HvJ EU 26 juni 2025, C-464/23, ECLI:EU:C:2025:478

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

26 juni 2025 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededinging – Verordening (EG) nr. 139/2004 – Concentratie van ondernemingen – Markt voor de opwekking en groothandelslevering van elektriciteit – Verwerving door RWE AG van de activa voor de opwekking van hernieuwbare energie en nucleaire energie van E.ON SE – Besluit waarbij een concentratie verenigbaar met de interne markt en de werking van de EER-Overeenkomst van 2 mei 1992 wordt verklaard”

In de gevoegde zaken C‑464/23 P, C‑465/23 P, C‑467/23 P, C‑468/23 P en C‑470/23 P,

betreffende vijf hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 juli 2023,

EVH GmbH, gevestigd te Halle-sur-Saale (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Heymann en I. Zenke, Rechtsanwälte (C‑464/23 P),

Stadtwerke Leipzig GmbH, gevestigd te Leipzig (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Heymann en I. Zenke, Rechtsanwälte (C‑465/23 P),

TEAG Thüringer Energie AG, gevestigd te Erfurt (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Heymann en I. Zenke, Rechtsanwälte (C‑467/23 P),

EnergieVerbund Dresden GmbH, gevestigd te Dresden (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Heymann en I. Zenke, Rechtsanwälte (C‑468/23 P),

GGEW, Gruppen-Gas‑ und Elektrizitätswerk Bergstraße AG, gevestigd te Bensheim (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Heymann en I. Zenke, Rechtsanwälte (C‑470/23 P),

rekwirantes,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Meessen en I. Zaloguin als gemachtigden, bijgestaan door T. G. Funke, Rechtsanwalt,

verweerster in eerste aanleg,

Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,

E.ON SE, gevestigd te Essen (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Barth, C. Grave, D.‑J. dos Santos Goncalves en R. Seifert, Rechtsanwälte, vervolgens door C. Barth, A. Fuchs, C. Grave en D.‑J. dos Santos Goncalves, Rechtsanwälte,

RWE AG, gevestigd te Essen, aanvankelijk vertegenwoordigd door U. Scholz, J. Siegmund en J. Ziebarth, Rechtsanwälte, vervolgens door U. Scholz, J. Siegmund en M. von Armansperg, Rechtsanwälte,

interveniëntes in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer (rapporteur) en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorzieningen verzoeken EVH GmbH (C‑464/23 P), Stadtwerke Leipzig GmbH (C‑465/23 P), TEAG Thüringer Energie AG (C‑467/23 P), EnergieVerbund Dresden GmbH (C‑468/23 P) en GGEW, Gruppen-Gas‑ und Elektrizitätswerk Bergstraße AG (C‑470/23 P) om vernietiging van, respectievelijk, het arrest van het Gerecht van 17 mei 2023, EVH/Commissie (T‑312/20, EU:T:2023:252; hierna: „arrest T‑312/20”), het arrest van het Gerecht van 17 mei 2023, Stadtwerke Leipzig/Commissie (T‑313/20, EU:T:2023:257; hierna: „arrest T‑313/20”), het arrest van het Gerecht van 17 mei 2023, TEAG/Commissie (T‑315/20, EU:T:2023:259; hierna: „arrest T‑315/20”), het arrest van het Gerecht van 17 mei 2023, EnergieVerbund Dresden/Commissie (T‑317/20, EU:T:2023:261; hierna: „arrest T‑317/20”) en het arrest van het Gerecht van 17 mei 2023, GGEW/Commissie (T‑319/20, EU:T:2023:263; hierna: „arrest T‑319/20”) (hierna samen: „bestreden arresten”). Bij die arresten verwierp het Gerecht hun beroepen tot nietigverklaring van besluit C(2019) 1711 final van de Commissie van 26 februari 2019 waarbij een concentratie verenigbaar met de interne markt en de EER-Overeenkomst wordt verklaard (zaak M.8871) – RWE/E.ON Assets) (PB 2020, C 111, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”).

I. Toepasselijke bepalingen

A. Verordening (EG) nr. 139/2004

2 De overwegingen 20 en 21 van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de „EG‑concentratieverordening”) (PB 2004, L 24, blz. 1) luiden als volgt: „(20) Het is wenselijk het begrip ‚concentratie’ dusdanig te definiëren dat het betrekking heeft op transacties welke een blijvende wijziging in de zeggenschap over de betrokken ondernemingen en derhalve in de structuur van de markt teweegbrengen. Het is daarom dienstig dat alle gemeenschappelijke ondernemingen die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervullen, onder de toepassing van deze verordening vallen. Bovendien is het wenselijk om transacties die nauw verweven zijn, in die zin dat zij van elkaar afhangen of de vorm aannemen van een reeks effectentransacties die binnen een redelijk korte tijdspanne plaatsvinden, als één concentratie te behandelen. (21) Deze verordening dient van toepassing te zijn wanneer de betrokken ondernemingen beperkingen aanvaarden die rechtstreeks verband houden met en nodig zijn voor de totstandbrenging van de concentratie. [Besluiten] van de [Europese] Commissie waarbij concentraties uit hoofde van deze verordening verenigbaar worden verklaard met de gemeenschappelijke markt, dienen automatisch betrekking te hebben op dergelijke beperkingen, zonder dat de Commissie verplicht is deze beperkingen in ieder afzonderlijk geval te beoordelen. Op verzoek van de betrokken ondernemingen dient de Commissie evenwel in zaken die aanleiding geven tot werkelijke onzekerheid omdat hierin nieuwe of onopgeloste vragen rijzen, uitdrukkelijk te beoordelen of een beperking al dan niet rechtstreeks verband houdt met en nodig is voor de totstandbrenging van de concentratie. In een zaak rijst een nieuwe of onopgeloste vraag die aanleiding geeft tot werkelijke onzekerheid indien de vraag niet wordt bestreken door de daarop toepasselijke mededeling van de Commissie of door een bekendgemaakte beschikking van de Commissie.”

3 Artikel 2 („Beoordeling van concentraties”) van deze verordening bepaalt: „1. Concentraties in de zin van deze verordening worden aan de hand van onderstaande bepalingen getoetst op hun verenigbaarheid of onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt. Bij die beoordeling houdt de Commissie rekening a) met de noodzaak, op de gemeenschappelijke markt de daadwerkelijke mededinging te handhaven en te ontwikkelen in het licht van, met name, de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van binnen of buiten de [Europese] Gemeenschap gevestigde ondernemingen; b) met de marktpositie van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van de vraag naar en het aanbod van de betrokken producten en diensten, de belangen van de tussen‑ en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang voor zover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging. 2. Concentraties die de daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan niet op significante wijze zouden belemmeren, met name door een machtspositie in het leven te roepen of te versterken, moeten verenigbaar verklaard worden met de gemeenschappelijke markt. 3. Concentraties die de daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze zouden belemmeren, met name als het resultaat van het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, moeten onverenigbaar verklaard worden met de gemeenschappelijke markt. 4. Indien de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt in de zin van artikel 3, de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, dan wordt die coördinatie beoordeeld overeenkomstig de criteria van artikel [101], leden 1 en 3, [VWEU], teneinde vast te stellen of de transactie al dan niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. 5. Bij die beoordeling houdt de Commissie onder meer rekening met – het significant en gelijktijdig actief blijven van twee of meer oprichtende ondernemingen op dezelfde markt als die van de gemeenschappelijke onderneming, of op een downstream‑ of upstreammarkt van laatstgenoemde markt, of op een nauw met die markt verbonden aangrenzende markt, – de mogelijkheid die aan de betrokken ondernemingen wordt gegeven om, via de coördinatie die het rechtstreekse gevolg is van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming, de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten en diensten uit te schakelen.”

4 In artikel 3 van die verordening, met als opschrift „Definitie van concentraties”, is het volgende bepaald: „1. Een concentratie komt tot stand indien er een duurzame wijziging van zeggenschap voortvloeit uit: a) de fusie van twee of meer voorheen onafhankelijke ondernemingen of delen van ondernemingen, of b) het verkrijgen, door één of meer personen die reeds zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten, of door één of meer ondernemingen, van zeggenschap – door de verwerving van participaties in het kapitaal of vermogensbestanddelen, bij overeenkomst of op elke andere wijze –, rechtstreeks of middellijk, over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan. 2. Zeggenschap berust op rechten, overeenkomsten of andere middelen die, afzonderlijk of gezamenlijk, met inachtneming van alle feitelijke en juridische omstandigheden, het mogelijk maken een beslissende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming, met name a) eigendoms‑ of gebruiksrechten op alle vermogensbestanddelen van een onderneming of delen daarvan; b) rechten of overeenkomsten die een beslissende invloed verschaffen op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de ondernemingsorganen. 3. Zeggenschap wordt verkregen door de persoon/personen of de onderneming/ondernemingen: a) die zelf rechthebbenden zijn of aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, of b) die, hoewel zij zelf geen rechthebbenden zijn, noch aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, de bevoegdheid hebben de daaruit voortvloeiende rechten uit te oefenen. 4. De oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult, vormt een concentratie in de zin van lid 1, onder b). […]”

5 Artikel 4, lid 1, eerste alinea, van die verordening, bepaalt: „Concentraties met een communautaire dimensie in de zin van deze verordening moeten bij de Commissie worden aangemeld vóór de totstandbrenging ervan en na de sluiting van de overeenkomst, de aankondiging van het openbare overnamebod of de verwerving van een zeggenschapsdeelneming.”

6 Artikel 5 van verordening nr. 139/2004, met als opschrift „Berekening van de omzet”, luidt als volgt: „1. De totale omzet in de zin van deze verordening omvat de bedragen met betrekking tot de verkoop van goederen en het leveren van diensten door de betrokken ondernemingen tijdens het laatste boekjaar in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, onder aftrek van kortingen, van belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de omzet samenhangende belastingen. Bij de totale omzet van een betrokken onderneming wordt geen rekening gehouden met transacties tussen de in lid 4 van dit artikel bedoelde ondernemingen. De in de Gemeenschap of in een lidstaat behaalde omzet omvat de in de Gemeenschap respectievelijk in die lidstaat aan ondernemingen of consumenten verkochte producten en verleende diensten. 2. Vindt de concentratie plaats via de verwerving van delen van één of meer ondernemingen, welke delen al dan niet een eigen rechtspersoonlijkheid bezitten, dan moet, in afwijking van lid 1, ten aanzien van de vervreemder of vervreemders alleen rekening worden gehouden met de omzet van de delen die het voorwerp zijn van de concentratie. Indien echter twee of meer transacties als bedoeld in de eerste alinea binnen een periode van twee jaar plaatsvinden tussen dezelfde personen of ondernemingen dan worden deze aangemerkt als één en dezelfde concentratie die plaats heeft gevonden op de dag van de laatste transactie. […]”

