HvJ EU 4 oktober 2024, C-535/22, ECLI:EU:C:2024:819
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
4 oktober 2024 ( *1 )
Inhoud
I. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2014/59
B. GAM-verordening
II. Voorgeschiedenis van het geding
A. Economische situatie van Banco Popular in 2016 en 2017
B. Verloop van de afwikkelingsprocedure
C. Litigieuze afwikkelingsregeling
D. Feiten die zich na de vaststelling van de litigieuze afwikkelingsregeling hebben voorgedaan
III. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
A. Procedure bij het Gerecht
B. Bestreden arrest
IV. Conclusies van partijen in hogere voorziening
V. Hogere voorziening
A. Overwegingen vooraf
B. Eerste en vierde tot en met zesde middel: schending van artikel 296 VWEU, artikel 18 van de GAM-verordening, de op de afwikkelingsraad rustende zorgvuldigheidsplicht, artikel 47 van het Handvest, artikel 6 EVRM en het beginsel van hoor en wederhoor
1. Vijfde middel
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
2) Ten gronde
2. Eerste middel
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
2) Ten gronde
i) Eerste onderdeel van het eerste middel
ii) Tweede onderdeel van het eerste middel
3. Vierde middel
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
4. Zesde middel
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
2) Ten gronde
C. Zevende middel: schending van de artikelen 17 en 52 van het Handvest en van artikel 5, lid 4, VEU
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Hof
a) Ontvankelijkheid
b) Ten gronde
D. Tweede middel: schending van de artikelen 14 en 20 van de GAM-verordening, artikel 39 van richtlijn 2014/59, de zorgvuldigheidsplicht en artikel 296 VWEU
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Hof
a) Ontvankelijkheid
b) Ten gronde
1) Eerste en vierde onderdeel van het tweede middel
2) Tweede onderdeel van het tweede middel
E. Derde en achtste middel: schending van het recht op eigendom en van het evenredigheidsbeginsel
1. Derde middel
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
2) Ten gronde
2. Achtste middel
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
VI. Kosten
„Hogere voorziening – Economisch en monetair beleid – Bankenunie – Verordening (EU) 806/2014 – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen – Afwikkelingsprocedure die van toepassing is wanneer een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen – Vaststelling van een afwikkelingsregeling ten aanzien van Banco Popular Español SA – Artikel 18, lid 1 – Voorwaarden voor de vaststelling van een afwikkelingsregeling – Verplichtingen van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) – Zorgvuldigheidsplicht – Motiveringsplicht – Artikel 88 – Vertrouwelijkheidsverplichting – Artikel 14 – Doelstellingen van de afwikkeling – Verkoop van de betrokken entiteit – Voorwaarden voor de verkoop en de aanvaarding van een bod – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 17 – Eigendomsrecht van de aandeelhouders – Geldigheid van verordening nr. 806/2014”
In zaak C‑535/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 9 augustus 2022,
Aeris Invest Sàrl, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Galán Burgos, R. Vallina Hoset en M. Varela Suárez, abogados, en vervolgens door C. Jaramillo Samper, R. Vallina Hoset en M. Varela Suárez, abogados,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn, P. Němečková, A. Nijenhuis, A. Steiblytė en D. Triantafyllou als gemachtigden, bijgestaan door J. Rivas Andrés, abogado,
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door H. Ehlers, M. S. Fernández Rupérez, A. R. Lapresta Bienz en J. Rius Riu als gemachtigden, bijgestaan door F. B. Fernández de Trocóniz Robles, abogado, B. Meyring en S. Schelo, Rechtsanwälte,
verweerders in eerste aanleg,
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz en M. J. Ruiz Sánchez als gemachtigden,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Etienne, P. López-Carceller, M. Menegatti, L. Stefani en L. Visaggio als gemachtigden,
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Haunold, H. Marcos Fraile en A. Westerhof Löfflerová als gemachtigden,
Banco Santander, SA, gevestigd te Santander (Spanje), vertegenwoordigd door J. Remón Peñalver, J. M. Rodríguez Cárcamo, A. M. Rodríguez Conde en D. Sarmiento Ramírez-Escudero, abogados,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), P. G. Xuereb, A. Kumin en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 maart 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt Aeris Invest Sàrl om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 1 juni 2022, Aeris Invest/Commissie en GAR (T‑628/17, EU:T:2022:315; hierna: „bestreden arrest”) waarbij het Gerecht haar beroep krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit SRB/EES/2017/08 betreffende de vaststelling door de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), tijdens zijn bestuursvergadering van 7 juni 2017, van een afwikkelingsregeling voor Banco Popular Español, SA (hierna: „litigieuze afwikkelingsregeling”) en besluit (EU) 2017/1246 van de Commissie van 7 juni 2017 tot goedkeuring van de afwikkelingsregeling voor Banco Popular Español SA (PB 2017, L 178, blz. 15, met rectificatie in PB 2017, L 320, blz. 31), heeft verworpen.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2014/59
2 Artikel 38 van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190), met als opschrift „Het instrument van verkoop van de onderneming”, bepaalt in lid 2: „Een overdracht overeenkomstig lid 1 wordt verricht onder commerciële voorwaarden, rekening houdend met de omstandigheden en in overeenstemming met het kader voor staatssteun van de Unie.”
