HvJ EU 23 oktober 2025, C-281/23, ECLI:EU:C:2025:822
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
23 oktober 2025 ( *1 )
„Hogere voorziening – Interne markt voor elektriciteit – Verordening (EU) 2019/942 – Raad van beroep van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) – Verordening (EU) 2017/2195 – Artikelen 20, 21 en 37 – Elektrische balanceringsenergie – Transmissiesysteembeheerders – Oprichting van Europese platforms voor de uitwisseling van balanceringsenergie – Europees platform voor de uitwisseling van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves met manuele activering (mFRR) – Europees platform voor de uitwisseling van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves met automatische activering (aFRR) – Opstelling en goedkeuring van de kaders voor de tenuitvoerlegging van deze platforms – Voor de werking van die platforms vereiste functies – Capaciteit voor de zoneoverschrijdende uitwisseling van balanceringsenergie – Besluit van ACER tot afwijzing van het gezamenlijke voorstel van de systeembeheerders”
In de gevoegde zaken C‑281/23 P en C‑282/23 P,
betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 30 april 2023,
Polskie sieci elektroenergetyczne S.A., gevestigd te Konstancin‑Jeziorna (Polen),
RTE Réseau de transport d’électricité, gevestigd te Parijs (Frankrijk),
Svenska kraftnät, gevestigd te Sundbyberg (Zweden),
TenneT TSO BV, gevestigd te Arnhem (Nederland),
vertegenwoordigd door B. Byrne, advocaat, D. Jubrail, solicitor, en M. Levitt, avocat,
rekwirantes,
andere partij in de procedure:
Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), vertegenwoordigd door P. Martinet, A. Tellidou en E. Tremmel als gemachtigden, bijgestaan door E. Abril Fernández en E. Ameye, abogados, en M. de Sousa Ferro, advogado,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, en M. Z. Csehi (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Lamote, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 oktober 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met hun twee hogere voorzieningen van 30 april 2023 vorderen Polskie sieci elektroenergetyczne S.A., RTE Réseau de transport d’électricité, Svenska kraftnät en TenneT TSO BV vernietiging van respectievelijk het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 15 februari 2023, Austrian Power Grid e.a./ACER (T‑606/20, EU:T:2023:64) en het arrest van het Gerecht van 15 februari 2023, Austrian Power Grid e.a./ACER (T‑607/20, EU:T:2023:65) (hierna: „bestreden arresten”), waarbij het Gerecht de beroepen tot nietigverklaring ongegrond heeft verklaard die waren gericht tot de beslissingen A‑001‑2020 (geconsolideerd) en A‑002‑2020 (geconsolideerd) van de raad van beroep van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) van 16 juli 2020 (hierna: „litigieuze beslissingen”), waarbij de besluiten 02/2020 en 03/2020 van ACER van 24 januari 2020 (hierna: „besluiten van ACER”) zijn bekrachtigd, die betrekking hadden op het tenuitvoerleggingskader voor het Europees platform voor de uitwisseling van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves met automatische activering (hierna: „aFRR‑platform”) en het tenuitvoerleggingskader voor het Europees platform voor de uitwisseling van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves met manuele activering (hierna: „mFRR‑platform”).
I. Toepasselijke bepalingen
A. Verordening 2017/2195
2 De overwegingen 1, 6, 7 en 10 van verordening (EU) 2017/2195 van de Commissie van 23 november 2017 tot vaststelling van richtsnoeren voor elektriciteitsbalancering (PB 2017, L 312, blz. 6) luiden als volgt: „(1) Een volledig operationele en geïnterconnecteerde interne energiemarkt is van essentieel belang voor de energievoorzieningszekerheid, de versterking van het concurrentievermogen en redelijke energieprijzen voor alle consumenten. [...] (6) Deze verordening streeft naar een optimaal beheer en een gecoördineerde werking van het Europees elektriciteitstransmissiesysteem, ondersteunt de doelstelling van de [Europese] Unie om te zorgen voor een doorbraak van hernieuwbare energieopwekking, en levert voordelen op voor de klanten. De [transmissiesysteembeheerders (TSB’s)], voor zover relevant in samenwerking met de [distributiesysteembeheerders (DSB’s)], zijn verantwoordelijk voor het organiseren van Europese balanceringsmarkten en moeten streven naar de integratie van die markten, waarbij het systeem op de meest efficiëntie manier in balans moet worden gehouden. Om dit te verwezenlijken, moeten de TSB’s nauw samenwerken, zowel onderling als met de DSB’s; zij moeten hun activiteiten zo veel mogelijk op elkaar afstemmen om een efficiënt elektriciteitssysteem tot stand te brengen in alle regio’s en voor alle spanningsniveaus, zonder de mededingingswetgeving te overtreden. (7) [...] De TSB’s moeten echter verantwoordelijk blijven voor de taken die hen krachtens [richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158, blz. 125)] zijn toevertrouwd, voor de ontwikkeling van methodologieën die voor heel Europa gelden, en voor de toepassing en exploitatie van de Europese balanceringsplatforms. Als de deskundigheid en ervaring met onbalansverrekening in een lidstaat bij een derde partij berust, kan de TSB van de lidstaat de andere TSB’s en het [Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSO‑E)] vragen om die derde partij de gelegenheid te geven om hulp te bieden bij de opstelling van het voorstel [voor de bij deze verordening vereiste voorwaarden of methodologieën]. De TSB van de lidstaat blijft echter verantwoordelijk voor het opstellen van het voorstel, samen met alle andere TSB’s; deze verantwoordelijkheid kan niet worden overgedragen aan een derde partij. [...] (10) De integratie van energiebalanceringsmarkten moet worden gefaciliteerd door de oprichting van gemeenschappelijke Europese platforms die het uitvoeren van het onbalansnettingsproces en het uitwisselen van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves en vervangingsreserves mogelijk maken. De samenwerking tussen TSB’s moet strikt worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor het efficiënte en veilige ontwerp, de implementatie en de werking van die Europese platforms.”