7 Artikel 6 van die verordening, met als opschrift „Onderzoek van de aanmelding en inleiding van de procedure”, bepaalt: „1. De Commissie onderzoekt de aanmelding terstond na ontvangst. a) Indien de Commissie tot de conclusie komt dat de aangemelde concentratie niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, stelt zij dat bij [besluit] vast. b) Indien de Commissie constateert dat de aangemelde concentratie weliswaar binnen het toepassingsgebied van de verordening valt, maar dat er geen ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, besluit zij zich niet tegen de concentratie te verzetten en verklaart zij deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Een [besluit] waarbij verklaard wordt dat de concentratie verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, wordt geacht tevens betrekking te hebben op beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie. c) Indien de Commissie constateert dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt en dat er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, besluit zij de procedure in te leiden, onverminderd het bepaalde in lid 2. Onverminderd artikel 9, wordt een dergelijke procedure overeenkomstig artikel 8, leden 1 tot en met 4, met een [besluit] afgesloten, tenzij de betrokken ondernemingen ten genoegen van de Commissie hebben aangetoond dat zij van de concentratie afzien. 2. Indien de Commissie constateert dat er, gelet op de door de betrokken ondernemingen aangebrachte wijzigingen, niet langer ernstige twijfel in de zin van lid 1, onder c), bestaat ten aanzien van een aangemelde concentratie, verklaart zij de concentratie overeenkomstig lid 1, onder b), verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. De Commissie kan aan haar [besluit] krachtens lid 1, onder b), voorwaarden en verplichtingen verbinden die moeten waarborgen dat de betrokken ondernemingen de verbintenissen nakomen welke zij tegenover de Commissie zijn aangegaan om de concentratie verenigbaar te maken met de gemeenschappelijke markt. […]”

8 Artikel 8 („Bevoegdheid van de Commissie tot het geven van [besluiten]”) van die verordening luidt als volgt: „1. Indien de Commissie vaststelt dat een aangemelde concentratie voldoet aan het in artikel 2, lid 2, gedefinieerde criterium en, in de in artikel 2, lid 4, bedoelde gevallen, aan de criteria van artikel [101], lid 3, [VWEU], geeft zij een [besluit] waarbij zij verklaart dat de concentratie verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Een [besluit] waarbij verklaard wordt dat de concentratie verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, wordt geacht tevens betrekking te hebben op beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie. 2. Indien de Commissie vaststelt dat een aangemelde concentratie, na door de betrokken ondernemingen gewijzigd te zijn, voldoet aan het in artikel 2, lid 2, gedefinieerde criterium en, in de in artikel 2, lid 4, bedoelde gevallen, aan de criteria van artikel [101], lid 3, [VWEU], geeft zij een [besluit] waarbij zij verklaart dat de concentratie verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. De Commissie kan aan haar [besluit] voorwaarden en verplichtingen verbinden die moeten waarborgen dat de betrokken ondernemingen de verbintenissen nakomen die zij tegenover de Commissie zijn aangegaan om de concentratie verenigbaar te maken met de gemeenschappelijke markt. Een [besluit] waarbij verklaard wordt dat de concentratie verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, wordt geacht tevens betrekking te hebben op beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie. 3. Indien de Commissie vaststelt dat een concentratie aan het in artikel 2, lid 3, gedefinieerde criterium voldoet of, in de in artikel 2, lid 4, bedoelde gevallen, niet voldoet aan de criteria van artikel [101], lid 3, [VWEU], geeft zij een [besluit] waarbij verklaard wordt dat de concentratie onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. 4. Indien de Commissie vaststelt dat een concentratie a) reeds tot stand is gebracht en die concentratie onverenigbaar is verklaard met de gemeenschappelijke markt, of b) tot stand is gebracht zonder inachtneming van een bij een krachtens lid 2 gegeven [besluit] opgelegde voorwaarde en in deze [besluit] is geconstateerd dat de concentratie bij ontbreken van die voorwaarde zou voldoen aan het criterium van artikel 2, lid 3, of, in de in artikel 2, lid 4, bedoelde gevallen, niet zou voldoen aan de criteria van artikel [101], lid 3, [VWEU], kan de Commissie de volgende maatregelen opleggen: – de Commissie kan de betrokken ondernemingen verplichten de concentratie te ontbinden, met name door ontbinding van de fusie of door verkoop van alle verkregen aandelen of vermogensbestanddelen, met het oog op het herstel van de situatie zoals die was vóór de totstandbrenging van de concentratie. Indien herstel van de situatie zoals die was vóór de totstandbrenging van de concentratie door middel van ontbinding van de concentratie niet mogelijk is, kan de Commissie elke andere passende maatregel nemen om voor zover mogelijk een dergelijk herstel te bereiken; – de Commissie kan elke andere passende maatregel gelasten om te bereiken dat de betrokken ondernemingen de concentratie ontbinden of andere herstelmaatregelen nemen zoals opgelegd in haar [besluit]. […]”

9 Artikel 21 van die verordening, met als opschrift „Toepassing van deze verordening en rechtsbevoegdheid”, bepaalt in lid 1 het volgende: „Op concentraties zoals omschreven in artikel 3 is uitsluitend deze verordening van toepassing; de verordeningen (EG) nr. 1/2003 [van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz.1)], (EEG) nr. 1017/68 [van de Raad van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB 1968, L 175, blz. 1)], (EEG) nr. 4056/86 [van de Raad van 22 december 1986 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het [EEG-Verdrag] op het zeevervoer (PB 1986, L 378, blz. 4,] en (EEG) nr. 3975/87 [van de Raad van 14 december 1987 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer (PB 1987, L 374, blz. 1),] zijn niet van toepassing, behalve op gemeenschappelijke ondernemingen welke geen communautaire dimensie hebben en de coördinatie beogen of tot stand brengen van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven.”

B. Richtsnoeren voor horizontale fusies

10 De richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies op grond van de verordening van de Raad inzake de controle op concentraties van ondernemingen (PB 2004, C 31, blz. 5; hierna: „richtsnoeren voor horizontale fusies”) luiden als volgt: „[…] 13. […] [D]e Commissie [bepaalt] overeenkomstig artikel 2 van [verordening nr. 139/2004] of de fusie de daadwerkelijke mededinging op significante wijze belemmert, met name door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, en derhalve onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt moet worden verklaard. Het spreekt vanzelf dat deze factoren geen ‚checklist’ vormen die in elk concreet geval mechanisch kan worden toegepast. De analyse van de mededingingssituatie in een concreet geval zal eerder gebaseerd zijn op een globale beoordeling van de voorzienbare gevolgen van de fusie, gelet op de relevante factoren en voorwaarden. Niet alle elementen zullen in alle gevallen relevant zijn voor elke horizontale fusie, en het zal wellicht niet steeds noodzakelijk zijn alle elementen van een zaak even grondig te onderzoeken. […] 26. Een aantal factoren, die op zichzelf niet noodzakelijk doorslaggevend zijn, kunnen bepalen of een fusie vermoedelijk aanleiding zal geven tot significante niet-gecoördineerde effecten. Niet al deze factoren hoeven aanwezig te zijn om te kunnen stellen dat dergelijke effecten waarschijnlijk zijn. Evenmin mag deze lijst als volledig worden beschouwd. De fuserende ondernemingen hebben hoge marktaandelen 27. Hoe hoger het marktaandeel, hoe groter de kans dat een onderneming marktmacht bezit. En hoe groter de samenvoeging van marktaandelen, hoe groter de kans dat een fusie zal leiden tot een significante toename van marktmacht. Hoe groter de omzetbasis waarop na een prijsverhoging een hogere winstmarge kan worden toegepast, des te groter de kans dat de fuserende ondernemingen een dergelijke prijsverhoging voordelig zullen vinden ondanks de ermee gepaard gaande vermindering van de afzet. Hoewel het marktaandeel en de samengevoegde marktaandelen slechts een eerste aanwijzing geven over de marktmacht en de vergroting van de marktmacht, zijn zij doorgaans belangrijke factoren bij de beoordeling van de fusie. De fuserende ondernemingen zijn naaste concurrenten 28. Binnen een relevante markt kunnen de producten gedifferentieerd zijn, in die zin dat sommige producten onderling sterker inwisselbaar zijn dan andere. Hoe groter de onderlinge substitueerbaarheid tussen de producten van de fuserende ondernemingen, hoe groter de kans dat de fuserende ondernemingen hun prijzen significant zullen verhogen. Zo kan bijvoorbeeld een fusie tussen twee producenten die producten aanbieden die door een groot aantal afnemers als hun eerste en tweede keuze worden beschouwd, resulteren in een aanzienlijke prijsverhoging. Het feit dat de rivaliteit tussen de partijen een belangrijke bron van concurrentie was op de markt, kan bijgevolg een cruciale factor zijn in de analyse. Hoge winstmarges vóór de fusie kunnen significante prijsverhogingen eveneens waarschijnlijker maken. De prikkel voor fuserende ondernemingen om hun prijzen te verhogen wordt beperkter gehouden wanneer concurrerende ondernemingen sterk inwisselbare producten vervaardigen dan wanneer hun producten minder inwisselbaar zijn. Het is dan ook minder waarschijnlijk dat een fusie de daadwerkelijke mededinging op significante wijze zal belemmeren – met name door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie – wanneer er een hoge mate van inwisselbaarheid bestaat tussen de producten van de fuserende ondernemingen en die van rivaliserende producenten. […] De fusieonderneming kan de groei van concurrenten bemoeilijken 36. Sommige voorgenomen fusies zouden, indien zij werden toegestaan, de daadwerkelijke mededinging op significante wijze belemmeren doordat zij de fusieonderneming de mogelijkheid en de prikkel zouden geven om de groei van kleinere ondernemingen of potentiële concurrenten te bemoeilijken of om de concurrentiemogelijkheden van rivaliserende ondernemingen anderszins te beperken. In een dergelijk geval kan het zijn dat concurrenten individueel of gezamenlijk niet in staat zijn de fuserende ondernemingen in voldoende mate aan banden te leggen om te verhinderen dat zij haar prijzen verhoogt of andere concurrentiebeperkende maatregelen neemt. De fusieonderneming kan bijvoorbeeld een zo sterke controle of invloed hebben op de levering van grondstoffen of op de distributiemogelijkheden dat het voor concurrerende ondernemingen duurder wordt te groeien of de markt te betreden. Ook de controle van de fusieonderneming over octrooien of andere soorten intellectuele-eigendomsrechten (bv. merken) kan de groei of markttoetreding van concurrenten bemoeilijken. Op markten waarop interoperabiliteit tussen verschillende infrastructuren of platforms belangrijk is, kan een fusie de fusieonderneming de mogelijkheid en de prikkel geven om de kosten van haar concurrenten te verhogen of de kwaliteit van de dienstverlening van haar concurrenten te verlagen. Bij het vormen van een oordeel hierover kan de Commissie onder meer rekening houden met de financiële draagkracht van de fusieonderneming in vergelijking met die van haar concurrenten. De fusie schakelt een belangrijke concurrentiefactor uit 37. Sommige ondernemingen hebben een grotere invloed op het mededingingsproces dan hun marktaandeel of soortgelijke graadmeters zouden doen vermoeden. Een fusie waarbij een dergelijke onderneming betrokken is, kan de concurrentiedynamiek op significante, concurrentiebeperkende wijze veranderen, met name wanneer de markt reeds sterk geconcentreerd is. Een onderneming kan bijvoorbeeld een nieuwkomer zijn, waarvan wordt verwacht dat zij in de toekomst aanzienlijke concurrentiedruk zal gaan uitoefenen op andere ondernemingen in de markt. 38. Op markten waarop innovatie een belangrijke concurrentiefactor is, kan een fusie voor de ondernemingen de mogelijkheid en de prikkel vergroten om innovaties op de markt te brengen en zo ook de concurrentiedruk op concurrenten opvoeren om op die markt te innoveren. Omgekeerd kan de daadwerkelijke concurrentie op significante wijze worden belemmerd door een fusie tussen twee belangrijke innovatoren, bijvoorbeeld tussen twee ondernemingen die voor een specifieke productmarkt producten ‚in de pijplijn’ hebben. Zo kan ook een onderneming met een betrekkelijk klein marktaandeel toch een belangrijke concurrentiefactor zijn indien zij veelbelovende producten in de pijplijn heeft.”

C. Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties

11 De geconsolideerde mededeling van de Commissie over bevoegdheidskwesties op grond van verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 2008, C 95, blz. 1; hierna: „geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties”) bepaalt: „[…] (38) De in artikel 3, lid 1, [van verordening nr. 139/2004] opgenomen algemene en op het doel gerichte definitie van een concentratie, waarbij het resultaat bestaat in zeggenschap over één of meer ondernemingen, impliceert dat het van geen belang is of de zeggenschap is verkregen met één of verschillende juridische transacties, voor zover dit één enkele concentratie als eindresultaat oplevert. In het kader van artikel 3 vormen twee of meer transacties één enkele concentratie, indien zij een eenheid vormen. Er moet derhalve worden nagegaan of het resultaat erin bestaat dat één of meer ondernemingen rechtstreeks of middellijk economische zeggenschap verkrijgen over de activiteiten van één of meer andere ondernemingen. Voor de beoordeling moet de aan de transacties onderliggende economische werkelijkheid worden vastgesteld en derhalve het economische doel dat door de partijen wordt nagestreefd. Om na te gaan of de betrokken transacties een eenheid vormen, moet met andere woorden geval per geval worden bepaald of die transacties zodanig nauw verwerven zijn dat de ene transactie niet zou zijn gesloten zonder de andere. (39) In overweging 20 van de concentratieverordening is dienaangaande toegelicht dat het wenselijk is transacties die nauw verweven zijn, in die zin dat zij van elkaar afhangen, als één enkele concentratie te behandelen. […] […] (41) Verschillende van elkaar afhangende transacties kunnen echter slechts als één enkele concentratie worden aangemerkt, indien de zeggenschap uiteindelijk door dezelfde onderneming(en) wordt verkregen. […] […] (44) Het beginsel dat verschillende transacties onder deze voorwaarden als één enkele concentratie kunnen worden behandeld, geldt slechts indien het resultaat erin bestaat dat dezelfde perso(o)n(en) of onderneming(en) zeggenschap verkrijgen over één of meer ondernemingen. […]”

D. Reglement voor de procesvoering van het Gerecht

12 De artikelen 91 en 92 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht stellen respectievelijk het voorwerp van de maatregelen van instructie en de daarop betrekking hebbende procedure vast.

13 De artikelen 93 tot en met 95 van het Reglement voor de procesvoering bevatten de procedureregels voor het bewijs door getuigen.

14 Artikel 96 van het Reglement voor procesvoering heeft betrekking op het deskundigenonderzoek.

II. Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

15 De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 2 tot en met 18 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20, en in de punten 2 tot en met 16 van arrest T‑317/20. Voor de onderhavige procedure kunnen zij worden samengevat als volgt.

A. Context van de concentratie

16 RWE AG is een onderneming naar Duits recht, die ten tijde van de aanmelding van de voorgenomen concentratie actief was in de gehele energievoorzieningsketen, met inbegrip van de opwekking, de groothandel, de transmissie, de distributie en de kleinhandel, alsook energiediensten aan consumenten (onder meer meteropneming en elektromobiliteit) (hierna: „elektriciteitsmarkt”). RWE en haar dochterondernemingen, waaronder innogy SE, zijn actief in verschillende lidstaten.

17 E.ON SE is een onderneming naar Duits recht die op datzelfde moment actief was in de gehele elektriciteitsvoorzieningsketen, zoals de opwekking, de groothandel, de distributie en de kleinhandel van elektriciteit. E.ON bezit en exploiteert activa voor elektriciteitsopwekking in verschillende lidstaten.

18 Rekwirantes zijn publiekrechtelijke ondernemingen naar Duits recht die zowel uit conventionele energiebronnen (hierna: „conventionele elektriciteit”) als uit hernieuwbare energiebronnen elektriciteit opwekken en waarvan de productieactiva zich in Duitsland bevinden.

19 De concentratie die in casu aan de orde is, maakt deel uit van een ingewikkelde activaruil tussen RWE en E.ON, die de twee betrokken ondernemingen hebben aangekondigd op 11 en 12 maart 2018 (hierna: „transactie als geheel”). Die ruil bestond uit een eerste transactie – de concentratie in casu – waarbij RWE de uitsluitende of gezamenlijke zeggenschap wenste te verkrijgen over bepaalde opwekkingsactiva van E.ON. Een tweede transactie bestond uit de verwerving door E.ON van de uitsluitende zeggenschap over de distributie‑ en kleinhandelsactiviteiten alsook bepaalde opwekkingsactiva van innogy, een onder zeggenschap van RWE staande vennootschap. Een derde transactie hield in dat RWE 16,67 % van de aandelen van E.ON zou verwerven.

20 Bij brieven van respectievelijk 17 april, 24 april, 25 april, 16 juli en 13 november 2018 hebben rekwirantes de Commissie meegedeeld dat zij wensten deel te nemen aan de procedure betreffende de eerste en de tweede concentratie.

21 Op 26 juni 2018 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden tussen de vertegenwoordigers van de rekwirantes in de zaken C‑464/23 P, C‑465/23 P, C‑467/23 P en C‑470/23 P, en de Commissie. Tijdens die bijeenkomst hebben die vertegenwoordigers bij de Commissie de bezorgdheden geuit van hun cliënten over de eerste en de tweede concentratie en hun wens uitgesproken om deel te nemen aan de desbetreffende procedures. Op 28 augustus 2018 hebben individuele bijeenkomsten plaatsgevonden tussen de Commissie en elk van de vier rekwirantes en hebben zij hun opmerkingen over die concentraties ingediend.

22 De tweede concentratie (hierna: „concentratie M.8870”) werd bij de Commissie aangemeld op 31 januari 2019. Met betrekking tot die transactie heeft de Commissie besluit C(2019) 6530 final van 17 september 2019 vastgesteld, waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de EER-Overeenkomst (zaak M.8870 – E.ON/Innogy) (PB 2020, C 379, blz. 16).

23 De derde concentratie werd aangemeld bij het Bundeskartellamt (federale mededingingsautoriteit, Duitsland), dat die concentratie bij beslissing van 26 februari 2019 heeft goedgekeurd (zaak B8‑28/19; hierna: „concentratie B8‑28/19”).

B. Administratieve procedure

24 Op 22 januari 2019 heeft de Commissie een aanmelding ontvangen van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van verordening nr. 139/2004. Met deze concentratie wenste RWE de uitsluitende of gezamenlijke zeggenschap te verkrijgen over bepaalde opwekkingsactiva van E.ON in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van deze verordening.

25 Op 31 januari 2019 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 3, van verordening nr. 139/2004 de voorafgaande aanmelding van deze concentratie gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (zaak M.8871 – RWE/E.ON Assets) (PB 2019, C 38, blz. 22; hierna: „concentratie M.8871”).

26 Ten eerste omvatten de opwekkingsactiva van E.ON die RWE zou verkrijgen in het kader van concentratie M.8871 de volgende entiteiten en aandelen in entiteiten, die actief zijn in de sector hernieuwbare energie: – E.ON Climate & Renewables GmbH (Duitsland); – Amrum Offshore West GmbH (Duitsland); – E.ON Climate & Renewables UK Limited (Verenigd Koninkrijk); – E.ON Climate & Renewables North America LLC (Verenigde Staten); – E.ON Wind Sweden AB (Zweden); – E.ON Climate & Renewables Italia Srl (Italië); – Arkona (Duitsland), en – Delta Nordsee (Duitsland).

27 Voorts zou RWE 60,08 % van de aandelen verwerven in Rampion NewCo (Verenigd Koninkrijk), die zelf 50 % van de aandelen bezit in Rampion Offshore Wind Limited (Verenigd Koninkrijk), waardoor RWE een indirecte deelneming van 30,1 % in Rampion Offshore Wind zou verwerven.

28 Ten tweede omvatten de opwekkingsactiva van E.ON die deel uitmaken van concentratie M.8871 deelnemingen en bijbehorende trekkingsrechten in nucleaire activa, te weten: – een minderheidsdeelneming van 12,5 % in Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH (Duitsland); – een minderheidsdeelneming van 25 % in Kernkraftwerk Gundremmingen GmbH (Duitsland), een aandeel van 25 % in de splijtstof en het kernafval alsook de vastgoedactiva in verband met deze kerncentrale.

29 In het kader van haar onderzoek van concentratie M.8871 heeft de Commissie een marktonderzoek verricht en bijgevolg een vragenlijst toegezonden aan bepaalde ondernemingen, waaronder rekwirantes, die daar op 30 januari 2019 op hebben geantwoord.

30 Bij brieven van 31 januari 2019 hebben rekwirantes opnieuw de wens uitgesproken om aan de procedure van de Commissie deel te nemen en in het kader daarvan door de Commissie te worden gehoord ingeval deze instelling zou besluiten om overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c), van verordening nr. 139/2004 de fase van grondig onderzoek in te leiden.

C. Litigieus besluit

31 Op 26 februari 2019 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld waarbij concentratie M.8871 in de onderzoeksfase verenigbaar met de interne markt werd verklaard overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 139/2004 en artikel 57 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3).

III. Procedures bij het Gerecht en bestreden arresten

32 Bij vijf verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 mei 2020, hebben rekwirantes beroepen tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.

33 In hun beroepen voerden rekwirantes zes middelen aan in bewoordingen die in wezen identiek zijn. Het eerste is gebaseerd op een onjuiste splitsing van de analyse van de transactie als geheel, het tweede op schending van de motiveringsplicht, het derde op schending van het recht om te worden gehoord, het vierde op schending van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, het vijfde op kennelijke beoordelingsfouten en het zesde op schending van de zorgvuldigheidsplicht.

34 Bij de bestreden arresten heeft het Gerecht de beroepen verworpen.

IV. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

35 Bij vijf verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 juli 2023, hebben rekwirantes de onderhavige hogere voorzieningen ingesteld.

36 Diezelfde dag hebben deze rekwirantes, die in 2021 ook vijf beroepen tot nietigverklaring van het in punt 22 van het onderhavige arrest bedoelde besluit hadden ingesteld (zaken T‑53/21, T‑55/21, T‑56/21, T‑61/21 en T‑62/21), die op 21 juli 2023 nog aanhangig waren bij het Gerecht, verzocht om het onderzoek van de onderhavige hogere voorzieningen op te schorten tot de uitspraak van de in die zaken tot nietigverklaring te wijzen arresten van het Gerecht.

37 Bij beslissing van 19 september 2023 heeft de president van het Hof, na partijen te hebben gehoord over deze verzoeken tot schorsing en over een eventuele voeging van de onderhavige hogere voorzieningen, deze verzoeken afgewezen en die voeging gelast.

38 Met hun hogere voorzieningen verzoeken rekwirantes het Hof in identieke bewoordingen, elk voor zover het hen betreft: – de bestreden arresten te vernietigen en het litigieuze besluit nietig te verklaren; – subsidiair en ieder geval de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht; – de Commissie te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de advocaten‑ en reiskosten die zijn gemaakt in het kader van de procedure bij het Gerecht.

39 De Commissie en de andere partijen verzoeken het Hof: – de hogere voorzieningen af te wijzen; – rekwirantes te verwijzen in de kosten.