3 Artikel 39 van deze richtlijn („Instrument van verkoop van de onderneming: procedurevoorschriften”) bepaalt in lid 2: „Onverminderd de staatssteunregels van de Unie, voor zover deze van toepassing zijn, vindt de in lid 1 bedoelde verkoop plaats met inachtneming van de volgende voorwaarden: a) de verkoop is zo transparant mogelijk en er wordt geen wezenlijk onjuiste voorstelling gegeven van de activa, rechten, passiva of andere eigendomsinstrumenten van die instelling die de autoriteit wil overdragen, rekening houdend met de omstandigheden en in het bijzonder met de noodzaak om de financiële stabiliteit in stand te houden; b) ongepaste bevoordeling of discriminatie van potentiële verkrijgers is niet toegestaan; […] f) voor zover mogelijk wordt beoogd de verkoopprijs van de betrokken aandelen of andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva te maximaliseren. Behoudens punt b) van de eerste alinea beletten de in dit lid bedoelde beginselen de afwikkelingsautoriteit niet om specifieke potentiële verkrijgers te benaderen. […]”
B. GAM-verordening
4 In de overwegingen 24, 26, 58 en 116 van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1; hierna: „GAM-verordening”), staat te lezen: „(24) Aangezien alleen de instellingen van de Unie het afwikkelingsbeleid van de Unie mogen bepalen en aangezien er bij de vaststelling van elke specifieke afwikkelingsregeling een zekere beoordelingsmarge blijft bestaan, moeten de Raad [van de Europese Unie] en de [Europese] Commissie naar behoren worden betrokken als de instellingen die ter zake uitvoeringsbevoegdheden mogen uitoefenen overeenkomstig artikel 291 VWEU. De beoordeling van de discretionaire elementen van de door de afwikkelingsraad genomen besluiten dient te worden uitgevoerd door de Commissie. Gezien de aanzienlijke impact van afwikkelingsbesluiten op de financiële stabiliteit van de lidstaten en van de Unie als zodanig, alsook op de budgettaire soevereiniteit van de lidstaten, is het van groot belang dat de uitvoeringsbevoegdheid om bepaalde besluiten met betrekking tot de afwikkeling te nemen, aan de Raad wordt toegekend. Het moet derhalve aan de Raad worden overgelaten om op voorstel van de Commissie effectief toezicht uit te oefenen op de evaluatie van de afwikkelingsraad omtrent het al dan niet bestaan van een algemeen belang en om een oordeel uit te spreken over wezenlijke verandering in het bedrag van het [gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (hierna: ‚Fonds’] dat aan een specifieke afwikkelingsmaatregel dient te worden besteed. Voorts moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de nadere criteria en voorwaarden die de afwikkelingsraad bij de uitoefening van zijn diverse bevoegdheden in acht moet nemen. De aldus toegekende afwikkelingstaken mogen op generlei wijze de werking van de interne markt voor financiële diensten belemmeren. De [Europese Bankautoriteit (EBA)] moet derhalve haar rol blijven vervullen en haar al bestaande bevoegdheden en taken behouden: de EBA moet meewerken aan en bijdragen tot de consistente toepassing van de op alle lidstaten toepasselijke wetgeving van de Unie en de convergentie van afwikkelingspraktijken in de gehele Unie helpen vergroten. […] (26) De [Europese Centrale Bank (ECB)], als toezichthouder binnen het [gemeenschappelijk toezichtsmechanisme dat op grond van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63)], en de afwikkelingsraad dienen de mogelijkheid te hebben om te beoordelen of een kredietinstelling faalt of waarschijnlijk falende is en of er redelijkerwijs niet te verwachten valt dat alternatieve maatregelen van de particuliere sector of van toezichthouders het falen ervan binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen. De afwikkelingsraad moet de afwikkelingsregeling vaststellen, indien hij van oordeel is dat aan alle criteria voor de activering van afwikkelingen is voldaan. De procedure inzake de vaststelling van de afwikkelingsregeling, waarbij de Commissie en de Raad zijn betrokken, zet de noodzakelijke operationele onafhankelijkheid van de afwikkelingsraad meer kracht bij, onder inachtneming van het beginsel van de delegatie van bevoegdheden aan agentschappen, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie […]. […] (58) Liquidatie van een falende entiteit volgens de normale insolventieprocedure kan de financiële stabiliteit in gevaar brengen, de verlening van essentiële diensten verstoren en de bescherming van deposanten aantasten. In een dergelijk geval is het in het algemeen belang om afwikkelingsinstrumenten toe te passen. De afwikkeling moet dus tot doel hebben de continuïteit van essentiële financiële diensten te waarborgen, de stabiliteit van het financiële stelsel te handhaven, het moreel risico te verkleinen door het beroep van falende entiteiten op openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken, en de deposanten te beschermen. […] (116) Afwikkelingsmaatregelen moeten naar behoren worden aangemeld en, behoudens specifieke uitzonderingsgevallen als bepaald in deze verordening, openbaar worden gemaakt. Aangezien de informatie die de afwikkelingsraad, de nationale afwikkelingsautoriteiten en hun professionele adviseurs tijdens de afwikkelingsprocedure verkrijgen naar alle waarschijnlijkheid gevoelig is moet zij, alvorens het afwikkelingsbesluit openbaar wordt gemaakt, evenwel aan effectieve vereisten inzake beroepsgeheim worden onderworpen. Er moet rekening mee worden gehouden dat informatie over de inhoud en de details van afwikkelingsplannen en de resultaten van eventueel van deze plannen opgemaakte evaluaties verregaande gevolgen kunnen hebben, in het bijzonder voor de betrokken ondernemingen. Alle informatie die met betrekking tot een besluit wordt verstrekt voordat het besluit wordt genomen, bijvoorbeeld over de vraag of aan de voorwaarden voor afwikkeling is voldaan, over het gebruik van een bepaald instrument of over een maatregel in de loop van de procedure, moet worden geacht gevolgen te hebben voor de openbare en particuliere belangen die bij de maatregel betrokken zijn. Alleen al de informatie dat de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten een bepaalde entiteit aan het onderzoeken zijn, kan echter al negatieve gevolgen voor die entiteit hebben. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat er passende mechanismen zijn om dergelijke informatie, zoals de inhoud en de details van afwikkelingsplannen en de resultaten van eventueel in dat verband opgemaakte evaluaties, vertrouwelijk te houden.”