3 Artikel 2 van deze verordening, met als opschrift „Definities”, luidt: „Voor de toepassing van deze verordening [...] wordt verstaan onder: [...] (1) ‚balancering’: alle acties en processen, op alle tijdslijnen, waarmee [TSB’s] permanent garanderen dat de systeemfrequentie stabiel blijft binnen een vooraf bepaald bereik [...]; [...] (4) ‚balanceringsenergie’: energie die door TSB’s wordt gebruikt om de balancering uit te voeren en die door een [‚aanbieder van balanceringsdiensten’ of ‚BSP’ (Balancing Service Provider)] wordt geleverd; [...] (24) ‚uitwisseling van balanceringsenergie’: de activering van biedingen voor balanceringsenergie voor de levering van balanceringsenergie aan een TSB in een andere programmeringszone dan die waarin de geactiveerde BSP is aangesloten; [...] (39) ‚activeringsoptimaliseringsfunctie’: de functie voor het bedienen van het algoritme dat wordt toegepast om de activering van balanceringsenergiebiedingen te optimaliseren; [...]”
4 Artikel 3 van die verordening, „Doelstellingen en regelgevende aspecten”, bepaalt in lid 1, onder c), en lid 2, onder c): „1. Met deze verordening worden de volgende doelstellingen nagestreefd: [...] c) de balanceringsmarkten integreren en de mogelijkheden voor de uitwisseling van balanceringsdiensten bevorderen, en tegelijk bijdragen tot de operationele veiligheid; [...] 2. Bij de toepassing van deze verordening zorgen de lidstaten, relevante regulerende instanties en systeembeheerders ervoor dat zij: [...] c) het beginsel toepassen van optimalisering tussen de hoogste totale efficiëntie en laagste totale kosten voor alle betrokken partijen”.
5 Artikel 20 van voornoemde verordening, „Europees platform voor de uitwisseling van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves met manuele activering”, bepaalt in de leden 1 tot en met 3: „1. Uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening stellen alle TSB’s een voorstel op voor het tenuitvoerleggingskader voor een Europees platform voor de uitwisseling van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves met manuele activering. 2. Het Europees platform voor de uitwisseling van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves met manuele activering, dat wordt geëxploiteerd door TSB’s of via een entiteit die de TSB’s zelf oprichten, is gebaseerd op gemeenschappelijke beheersbeginselen en bedrijfsprocessen en bestaat uit minstens de activeringsoptimaliseringsfunctie en de functie voor [het verrekenen van samenwerkingsprocessen tussen de TSB’s (TSB‑TSB-verrekening)]. Dit Europees platform past een multilateraal [model voor de uitwisseling van balanceringsdiensten waarin de BSP balanceringsdiensten verstrekt aan zijn connecterende TSB, die vervolgens deze balanceringsdiensten verstrekt aan de verzoekende TSB (TSB‑TSB-model)] toe met gemeenschappelijke biedladders voor de uitwisseling van alle balanceringsenergiebiedingen van alle standaardproducten voor frequentieherstelreserves met manuele activering, behalve voor onbeschikbare biedingen overeenkomstig artikel 29, lid 14. 3. Het voorstel in lid 1 omvat ten minste: a) de algemene structuur van het Europees platform; [...] c) de definitie van de functies die vereist zijn voor de werking van het Europees platform; [...]”
6 Artikel 21 van verordening 2017/2195, „Europees platform voor de uitwisseling van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves met automatische activering”, luidt in de leden 1 tot en met 3: „1. Uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening stellen alle TSB’s een voorstel op voor het tenuitvoerleggingskader voor een Europees platform voor de uitwisseling van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves met automatische activering. 2. Het Europees platform voor de uitwisseling van balanceringsenergie uit frequentieherstelreserves met automatische activering, dat wordt beheerd door de TSB’s of via een entiteit die de TSB’s zelf oprichten, is gebaseerd op gemeenschappelijke beheersbeginselen en bedrijfsprocessen en bestaat uit minstens de activeringsoptimaliseringsfunctie en de functie voor TSB‑TSB-verrekening. Dit Europees platform past een multilateraal TSB‑TSB-model toe met gemeenschappelijke biedladders voor de uitwisseling van alle balanceringsenergiebiedingen van alle standaardproducten voor frequentieherstelreserves met automatische activering, behalve voor onbeschikbare biedingen overeenkomstig artikel 29, lid 14. 3. Het voorstel in lid 1 omvat ten minste: a) de algemene structuur van het Europees platform; [...] c) de definitie van de functies die vereist zijn voor de werking van het Europees platform; [...]”
7 Artikel 37 van deze verordening, „Berekening van zoneoverschrijdende capaciteit”, bepaalt in de leden 1 tot en met 3: „1. Na de gate-sluitingstijd van de zoneoverschrijdende intradaymarkt actualiseren de TSB’s voortdurend de beschikbaarheid van zoneoverschrijdende capaciteit voor de uitwisseling van balanceringsenergie of voor de werking van het onbalansnettingsproces. De zoneoverschrijdende capaciteit wordt geactualiseerd telkens wanneer een gedeelte van de zoneoverschrijdende capaciteit is gebruikt of wanneer de zoneoverschrijdende capaciteit is herberekend. 2. Vóór de toepassing van de in lid 3 bedoelde methodologie voor capaciteitsberekening gebruiken TSB’s de zoneoverschrijdende capaciteit die overblijft na de gate-sluitingstijd van de zoneoverschrijdende intradaymarkt. 3. Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening stellen alle TSB’s van een capaciteitsberekeningsregio een methodologie op voor zoneoverschrijdende capaciteitsberekening binnen het balanceringstijdsbestek voor de uitwisseling van balanceringsenergie of voor het gebruik van het onbalansnettingsproces. Deze methodologie moet marktverstoringen voorkomen en moet samenhangend zijn met de overeenkomstig verordening (EU) 2015/1222 [van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB 2015, L 197, blz. 24)] vastgestelde methodologie voor zoneoverschrijdende capaciteitsberekening voor de intradaymarkt.”