V. Hogere voorzieningen

40 Ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen voeren rekwirantes in identieke bewoordingen vier middelen aan, die zijn ontleend aan schending van artikel 101 VWEU en van de procedurele rechten van rekwirantes (eerste middel), onjuiste toepassing van artikel 3 van verordening nr. 139/2004 (tweede middel), onjuiste toepassing van artikel 2 van die verordening (derde middel) en schending van de beginselen inzake de verdeling van de bewijslast (vierde middel).

A. Eerste middel: schending van artikel 101 VWEU en van de procedurele rechten van rekwirantes

1. Ontvankelijkheid

a) Argumenten van partijen

41 De Commissie betoogt dat in de hogere voorzieningen niet wordt aangegeven in welke punten van de bestreden arresten blijk is gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, zodat deze hogere voorzieningen niet voldoen aan de vereisten van artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

b) Beoordeling door het Hof

42 Overeenkomstig vaste rechtspraak volgt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid van die hogere voorziening of van het betrokken middel, duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen (arrest van 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Met name een middel waarvan het betoog niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn rechtmatigheidstoetsing uit te voeren, voldoet niet aan die vereisten, in het bijzonder omdat uit de tekst van het verzoekschrift in hogere voorziening, die ter zake onduidelijk en dubbelzinnig is geformuleerd, niet op voldoende samenhangende en begrijpelijke wijze blijkt wat de wezenlijke onderdelen zijn waarop het middel berust. Het Hof heeft ook geoordeeld dat een hogere voorziening die een coherente structuur mist en slechts algemene beweringen bevat zonder dat precieze aanwijzingen worden verstrekt over de punten van de bestreden beslissing waaruit mogelijkerwijs een onjuiste rechtsopvatting blijkt, kennelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard (arrest van 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 In casu moet worden vastgesteld dat rekwirantes nauwkeurig hebben aangegeven tegen welke punten van de bestreden arresten zij met hun eerste middel willen opkomen en nauwkeurig en specifiek de onjuiste rechtsopvattingen hebben uiteengezet waarvan het Gerecht in die punten blijk zou hebben gegeven.

45 Het eerste middel is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

a) Eerste onderdeel

1) Argumenten van partijen

46 Rekwirantes betwisten de uitsluiting door het Gerecht van de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU in de punten 393 en 394 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in de punten 392 en 393 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20. Die „algemene” uitsluiting is volgens hen niet nauwkeurig gemotiveerd en onjuist. Om te beginnen kan aan de doeltreffendheid van het in artikel 101 VWEU neergelegde kartelverbod niet worden afgedaan door de procedurele voorschriften van verordening nr. 139/2004, zodat het Gerecht zich niet op deze verordening kon beroepen om dat verbod buiten toepassing te laten. Bovendien volgt uit het door het Gerecht aangehaalde arrest van 7 september 2017, Austria Asphalt (C‑248/16, EU:C:2017:643, punten 33 en 34; hierna: „arrest Austria Asphalt”), niet dat een concentratie geen materiële schending van artikel 101 VWEU kan opleveren op grond van verordening nr. 139/2004. Dat arrest heeft immers in werkelijkheid betrekking op het onderscheid tussen de procedurele voorschriften van die verordening enerzijds en van verordening nr. 1/2003 anderzijds. Zo is het primaire recht van toepassing op concentraties wanneer de partijen bij de concentratie – zoals in casu – overeenkomen de mededinging te beperken, hetgeen zowel uit de ontstaansgeschiedenis als uit de bewoordingen en de rechtspraak inzake verordening nr. 139/2004 blijkt.

47 Ook volgens de rechtspraak sluit de toepassing van verordening nr. 139/2004 volgens rekwirantes de toepassing van het materiële primaire recht niet uit. In het arrest van 16 maart 2023, Towercast (C‑449/21 P, EU:C:2023:207, punten 33 e.v.), heeft het Hof geoordeeld dat artikel 21 van verordening nr. 139/2004 weliswaar uitsluit dat verordening nr. 1/2003 van toepassing is op de in artikel 3 van verordening nr. 139/2004 gedefinieerde concentraties, maar dat deze blokkerende werking, gelet op de bewoordingen van dat artikel, alleen betrekking heeft op handelingen van afgeleid recht. Uiteindelijk zijn deze beginselen volgens rekwirantes noodzakelijk om uiteenlopende beoordelingen op het gebied van de controle op concentraties te voorkomen.

48 De Commissie, RWE en E.ON betwisten rekwirantes’ argumenten.

2) Beoordeling door het Hof

49 Wat rekwirantes’ grief betreft met betrekking tot de motivering van het arrest van het Gerecht, dient om te beginnen te worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 296, tweede alinea, VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296, tweede alinea, VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest van 29 juli 2024, Ryanair en Laudamotion/Commissie (C‑591/21 P, EU:C:2024:635, punt 166 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 In casu heeft het Gerecht in punt 392 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in punt 391 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 de stelling van rekwirantes uiteengezet dat RWE en E.ON door middel van de transactie als geheel de schakels van de waardeketen op de elektriciteitsmarkt in Duitsland onderling hebben verdeeld, wat een met artikel 101 VWEU strijdige beperking van de mededinging zou opleveren. In punt 393 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in punt 392 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 heeft het Gerecht vervolgens opgemerkt dat uit artikel 21, lid 1, van verordening nr. 139/2004 volgt dat die verordening uitsluitend van toepassing is op concentraties zoals gedefinieerd in artikel 3 van die verordening, waarop verordening nr. 1/2003 in beginsel niet van toepassing is. Onder verwijzing naar het arrest Austria Asphalt, heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat laatstgenoemde verordening daarentegen van toepassing blijft op de gedragingen van ondernemingen die, zonder dat zij een concentratie vormen in de zin van verordening nr. 139/2004, niettemin kunnen leiden tot een onderlinge afstemming die artikel 101 VWEU schendt, zodat zij kunnen worden getoetst door de Commissie of de nationale mededingingsautoriteiten.

51 In punt 394 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in punt 393 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 heeft het Gerecht toegevoegd dat niet werd betwist dat het voorwerp van het litigieuze besluit een concentratie betrof. Tevens kwam het Gerecht in die punten tot de vaststelling dat, gelet op zijn beoordeling in punt 393 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in punt 392 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20, het argument van rekwirantes dat betrekking had op een schending van artikel 101 VWEU niet ter zake dienend was.

52 Anders dan rekwirantes betogen, is het Gerecht aldus zijn motiveringsplicht krachtens artikel 296 VWEU nagekomen. Zoals blijkt uit de hogere voorzieningen van rekwirantes, hebben zij dienaangaande grieven ten gronde kunnen aanvoeren tegen de beoordelingen in die punten van de bestreden arresten, en de in de punten 54 tot en met 58 van het onderhavige arrest weergegeven beoordelingen van het Hof tonen aan dat het Hof zijn toezicht op de beoordeling door het Gerecht heeft kunnen uitoefenen.

53 Wat de inhoudelijke kritiek van rekwirantes op die beoordeling door het Gerecht betreft, moet worden opgemerkt dat die berust op een onjuiste lezing van de bestreden arresten.

54 In punt 394 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in punt 393 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 heeft het Gerecht niet uitgesloten dat artikel 101 VWEU van toepassing was op de overeenkomsten tussen RWE en E.ON in het kader van concentratie M.8871.

55 In die punten heeft het Gerecht in wezen vastgesteld dat aangezien het voorwerp van het litigieuze besluit het onderzoek van een bij de Commissie aangemelde concentratie was op grond van verordening nr. 139/2004, die de preventieve controle van concentraties in het licht van de artikelen 101 en 102 VWEU tot doel heeft (zie in die zin arrest Austria Asphalt, punten 30 en 31), en niet op grond van verordening nr. 1/2003, die tot doel heeft de in diezelfde bepalingen van het Verdrag bedoelde overeenkomsten, besluiten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en situaties met een machtspositie te toetsen, de Commissie de naleving van artikel 101 VWEU moest controleren en terecht ook had gecontroleerd.

56 Daarmee heeft het Gerecht de toepasselijke regelgeving niet geschonden en heeft het in punt 393 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en punt 392 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 terecht verwezen naar de rechtspraak over deze regelgeving in de punten 32 en 33 van het arrest Austria Asphalt.

57 Aan die beoordeling van het Gerecht wordt evenmin afgedaan door het door rekwirantes aangehaalde arrest van 16 maart 2023, Towercast (C‑449/21 P, EU:C:2023:207). In die zaak was de betrokken concentratie die de in artikel 1 van verordening nr. 139/2004 vastgestelde drempels niet overschreed, niet aangemeld, zodat verordening nr. 139/2004, anders dan bij de in casu aan de orde zijnde concentratie, niet ten uitvoer was gebracht en het blokkerende effect van artikel 21, lid 1, ervan niet van toepassing kon zijn.

58 Voor zover rekwirantes stellen dat RWE en E.ON hebben afgesproken om de mededinging te beperken door middel van een complexe transactie waarmee een „staakt-het-vuren” tussen „voormalige felle concurrenten” is bezegeld, en dat de Commissie en het Gerecht deze omstandigheden niet buiten beschouwing hadden mogen laten, moet worden opgemerkt dat dergelijke omstandigheden weliswaar eventueel naar aanleiding van een klacht hadden kunnen worden onderzocht door de Commissie op grond van verordening nr. 1/2003, maar dat die omstandigheden niet konden vallen onder het structurele onderzoek van de concentratie dat de Commissie in het litigieuze besluit op grond van verordening nr. 139/2004 heeft verricht, en dus niet onder de toetsing van de rechtmatigheid van dat besluit door het Gerecht.

59 Uit het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond is.

b) Tweede onderdeel

1) Argumenten van partijen

60 Rekwirantes merken op dat het Gerecht wegens zijn standpunt met betrekking tot artikel 101 VWEU niet is nagegaan of uit de door hen overgelegde bewijzen bleek dat er sprake was van een door artikel 101 VWEU verboden beperking van de mededinging. Uit het dossier blijkt volgens hen evenwel dat RWE en E.ON zijn overeengekomen om de elektriciteitsmarkt onderling te verdelen. Het Gerecht had die marktverdeling kunnen en moeten aanmerken als verboden op grond van artikel 101, lid 1, VWEU. Voorts staat volgens hen vast dat de Commissie concentratie M.8871 niet heeft getoetst aan artikel 101 VWEU, en dat de partijen bij die concentratie evenmin hebben aangetoond dat die concentratie gunstige gevolgen zou hebben in de zin van artikel 101, lid 3, VWEU.

61 De Commissie, RWE en E.ON betwisten rekwirantes’ argumenten.

2) Beoordeling door het Hof

62 Met dit onderdeel verwijten rekwirantes het Gerecht in wezen dat het niet is nagegaan of de bewijzen die zij in de loop van de procedures in eerste aanleg hebben overgelegd, het bestaan van een met artikel 101 VWEU strijdige mededingingsregeling aantoonden.

63 Uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het onderhavige middel blijkt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de Commissie de betrokken concentratie terecht had onderzocht in het kader van de preventieve controle van verordening nr. 139/2004, en vervolgens dat elementen betreffende het bestaan van een mededingingsverstorende mededingingsregeling in de zin van artikel 101 VWEU het voorwerp hadden kunnen of in voorkomend geval zouden kunnen uitmaken van een klacht in het kader van verordening nr. 1/2003.

64 Het is niet aan het Gerecht om beoordelingen te verrichten die geen verband houden met de toetsing van de wettigheid van het besluit waartegen het beroep tot nietigverklaring is ingesteld.