5 Overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de GAM-verordening is de afwikkelingsraad onderworpen aan de bindende technische regulerings- en uitvoeringsnormen die door de EBA zijn ontwikkeld en door de Commissie zijn aangenomen overeenkomstig verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB 2010, L 331, blz. 12), alsook aan de richtsnoeren en aanbevelingen die de EBA krachtens deze laatste verordening heeft gegeven.
6 In artikel 14 („Afwikkelingsdoelstellingen”) van de GAM-verordening is bepaald: „1. Wanneer zij handelen volgens de in artikel 18 bedoelde afwikkelingsprocedure nemen de afwikkelingsraad, de Raad, de Commissie en, in voorkomend geval, de nationale afwikkelingsautoriteiten bij de uitoefening van hun respectieve verantwoordelijkheden de afwikkelingsdoelstellingen in acht en kiezen zij de afwikkelingsinstrumenten en afwikkelingsbevoegdheden waarmee naar hun mening de afwikkelingsdoelstellingen die gezien de omstandigheden van de zaak relevant zijn, het best kunnen worden verwezenlijkt. 2. De in lid 1 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen zijn: a) de continuïteit van kritieke functies garanderen; b) significante nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit vermijden, met name door besmetting, onder meer van de marktinfrastructuur, te voorkomen en door de marktdiscipline te handhaven; c) overheidsmiddelen beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken; d) beschermen van deposanten die onder [richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB 2014, L 173, blz. 149)] vallen en van beleggers die onder [richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB 1997, L 84, blz. 22)] vallen; e) de gelden en activa van cliënten beschermen. Bij het nastreven van de in de eerste alinea genoemde doelstellingen trachten de afwikkelingsraad, de Raad, de Commissie en, in voorkomend geval, de nationale afwikkelingsautoriteiten de afwikkelingskosten zo veel mogelijk te beperken en waardevernietiging te vermijden, tenzij die noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. 3. Behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening zijn alle afwikkelingsdoelstellingen van gelijk belang en worden zij, als passend, gewogen op basis van de aard en de omstandigheden van elk geval.”
7 Lid 1 van artikel 15 van deze verordening („Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling”), luidt als volgt: „Wanneer zij handelen volgens de in artikel 18 bedoelde afwikkelingsprocedure nemen de afwikkelingsraad, de Raad, de Commissie en, waar van toepassing, de nationale afwikkelingsautoriteiten alle passende maatregelen om te waarborgen dat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met de volgende beginselen wordt genomen: a) de aandeelhouders van de instelling in afwikkeling dragen de eerste verliezen; […]”
8 In artikel 18 van deze verordening („Afwikkelingsprocedure”) heet het: „1. De afwikkelingsraad stelt overeenkomstig lid 6 een afwikkelingsregeling vast met betrekking tot de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en met betrekking tot de in artikel 7, lid 4, punt b), en lid 5, bedoelde entiteiten en groepen, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van deze leden is voldaan maar enkel indien hij op zijn bestuursvergadering, na ontvangst van een mededeling als bedoeld in de vierde alinea of op eigen initiatief, vaststelt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de entiteit faalt of [zal] waarschijnlijk […] falen; b) het valt, rekening houdend met het tijdsbestek en andere ter zake doende omstandigheden, redelijkerwijze niet te verwachten dat met betrekking tot de entiteit te nemen alternatieve maatregelen van de particuliere sector, waaronder ook maatregelen van een IPS, of zodanige maatregelen van een toezichthouder, met inbegrip van vroegtijdige-interventiemaatregelen of de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 21, binnen een redelijk tijdsbestek het falen van de entiteit zouden voorkomen; c) een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang als bedoeld in lid 5. Of aan de in de eerste alinea, punt a), bedoelde voorwaarde is voldaan, wordt beoordeeld door de ECB na raadpleging van de afwikkelingsraad. De afwikkelingsraad kan, op zijn bestuursvergadering, een beoordeling in die zin vaststellen maar enkel nadat hij de ECB van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld en de ECB niet zelf binnen drie kalenderdagen na ontvangst van die informatie een beoordeling in die zin vaststelt. De ECB verstrekt de afwikkelingsraad onverwijld alle relevante informatie die door de afwikkelingsraad wordt opgevraagd teneinde zijn beoordeling te kunnen maken. Indien de ECB oordeelt dat met betrekking tot een in de eerste alinea bedoelde instelling of groep aan de in de eerste alinea, punt a), genoemde voorwaarde is voldaan, deelt zij deze beoordeling onverwijld mede aan de Commissie en de afwikkelingsraad. Of aan de in de eerste alinea, punt b), genoemde voorwaarde is voldaan, wordt beoordeeld door de afwikkelingsraad op zijn bestuursvergadering of, waar van toepassing, door de nationale afwikkelingsautoriteiten in nauwe samenwerking met de ECB. De ECB kan tevens de afwikkelingsraad of de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten meedelen dat naar haar oordeel aan de punt b) genoemde voorwaarde is voldaan. 