B. Verordening 2019/942
8 Artikel 6 van verordening (EU) 2019/942 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (PB 2019, L 158, blz. 22), „Taken van ACER in verband met de regulerende instanties”, bepaalt in lid 10: „[...] ACER is bevoegd de in de eerste alinea gespecificeerde individuele beslissingen te nemen in de volgende situaties: a) indien de bevoegde regulerende instanties niet in staat zijn gebleken overeenstemming te bereiken binnen zes maanden vanaf de datum waarop het geval naar de laatste van deze regulerende instanties is verwezen, of binnen vier maanden vanaf die datum in gevallen bedoeld in artikel 4, lid 7, van deze verordening of artikel 59, lid 1, onder c), of artikel 62, lid 1, onder f), van [richtlijn 2019/944], of b) in reactie op een gezamenlijk verzoek van de bevoegde regulerende instanties. [...]”
II. Voorgeschiedenis van het geding
9 De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht uiteengezet in de punten 2 tot en met 18 van de bestreden arresten en kan ten behoeve van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.
10 Verordening 2017/2195 voorziet in de oprichting van verscheidene Europese platforms voor de uitwisseling van balanceringsenergie, waaronder met name de mFRR‑ en aFRR‑platforms.
11 Op 18 december 2018 hebben de TSB’s alle nationale regulerende instanties (hierna: „NRI’s”) verzocht om goedkeuring van hun gezamenlijke voorstellen voor methoden voor de uitvoering van de mFRR‑ en aFRR‑platforms. Bij brief van 24 juli 2019 heeft de voorzitter van het forum van energieregulatoren (FER) ACER namens alle NRI’s meegedeeld dat zij gezamenlijk hadden besloten om ACER te verzoeken een besluit te nemen over deze voorstellen.
12 Na verschillende uitwisselingen tussen ACER, de NRI’s en de TSB’s naar aanleiding waarvan ACER de eerste tot en met derde voorstellen van de TSB’s heeft afgewezen, hebben de TSB’s op 18 december 2019 een gewijzigde versie van hun derde methodologievoorstel aan ACER voorgelegd.
13 De TSB’s stelden in essentie voor om één enkele entiteit, dat wil zeggen één TSB of een in handen van de TSB’s zijnde vennootschap, verantwoordelijk te maken voor de uitvoering van de specifiek voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms vereiste functies, namelijk de functie van activeringsoptimalisering en die van TSB‑TSB-verrekening, en dat de functie van het beheer van de zoneoverschrijdende capaciteit voor de uitwisseling van balanceringsenergie of voor het gebruik van het onbalansnettingsproces (hierna: „capaciteitsbeheersfunctie”), een platformoverschrijdende functie, kon worden toevertrouwd aan een andere individuele entiteit, te weten één TSB of een in handen van de TSB’s zijnde vennootschap.
14 Op 20 december 2019 heeft ACER een definitieve versie van zijn ontwerpbesluiten betreffende de mFRR‑ en aFRR-methodologie opgesteld, die ter kennis van de TSB’s is gebracht.
15 Op 24 januari 2020 heeft ACER twee besluiten vastgesteld over de mFRR‑ en aFRR-methodologieën. In deze besluiten heeft ACER in essentie besloten dat alle TSB’s een entiteit aanwijzen – hetzij een TSB, hetzij een in handen van de TSB’s zijnde vennootschap – die verantwoordelijk zal zijn voor de uitvoering van de activeringsoptimaliseringsfunctie en de TSB‑TSB-verrekeningsfunctie van de mFRR‑ en aFRR‑platforms. Uiterlijk acht maanden voordat de capaciteitsbeheersfunctie een voor de werking van deze platforms vereiste functie wordt, stellen alle TSB’s een voorstel tot wijziging van de tenuitvoerleggingskaders van die platforms op, waarin de entiteit wordt aangewezen die verantwoordelijk zal zijn voor de uitvoering van de capaciteitsbeheersfunctie en waarin wordt gespecificeerd of voornoemde platforms door één enkele entiteit of door meer dan één entiteit zullen worden geëxploiteerd.
16 Op 23 maart 2020 hebben Austrian Power Grid AG, ČEPS, a.s., Polskie sieci elektroenergetyczne, Red Eléctrica de España SA, RTE Réseau de transport d’électricité, Svenska kraftnät, TenneT TSO BV en TenneT TSO GmbH bij de raad van beroep van ACER twee beroepen ingesteld tegen deze besluiten van ACER.
17 Op 16 juli 2020 heeft de raad van beroep van ACER bij de litigieuze beslissingen deze twee beroepen verworpen en de besluiten van ACER bevestigd.
III. Procedure bij het Gerecht en bestreden arresten
18 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 september 2020, hebben rekwirantes twee beroepen ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze beslissingen voor zover deze hen betreffen.
19 Ter ondersteuning van deze beroepen voerden rekwirantes drie middelen aan. Met hun eerste middel, dat bestaat uit twee onderdelen, stelden zij dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet vast te stellen dat ACER met de betrokken besluiten zijn bevoegdheid te buiten was gegaan. Rekwirantes betoogden in essentie dat de raad van beroep ten onrechte tot de slotsom was gekomen dat, ten eerste, ACER niet was afgeweken van het gemeenschappelijke standpunt van de NRI’s zoals dat bleek uit de gezamenlijke verzoeken, en, ten tweede, ACER hoe dan ook mocht afwijken van het gemeenschappelijke standpunt van de NRI’s.
20 Vervolgens betoogden rekwirantes met hun tweede middel, dat bestond uit acht onderdelen, met name dat de raad van beroep blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te constateren dat de opname van de capaciteitsbeheersfunctie in de functies die vereist zijn voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms, niet door ACER aan de TSB’s was opgelegd, maar een rechtstreeks gevolg was van de toepassing van verordening 2017/2195.
21 Ten slotte voerden zij met hun derde middel met name aan dat de raad van beroep een onjuist toetsingsniveau had gehanteerd door de besluiten van ACER slechts in beperkte mate te toetsen, dat wil zeggen door deze toetsing te beperken tot het opsporen van kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot complexe feitelijke kwesties van technische aard.
22 Bij de bestreden arresten heeft het Gerecht deze twee beroepen verworpen.
23 Vooraf heeft het Gerecht in de punten 24 en 25 van de bestreden arresten de tweede vordering van rekwirantes beroepen tot nietigverklaring niet‑ontvankelijk verklaard voor zover deze was gericht tegen de besluiten van ACER en de bijlagen daarbij. Het Gerecht heeft geoordeeld dat rekwirantes niet‑bevoorrechte partijen waren en dus voor het Gerecht enkel de beslissingen van de raad van beroep konden aanvechten. Derhalve heeft het Gerecht zich in dat arrest beperkt tot een toetsing van de rechtmatigheid van die beslissingen.
