvan de kosten van de door de consument verbruikte elektriciteit worden vastgesteld op basis van een raming van zijn elektriciteitsverbruik over een geschatte periode zonder verificatie van de daadwerkelijk verbruikte hoeveelheid elektriciteit, in het geval van een probleem met het instrument voor het meten van de elektriciteit dat a) te wijten is aan een externe ingreep, b) niet te wijten is aan een externe ingreep? 4) Moet artikel 27 van [richtlijn 2011/83] aldus worden uitgelegd dat de consument de prijs voor een geraamde hoeveelheid elektriciteit in een geschatte periode moet betalen wanneer het meetinstrument het werkelijke elektriciteitsverbruik niet uitleest, zich buiten het terrein van de consument bevindt en de onbruikbaarheid voor het uitlezen a) te wijten is aan een externe ingreep, b) niet te wijten is aan een externe ingreep? 5) Moet artikel 10, lid 4, van [richtlijn 2019/944] aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die de een elektriciteitsleverancier of een netbeheerder toestaat de hoeveelheid elektriciteit te herberekenen door deze te vervangen door een over een geschatte periode geraamde hoeveelheid elektriciteit wanneer het meetinstrument niet precies meet, zich buiten het bereik van de consument bevindt en de onbruikbaarheid voor het uitlezen a) te wijten is aan een externe ingreep, b) niet te wijten is aan een externe ingreep?”

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

31 Om te beginnen voert ERM Zapad aan dat de verwijzende rechter de beschikking waarin het verzoek om een prejudiciële beslissing is opgenomen, in strijd met het nationale recht heeft vastgesteld zonder eerst het beginsel van hoor en wederhoor in acht te hebben genomen. Voorts komt zij op tegen bepaalde feitelijke vaststellingen van deze rechter, die volgens haar onjuist zijn, wat in essentie tot gevolg heeft dat dit verzoek geen verband houdt met de rechtsbetrekkingen tussen de partijen in het hoofdgeding. In het bijzonder heeft ERM Zapad, anders dan uit die beschikking blijkt, uitsluitend de hoedanigheid van distributiesysteembeheerder. Tussen haar en YL bestaat er geen enkele contractuele verhouding die de levering van elektriciteit tot doel heeft, en overigens wordt het bestaan van een dergelijke verhouding niet aangevoerd.

32 Voorts bestaat er volgens ERM Zapad geen enkel verband tussen het voorwerp van het hoofdgeding en het Unierecht. Wat de eerste tot en met de derde en de vijfde vraag betreft, die betrekking hebben op de uitlegging van verordening 2019/943 en richtlijn 2019/944, vallen de feitelijke omstandigheden van het hoofdgeding namelijk niet binnen de werkingssfeer van deze handelingen. Wat vervolgens de vierde vraag betreft, die betrekking heeft op de uitlegging van richtlijn 2011/83, is ERM Zapad van mening dat de distributie van elektriciteit, anders dan de levering van elektriciteit, overeenkomstig de overwegingen 11 en 25 van deze richtlijn niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.

33 Daarenboven zijn de gestelde vragen niet relevant voor de uitkomst van het hoofdgeding. Aangezien uit de verrichte controle is gebleken dat de verzegeling van de meter was beschadigd, zijn deze vragen namelijk niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking hebben op het geval dat deze apparatuur niet door een externe ingreep is aangetast. Zelfs los van de vraag of al dan niet sprake is van een dergelijke ingreep, zijn de antwoorden op die vragen niet relevant voor de oplossing van de enige vraag die in het hoofdgeding aan de orde is, namelijk of de betrokken schuldvordering en het bedrag ervan gerechtvaardigd zijn. Deze vordering vloeit voort uit het vaststaande feit dat YL een hoeveelheid elektriciteit heeft verbruikt die niet kon worden gemeten en deze niet heeft betaald, waardoor ERM Zapad schade heeft geleden. De vraag of dit bedrag een verlies voor het systeem vormt en of dit verlies in de distributietarieven kan worden opgenomen, is slechts relevant in het geval van een procedure waarin ERM Zapad het betrokken bedrag zou vorderen van alle consumenten in het kader van de verdeling van de financiële lasten omdat een collectieve compensatie door al deze consumenten noodzakelijk is, en niet een compensatie door één enkele afnemer die elektriciteit heeft verbruikt die niet is gemeten.