2. Onverminderd de gevallen waarin de ECB op grond van artikel 6, lid 5, punt b), van [verordening nr. 1024/2013] heeft besloten haar toezichttaken met betrekking tot kredietinstellingen rechtstreeks uit te oefenen, stelt de afwikkelingsraad, indien hij een mededeling uit hoofde van lid 1 ontvangt of indien de afwikkelingsraad voornemens is op eigen initiatief een beoordeling op grond van lid 1 vast te stellen met betrekking tot een in artikel 7, lid 3, bedoelde entiteit of groep, de ECB onverwijld van zijn beoordeling in kennis. […] 4. Voor de toepassing van lid 1, punt a), wordt een entiteit beschouwd als een falende of waarschijnlijk falende entiteit onder één of meer van de volgende omstandigheden: a) de entiteit maakt op de voor het behouden van de vergunning in acht te nemen vereisten op een zodanige wijze inbreuk, of er zijn objectieve elementen aanwezig ter ondersteuning van de vaststelling dat de instelling in de nabije toekomst op zodanige wijze daarop inbreuk zal maken, dat intrekking van de vergunning door de ECB gerechtvaardigd zou zijn onder meer, doch niet uitsluitend, vanwege het feit dat de instelling verliezen heeft geleden of waarschijnlijk zal lijden die haar eigen vermogen geheel of aanmerkelijk uitputten; b) de activa van de entiteit zijn geringer dan haar passiva, of er bestaan objectieve elementen ter ondersteuning van de vaststelling dat de activa van de entiteit in de nabije toekomst geringer zullen zijn dan haar passiva; c) de entiteit is niet in staat of er bestaan objectieve elementen ter ondersteuning van de vaststelling dat de entiteit in de nabije toekomst niet in staat zal zijn haar schulden of andere passiva te betalen wanneer deze opeisbaar worden; d) er is buitengewone openbare financiële steun nodig, met uitzondering van het geval waarin die buitengewone openbare financiële steun, teneinde een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren, één van de volgende vormen aanneemt: […] 5. Voor de toepassing van lid 1, punt c), van het onderhavig artikel wordt een afwikkelingsmaatregel behandeld als zijnde in het algemeen belang indien deze noodzakelijk is om één of meer van de in artikel 14 vermelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en daarmee evenredig is, en indien deze doelstellingen met een liquidatie van de entiteit volgens een normale insolventieprocedure niet in dezelfde mate zouden worden bereikt. 6. Indien aan de in lid 1 opgenomen voorwaarden is voldaan, stelt de afwikkelingsraad een afwikkelingsregeling vast. De afwikkelingsregeling: a) plaatst de entiteit in afwikkeling; b) bepaalt de toepassing van de in artikel 22, lid 2, bedoelde afwikkelingsinstrumenten op de instelling in afwikkeling, met name eventuele uitsluitingen van de toepassing van de bail-in overeenkomstig artikel 27, leden 5 en 14; c) bepaalt het gebruik van het Fonds ter ondersteuning van de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met artikel 76 en met een overeenkomstig artikel 19 genomen besluit van de Commissie. 7. De afwikkelingsraad doet de afwikkelingsregeling onmiddellijk na de vaststelling ervan aan de Commissie toekomen. Binnen 24 uur vanaf de toezending van de afwikkelingsregeling door de afwikkelingsraad bevestigt de Commissie de afwikkelingsregeling of maakt zij daartegen bezwaar met betrekking tot de discretionaire aspecten van de afwikkelingsregeling in de gevallen waarin niet is voorzien in de derde alinea van dit lid. Binnen 12 uur na toezending van de afwikkelingsregeling door de afwikkelingsraad kan de Commissie de Raad voorstellen: a) bezwaar te maken tegen de afwikkelingsregeling omdat de door de afwikkelingsraad vastgestelde afwikkelingsregeling niet voldoet aan het in lid 1, punt c), genoemde criterium van algemeen belang; b) zijn goedkeuring te hechten aan of bezwaar te maken tegen een materiële wijziging van het in de afwikkelingsregeling van de afwikkelingsraad bepaalde bedrag uit het Fonds. […] 8. Indien de Raad bezwaar maakt tegen het in afwikkeling plaatsen van een instelling omdat niet is voldaan aan het in lid 1, punt c), genoemde criterium van algemeen belang, wordt de betrokken entiteit op ordelijke wijze geliquideerd overeenkomstig het toepasselijke nationale recht. […]”
9 Artikel 20 van deze verordening („Waardering ten behoeve van de afwikkeling”) luidt: „1. Alvorens een besluit te nemen over afwikkelingsmaatregelen of over het uitoefenen van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten af te schrijven of om te zetten, draagt de afwikkelingsraad er zorg voor dat een eerlijke, prudente en realistische waardering van de activa en passiva van een in artikel 2 bedoelde entiteit wordt verricht door een persoon die onafhankelijk is van een overheidsinstantie, daaronder begrepen de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteit, alsook van de betrokken entiteit. 2. Behoudens lid 15 wordt de waardering als definitief beschouwd, mits aan alle vereisten van de leden 1 en 4 tot en met 9 is voldaan. 3. Indien onafhankelijke waardering overeenkomstig lid 1 onmogelijk is, mag de afwikkelingsraad overeenkomstig lid 10 van dit artikel een voorlopige waardering van de activa en passiva van de in artikel 2 bedoelde entiteit verrichten. 4. De waardering heeft tot doel de waarde te bepalen van de activa en passiva van een in artikel 2 bedoelde entiteit die voldoet aan de in de artikelen 16 en 18 genoemde voorwaarden voor afwikkeling. 