65 In deze omstandigheden dient het tweede onderdeel van het eerste middel niet ter zake dienend te worden verklaard.

c) Derde onderdeel

1) Argumenten van partijen

66 Rekwirantes betogen in wezen dat het Gerecht hun recht om te worden gehoord heeft geschonden omdat het, ten eerste, door het argument inzake schending van artikel 101 VWEU niet ter zake dienend te verklaren, alle feiten die zij hadden aangevoerd om schending van die bepaling aan te tonen, om zuiver formele redenen buiten beschouwing heeft gelaten. Ten tweede vormt de afwijzing door het Gerecht van hun verzoek om in persoon te verschijnen of getuigen te horen – in de punten 406 tot en met 411 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in de punten 405 tot en met 410 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 – een schending van hun recht om te worden gehoord.

67 De Commissie, RWE en E.ON betwisten rekwirantes’ argumenten.

2) Beoordeling door het Hof

68 Met dit onderdeel verwijten rekwirantes het Gerecht dat het hun recht om te worden gehoord heeft geschonden door geen rekening te houden met de door hen aangevoerde feiten en door geen verschijning ter terechtzitting of verhoor van bepaalde getuigen te organiseren met betrekking tot gedrag van RWE en E.ON dat mogelijk in strijd was met artikel 101 VWEU.

69 Volgens vaste rechtspraak vormt het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, dat thans in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is neergelegd, een algemeen beginsel van het Unierecht (arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat beginsel omvat het recht om te worden gehoord (zie in die zin arrest van 26 september 2024, Energotehnica, C‑792/22, EU:C:2024:788, punt 54).

70 Het recht om te worden gehoord houdt in dat de betrokkene in staat wordt gesteld om op dienstige wijze zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de bevoegde autoriteit haar besluit wil baseren. Bovendien houdt de eerbiediging van het recht om te worden gehoord in een gerechtelijke procedure niet in dat de rechter alle aangevoerde argumenten van iedere partij integraal in zijn beslissing moet opnemen, maar wel dat hij – na de partijen in hun argumenten te hebben gehoord en na het bewijsmateriaal te hebben onderzocht – uitspraak moet doen over de vorderingen in het beroep en zijn beslissing moet motiveren (zie in die zin arrest van 9 november 2023, Global Silicones Council e.a./ECHA, C‑559/21 P, EU:C:2023:842, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71 Dit recht omvat daarentegen niet de verplichting voor het Gerecht om maatregelen van instructie te gelasten. Overeenkomstig vaste rechtspraak staat het immers uitsluitend aan het Gerecht om als rechter in eerste aanleg verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang of instructiemaatregelen die door een partij bij een geschil worden gedaan te beoordelen en te bepalen of de gegevens waarover het beschikt betreffende de zaken waarover het uitspraak dient te doen, eventueel aanvulling behoeven. Het staat dus enkel aan het Gerecht om te beoordelen of een verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang relevant is met het oog op het voorwerp van het geschil en of die maatregel noodzakelijk is (arrest van 12 november 2020, Fleig/SEAE, C‑446/19 P, EU:C:2020:918, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 Hieruit volgt dat bij de toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening moet worden nagegaan of de partijen daadwerkelijk in staat zijn geweest om in de loop van de schriftelijke behandeling hun stellingen en de door hen aangevoerde gronden uiteen te zetten en, in voorkomend geval, tijdens de mondelinge behandeling de details van hun stellingen en hun antwoorden op de stellingen van de andere partijen in de procedure. Het Gerecht is echter niet verplicht om in zijn beslissing in eerste aanleg alle schriftelijke of mondelinge argumenten van partijen weer te geven en is evenmin verplicht zich over elk van die argumenten uit te spreken (arrest van 14 maart 2013, Viega/Commissie, C‑276/11 P, EU:C:2013:163, punten 35 en 36)

73 In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat rekwirantes in de loop van de procedure bij het Gerecht al hun argumenten betreffende het bestaan van een met artikel 101 VWEU strijdige mededingingsregeling tussen RWE en E.ON hebben kunnen aanvoeren. In dat verband betekent de omstandigheid dat een grief als niet ter zake dienend wordt beschouwd, geenszins dat rekwirantes niet zijn gehoord.

74 Voorts was het Gerecht niet verplicht om die argumenten in zijn redenering op te nemen en evenmin om het verzoek om persoonlijke verschijning of getuigenverhoor in te willigen – gesteld al dat dit verzoek ratione temporis ontvankelijk was – aangezien die argumenten en dat verzoek betrekking hadden op een grief inzake het bestaan van een met artikel 101 VWEU strijdige mededingingsregeling, die door het Gerecht terecht als niet ter zake dienend is aangemerkt in de punten 392 tot en met 394 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in de punten 391 tot en met 393 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20.

75 Het derde onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen.

76 Het eerste middel moet derhalve worden verworpen.

B. Tweede middel: onjuiste toepassing van artikel 3, van verordening nr. 139/2004

77 Met dit middel betogen rekwirantes dat de concentraties M.8871, M.8870 en B8‑28/19 integraal deel uitmaken van één concentratie en dat zij dus, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, hadden moeten worden onderzocht in het kader van één enkele concentratiecontroleprocedure als bedoeld in verordening nr. 139/2004.

1. Eerste onderdeel

a) Argumenten van partijen

78 Ten eerste betogen rekwirantes dat het Gerecht zich ten onrechte niet heeft uitgesproken over zijn eigen bevoegdheid om kennis te nemen van concentratie B8‑28/19 en dat het zich ten onrechte heeft gebaseerd op de premisse dat de Commissie niet verplicht was om de deelneming van RWE van 16,67 % in E.ON formeel op te nemen in de procedure betreffende concentratie M.8871 (punten 61‑72 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en punten 60‑71 van arrest T‑317/20), om daaruit af te leiden dat indien rekwirantes van mening waren dat concentratie B8‑28/19 een communautaire dimensie kon hebben, zij een klacht bij de Commissie moesten indienen om haar te verzoeken daarvan kennis te nemen.

79 Noch het arrest van 25 september 2003, Schlüsselverlag J. S. Moser e.a./Commissie (C‑170/02 P, EU:C:2003:501, punten 27‑30), dat wordt aangehaald in punt 68 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en punt 67 van arrest T‑317/20, noch enige andere grond verplicht rekwirantes namelijk om afzonderlijke klachten in te dienen en, in voorkomend geval, afzonderlijke beroepen in te stellen. De Commissie is volgens hen verplicht om het bestaan en de omvang van een concentratie te onderzoeken.

80 Ten tweede heeft het Gerecht volgens rekwirantes de feiten onjuist opgevat door aan te voeren dat niet is bewezen dat zeggenschap werd verkregen (punt 70 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en punt 69 van arrest T‑317/20). Rekwirantes hebben namelijk volledige uitleg gegeven over de invloed en de zeggenschap van RWE binnen E.ON. Bovendien is de Investor Relationship Agreement (overeenkomst inzake de betrekkingen tussen investeerders; hierna: „IRA”), die het Gerecht tegen deze argumenten inbrengt, nooit aan rekwirantes meegedeeld. Ten slotte belet de IRA niet dat RWE bij de uitoefening van haar stemrecht van deze overeenkomst afwijkt. Die overeenkomst is volgens rekwirantes hoe dan ook nietig, aangezien zij in strijd is met § 134, lid 1, tweede volzin, van het Aktiengesetz (Duitse vennootschapswet), hetgeen volgens hen ter terechtzitting uitvoerig is uiteengezet maar in de bestreden arresten niet is vermeld.

81 Ten derde, en los van het voorgaande, hadden de Commissie en het Gerecht de deelneming van RWE van 16,67 % in E.ON moeten onderzoeken, ook al vormde die afzonderlijk beschouwd geen concentratie in de zin van verordening nr. 139/2004. De Commissie kan namelijk overeenkomsten die verband houden met de concentratie onderzoeken op grond van overweging 21 van die verordening.

82 De Commissie, RWE en E.ON betwisten rekwirantes’ argumenten.

b) Beoordeling door het Hof

83 Met dit onderdeel betreffende de punten 61 tot en met 72 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en de punten 60 tot en met 71 van arrest T‑317/20, verwijten rekwirantes het Gerecht in wezen niet te hebben geoordeeld dat de Commissie zich in het litigieuze besluit had moeten uitspreken over haar bevoegdheid en bijgevolg de minderheidsdeelneming van RWE in E.ON – dus operatie B8‑28/19 – formeel had moeten opnemen in de procedure betreffende concentratie M.8871. Zij verwijten het Gerecht ook dat het bepaalde feiten van het dossier onjuist heeft opgevat.

84 In punt 61 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in punt 60 van arrest T‑317/20 heeft het Gerecht erop gewezen dat de Commissie in het litigieuze besluit had herinnerd aan haar verplichting om bij de beoordeling van de mededingingsverstorende gevolgen van elke verwerving van zeggenschap ook rekening te houden met de minderheidsdeelnemingen van de verwerver in eventuele verbonden ondernemingen, en dat de Commissie dus was nagegaan of de verwerving van de deelneming van RWE in E.ON – waarop concentratie B8‑28/19 betrekking had – het belang van deze partijen om met elkaar te concurreren kon verminderen of hun de mogelijkheid en een prikkel kon geven om concurrenten uit te sluiten.

85 In de punten 62 en 63 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in de punten 61 en 62 van arrest T‑317/20 is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat de Commissie bij de beoordeling van de gevolgen van concentratie M.8871 rekening had gehouden met de door RWE in E.ON verworven deelneming, maar de verenigbaarheid van concentratie B8‑28/19 met de interne markt niet had onderzocht in het licht van verordening nr. 139/2004. Daarbij merkte het Gerecht op dat de verenigbaarheid van die concentratie op grond van het Duitse recht was onderzocht door de bevoegde Duitse autoriteit.

86 In de punten 64 tot en met 66 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in de punten 63 tot en met 65 van arrest T‑317/20 heeft het Gerecht geantwoord op de argumenten van rekwirantes dat de Commissie concentratie B8‑28/19 had moeten onderzoeken omdat RWE dankzij de door haar verworven minderheidsdeelneming in E.ON beslissende invloed op E.ON kon uitoefenen. Het Gerecht heeft in dat verband de definitie van het begrip „concentratie” in de zin van artikel 3 van verordening nr. 139/2004 in herinnering gebracht en opgemerkt dat rekwirantes van mening waren dat concentratie B8‑28/19 een dergelijke concentratie vormde en de Commissie dus verweten deze niet te hebben onderzocht.

87 In punt 67 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in punt 66 van arrest T‑317/20 heeft het Gerecht uiteengezet dat het ingestelde beroep formeel gesproken betrekking had op het litigieuze besluit waarbij concentratie M.8871 verenigbaar met de interne markt was verklaard, en dat dit besluit weliswaar gegevens bevatte over de door RWE verworven deelneming in E.ON die het mogelijk maken te begrijpen waarom de Commissie concentratie B8‑28/19 niet als een concentratie in de zin van artikel 3 van verordening nr. 139/2004 heeft aangemerkt, maar dat in dat besluit niet uitdrukkelijk uitspraak wordt gedaan over deze vraag en bij uitbreiding, evenmin over de bevoegdheid van de Commissie om vast te stellen of deze concentratie verenigbaar is met de interne markt. Volgens het Gerecht konden rekwirantes dus op grond van een argument inzake de onjuiste splitsing van de transactie als geheel niet verzoeken om een uitspraak over een bevoegdheidskwestie die de Commissie niet aan de orde heeft gesteld in het besluit dat daadwerkelijk voor het Gerecht werd bestreden.