34 Ten slotte bestaat er geen enkele twijfel over de uitlegging van de Unierechtelijke bepalingen waarop het verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft, met name gelet op de rechtspraak van het Hof over Uniewetgeving die dateert van vóór richtlijn 2019/944 en verordening 2019/943.

35 De Europese Commissie merkt op dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat er geen externe ingreep op de meter heeft plaatsgevonden en dat deze vragen, voor zover de vijf prejudiciële vragen betrekking hebben op het geval waarin het defect aan deze apparatuur te wijten is aan een externe ingreep, dus hypothetisch en derhalve niet-ontvankelijk zijn.

36 Om na te gaan of het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is, zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van een prejudiciële procedure, gelet op de taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, niet aan het Hof staat om na te gaan of de verwijzingsbeslissing is vastgesteld met inachtneming van de nationale regels betreffende de rechterlijke organisatie en de procesgang. Bovendien moet het Hof zich houden aan die beslissing zolang deze niet in het kader van de eventueel in het nationale recht bestaande rechtsmiddelen is ingetrokken (arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club,C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 Het staat dus niet aan het Hof om in casu een standpunt in te nemen over de vraag of in de verwijzingsbeslissing nationale procedureregels zijn geschonden.

38 Voorts zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen. In dit kader is het Hof uitsluitend bevoegd om zich over de uitlegging of geldigheid van een rechtsvoorschrift van de Unie uit te spreken tegen de achtergrond van de feitelijke en juridische situatie zoals die door de verwijzende rechterlijke instantie is beschreven, zodat het Hof deze laatste de elementen kan verschaffen die zij nodig heeft om het bij haar aanhangige geschil te beslechten (zie in die zin arresten van 16 maart 1978, Oehlschläger,104/77, EU:C:1978:69, punt 4, en 24 oktober 2019, Belgische Staat,C‑35/19, EU:C:2019:894, punt 28). Zelfs wanneer de feiten in de verwijzingsbeslissing door een partij in het hoofdgeding worden betwist, moeten de gestelde vragen dus worden beantwoord op basis van de door de verwijzende rechter vermelde gegevens (zie in die zin arrest van 20 maart 2025, Sumitomo Chemical Agro Europe,C‑809/23, EU:C:2025:195, punten 42 en 43).

39 Het staat dus niet aan het Hof om een standpunt in te nemen over de feitelijke vaststellingen in de verwijzingsbeslissing, waarvan ERM Zapad de juistheid in twijfel trekt.

40 Wat in de tweede plaats de relevantie van de gestelde vragen voor de beslechting van het geschil betreft, zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend de taak is van de nationale rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is gemaakt en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om – gelet op de bijzonderheden van dat geschil – zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt te beoordelen. Bijgevolg worden prejudiciële vragen van nationale rechterlijke instanties vermoed relevant te zijn en kan het Hof slechts weigeren op die vragen te antwoorden wanneer de gevraagde uitlegging kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord op die vragen te geven (arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club,C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 In casu zijn partijen in het hoofdgeding het weliswaar oneens over de aard en het voorwerp van het hoofdgeding, maar trekt geen van deze partijen het reële karakter ervan in twijfel, dat overigens duidelijk blijkt uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter, zoals samengevat in de punten 13 tot en met 18 van het onderhavige arrest. Bovendien blijkt uit diezelfde uiteenzettingen dat de aan het Hof gestelde vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht niet kennelijk en volledig losstaan van een reëel geschil en van het voorwerp van het hoofdgeding, zoals dat uit de verwijzingsbeslissing naar voren komt.

42 Evenwel moet worden benadrukt dat de verwijzende rechter zijn vijf prejudiciële vragen stelt in verband met twee alternatieve feitelijke situaties, namelijk het geval waarin het defect aan de betrokken meter te wijten is aan een externe ingreep en het geval waarin dat niet zo is.

43 In de verwijzingsbeslissing wordt echter ondubbelzinnig aangegeven dat het defect niet te wijten was aan een externe ingreep.

44 Voor zover de vragen zien op een hypothese die niet overeenkomt met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feitelijke situatie zoals beschreven in de verwijzingsbeslissing, namelijk dat het defect aan de meter te wijten is aan een externe ingreep, zijn deze vragen dus hypothetisch en derhalve niet-ontvankelijk.