24 In antwoord op het eerste middel heeft het Gerecht in wezen vastgesteld dat ACER bevoegd is om uitspraak te doen, of individuele besluiten te nemen, over regelgevingskwesties of ‑problemen die onder de bevoegdheid van de NRI’s vallen, zoals de ontwikkeling van methodologieën voor de tenuitvoerlegging van mFRR‑ en aFRR‑platforms, wanneer, zoals in casu, de NRI’s daartoe bij ACER een gezamenlijk verzoek hebben ingediend, waarbij zijn bevoegdheid niet beperkt is tot de punten van onenigheid tussen de betrokken instanties.
25 Dienaangaande heeft het Gerecht ook opgemerkt dat uit de toelichting bij de voorstellen voor verordening 2019/942 en verordening (EG) nr. 713/2009, die voorheen van toepassing was, blijkt dat de Uniewetgever duidelijk de bedoeling had om ervoor te zorgen dat besluiten over grensoverschrijdende kwesties doeltreffender en sneller werden genomen door de eigen beslissingsbevoegdheid van ACER te versterken. Hieruit volgt volgens het Gerecht, zoals blijkt uit punt 48 van de bestreden arresten, dat ACER met name eigen reguleringstaken en besluitvormingsbevoegdheden heeft gekregen, die het in volledige onafhankelijkheid en onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent, teneinde in de plaats van de NRI’s te kunnen optreden wanneer hun vrijwillige samenwerking hen niet in staat stelt individuele besluiten te nemen over kwesties of specifieke problemen die onder hun regulerende bevoegdheid vallen.
26 Bijgevolg is het Gerecht in punt 60 van die arresten tot de slotsom gekomen dat de raad van beroep geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet vast te stellen dat ACER de grenzen van zijn bevoegdheid had overschreden door te beslissen op punten van de mFRR‑ en aFRR‑methodologieën waarover de NRI’s overeenstemming hadden bereikt. Dientengevolge heeft het Gerecht het eerste middel in zijn geheel afgewezen.
27 In antwoord op het tweede middel heeft het Gerecht in de punten 120, 122 en 124 van de bestreden arresten met name geoordeeld dat de opname van de capaciteitsbeheersfunctie in de functies die vereist zijn voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms, niet door ACER aan de TSB’s was opgelegd, maar voortvloeide uit de toepassing van verordening 2017/2195.
28 In dit verband heeft het Gerecht onderzocht of capaciteitsbeheer een van de voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms vereiste functies in de zin van verordening 2017/2195 is. Het heeft meteen verduidelijkt dat deze opname bepalend is voor de beoordeling of de door de TSB’s opgestelde voorstellen moeten voldoen aan de aanvullende eisen van die verordening wanneer zij, zoals in casu, meerdere entiteiten willen aanwijzen om de verschillende vereiste functies te vervullen. Zo heeft het Gerecht in punt 105 van de bestreden arresten vastgesteld dat, overeenkomstig voornoemde verordening, de door de TSB’s ingediende methodologievoorstellen een omschrijving moeten bevatten van de functies die vereist zijn voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms. In dit verband heeft het geoordeeld dat uit een letterlijke uitlegging van die verordening weliswaar volgt dat deze platforms ten minste de activeringsoptimaliseringsfunctie en de TSB‑TSB-verrekeningsfunctie moeten omvatten, maar niet is uitgesloten dat een andere functie, zoals de capaciteitsbeheersfunctie, ook noodzakelijk wordt geacht voor de werking van die platforms, met name indien de toevoeging van die functie nodig is voor het verzekeren van een algemene structuur van de platforms op basis van gemeenschappelijke beheersbeginselen en bedrijfsprocessen.
29 Voorts heeft het Gerecht in punt 110 van de bestreden arresten opgemerkt dat een uitlegging van het begrip „functie die vereist is voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms”, bezien vanuit de context en de doelstellingen van verordening 2017/2195, erop wijst dat deze functie zowel technisch als juridisch noodzakelijk is voor een doeltreffende en veilige ingebruikname en werking van deze platforms.
30 Juridisch gezien verplicht deze verordening de TSB’s namelijk ertoe om de beschikbare zoneoverschrijdende transmissiecapaciteit continu bij te werken met het oog op de uitwisseling van balanceringsenergie of onbalansnetting. Op technisch vlak vormt de continue bijwerking van die capaciteit, waar de capaciteitsbeheersfunctie op is gebaseerd, „essentiële input” voor de activeringsoptimaliseringsfunctie. De TSB’s hebben de capaciteitsbeheersfunctie zelf aan de mFRR‑ en aFRR‑platforms toegevoegd, om te voldoen aan de eisen van verordening 2017/2195 inzake een algemene structuur in termen van doeltreffendheid en veiligheid.
31 Derhalve is het Gerecht in punt 122 van de bestreden arresten tot de slotsom gekomen dat de continue bijwerking van de beschikbare zoneoverschrijdende transmissiecapaciteit, die ten grondslag ligt aan de capaciteitsbeheersfunctie, en dus ook de capaciteitsbeheersfunctie zelf in het algemeen moeten worden aangemerkt als functies die vereist zijn voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms.
32 In het kader van zijn antwoord op het vijfde en het zesde onderdeel van het tweede bij hem aangevoerde middel, heeft het Gerecht in punt 135 van de bestreden arresten geoordeeld dat capaciteitsbeheer ook in het derde voorstel voor de mFRR‑ en aFRR-methodologieën in aanmerking werd genomen als een platformoverschrijdende functie waarvan de uitvoering noodzakelijk is voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms, ook al was het daarin niet aangemerkt als een voor die werking vereiste functie in de zin van artikel 20, lid 3, onder c), en artikel 21, lid 3, onder c), van verordening 2017/2195. Niettemin heeft het Gerecht, overeenkomstig zijn conclusie in de punten 122 van die arresten, geoordeeld dat de raad van beroep terecht had geoordeeld dat capaciteitsbeheer als bedoeld in artikel 37 van deze verordening een voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms vereiste functie vormt in de zin van artikel 20, lid 3, onder c), en artikel 21, lid 3, onder c), van die verordening.