88 Het Gerecht heeft tevens benadrukt dat indien concentratie B8‑28/19 volgens rekwirantes een communautaire dimensie kon hebben, zij een klacht had moeten indienen bij de Commissie. In dat geval had de Commissie zich moeten uitspreken over de vraag of zij in beginsel de bevoegde controlerende autoriteit was (punt 68 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en punt 67 van arrest T‑317/20).

89 Het Gerecht heeft opgemerkt dat een minderheidsdeelneming hoe dan ook slechts kan leiden tot de verwerving van zeggenschap indien aan die minderheidsdeelneming specifieke rechten zijn verbonden die leiden tot uitsluitende zeggenschap in rechte, of indien de minderheidsaandeelhouder door bijzondere omstandigheden uitsluitende zeggenschap in feite verkrijgt (punt 69 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en punt 68 van arrest T‑317/20). Rekwirantes hadden evenwel niet gesteld dat dergelijke rechten verbonden waren aan de minderheidsdeelneming van RWE (punt 70 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en punt 69 van arrest T‑317/20). Voorts kon RWE, gelet op de IRA, geen meerderheid krijgen in de algemene vergadering van E.ON, zelfs niet als er slechts weinig aandeelhouders aanwezig waren. Het Gerecht heeft opgemerkt dat rekwirantes bovendien geen aanwijzingen hebben verschaft voor het bestaan van enige onderlinge afstemming tussen [vertrouwelijk] ( 1 ) en RWE op de algemene vergadering van E.ON, die RWE een stabiele meerderheid in die vergadering zou kunnen geven. Derhalve kon volgens het Gerecht niet worden gesteld dat RWE een feitelijke uitsluitende zeggenschap over E.ON had verworven (punt 71 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en punt 70 van arrest T‑317/20) en konden rekwirantes niet op goede gronden stellen dat concentratie B8‑28/19 een concentratie in de zin van artikel 3 van verordening nr. 139/2004 vormde (punt 72 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en punt 71 van arrest T‑317/20).

90 Wat in de eerste plaats de grief betreft dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet vast te stellen dat de Commissie zich in het litigieuze besluit had moeten uitspreken over haar bevoegdheid om concentratie B8‑28/19 te controleren, zij eraan herinnerd dat het bij verordening nr. 139/2004 ingestelde stelsel van concentratiecontrole marktdeelnemers de verplichting oplegt om hun concentraties bij de Commissie aan te melden, alsmede het verbod inhoudt om die concentraties uit te voeren voordat de Commissie heeft vastgesteld dat zij verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. De Commissie onderzoekt de aanmelding terstond na ontvangst met het oog op de vaststelling van een besluit waarbij zij tot de slotsom komt dat de aangemelde concentratie niet binnen het toepassingsgebied van de verordening valt, of dat er geen ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, of dat concentratie dergelijke twijfels doet rijzen (artikel 6, lid 1, van die verordening). In dat laatste geval wordt een formele onderzoeksprocedure ingeleid die leidt tot een besluit waarbij de verenigbaarheid wordt vastgesteld (artikel 8, leden 1 en 2, van die verordening), of de aangemelde concentratie niet verenigbaar wordt verklaard (artikel 8, lid 3, van verordening nr. 139/2004), of, in het geval van een concentratie die reeds tot stand is gebracht en onverenigbaar is of een voorwaarde schendt, een besluit waarbij de ontbinding van die concentratie wordt gelast (artikel 8, lid 4, van die verordening).

91 Uit de in het vorige punt in herinnering gebrachte bepalingen volgt dat de Commissie een concentratie die in strijd met de verplichting van artikel 4 van die verordening niet bij haar is aangemeld, niet kan onderzoeken om haar eventueel verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Wanneer bij haar echter een klacht wordt ingediend waarin dergelijke feiten worden aangemerkt als een concentratie met een communautaire dimensie in de zin van verordening nr. 139/2004, moet de Commissie zich uitspreken over haar controlebevoegdheid ten aanzien van deze feiten om in voorkomend geval te bepalen of zij een dergelijke concentratie vormen die onrechtmatig is omdat zij niet is aangemeld, en of in een dergelijk geval geldboeten moeten worden opgelegd krachtens artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 139/2004.

92 In casu heeft het Gerecht vastgesteld dat concentratie B8‑28/19 wel door de federale mededingingsautoriteit werd onderzocht maar niet bij de Commissie was aangemeld. De Commissie heeft weliswaar naar behoren rekening gehouden met de verwerving door RWE van een minderheidsdeelneming in E.ON voor de beoordeling van de mogelijke mededingingsinteracties tussen de partijen bij de bij haar aangemelde concentratie M.8871, maar zij hoefde – bij gebreke van een klacht – dus niet ambtshalve haar eigen bevoegdheid met betrekking tot concentratie B8‑28/19 te bepalen.

93 Hieruit volgt dat het Gerecht, zonder dat de uitlegging hoeft te worden onderzocht die het heeft gegeven aan het arrest van 25 september 2003, Schlüsselverlag J. S. Moser e.a./Commissie (C‑170/02 P, EU:C:2003:501, punten 27‑30), geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekwirantes’ grief af te wijzen dat de Commissie zich in het litigieuze besluit had moeten uitspreken over concentratie B8‑28/19.

94 Bovendien moet worden opgemerkt dat het Gerecht, anders dan rekwirantes in hun hogere voorzieningen suggereren, de beoordelingen van de Commissie met betrekking tot de verwerving van een minderheidsdeelneming door RWE in E.ON heeft vermeld en heeft geverifieerd (zie de punten 61‑71 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en punten 60‑70 van arrest T‑317/20; zie ook de punten 269, 308 en 364, laatste zinnen, en 370 e.v. van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20, en de punten 268, 307 en 363, laatste zinnen, en 369 e.v. van de arresten T‑317/20 en T‑319/20).

95 Wat in de tweede plaats de grief betreft dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat omdat, anders dan het Gerecht in de punten 70 en 71 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in de punten 69 en 70 van arrest T‑317/20 heeft vastgesteld, om te beginnen rekwirantes wel degelijk uitleg hadden verstrekt ter ondersteuning van hun beweringen over de invloed en de zeggenschap van RWE binnen E.ON, vervolgens de IRA hun nooit is meegedeeld, en ten slotte die overeenkomst RWE niet belette om daarvan af te wijken bij de uitoefening van haar stemrecht, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat grieven die gericht zijn tegen ten overvloede aangevoerde overwegingen van een beslissing van het Gerecht niet kunnen leiden tot vernietiging van die beslissing, zodat zij niet ter zake dienend zijn (arrest van 28 oktober 2021, Vialto Consulting/Commissie, C‑650/19 P, EU:C:2021:879, punt 86).

96 De door het Gerecht respectievelijk in de punten 65 tot en met 68 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in de punten 64 tot en met 67 van arrest T‑317/20 uiteengezette overwegingen volstaan ter onderbouwing van de afwijzing door het Gerecht in die arresten van het eerste onderdeel van het eerste middel waarmee rekwirantes de Commissie verweten concentratie B8‑28/19 niet te hebben gecontroleerd. Het feit dat zowel punt 69 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 als punt 68 van arrest T‑317/20 begint met „hoe dan ook” bevestigt deze beoordeling.

97 Aangezien rekwirantes er in het stadium van de hogere voorzieningen niet in zijn geslaagd om in het kader van de grief die zij ter ondersteuning van het onderhavige onderdeel van het tweede middel hebben aangevoerd, aan te tonen dat in die punten van de bestreden arresten blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, moet de onderhavige grief worden afgewezen.

98 Wat in de derde plaats het argument betreft van rekwirantes dat het aan de Commissie en het Gerecht stond om de deelneming van RWE van 16,67 % in E.ON te onderzoeken, ook al vormde die afzonderlijk beschouwd geen concentratie in de zin van verordening nr. 139/2004, is in punt 94 van het onderhavige arrest reeds opgemerkt dat de Commissie deze verwerving van een minderheidsdeelneming wel heeft beoordeeld, hetgeen het Gerecht in de bestreden arresten naar behoren heeft vermeld en geverifieerd.

99 In deze omstandigheden moet het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.

2. Tweede onderdeel

a) Argumenten van partijen

100 Rekwirantes merken op dat het Gerecht in de punten 74 tot en met 119 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20, en in de punten 73 tot en met 118 van arrest T‑317/20 hun argumenten heeft afgewezen dat de concentraties M.8871, M.8870 en B8‑28/19 één concentratie vormen. Die uitlegging door het Gerecht van het begrip „concentratie” in de zin van verordening nr. 139/2004 gaat voorbij aan de doelstellingen van het VWEU, aan het belang van overweging 20 van deze verordening, en aan de bewoordingen van de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties. Hoewel overweging 20 niet in de tekst van die verordening is opgenomen, bevestigt de Uniewetgever volgens rekwirantes daarin dat hij het begrip „concentratie” ruim opvat, zonder uit te sluiten dat ook nauw samenhangende ruiltransacties één concentratie kunnen vormen. Op grond van de even ruime bewoordingen van artikel 3 van verordening nr. 139/2004 kunnen verschillende transacties waarbij verschillende ondernemingen zeggenschap verkrijgen over verschillende „andere” ondernemingen bovendien als één concentratie worden beschouwd, hetgeen uiteindelijk niet ter discussie wordt gesteld door artikel 5, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004. Volgens rekwirantes heeft het Gerecht dit bevestigd in zijn arrest van 23 februari 2009, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64, punten 111 e.v.).

101 Anders dan het Gerecht in de punten 84 en 85 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in de punten 83 en 84 van arrest T‑317/20 heeft geoordeeld, heeft de wetgever volgens rekwirantes niet bewust het gezamenlijke onderzoek van ruiltransacties uitgesloten en heeft die wetgever evenmin beslist dat alleen de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties doorslaggevend was. In het groenboek over de herziening van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen [COM(2001) 745 definitief] (hierna: „groenboek”) zou de Commissie ervoor gepleit hebben om ruiltransacties te beschouwen als één concentratie. In de loop van de wetgevingsprocedure heeft de discussie over de voorgenomen herziening er echter uiteindelijk toe geleid dat de toepassing van het begrip „concentratie” in geval van meervoudige overnames wordt gewaarborgd door overweging 20.

102 Bovendien is de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties slechts een interne administratieve maatregel die het Gerecht niet bindt. In haar conclusie in de zaak Austria Asphalt (C‑248/16, EU:C:2017:322) heeft advocaat-generaal Kokott ook duidelijk gemaakt dat deze mededeling geen deel uitmaakte van het relevante rechtskader. Bijgevolg heeft het Gerecht volgens rekwirantes blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn beoordeling van de ruiltransacties te baseren op de punten 41 en 44 van die mededeling en op grond daarvan te weigeren de concentraties M.8871, M.8870 en B8‑28/19 als één concentratie te beschouwen.

103 De Commissie, RWE en E.ON alsook de Duitse regering betwisten de argumenten van rekwirantes.

b) Beoordeling door het Hof

104 Met het tweede onderdeel van het tweede middel, dat in wezen betrekking heeft op de redenering van het Gerecht in de punten 74 tot en met 86 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in de punten 73 tot en met 85 van arrest T‑317/20, verwijten rekwirantes het Gerecht zijn uitlegging van het begrip „één concentratie”. Zij stellen zich op het standpunt dat één concentratie verschillende transacties kan omvatten waarbij ondernemingen zeggenschap verwerven in verschillende andere ondernemingen. De uitlegging door het Gerecht van het begrip „concentratie” in de zin van verordening nr. 139/2004 gaat volgens hen voorbij aan de doelstellingen van het VWEU, aan het belang van overweging 20 van deze verordening en aan de bewoordingen van de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties.