45 Voorts lijkt ERM Zapad de niet-ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen af te leiden uit het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie noch onder verordening 2019/943, noch onder richtlijn 2019/944, noch onder richtlijn 2011/83 valt.

46 Het volstaat op te merken dat wanneer, zoals in de onderhavige zaak, niet duidelijk blijkt dat de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, de exceptie van niet-toepasselijkheid van deze bepaling op het hoofdgeding niet de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft, maar de grond van de gestelde vragen (arresten van 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo,C‑319/19, EU:C:2021:883, punt 25, en, in die zin, 24 juli 2023, Lin,C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Wat in de derde plaats het gestelde ontbreken van elke twijfel over de gevraagde uitlegging van het Unierecht betreft, met name omdat er rechtspraak van het Hof ter zake bestaat, volstaat het eraan te herinneren dat zelfs wanneer in de rechtspraak van het Hof al een oplossing is aangedragen voor de rechtsvraag in kwestie, de nationale rechterlijke instanties de meest uitgebreide bevoegdheid behouden om zich tot het Hof te wenden indien zij dit wenselijk achten, zonder dat de omstandigheid dat het Hof reeds een uitlegging heeft gegeven aan de bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht, eraan in de weg staat dat het Hof opnieuw uitspraak doet (arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 Gelet op het voorgaande zijn de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking hebben op de situatie waarin het defect aan de betrokken meter te wijten is aan een externe ingreep.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

49 Met zijn prejudiciële vragen, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 18, leden 1, 7 en 8, van verordening 2019/943, artikel 10, lid 4, artikel 46, lid 2, onder d), en artikel 59, lid 1, onder a), van richtlijn 2019/944 en artikel 27 van richtlijn 2011/83 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer de door een huishoudelijke afnemer verbruikte hoeveelheid elektriciteit niet correct kon worden gemeten wegens een defecte meter, een bedrag aan die afnemer mag worden gefactureerd dat is berekend op basis van een geraamd elektriciteitsverbruik.

50 Voor de beantwoording van deze vragen moet om te beginnen worden nagegaan of de rechtsgevolgen van een dergelijk defect binnen de werkingssfeer van die verordening en die richtlijnen vallen.

51 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat artikel 18, leden 1, 7 en 8, van verordening 2019/943, waarop de eerste en de derde vraag betrekking hebben, in essentie bepaalt dat de door de systeembeheerders gehanteerde tarieven voor nettoegang en de distributietarieven kostenreflectief en transparant moeten zijn en rekening moeten houden met de noodzaak om de zekerheid en flexibiliteit van de netwerken te waarborgen. Bovendien omvatten de distributietarieven de kosten die de distributiesysteembeheerders maken voor de meest kosteneffectieve exploitatie en ontwikkeling van hun netwerken.

52 Niets in deze bepalingen wijst er echter op dat zij betrekking hebben op de rechtsgevolgen van een defecte meter.

53 In de tweede plaats moet wat betreft richtlijn 2019/944 ten eerste worden benadrukt dat artikel 10, lid 4, van deze richtlijn, waarop de vijfde vraag betrekking heeft, enkel voorziet in het recht van de eindafnemers om door de leverancier te worden geïnformeerd over elk voornemen om de contractvoorwaarden te wijzigen en om tijdig te worden geïnformeerd over elke aanpassing van de leveringsprijs.

54 Om te beginnen gaat het hoofdgeding echter duidelijk niet over contractuele wijzigingen en in het bijzonder niet over een prijsaanpassing, temeer daar de door ERM Zapad toegepaste regels zijn vastgesteld door de PIKEE.

55 Voorts heeft het in artikel 10, lid 4, van richtlijn 2019/944 bedoelde recht op informatie alleen betrekking op de contractvoorwaarden die van de wil van de partijen afhangen, waaronder in het bijzonder de elektriciteitsprijs, en niet op de transmissie- en distributietarieven die dienen ter vergoeding van de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor het gebruik van het net, die door de regulerende instantie worden vastgesteld overeenkomstig artikel 59, lid 1, onder a), van richtlijn 2019/944.