33 Evenzo heeft het Gerecht, bij zijn antwoord op het zevende onderdeel van het tweede bij hem aangevoerde middel, in punt 143 van de bestreden arresten en onder verwijzing naar zijn beoordeling in punt 122 daarvan geoordeeld dat capaciteitsbeheer een voor de werking van elk platform vereiste functie is.
34 In antwoord op het derde middel, betreffende de intensiteit van de door de raad van beroep van ACER verrichte toetsing, heeft het Gerecht in de punten 200 tot en met 205 van de bestreden arresten de grief afgewezen dat die raad van beroep zijn verplichting om de besluiten van ACER volledig te toetsen niet was nagekomen.
35 In dit verband heeft het Gerecht in de eerste plaats opgemerkt dat de raad van beroep, overeenkomstig zijn toenmalige beslissingspraktijk, alleen de juridische beoordelingen in de besluiten van ACER volledig heeft getoetst, en dat hij zich met betrekking tot ACER’s complexe feitelijke beoordelingen van technische aard heeft beperkt tot het opsporen van kennelijke beoordelingsfouten. Het Gerecht heeft evenwel erkend dat uit het arrest van 18 november 2020, Aquind/ACER (T‑735/18, EU:T:2020:542), blijkt dat de raad van beroep de juridische en technische beoordelingen die ACER in zijn besluiten verricht, in volle omvang moet toetsen.
36 Echter heeft het Gerecht in de tweede plaats, na een zorgvuldig onderzoek van de litigieuze beslissingen, geoordeeld dat de raad van beroep zijn toetsing voornamelijk had gericht op de juridische beoordelingen van ACER en deze in volle omvang had getoetst, en dat wanneer deze raad complexe technische beoordelingen moest toetsen, hij in de praktijk meer dan een louter beperkte toetsing verrichtte, zodat hij de facto heeft voldaan aan zijn verplichtingen met betrekking tot de intensiteit van de ten aanzien van de besluiten van ACER te verrichten toetsing.
37 Aangezien geen van de door rekwirantes aangevoerde middelen is aanvaard, heeft het Gerecht in punt 214 van de bestreden arresten de beroepen in hun geheel verworpen.
IV. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen in hogere voorziening
38 Rekwirantes verzoeken het Hof: – de bestreden arresten geheel of gedeeltelijk te vernietigen; – de litigieuze beslissingen geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren, en – ACER te verwijzen in de kosten.
39 ACER verzoekt het Hof: – de hogere voorzieningen geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk en in ieder geval kennelijk ongegrond te verklaren en ze bijgevolg te verwerpen, en – rekwirantes te verwijzen in de kosten.
V. Hogere voorzieningen
40 Ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen voeren rekwirantes twee middelen aan. Volgens het eerste middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de raad van beroep van ACER niet tekort was geschoten in zijn verplichting om de besluiten van ACER volledig te toetsen. Volgens het tweede middel, dat uit twee onderdelen bestaat, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat de capaciteitsbeheersfunctie volgens verordening 2017/2195 een voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms vereiste functie is.
A. Ontvankelijkheid
1. Argumenten van partijen
41 ACER meent dat de hogere voorzieningen niet‑ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de middelen in hogere voorziening enkel gericht zijn op een heronderzoek van de in eerste aanleg aangevoerde middelen. Het Hof is namelijk niet bevoegd om in hogere voorziening een dergelijk heronderzoek te verrichten.
42 Voorts betoogt ACER dat het eerste middel van de hogere voorzieningen geen praktisch belang heeft en een louter hypothetische of theoretische vraag betreft, aangezien rekwirantes niet opkomen tegen het oordeel van het Gerecht dat de raad van beroep de facto een volledige toetsing van de besluiten van ACER heeft verricht.
43 Rekwirantes betogen dat de hogere voorzieningen ontvankelijk zijn.
2. Beoordeling door het Hof
44 Het is vaste rechtspraak dat, wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist, de in eerste aanleg onderzochte rechtsvragen in hogere voorziening opnieuw kunnen worden behandeld. De procedure van de hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen indien een rekwirant niet op die manier zijn hogere voorziening kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht (zie arresten van 13 juli 2000, Salzgitter/Commissie, C‑210/98 P, EU:C:2000:397, punt 43; 16 mei 2002, ARAP e.a./Commissie, C‑321/99 P, EU:C:2002:292, punt 49, en 12 juni 2025, ZR/EUIPO, C‑364/23 P, EU:C:2025:428, punt 34).
45 In casu trachten rekwirantes niet louter een nieuw onderzoek van de in eerste aanleg ingediende verzoekschriften te verkrijgen, maar beogen zij, ten eerste, de juridische redenering ter discussie te stellen op grond waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat de raad van beroep niet tekort was geschoten in zijn verplichting om de besluiten van ACER volledig te toetsen en, ten tweede, aan te voeren dat het Gerecht de artikelen 20, 21 en 37 van verordening 2017/2195, die respectievelijk de mFRR‑ en aFRR‑platforms en de capaciteitsbeheersfunctie regelen, onjuist heeft toegepast bij zijn beoordeling van de voor de werking van die platforms vereiste rechtsgrondslagen en functies.
46 In dit verband betogen rekwirantes met name, in het kader van het eerste middel van de hogere voorzieningen, dat het Gerecht is voorbijgegaan aan de rechtspraak van het Hof in het arrest van 9 maart 2023, ACER/Aquind (C‑46/21 P, EU:C:2023:182), waaruit volgt dat de raad van beroep de juridische en technische beoordelingen van ACER volledig moet toetsen. Zij komen in het bijzonder niet op tegen het oordeel van het Gerecht dat de raad van beroep de besluiten van ACER de facto volledig had getoetst, maar tegen het feit dat het Gerecht bij het bereiken van deze conclusie voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat deze raad in zijn beslissingen uitdrukkelijk had verklaard dat hij zijn toetsing beperkte tot het opsporen van kennelijke fouten.