5. De waardering heeft tot doel: a) als onderbouwing te dienen voor de vaststelling of is voldaan aan de voorwaarden voor afwikkeling of aan de voorwaarden voor de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten; b) als aan de afwikkelingsvoorwaarden is voldaan, als onderbouwing te dienen voor het besluit welke de passende afwikkelingsmaatregel is die ten aanzien van een in artikel 2 bedoelde entiteit moet worden genomen; c) wanneer de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten wordt uitgeoefend, als onderbouwing te dienen voor het besluit over de omvang van de intrekking of verwatering van eigendomsinstrumenten, en de omvang van de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten; d) wanneer het instrument van bail-in wordt toegepast, als onderbouwing te dienen voor het besluit over de omvang van de afschrijving of omzetting van in aanmerking komende passiva; e) wanneer het instrument van de overbruggingsinstelling of het instrument van afsplitsing van activa wordt toegepast, als onderbouwing te dienen voor het besluit over de activa, de rechten, de passiva of eigendomsinstrumenten die moeten worden overgedragen en voor het besluit over de waarde van elke aan de instelling in afwikkeling of, in voorkomend geval, aan de eigenaren van de eigendomsinstrumenten te betalen vergoeding; f) wanneer het instrument van verkoop van de onderneming wordt toegepast, als onderbouwing te dienen voor het besluit over de activa, de rechten, de passiva, of eigendomsinstrumenten die moeten worden overgedragen, alsook mede vorm te geven aan de opvatting van de afwikkelingsraad over wat commerciële voorwaarden zijn voor de toepassing van artikel 24, lid 2, punt b); g) er in alle gevallen zorg voor te dragen dat ieder verlies met betrekking tot de activa van een in artikel 2 bedoelde entiteit volledig is erkend op het ogenblik waarop de afwikkelingsinstrumenten worden toegepast of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten wordt uitgeoefend. 6. Onverminderd de staatssteunregels van de Unie is, in voorkomend geval, de waardering gebaseerd op prudente aannamen, onder meer met betrekking tot wanbetalingspercentages en de ernst van de verliezen. Bij de waardering wordt niet uitgegaan van een eventuele toekomstige toekenning van buitengewone openbare financiële steun, noodliquiditeitssteun van een centrale bank of liquiditeitssteun onder niet-standaardvoorwaarden […]. […] 10. Indien wegens de spoedeisende omstandigheden van de zaak ofwel onmogelijk aan de in leden 7 en 9 opgenomen vereisten kan worden voldaan, ofwel lid 3 van toepassing is, wordt een voorlopige waardering verricht. De voorlopige waardering voldoet aan de in lid 4 opgenomen vereisten en, voor zover dit gezien de omstandigheden redelijkerwijze haalbaar is, aan de in de leden 1, 7 en 9 opgenomen vereisten. De in de eerste alinea bedoelde voorlopige waardering omvat een buffer voor bijkomende verliezen, die passend wordt gemotiveerd. 11. Een waardering die niet aan alle vereisten van lid 1 en de leden 4 tot en met 9 voldoet, wordt als voorlopig beschouwd totdat een onafhankelijk persoon als bedoeld in lid 1 een waardering heeft verricht die ten volle aan alle vereisten van die leden voldoet. Deze definitieve waardering ex post wordt zo spoedig mogelijk verricht. Zij kan hetzij afzonderlijk van de in de leden 16, 17 en 18 bedoelde waardering, hetzij tegelijk met en door dezelfde onafhankelijke persoon als die waardering worden verricht, maar staat los van die waardering. De definitieve waardering ex post heeft tot doel: a) er zorg voor te dragen dat ieder verlies met betrekking tot de activa van een in artikel 2 bedoelde entiteit volledig in de boekhouding van die entiteit wordt opgenomen; b) als onderbouwing te dienen voor het besluit om overeenkomstig lid 12 van dit artikel de vorderingen van de crediteuren terug te nemen of de waarde van de betaalde vergoeding te verhogen. 12. Indien de geschatte definitieve waardering ex post van de nettowaarde van de activa van een in artikel 2 bedoelde entiteit hoger is dan de geschatte voorlopige waardering van de nettowaarde van de activa van die entiteit, kan de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteit verzoeken: a) haar bevoegdheid uit te oefenen om de waarde te verhogen van de vorderingen van de crediteuren of eigenaars van relevante kapitaalinstrumenten die zijn afgeschreven uit hoofde van het instrument van bail-in; b) een overbruggingsinstelling of een vehikel voor activabeheer de opdracht te geven een verdere betaling te verrichten van de vergoeding met betrekking tot de activa, de rechten of passiva aan een instelling in afwikkeling of, in voorkomend geval, van de vergoeding met betrekking tot de eigendomsinstrumenten aan de eigenaren van deze eigendomsinstrumenten. 13. Niettegenstaande lid 1 vormt een overeenkomstig de leden 10 en 11 verrichte voorlopige waardering voor de afwikkelingsraad een geldige basis om tot afwikkelingsmaatregelen te besluiten, met inbegrip van instructies aan de nationale afwikkelingsautoriteiten om de zeggenschap over een falende instelling over te nemen, of tot uitoefening van de bevoegdheid tot het afschrijven of omzetten van de relevante kapitaalinstrumenten. […] 15. De waardering vormt een integrerend onderdeel van het besluit om een afwikkelingsinstrument toe te passen of een afwikkelingsbevoegdheid uit te oefenen of van het besluit om de bevoegdheid tot het afschrijven of omzetten van kapitaalinstrumenten uit te oefenen. De waardering zelf is niet vatbaar voor een afzonderlijk beroep, maar kan vatbaar zijn voor een beroep samen met het besluit van de afwikkelingsraad. 16. Om te beoordelen of aandeelhouders en crediteuren beter zouden zijn behandeld als er een normale insolventieprocedure ten aanzien van de instelling in afwikkeling was geopend, draagt de afwikkelingsraad er zorg voor dat er zo spoedig mogelijk na de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel of -maatregelen een waardering door een onafhankelijke persoon als bedoeld in lid 1 wordt verricht. Deze waardering staat los van de waardering die uit hoofde van de leden 1 tot en met 15 wordt verricht. […]”