105 In de punten 74 tot en met 77 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in de punten 73 tot en met 76 van arrest T‑317/20 heeft het Gerecht eerst opgemerkt dat het begrip „één concentratie” uitsluitend voorkomt in overweging 20 van verordening nr. 139/2004, en vervolgens dat overweging 20 geen uitputtende definitie bevat van de voorwaarden waaronder twee of meer transacties één concentratie vormen. Het Gerecht heeft er voorts aan herinnerd dat de overwegingen van een verordening weliswaar duidelijkheid kunnen geven over de uitlegging van een rechtsregel, maar niet zelf een dergelijk regel kan zijn en niet kan leiden tot een definitie die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de verordening waarvan zij deel uitmaakt.

106 In punt 78 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in punt 77 van arrest T‑317/20 heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat het begrip „één concentratie” aldus moet worden uitgelegd dat het verenigbaar is met het in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 139/2004 gedefinieerde begrip „concentratie”, zonder de werkingssfeer van die bepaling te verruimen.

107 In de punten 79 en 80 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in de punten 78 en 79 van arrest T‑317/20 heeft het Gerecht uit artikel 3, lid 1, van verordening nr. 139/2004 afgeleid dat om twee of meer transacties als één concentratie in de zin van die verordening te kunnen aanmerken, zij niet alleen onderling moeten samenhangen, in die zin dat zij niet zonder elkaar tot stand kunnen komen, maar zij ook ertoe moeten leiden dat aan een of meer ondernemingen economische zeggenschap wordt verleend over de activiteiten van een of meer andere ondernemingen.

108 In de punten 81 tot en met 86 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in de punten 80 tot en met 85 van arrest T‑317/20 heeft het Gerecht geantwoord op het argument van rekwirantes dat overweging 20 van verordening nr. 139/2004 concreet uitvoering geeft aan de in het groenboek tot uitdrukking gebrachte wens van de Commissie om ruiltransacties van activa in zeer brede zin te beschouwen als één concentratie teneinde te waarborgen dat de transactie als geheel samenhangend wordt beoordeeld. Het Gerecht wijst er in dat verband op dat de Uniewetgever die wens in verordening nr. 139/2004 niet heeft gevolgd, en komt tot de slotsom dat gelet op de voorwaarden die in punt 80 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in punt 79 van arrest T‑317/20 in herinnering zijn gebracht, het begrip „één concentratie” niet van toepassing is wanneer onafhankelijke ondernemingen zeggenschap verkrijgen over verschillende doelen, zoals in het geval van een activaruil.

109 Anders dan rekwirantes betogen, zijn deze beoordelingen van het Gerecht niet in strijd met de doelstellingen van het VWEU en evenmin met het belang van overweging 20 van verordening nr. 139/2004 of de bewoordingen van de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties.

110 Om te beginnen heeft het Gerecht terecht vastgesteld dat overweging 20 van verordening nr. 139/2004 niet bindend is en niet kon leiden tot een definitie van het begrip „één concentratie” die niet in overeenstemming is met artikel 3 van die verordening.

111 Vervolgens heeft het Gerecht, eveneens terecht, in wezen opgemerkt dat uit artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 139/2004 volgt dat twee of meer transacties met het oog op de controle op concentraties slechts één concentratie kunnen vormen indien zij niet alleen onderling samenhangen maar ook ertoe leiden dat aan een onderneming uitsluitende zeggenschap wordt verleend over een of meer andere ondernemingen, of dat twee of meer ondernemingen gezamenlijke zeggenschap over een of meer andere ondernemingen verkrijgen.

112 Het Gerecht heeft evenmin blijk gegeven van een onjuiste opvatting door vast te stellen dat het groenboek tot doel had een raadplegingsproces op gang te brengen, dat het geen verplichting voor de Commissie in het leven had geroepen, en ten slotte dat de voorstellen van dit groenboek betreffende transacties inzake de activaruil niet door de Uniewetgever in verordening nr. 139/2004 waren geconcretiseerd.

113 Met betrekking tot de verwijzing door rekwirantes naar artikel 5, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 moet worden opgemerkt dat deze bepaling slechts vaststelt wanneer meerdere verwervingen voor de berekening van de omzet als één concentratie moeten worden beschouwd. Die bepaling bevat daarentegen geen definitie van het begrip „concentratie” zelf.

114 Wat ten slotte de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht, anders dan rekwirantes stellen, in de punten 84 en 85 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in de punten 83 en 84 van arrest T‑317/20 niet heeft geoordeeld dat alleen die mededeling beslissend is voor de definitie van het begrip „één concentratie”. Het Gerecht heeft er immers op gewezen dat aangezien de voorstellen van het groenboek betreffende transacties inzake activaruil door de Uniewetgever niet waren opgenomen in de definitieve versie van verordening nr. 139/2004, deze voorstellen in casu niet relevant waren, zodat alleen die verordening en die mededeling in dit verband relevant waren. Bovendien kan het enkele feit dat de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties geen bindende kracht heeft, op zich niet tot gevolg hebben dat het Gerecht, door in de bestreden arresten die mededeling in aanmerking te nemen, daarin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, temeer rekwirantes niet aantonen dat de uitlegging van de Commissie in die mededeling geen grondslag vindt in verordening nr. 139/2004.

115 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht in punt 86 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑319/20 en in punt 85 van arrest T‑317/20 terecht tot de slotsom is gekomen dat het begrip „één concentratie” niet van toepassing is wanneer onafhankelijke ondernemingen zeggenschap verkrijgen over verschillende doelen, zoals het geval is bij een activaruil als in casu.

116 Het tweede onderdeel van het tweede middel moet bijgevolg worden afgewezen.

117 Bijgevolg moet het tweede middel van de hogere voorzieningen worden afgewezen.

C. Derde middel: onjuiste toepassing van artikel 2 van verordening nr. 139/2004

1. Eerste onderdeel

a) Argumenten van partijen

118 Rekwirantes betogen dat de punten 205 tot en met 228 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en de punten 204 tot en met 227 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting omdat de kennelijk onjuiste beoordeling door de Commissie van de relevante markt daarin wordt bevestigd.

119 In de punten 220 en 221 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in de punten 219 en 220 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 heeft het Gerecht volgens hen geoordeeld dat „ongeacht de uiteindelijk gehanteerde afbakening van de markt […] de concentratie geen mededingingsprobleem opleverde” en dat rekwirantes „geen specifieke argumenten” hebben aangevoerd noch „concreet [hebben uitgelegd] waarom de Commissie de […] markten anders had moeten afbakenen”. Die voorstelling verdraait volgens rekwirantes de feiten en gaat voorbij aan bewijsvereisten die aan hen kunnen worden opgelegd. In hun verzoekschriften en in een studie die op hun verzoek door een economisch adviesbureau is opgesteld en aan de Commissie is toegezonden (hierna: „Oxera-studie”) hebben rekwirantes namelijk nauwkeurig hun eigen afbakening van de markt en de door hen daaruit getrokken conclusies toegelicht om op grond daarvan de Commissie te verwijten een ontoereikend onderzoek te hebben gevoerd en/of een kennelijke beoordelingsfout te hebben begaan door de markt niet af te bakenen. Het Gerecht beschikte volgens hen dus over alle bewijzen om uitspraak te kunnen doen.

120 Het Gerecht en de Commissie konden volgens rekwirantes de marktafbakening niet achterwege laten. Het litigieuze besluit geeft niet aan waarom de Commissie van mening was dat de toenemende marktmacht van RWE op de markt van de eerste verkoop van elektriciteit ondanks de hierboven genoemde bewijzen en ongeacht hoe de markt werd afgebakend, geen problemen opleverde.

121 De Commissie, RWE, E.ON alsook de Duitse regering betwisten de argumenten van rekwirantes.

b) Beoordeling door het Hof

122 Met het eerste onderdeel van het derde middel betogen rekwirantes dat de punten 205 tot en met 228 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en de punten 204 tot en met 227 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht de kennelijke fout niet heeft veroordeeld die de Commissie volgens hen in het litigieuze besluit bij de beoordeling van de betrokken markt had gemaakt.

123 Wat de toetsing door het Hof in hogere voorziening betreft, dient eraan te worden herinnerd dat de hogere voorziening volgens artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om het bewijs te beoordelen. De beoordeling van de feiten en van de bewijsstukken levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening (arrest van 16 januari 2019, Commissie/United Parcel Service, C‑265/17 P, EU:C:2019:23, punt 11 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

124 Wanneer een rekwirant stelt dat feiten en bewijsstukken door het Gerecht onjuist zijn opgevat, moet hij bovendien precies aangeven welke elementen volgens hem onjuist zijn opgevat en aantonen welke fouten in de analyse tot die onjuiste opvatting in de beoordeling van het Gerecht hebben geleid (arrest van 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die onjuiste opvatting veronderstelt dat het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van het bewijs heeft overschreden [arrest van 4 juli 2024, Portugal/Commissie (Vrijhandelszone van Madeira), C‑736/22 P, EU:C:2024:579, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Het is dus niet voldoende om aan te tonen dat het Gerecht een document anders had kunnen uitleggen. Ten slotte moet de onjuiste opvatting duidelijk blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 13 juli 2023, Commissie/CK Telecoms UK Investments, C‑376/20 P, EU:C:2023:561, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

125 Bovendien is het Hof ook niet bevoegd om het bewijs te onderzoeken dat het Gerecht ten grondslag heeft gelegd aan de door die rechter vastgestelde feiten aangezien alleen het Gerecht de bevoegdheid heeft om de waarde van de overgelegde bewijzen te beoordelen (zie in die zin arrest van 24 januari 2002, Conserve Italia/Commissie, C‑500/99 P, EU:C:2002:45, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Gerecht is ook bij uitsluiting bevoegd om te beslissen of die bewijzen volstaan of aanvulling behoeven (zie in die zin arrest van 22 november 2007, Sniace/Commissie, C‑260/05 P, EU:C:2007:700, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126 Wat het criterium voor het toezicht door het Gerecht op het litigieuze besluit betreft, dient eraan te worden herinnerd dat – zoals door het Hof is geoordeeld in de context van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 1989, L 395, blz. 1) (arrest van 15 februari 2005, Commissie/Tetra Laval, C‑12/03 P, EU:C:2005:87, punt 38) – de materieelrechtelijke voorschriften van verordening nr. 139/2004 aan de Commissie een zekere discretionaire bevoegdheid geven, met name voor economische beoordelingen. Bijgevolg moet de Unierechter bij zijn toezicht op de uitoefening van een dergelijke bevoegdheid, die van wezenlijk belang is voor de invulling van de regels inzake concentraties, rekening houden met de aan de economische normen van de concentratieregeling ten grondslag liggende beoordelingsmarge.

127 Bovendien kan het Gerecht in het kader van het toezicht dat het uitoefent op de ingewikkelde economische beoordelingen van de Commissie, zijn economische beoordeling niet in de plaats stellen van die van de Commissie (zie in die zin arresten van 2 september 2010, Commissie/Scott, C‑290/07 P, EU:C:2010:480, punten 64 en 66, en 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, EU:C:2013:32, punt 75). Derhalve heeft de toetsing door het Gerecht van de ingewikkelde economische beoordelingen die de Commissie heeft verricht in de uitoefening van de haar bij verordening nr. 139/2004 verleende bevoegdheid, betrekking op de vraag of de procedure‑ en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid (arrest van 13 juli 2023, Commissie/CK Telecoms UK Investments, C‑376/20 P, EU:C:2023:561, punt 84).