47 Voorts verwijten zij het Gerecht in het kader van het tweede middel van de hogere voorzieningen in essentie dat het geen onderscheid heeft gemaakt tussen de afzonderlijke wettelijke verplichtingen van artikel 37 van verordening 2017/2195 en de vervulling van de voor de werking van de betrokken platforms vereiste functies. Bovendien zou het Gerecht blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de werkingssfeer van artikel 20, leden 1 en 2, en artikel 21, leden 1 en 2, van die verordening uit te breiden tot functies die „in het algemeen worden aangemerkt” als vereiste functies, om de aanwijzing van de capaciteitsbeheersfunctie als voor de werking van de platforms vereiste functie te rechtvaardigen.
48 Waar zij de uitlegging of toepassing van het Unierecht betwisten, hebben rekwirantes rechtens genoegzaam de passages van de bestreden arresten aangeduid die volgens hen blijk geven van onjuiste rechtsopvattingen en de juridische argumenten uiteengezet die hun middelen ondersteunen, zodat het Hof zijn toetsing kan verrichten.
49 Hieruit volgt dat de door ACER opgeworpen excepties van niet‑ontvankelijkheid moeten worden afgewezen en de hogere voorzieningen dus ontvankelijk moeten worden verklaard.
B. Ten gronde
1. Eerste middel
a) Argumenten van partijen
50 In het kader van hun eerste middel betwisten rekwirantes de beoordeling van het Gerecht in de punten 203 tot en met 205 en 214 van de bestreden arresten, voor zover het daarbij hun grief inzake niet‑nakoming van de op de raad van beroep rustende verplichting om een volledige toetsing te verrichten in het kader van zijn onderzoek van de besluiten van ACER, heeft afgewezen.
51 Rekwirantes zijn in essentie van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan de ene kant vast te stellen dat uit de litigieuze beslissingen volgt dat de raad van beroep ten onrechte had aangekondigd dat hij de besluiten van ACER slechts beperkt zou toetsen, maar aan de andere kant te constateren dat, ondanks deze fout, uit de litigieuze beslissingen blijkt dat de raad van beroep in de praktijk meer dan een louter beperkte toetsing had verricht, zodat hij de facto had voldaan aan zijn verplichtingen met betrekking tot de intensiteit van de te verrichten toetsing. Aldus is het Gerecht voorbijgegaan aan de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 9 maart 2023, ACER/Aquind (C‑46/21 P, EU:C:2023:182). Het Gerecht had zich bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de litigieuze beslissingen dus moeten beperken tot de vaststelling dat de raad van beroep blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verklaren dat hij een verkeerd toetsingsniveau toepaste. Het Gerecht mocht deze verklaring niet negeren door te onderzoeken welk toetsingsniveau de raad van beroep „de facto” of „in de praktijk” had toegepast.
52 ACER betoogt dat het eerste middel kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
b) Beoordeling door het Hof
53 Met hun eerste middel betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de intensiteit van de door de raad van beroep verrichte toetsing.
54 In dit verband heeft het Gerecht in de punten 201 en 202 van de bestreden arresten in essentie geoordeeld dat bij de toetsing door de raad van beroep van de complexe technische en economische beoordelingen in de besluiten van ACER niet mag worden volstaan met een beperkte toetsing van de vraag of er een kennelijke beoordelingsfout is gemaakt, maar deze toetsing volledig moet zijn.
55 In dit verband moet worden opgemerkt dat de bestreden arresten in overeenstemming zijn met hetgeen het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 9 maart 2023, ACER/Aquind (C‑46/21 P, EU:C:2023:182), waarop rekwirantes zich ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen beroepen.
56 Derhalve moet worden nagegaan of de enkele vaststelling van het Gerecht, in punt 200 van de bestreden arresten, dat uit voetnoot 81 en punt 192 van de litigieuze beslissingen volgt dat de raad van beroep te verstaan had gegeven dat hij overeenkomstig zijn toenmalige beslissingspraktijk slechts een beperkte toetsing had verricht, voor het Gerecht aanleiding had moeten zijn om die beslissingen nietig te verklaren.
57 Dienaangaande zij opgemerkt dat het Gerecht terecht van oordeel was dat, ook al verwees de raad van beroep herhaaldelijk naar het uit zijn beslissingspraktijk voortvloeiende vereiste om de besluiten van ACER in beperkte mate te toetsen, de vermelding van een dergelijke beperkte toetsing geen aanleiding kon zijn voor nietigverklaring van de litigieuze beslissingen voor zover deze vermelding de raad van beroep niet had belet de volledige toetsing te verrichten waartoe hij verplicht was (zie naar analogie arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 82).
58 Dit laatste is wat het Gerecht concreet heeft onderzocht in het kader van de beoordeling in de punten 203 tot en met 205 van de bestreden arresten, waarbij het heeft geoordeeld dat uit de litigieuze beslissingen bleek dat de raad van beroep zijn toetsing hoofdzakelijk had gericht op de juridische beoordelingen van ACER, ten aanzien waarvan hij een volledige toetsing had verricht. Daarnaast heeft hij overwogen dat de raad van bestuur in de zeldzame gevallen waarin hij complexe technische beoordelingen moest toetsen, in de praktijk meer dan een louter beperkte toetsing had verricht. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat de raad van bestuur de facto had voldaan aan zijn verplichtingen op het gebied van de intensiteit van de te verrichten toetsing.
59 Rekwirantes betogen in het kader van hun hogere voorzieningen niet dat dit oordeel blijk geeft van enige onjuiste rechtsopvatting.
60 Hieruit volgt dat het eerste middel ongegrond moet worden verklaard.
2. Tweede middel
a) Eerste onderdeel
1) Argumenten van partijen
61 Met het eerste onderdeel van het tweede middel betogen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 115 tot en met 124 van de bestreden arresten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de in artikel 37 van verordening 2017/2195 vastgestelde functie voor de berekening en continue bijwerking van de beschikbare zoneoverschrijdende transmissiecapaciteit moest worden geacht te behoren tot de functies die vereist zijn voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van deze verordening. Zij stellen dat het Gerecht de vereisten van artikel 37 van die verordening ten onrechte heeft opgenomen in de in die artikelen 20 en 21 bedoelde functies, terwijl die verordening voorziet in afzonderlijke rechtsregelingen voor TSB’s enerzijds en die platforms anderzijds.