10 Artikel 21 („Afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten”), van de GAM-verordening bepaalt in lid 1: „De afwikkelingsraad oefent overeenkomstig de procedure van artikel 18 de bevoegdheden tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten uit ten aanzien van de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en van de in artikel 7, lid 4, onder b), en lid 5, bedoelde entiteiten en groepen als aan de voorwaarden voor de toepassing van deze leden is voldaan, maar alleen als hij op zijn bestuursvergadering, na ontvangst van een mededeling als bedoeld in de tweede alinea of op eigen initiatief, van oordeel is dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) voordat er een afwikkelingsmaatregel wordt genomen, is vastgesteld dat de in de artikelen 16 en 18 bedoelde afwikkelingsvoorwaarden zijn vervuld; […]”
11 Artikel 22 van deze verordening („Algemene beginselen van afwikkelingsinstrumenten”) bepaalt: „1. Indien de afwikkelingsraad besluit een afwikkelingsinstrument op een entiteit of groep als bedoeld in artikel 7, lid 2, of op een entiteit of groep als bedoeld in artikel 7, lid 4, punt b), en lid 5, indien de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen zijn vervuld, toe te passen, en deze afwikkelingsmaatregel tot gevolg zou hebben dat crediteuren verliezen lijden of dat hun vorderingen worden omgezet, geeft de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteiten de instructie de bevoegdheid tot het afschrijven en omzetten van de relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 21 onmiddellijk vóór dan wel tegelijk met de toepassing van het afwikkelingsinstrument uit te oefenen. 2. De in artikel 18, lid 6, punt b), bedoelde afwikkelingsinstrumenten zijn: a) het instrument van verkoop van de onderneming; b) het instrument van de overbruggingsinstelling; c) het instrument van afsplitsing van activa; d) het instrument van bail-in. […] 4. De afwikkelingsinstrumenten worden overeenkomstig de in artikel 15 vermelde afwikkelingsbeginselen toegepast om de in artikel 14 vermelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. Zij mogen ofwel afzonderlijk ofwel in combinatie worden toegepast, met uitzondering van het instrument van afsplitsing van activa, dat alleen samen met een ander afwikkelingsinstrument mag worden toegepast. […]”
12 Artikel 24 van deze verordening („Instrument van verkoop van de onderneming ”) is als volgt verwoord: „1. Binnen de afwikkelingsregeling bestaat het instrument van verkoop van de onderneming in de overdracht aan een koper die geen overbruggingsinstelling is, in het volgende: a) eigendomsinstrumenten die zijn uitgegeven door een instelling in afwikkeling; of b) alle of bepaalde activa, rechten of passiva van een instelling in afwikkeling. 2. In verband met het instrument van de verkoop van de onderneming wordt in de afwikkelingsregeling het volgende vastgelegd: […] b) de commerciële voorwaarden, gezien de omstandigheden en de in de loop van het afwikkelingsproces gemaakte kosten en verrichte uitgaven, waaronder de nationale afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 38, leden 2, 3 en 4, van [richtlijn 2014/59] de overdracht moet uitvoeren; […] d) de regelingen voor de verkoop door de nationale afwikkelingsautoriteit van de betrokken entiteit of de betrokken instrumenten, activa, rechten en verplichtingen in overeenstemming met artikel 39, leden 1 en 2, van [richtlijn 2014/59]; e) of het waarschijnlijk is dat de inachtneming van de verkoopsvoorwaarden door de nationale afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsdoelstellingen zal ondermijnen in de zin van lid 3 van dit artikel. 3. De afwikkelingsraad past het instrument van verkoop van de onderneming toe zonder aan de in lid 2, punt e), opgenomen voorwaarden voor de verkoop te voldoen wanneer hij vaststelt dat inachtneming van deze voorwaarden waarschijnlijk een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen zou ondermijnen, en met name indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) hij is van oordeel dat het falen of het waarschijnlijke falen van de instelling in afwikkeling een wezenlijke bedreiging van de financiële stabiliteit vormt of die dreiging verergert; en b) hij is van oordeel dat het naleven van die vereisten de doelmatigheid van het instrument van verkoop van de onderneming zal aantasten wat betreft het wegnemen van die bedreiging of het verwezenlijken van de in artikel 14, lid 2, onder b), vermelde afwikkelingsdoelstelling zou ondermijnen.”
13 Artikel 29 van de GAM-verordening betreft de uitvoering, door de nationale afwikkelingsautoriteiten en de afwikkelingsraad van besluiten die krachtens deze verordening zijn genomen en bepaalt in lid 5, eerste volzin, dat de afwikkelingsraad op zijn officiële website hetzij een kopie van de afwikkelingsregeling publiceert, hetzij een bericht waarin de gevolgen van de afwikkelingsmaatregel, en met name de gevolgen ervan voor retailklanten, worden samengevat.
14 Artikel 34 („Verzoeken om informatie”) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 2 het volgende: „1. Voor de uitvoering van zijn taken uit hoofde van deze verordening kan de afwikkelingsraad, hetzij via de nationale afwikkelingsautoriteiten, hetzij direct, na hen in kennis te hebben gesteld, met gebruikmaking van alle informatie die beschikbaar is bij de ECB of de nationale bevoegde autoriteiten, van de volgende rechts- of natuurlijke personen verlangen dat zij alle informatie verstrekken die nodig is voor de uitvoering van de hem bij deze verordening opgedragen taken: a) de in artikel 2 bedoelde entiteiten; b) de personeelsleden van de in artikel 2 bedoelde entiteiten; c) derden aan wie de in de in artikel 2 bedoelde entiteiten functies of activiteiten hebben uitbesteed. 2. De in lid 1 bedoelde entiteiten en personen verstrekken de krachtens dat lid gevraagde informatie. De vereisten inzake beroepsgeheim stellen die entiteiten en personen niet vrij van de plicht die informatie te verstrekken. De verstrekking van de gevraagde informatie wordt niet als een schending van de vereisten inzake beroepsgeheim beschouwd.”