56 Ten tweede wordt door artikel 46, lid 2, onder d), van richtlijn 2019/944, waarover de eerste prejudiciële vraag gaat, ervan uitgaande dat het van toepassing is op een andere entiteit dan een transmissiesysteembeheerder, wat ERM Zapad lijkt te zijn, enkel de „inning van alle heffingen in verband met het transmissiesysteem, inclusief toegangsheffingen, energie voor verliezen en heffingen voor ondersteunende diensten” opgenomen in de elektriciteitstransmissie.

57 Niet alleen heeft deze bepaling geen betrekking op het begrip „heffingen in verband met verliezen”, zoals vermeld in de eerste vraag, zij heeft kennelijk evenmin betrekking op de rechtsgevolgen van een defecte meter.

58 Ten derde bepaalt artikel 59, lid 1, onder a), van deze richtlijn, waarover de tweede vraag gaat, dat de regulerende instantie de transmissie- en distributietarieven of de berekeningsmethoden hiervoor, of beide, volgens transparante criteria vaststelt of goedkeurt.

59 Afgezien van het feit dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op de geldigheid van de in de PIKEE vastgestelde criteria of berekeningsmethoden, noch op de vraag of ERM Zapad die criteria en methoden heeft nageleefd bij de vaststelling van het in de litigieuze factuur vermelde bedrag, komt dit bedrag niet overeen met een transmissie- of distributietarief ter vergoeding van het gebruik van de transmissie- of distributiesystemen, aangezien ERM Zapad via deze factuur betaling vordert van een bedrag dat overeenkomt met de door YL verbruikte, maar niet correct gemeten elektriciteit.

60 Wat in de derde plaats richtlijn 2011/83 betreft, gesteld al dat deze richtlijn, anders dan ERM Zapad meent, van toepassing is op de distributie van elektriciteit, bepaalt artikel 27 ervan, waarop de vierde vraag betrekking heeft, dat consumenten zijn vrijgesteld van enige betalingsverplichting in gevallen van ongevraagde levering van met name elektriciteit.

61 Zoals zowel ERM Zapad als de Commissie benadrukt, is het voor de toepasselijkheid van deze bepaling noodzakelijk dat niet om de levering van elektriciteit is verzocht. In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat YL op basis van een overeenkomst waarvan de geldigheid niet wordt betwist, elektriciteit heeft verbruikt gedurende de periode waarin de betrokken meter niet correct functioneerde, zodat niet kan worden aangenomen dat YL niet om de levering van die elektriciteit heeft verzocht, en dat ongeacht de identiteit van de leverancier.

62 Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de prejudiciële vragen als volgt te worden geantwoord: – artikel 18, leden 1, 7 en 8, van verordening 2019/943 en artikel 10, lid 4, artikel 46, lid 2, onder d), en artikel 59, lid 1, onder a), van richtlijn 2019/944 moeten aldus worden uitgelegd zij niet de rechtsgevolgen regelen van een defect aan een elektriciteitsmeter en derhalve niet van toepassing zijn op de situatie waarin de door een huishoudelijke afnemer verbruikte hoeveelheid elektriciteit wegens een dergelijk defect niet correct kon worden gemeten en aan die afnemer een bedrag is gefactureerd dat overeenkomt met een geraamd elektriciteitsverbruik; – artikel 27 van richtlijn 2011/83 moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op de situatie waarin van een consument betaling wordt verlangd voor elektriciteit die op grond van een geldig contract is geleverd en is verbruikt, maar wegens een defecte meter niet correct is gemeten.

Kosten

63 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 18, leden 1, 7 en 8, van verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit, en artikel 10, lid 4, artikel 46, lid 2, onder d), en artikel 59, lid 1, onder a), van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet de rechtsgevolgen regelen van een defect aan een elektriciteitsmeter en derhalve niet van toepassing zijn op de situatie waarin de door een huishoudelijke afnemer verbruikte hoeveelheid elektriciteit wegens een dergelijk defect niet correct kon worden gemeten en aan die afnemer een bedrag is gefactureerd dat overeenkomt met een geraamd elektriciteitsverbruik.

2) Artikel 27 van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op de situatie waarin van een consument betaling wordt verlangd voor elektriciteit die op grond van een geldig contract is geleverd en is verbruikt, maar wegens een defecte meter niet correct is gemeten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Bulgaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in