62 Volgens rekwirantes kunnen, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, de bij artikel 37 van verordening 2017/2195 opgelegde verplichtingen niet worden opgenomen in de artikelen 20 en 21 van die verordening. Zo zijn de TSB’s op grond van laatstgenoemde artikelen niet verplicht om de entiteit die verantwoordelijk is voor de mFRR‑ en aFRR‑platforms te belasten met het bijwerken of de berekening van de zoneoverschrijdende capaciteit. In tegenstelling tot wat het Gerecht heeft geoordeeld, was ACER niet gerechtigd om hen deze verplichting op te leggen.
63 Rekwirantes erkennen dat de gegevens over de zoneoverschrijdende capaciteit noodzakelijke input vormen voor de goede werking van het balanceringsplatform, maar specificeren dat hieruit niet volgt dat de berekening van deze gegevens – als noodzakelijke functie – moet worden uitgevoerd door de met de exploitatie van het platform belaste entiteit of door het platform zelf.
64 ACER betoogt dat het eerste onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen.
2) Beoordeling door het Hof
65 In het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel moet worden nagegaan of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de oordelen dat, overeenkomstig de artikelen 20 en 21 van verordening 2017/2195, de capaciteitsbeheersfunctie behoort tot de functies die vereist zijn voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms in de zin van artikel 20, lid 3, onder c), en artikel 21, lid 3, onder c), van die verordening.
66 Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 9 maart 2023, ACER/Aquind, C‑46/21 P, EU:C:2023:182, punt 54).
67 Wat in de eerste plaats een letterlijke uitlegging betreft, moet, in navolging van het Gerecht in punt 103 van de bestreden arresten, worden opgemerkt dat het begrip „functies die vereist zijn voor de werking van [de mFRR‑ en aFRR‑platforms]” niet is gedefinieerd in verordening 2017/2195 maar enkel wordt gebruikt in de artikelen 20 en 21 daarvan.
68 Overeenkomstig de artikelen 20 en 21 van verordening 2017/2195 staat het echter aan de TSB’s om methodologievoorstellen op te stellen voor de tenuitvoerleggingskaders voor mFRR‑ en aFRR‑platforms. Zoals het Gerecht terecht heeft verduidelijkt in de punten 104 en 105 van het bestreden arrest, moeten deze voorstellen op zijn minst „de algemene structuur van het Europees platform” en „de definitie van de functies die vereist zijn voor de werking van [de mFRR‑ en aFRR‑platforms]” omvatten. Deze platforms, die worden geëxploiteerd door de TSB’s of door een entiteit die de TSB’s zelf oprichten, zijn gebaseerd op gemeenschappelijke beheersbeginselen en bedrijfsprocessen en bestaan uit minstens de activeringsoptimaliseringsfunctie en de functie voor TSB‑TSB-verrekening. Aldus zijn de activeringsoptimaliseringsfunctie en de TSB‑TSB-verrekeningsfunctie de functies die hoe dan ook vereist zijn voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms.
69 Zoals het Gerecht in punt 105 van de bestreden arresten terecht heeft geoordeeld, is het niet uitgesloten dat in het kader van de artikelen 20 en 21 van verordening 2017/2195 andere functies worden toegevoegd aan de methodologievoorstellen voor de tenuitvoerleggingskaders van de mFRR‑ en aFRR‑platforms. Zoals het Gerecht in dat punt heeft opgemerkt, bepalen artikel 20, lid 2, en artikel 21, lid 2, van die verordening namelijk dat de mFRR‑ en aFRR‑platforms bestaan „uit minstens de activeringsoptimaliseringsfunctie en de functie voor TSB‑TSB-verrekening”. In dit verband duidt de term „minstens” erop dat deze zinsnede geen uitputtende lijst bevat. Gelet op deze zinsnede kon het Gerecht terecht vaststellen dat die bepalingen niet uitsluiten dat in het kader van het ontwerp van deze platforms ook een andere functie dan activeringsoptimalisatie en TSB‑TSB-verrekening, zoals capaciteitsbeheer, kan worden beschouwd als een voor de werking van die platforms vereiste functie.
70 Voorts moet worden opgemerkt dat het Gerecht zich ook heeft gebaseerd op de vaststelling dat de toevoeging van een dergelijke functie bijzonder noodzakelijk is om de algemene structuur van die platforms te ontwerpen op basis van gemeenschappelijke beheersbeginselen en bedrijfsprocessen. Aldus blijkt uit punt 106 van de bestreden arresten dat het Gerecht niet heeft gekozen voor een geïsoleerde uitlegging van artikel 20, lid 2, en artikel 21, lid 2, van verordening 2017/2195, maar zich overeenkomstig de vaste methode voor de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen ook heeft gebaseerd op een teleologische en contextuele uitlegging van het begrip „functies die vereist zijn voor de werking van [de mFRR‑ en aFRR‑platforms]” om te concluderen dat capaciteitsbeheer, net als activeringsoptimalisering en TSB‑TSB-verrekening, moet worden beschouwd als een dergelijke vereiste functie.
71 Wat in de tweede plaats deze teleologische en contextuele uitlegging betreft, heeft het Gerecht zich allereerst in de punten 107 tot en met 109 van de bestreden arresten gebaseerd op de doelstellingen van verordening 2017/2195, zoals deze blijken uit de overwegingen 1, 6, 7 en 10 alsmede artikel 3, lid 1, onder c), en lid 2, onder c), daarvan. Deze doelstellingen zijn met name gericht op de efficiënte en veilige implementatie en werking van Europese energiebalanceringsplatforms. Op basis van deze uitlegging, die rekwirantes overigens niet hebben betwist, kon het Gerecht op goede gronden concluderen dat deze doelstellingen ervoor pleiten om de capaciteitsbeheersfunctie op te nemen in de functies die vereist zijn voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms, aangezien deze functie zowel technisch als juridisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die doelstellingen.