15 Artikel 76, lid 1, onder e), van de GAM-verordening bepaalt dat de afwikkelingsraad in het kader van de afwikkelingsregeling een beroep kan doen op het Fonds voor zover dat noodzakelijk is om de effectieve toepassing van de afwikkelingsinstrumenten te verzekeren, met als doel een compensatie te betalen aan aandeelhouders of crediteuren indien zij na een waardering overeenkomstig artikel 20, lid 5, van die verordening grotere verliezen hebben geleden dan zij zouden hebben geleden na een waardering overeenkomstig artikel 20, lid 16, van die verordening in een liquidatie in normale insolventieprocedures.
16 Artikel 88 van deze verordening („Beroepsgeheim en uitwisseling van informatie”) bepaalt in lid 1: „Voor de leden van de afwikkelingsraad, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden van de afwikkelingsraad, de personeelsleden uitgewisseld met of gedetacheerd door de deelnemende lidstaten die afwikkelingstaken uitvoeren, geldt de geheimhoudingsplicht van artikel 339 VWEU en de desbetreffende bepalingen in het Unierecht, zelfs na afloop van hun functie. Met name mogen zij aan geen enkele persoon of autoriteit vertrouwelijke informatie bekendmaken waarvan zij bij de uitoefening van hun beroepswerkzaamheden of via een bevoegde autoriteit of afwikkelingsautoriteit in verband met hun taken als bedoeld in deze richtlijn kennis hebben gekregen, tenzij in het kader van de uitoefening van hun taken als bedoeld in deze verordening of in een zodanig samengevatte of geaggregeerde vorm dat in artikel 2 bedoelde entiteiten niet kunnen worden geïdentificeerd, of met de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de autoriteit of de entiteit die de informatie heeft verschaft. Informatie die onder de vereisten inzake beroepsgeheim valt, mag niet aan een andere publieke of particuliere entiteit worden verstrekt, tenzij dat in het kader van gerechtelijke procedures noodzakelijk is. Die vereisten gelden ook voor kandidaat-kopers die worden gecontacteerd met het oog op de voorbereiding van de afwikkeling van een entiteit uit hoofde van artikel 13, lid 3.”
17 Artikel 90 van de GAM-verordening („Toegang tot documenten”) luidt als volgt: „1. Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad [van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43)] is van toepassing op de documenten in bezit van de afwikkelingsraad. […] 4. Aan de besluiten van de afwikkelingsraad onderworpen personen zijn gerechtigd toegang tot het dossier van de afwikkelingsraad te krijgen, onder voorbehoud van het rechtmatige belang van andere personen bij de bescherming van hun zakengeheimen. Het recht van toegang tot het dossier is niet van toepassing op vertrouwelijke informatie of interne voorbereidende documenten van de afwikkelingsraad.”
II. Voorgeschiedenis van het geding
18 Banco Popular Español, SA (hierna: „Banco Popular”) was een kredietinstelling die onder rechtstreeks prudentieel toezicht van de ECB stond.
19 Aeris Invest is een rechtspersoon naar Luxemburgs recht die aandeelhouder van Banco Popular was.
A. Economische situatie van Banco Popular in 2016 en 2017
20 De feiten inzake de ontwikkeling van de economische situatie van Banco Popular in 2016 en 2017, die zijn uiteengezet in de punten 26 tot en met 46 van het bestreden arrest, kunnen als volgt worden samengevat.
21 In 2016 heeft Banco Popular een kapitaalverhoging van 2,5 miljard EUR doorgevoerd.
22 Op 5 december 2016 heeft de afwikkelingsraad tijdens zijn bestuursvergadering een afwikkelingsplan voor de groep Banco Popular (hierna: „afwikkelingsplan 2016”) vastgesteld. In het afwikkelingsplan 2016 werd, als afwikkelingsinstrument, de voorkeur gegeven aan het in artikel 27 van de GAM-verordening vermelde instrument van bail-in.
23 Op 3 februari 2017 heeft Banco Popular haar jaarverslag over 2016 gepubliceerd, waarin zij aankondigde dat uitzonderlijke voorzieningen ten belope van 5,7 miljard EUR nodig waren – wat resulteerde in een geconsolideerd verlies van 3,485 miljard EUR – en dat er een nieuwe CEO zou worden benoemd.
24 Op 10 februari 2017 heeft DBRS Ratings Ltd (DBRS) (thans DBRS Morningstar) de rating van Banco Popular verlaagd, met een negatieve outlook, in het licht van de verzwakte kapitaalpositie van deze bank ten gevolge van een groter nettoverlies dan het in punt 23 van het onderhavige arrest vermelde verlies dat in haar jaarverslag werd verwacht, alsmede de inspanningen die Banco Popular leverde om haar nog steeds hoge voorraad niet-rendabele activa te verminderen.
25 Op 3 april 2017 heeft Banco Popular het resultaat van interne audits bekendgemaakt, waarbij zij aangaf dat het jaarverslag over 2016 mogelijkerwijs moest worden gecorrigeerd. Deze correcties zijn doorgevoerd in het financiële verslag van Banco Popular over het eerste kwartaal van 2017.