128 In casu en in het licht van het voorgaande moet worden opgemerkt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door er in punt 210 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in punt 209 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 aan te herinneren dat de bepaling van de relevante markt, aangezien zij voor de Commissie een ingewikkelde economische beoordeling inhoudt, slechts aan een beperkte toetsing door het Gerecht is onderworpen.

129 In de punten 219 tot en met 228 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in de punten 218 tot en met 227 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 heeft het Gerecht de motivering van het litigieuze besluit en het betoog van rekwirantes onderzocht en vastgesteld dat zij niet hadden aangetoond dat de Commissie bij de bepaling van de relevante markt een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt.

130 Wat de grief van rekwirantes betreft dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat en is voorbijgegaan aan de bewijsvereisten die kunnen worden opgelegd doordat het heeft opgemerkt dat zij geen enkel specifiek argument hebben aangevoerd ter weerlegging van het standpunt van de Commissie dat de concentratie, ongeacht de uiteindelijk in aanmerking genomen marktafbakening geen mededingingsproblemen opleverde, moet die grief worden afgewezen. Uit een gezamenlijke lezing van die punten, in het licht van de grenzen waarbinnen het Gerecht de ingewikkelde economische beoordelingen van de Commissie toetst, blijkt namelijk dat het Gerecht daarin niet heeft gesteld dat de ingestelde beroepen geen argumenten bevatten tegen de beoordeling van de Commissie betreffende de bepaling van de relevante markt. In dit verband heeft het Gerecht overigens specifiek verwezen naar het betoog van rekwirantes dat de markt voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen waarop de Gesetz für den Ausbau erneuerbarer Energien (Erneuerbare-Energien-Gesetz – EEG 2017) (Duitse wet inzake hernieuwbare energie) van 21 juli 2014 (BGBl. 2014 I, blz. 1066) (hierna: „wet hernieuwbare energie”) van toepassing is, een autonome markt is. Het Gerecht heeft echter in wezen vastgesteld dat er over de specifieke kenmerken van de verschillende energiebronnen, over het feit dat zij niet onderling verwisselbaar zijn, en over de mededingingsvoorwaarden en de structuur van vraag en aanbod, geen informatie was die in het kader van zijn beperkte toetsing de vaststelling rechtvaardigde dat de Commissie een kennelijke fout had gemaakt bij haar beoordeling van de relevante markt. Anders dan rekwirantes stellen, wijzigt het Gerecht niet de bewijsvereisten die gelden voor elke partij die zich op een feit beroept, maar merkt het in die punten van de bestreden arresten enkel op dat de door hen aangevoerde elementen niet kunnen afdoen aan de beoordelingen van de Commissie betreffende de relevante productmarkt.

131 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat rekwirantes met hun grief in werkelijkheid trachten voor het Hof op te komen tegen de beoordeling door het Gerecht van de bewijzen waarover het beschikte, en om van het Hof een nieuw onderzoek van de feiten te verkrijgen. Zoals blijkt uit punt 123 van het onderhavige arrest, levert de beoordeling van de feiten en de bewijzen, behoudens het geval van een onjuiste opvatting, in casu geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof.

132 Het eerste onderdeel van het derde middel moet derhalve worden afgewezen.

2. Tweede onderdeel

a) Argumenten van partijen

133 Rekwirantes betogen dat het Gerecht in de punten 229 tot en met 259 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in de punten 228 tot en met 258 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de prospectieve analyse van de gevolgen van de concentratie goed te keuren. Die analyse was volgens hen ontoereikend omdat daarin een te korte onderzoeksperiode in aanmerking werd genomen.

134 In de eerste plaats heeft het Gerecht volgens rekwirantes namelijk in de punten 233 en 234 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in de punten 232 en 233 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 ten onrechte gesuggereerd dat een onderzoek van de marktaandelen volstond en dat de door rekwirantes aangevoerde elementen „hypothetische gegevens [zijn] waarvan de economische draagwijdte niet kan worden beoordeeld”„met een redelijke foutenmarge”.

135 In de tweede plaats heeft het Gerecht volgens rekwirantes in de punten 235 tot en met 239 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in de punten 234 tot en met 238 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 de Commissie ten onrechte niet bekritiseerd omdat zij onvoldoende rekening heeft gehouden met de ontwikkeling van de energietransitie en de kernuitstap op 31 december 2022 door voor de gevolgen van de concentratie voor de marktaandelen van RWE een algemeen onderscheid te maken tussen de periode vóór 2022 en de periode daarna. Ten eerste heeft het Gerecht zelf vastgesteld dat de overwegingen van de Commissie beperkt waren tot de marktaandelen van RWE, hetgeen geen rekening houdt met de bijzonderheden van de markt voor de eerste verkoop van elektriciteit. Ten tweede heeft de Commissie in de punten 30, 35, 62 en 65 van het litigieuze besluit de gevolgen van de concentratie na 2022 onvoldoende onderzocht en enkel vastgesteld dat de door E.ON overgedragen nucleaire capaciteit zou verdwijnen met de kernuitstap in 2022 en dat die gevolgen dus beperkt zouden zijn. Dit is echter volgens rekwirantes niet in overeenstemming met artikel 2 van verordening nr. 139/2004, dat vereist dat bij de prospectieve analyse zeer zorgvuldig te werk wordt gegaan, aangezien de transactie als geheel en de duurzame verdwijning van de potentiële mededinging van E.ON de mededinging op de markt van de eerste verkoop van elektriciteit ongunstig zouden beïnvloeden, zelfs na de stopzetting van het gebruik van de productiecapaciteit van de kerncentrales in 2022. Ten derde kan er geen sprake zijn van een zorgvuldige prospectieve analyse aangezien de Commissie in punt 62 van het litigieuze besluit, waarnaar de bestreden arresten verwijzen (punt 236 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en punt 235 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20) zelf erkent dat zij dienaangaande geen volledig onderzoek heeft verricht. De voorstelling van de feiten in de bestreden arresten is niet in overeenstemming met de inhoud van het litigieuze besluit en komt neer op een onjuiste opvatting van dat besluit in het nadeel van rekwirantes.

136 In de derde plaats dicht het Gerecht door in punt 240 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in punt 239 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 te verklaren dat „redelijkerwijs kan worden aangenomen dat [de Commissie] zich voor haar analyse heeft gebaseerd op een periode van drie tot vijf jaar vanaf de aanmelding van de concentratie in 2019” de Commissie prognoses toe die niet blijken uit het litigieuze besluit, waardoor het de feiten verdraait.

137 Dat vermeende vooruitzicht over een periode van drie tot vijf jaar kan volgens rekwirantes echter ook geen voorzichtige prognose vormen aangezien die periode duidelijk te kort is om de gevolgen van de concentratie op de markt van de eerste verkoop van elektriciteit te onderzoeken. Bovendien heeft het Gerecht geoordeeld dat de door de Commissie in andere procedures in aanmerking genomen perioden van tien tot vijftien jaar irrelevant waren, terwijl die zaken, zoals in casu, betrekking hadden op prognoses op de markten voor elektriciteitsopwekking. Evenmin is het juist dat de Commissie niet over gegevens beschikte die haar in staat stelden „een prospectieve analyse op langere termijn uit te voeren” (punten 246 e.v. van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en punten 245 e.v. van de arresten T‑317/20 en T‑319/20). Ten slotte heeft het Gerecht volgens rekwirantes in punt 257 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in punt 256 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 ook ten onrechte geoordeeld dat er van de door hen aangevoerde verstoring van de mededinging als gevolg van de financiering door de Duitse regering van de afbouw van steenkool door RWE geen sprake was omdat deze financiering in zaak SA.58181 in overeenstemming met de staatssteunbepalingen is verklaard.

138 De Commissie, RWE, E.ON alsook de Duitse regering betwisten de argumenten van rekwirantes.

b) Beoordeling door het Hof

139 Met het tweede onderdeel van het derde middel, dat betrekking heeft op de punten 229 tot en met 259 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en de punten 228 tot en met 258 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20, betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de prospectieve analyse van de gevolgen van de concentratie goed te keuren. Die analyse was volgens hen ontoereikend omdat daarin een te korte onderzoeksperiode in aanmerking werd genomen.

140 In de punten 231 tot en met 235 van de arresten T‑312/20, T‑313/20 en T‑315/20 en in de punten 230 tot en met 234 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20 heeft het Gerecht onder verwijzing naar artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr. 139/2004 in herinnering gebracht dat bij de concentratiecontrole van de Commissie wordt verlangd dat zij een prognose maakt over de toekomstige ontwikkeling van de markt. Het Gerecht heeft erop gewezen dat bij die prospectieve analyse zeer zorgvuldig te werk moet worden gegaan omdat het er niet om gaat gebeurtenissen uit het verleden te onderzoeken – waarvoor vaak veel gegevens beschikbaar zijn om de oorzaken ervan te kunnen begrijpen – maar om gebeurtenissen te voorzien die zich met meer of minder grote waarschijnlijkheid in de toekomst zullen voordoen indien geen besluit wordt vastgesteld dat de voorgenomen concentratie verbiedt of de voorwaarden ervan preciseert. Het Gerecht heeft verduidelijkt dat voor een prospectieve analyse die bestaat in het onderzoek van de veranderingen die een concentratie kan teweegbrengen in de factoren die de mededingingssituatie op een bepaalde markt bepalen, moet worden onderzocht welke oorzaken welke gevolgen kunnen hebben om uit te maken welke scenario’s het meest waarschijnlijk zijn. Ten slotte heeft het Gerecht in herinnering gebracht dat de beoordeling van een concentratie enkel gebeurt op basis van de feitelijke en juridische omstandigheden die bestonden op het tijdstip van de aanmelding van die transactie, en niet op basis van hypothetische gegevens waarvan de economische draagwijdte niet kan worden beoordeeld op het tijdstip van het goedkeuringsbesluit. Het Gerecht heeft hieruit afgeleid dat van de Commissie wordt verwacht dat zij de gevolgen van de concentratie beoordeelt over een periode die niet langer mag duren dan de periode waarin bepaalde gebeurtenissen zich met voldoende zekerheid zullen voordoen. Van de Commissie kan niet worden verlangd dat zij een prospectieve analyse verricht op basis van factoren waarvan zij de gevolgen op lange termijn niet met een redelijke foutenmarge kan voorzien.

141 Het Gerecht heeft opgemerkt dat de Commissie in het litigieuze besluit een onderscheid heeft gemaakt tussen twee perioden, de eerste van de totstandbrenging van de concentratie tot en met 31 december 2022, de datum die door de Duitse wetgever was vastgesteld voor de kernuitstap, en de tweede na die datum. Het merkte daarbij op dat de Commissie evenwel niet heeft gepreciseerd welke maximumtermijn zij heeft gehanteerd voor die tweede periode en dat redelijkerwijze kon worden aangenomen dat die instelling zich voor haar analyse had gebaseerd op een periode van drie tot vijf jaar vanaf de aanmelding van die concentratie in 2019 (punten 236-240 van de arresten T‑312/20, T‑313/20, T‑315/20 en T‑317/20 en punten 235‑239 van de arresten T‑317/20 en T‑319/20).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in