72 In dit verband heeft het Gerecht in punt 113 van de bestreden arresten opgemerkt dat op technisch vlak, zoals rekwirantes overigens zelf erkennen, de continue bijwerking van de beschikbare zoneoverschrijdende transmissiecapaciteit „essentiële input” is voor de activeringsoptimaliseringsfunctie, die zelf een voor de mFRR‑ en aFRR‑platforms vereiste functie is. Deze laatste functie is bedoeld om de activering van de hoogst gerangschikte biedingen voor balanceringsenergie te optimaliseren, rekening houdend met de beperkt beschikbare zoneoverschrijdende transmissiecapaciteit. Het Gerecht kon dus op goede gronden oordelen dat de capaciteitsbeheersfunctie, in het kader waarvan de beschikbare zoneoverschrijdende transmissiecapaciteit voortdurend wordt bijgewerkt, technisch onmisbaar is voor de goede werking van de platforms.
73 Voorts heeft het Gerecht, in het kader van zijn contextuele uitlegging van de artikelen 20 en 21 van verordening 2017/2195, in punt 114 van de bestreden arresten terecht rekening gehouden met de uit artikel 37 van die verordening voortvloeiende vereisten, op grond waarvan TSB’s wettelijk verplicht zijn om de capaciteit voor zoneoverschrijdende uitwisseling te berekenen.
74 Het klopt dat, zoals rekwirantes betogen, deze vereisten hoofdzakelijk gericht zijn tot TSB’s. Dit neemt niet weg dat de artikelen 20 en 21 van verordening 2017/2195 de TSB’s ervoor verantwoordelijk maken dat de mFRR‑ en aFRR‑platforms ten uitvoer worden gelegd met inachtneming van de door deze verordening nagestreefde doelstellingen. In dit verband volgt uit artikel 20, leden 2 en 3, en artikel 21, leden 2 en 3, van die verordening dat het ontwerp van deze platforms, ongeacht of zij worden geëxploiteerd door de TSB’s of door een door de TSB’s opgerichte entiteit, algemeen van aard moet zijn en moet beantwoorden aan gemeenschappelijke beheersbeginselen en bedrijfsprocessen.
75 Hieruit volgt dat een functie die weliswaar in het kader van artikel 37 van verordening 2017/2195 gericht is tot de TSB’s maar noodzakelijk blijkt te zijn om ervoor te zorgen dat de implementatie van voornoemde platforms door de TSB’s aan die doelstellingen voldoet, moet worden beschouwd als een functie die valt onder de „functies die vereist zijn voor de werking van [de mFRR‑ en aFRR‑platforms]” in de zin van artikel 20, lid 3, onder c), en artikel 21, lid 3, onder c), van die verordening, die niet door de TSB’s moeten worden uitgevoerd, maar door de met de exploitatie van deze platforms belaste entiteit of door die platforms zelf.
76 Rekwirantes erkennen zelf dat de gegevens over de zoneoverschrijdende capaciteit noodzakelijke input vormen voor de goede werking van voornoemde platforms. Anders dan rekwirantes stellen, betekent dit dus dat de functie voor de berekening en voortdurende bijwerking van de beschikbare zoneoverschrijdende transmissiecapaciteit moet worden uitgevoerd door de met de exploitatie van de mFRR‑ en aFRR‑platforms belaste entiteit of door die platforms zelf, en niet door de TSB’s.
77 Het Gerecht heeft derhalve in punt 115 van de bestreden arresten terecht geoordeeld dat de functie voor de berekening en voortdurende bijwerking van de beschikbare zoneoverschrijdende transmissiecapaciteit, als onderliggende functie van het capaciteitsbeheer, moet worden beschouwd als een functie die vereist is voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms overeenkomstig artikel 20, lid 3, onder c), en artikel 21, lid 3, onder c), van verordening 2017/2195.
78 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.
b) Tweede onderdeel
1) Argumenten van partijen
79 In het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel verwijten rekwirantes het Gerecht dat het in de punten 122, 135 en 143 van de bestreden arresten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen onderscheid te maken tussen enerzijds de verplichtingen die op de TSB’s rusten in verband met de functies die zijn „vereist” voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms, en anderzijds hun recht om aanvullende functies op te nemen in deze platforms. Aldus heeft het Gerecht de werkingssfeer van artikel 20, leden 1 en 2, en artikel 21, leden 1 en 2, van verordening 2017/2195 ten onrechte uitgebreid tot functies die „in het algemeen worden aangemerkt” als vereiste functies om de aanwijzing van de capaciteitsbeheersfunctie als voor de werking van de platforms „vereiste functie” te rechtvaardigen.
80 ACER betoogt dat het tweede onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen.
2) Beoordeling door het Hof
81 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel nauw met elkaar verbonden zijn.
82 Gelet op de overwegingen in de punten 65 tot en met 78 van dit arrest, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 122, 135 en 143 van de bestreden arresten de capaciteitsbeheersfunctie aan te merken als een „vereiste” functie voor de werking van de mFRR‑ en aFRR‑platforms.
83 In deze omstandigheden moet ook het tweede onderdeel van het tweede middel, en bijgevolg het tweede middel in zijn geheel, worden afgewezen.
84 Aangezien de aangevoerde middelen niet zijn aanvaard, moeten de hogere voorzieningen in hun geheel worden afgewezen.
Kosten
85 Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat wanneer een hogere voorziening ongegrond wordt verklaard, het Hof over de kosten beslist.
86 Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dat is gevorderd.
87 Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld en ACER heeft gevorderd dat zij worden verwezen in de kosten, worden rekwirantes in de kosten verwezen.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart:
1) De hogere voorzieningen worden afgewezen.
2) Polskie sieci elektroenergetyczne S.A., RTE Réseau de transport d’électricité, Svenska kraftnät en TenneT TSO BV worden verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 12 juni 2025, C-364/23, ECLI:EU:C:2025:428
- HvJ EU 9 maart 2023, C-46/21, ECLI:EU:C:2023:182
- Gerecht EU 18 november 2020, T-735/18, ECLI:EU:T:2020:542
- HvJ EU 8 december 2011, C-386/10, ECLI:EU:C:2011:815
- HvJ EU 16 mei 2002, C-321/99, ECLI:EU:C:2002:292
- HvJ EU 13 juli 2000, C-210/98, ECLI:EU:C:2000:397