26 Na deze aankondiging heeft DBRS Morningstar op 6 april de rating van Banco Popular verlaagd en de negatieve outlook gehandhaafd. Ook Standard & Poor’s – op 7 april – en Moody’s Investors service (hierna: „Moody’s”) – op 21 april 2017 – hebben de rating van Banco Popular verlaagd, eveneens met een negatieve outlook.
27 Op 10 april 2017 heeft de voorzitter van de raad van bestuur tijdens de algemene aandeelhoudersvergadering van Banco Popular aangekondigd dat de bank wegens de kapitaalpositie van de groep en de omvang van haar niet-rendabele activa een kapitaalverhoging of een bedrijfstransactie overwoog. De CEO van Banco Popular werd minder dan een jaar na zijn indiensttreding vervangen.
28 In april 2017 heeft Banco Popular een onderhandse verkoopprocedure gelanceerd met het oog op haar overdracht aan een sterke concurrent en daarmee het herstel van haar financiële positie. De uiterste datum waarop mogelijkerwijs in de overname van Banco Popular geïnteresseerde kopers een bod konden uitbrengen werd vastgesteld op 10 juni 2017.
29 Op 5 mei 2017 heeft Banco Popular haar financieel verslag over het eerste kwartaal van 2017 gepresenteerd, waarin een verlies van 137 miljoen EUR werd aangekondigd.
30 Op 12 mei 2017 daalde het liquiditeitsdekkingsvereiste (Liquidity Coverage Requirement) van Banco Popular tot onder de minimumdrempel van 80 % die is vastgesteld in artikel 460, lid 2, onder c), van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1).
31 Bij brief van 16 mei 2017 heeft Banco Santander, SA aan Banco Popular meegedeeld dat zij niet in staat was om in het kader van de onderhandse verkoopprocedure een bindend bod uit te brengen.
32 Op 16 mei 2017 heeft Banco Popular in een mededeling van een relevant feit aan de Comisión nacional del mercado de valores (nationale commissie voor de effectenmarkt, Spanje) vermeld dat potentiële kopers hun belangstelling voor de onderhandse verkoopprocedure kenbaar hadden gemaakt, maar dat er geen enkel bindend bod was ontvangen.
33 Op 19 mei 2017 heeft het ratingbureau Fitch Ratings Ltd de langetermijnrating van Banco Popular verlaagd.
34 Op 23 mei 2017 heeft de voorzitter van de afwikkelingsraad, Elke König, een interview gegeven aan de televisiezender Bloomberg, waarin haar onder meer werd gevraagd naar de situatie van Banco Popular.
35 In de loop van mei 2017 werd in talrijke persartikelen bericht over de moeilijkheden van Banco Popular.
36 In de eerste dagen van juni 2017 kreeg Banco Popular te maken met massale geldopnamen.
37 Op 5 juni 2017 heeft Banco Popular wegens aanzienlijke liquiditeitsbewegingen ’s ochtends een eerste verzoek om noodliquiditeitssteun ingediend bij de Banco de España (centrale bank van Spanje), gevolgd door een tweede verzoek in de middag, waarin het gevraagde bedrag werd verhoogd. Op verzoek van de Banco de España en na de op diezelfde dag door de ECB verrichte beoordeling van het verzoek van Banco Popular om noodliquiditeitssteun, heeft de Raad van bestuur van de ECB geen bezwaar gemaakt tegen het verstrekken van noodliquiditeitssteun aan Banco Popular voor de periode tot en met 8 juni 2017. Banco Popular heeft een deel van deze noodliquiditeitssteun ontvangen, waarna de Banco de España heeft verklaard dat zij Banco Popular geen extra noodliquiditeitssteun kon verlenen.
B. Verloop van de afwikkelingsprocedure
38 Het Gerecht heeft de feiten betreffende het verloop van de afwikkelingsprocedure uiteengezet in de punten 47 tot en met 67 van het bestreden arrest. Deze punten kunnen worden samengevat als volgt.
39 Op 23 mei 2017 heeft de afwikkelingsraad het auditkantoor Deloitte aangesteld als onafhankelijke deskundige om Banco Popular te waarderen overeenkomstig artikel 20 van de GAM-verordening.
40 Op 24 mei 2017 heeft de afwikkelingsraad Banco Popular op de grondslag van artikel 34 van de GAM-verordening verzocht om informatie die hij nodig had om zijn waardering uit te voeren. Op 2 juni 2017 heeft hij Banco Popular tevens verzocht om informatie te verstrekken over de onderhandse verkoopprocedure en om toegang te verlenen tot de beveiligde virtuele dataroom die deze bank in het kader van die procedure had opgezet.
41 Op 3 juni 2017 heeft de afwikkelingsraad tijdens zijn bestuursvergadering het tot het Fondo de Reestructuración Ordenada Bancaria (FROB) (fonds voor de ordelijke herstructurering van bankinstellingen, Spanje) gerichte besluit SRB/EES/2017/06 vastgesteld, dat betrekking heeft op de verkoop van Banco Popular. De afwikkelingsraad heeft zijn goedkeuring gehecht aan de onmiddellijke lancering van de procedure voor de verkoop van Banco Popular door het FROB en heeft het FROB gewezen op de voorwaarden voor de verkoop overeenkomstig artikel 39 van richtlijn 2014/59. De afwikkelingsraad heeft er met name op gewezen dat het FROB contact moest opnemen met de vijf potentiële kopers die waren uitgenodigd om in het kader van de onderhandse verkoopprocedure een bod uit te brengen.
42 Van de vijf potentiële kopers hebben er twee besloten om niet aan de verkoopprocedure deel te nemen en is er één door de ECB uitgesloten om prudentiële redenen.
43 Op 4 juni 2017 hebben de twee potentiële kopers die hadden besloten om aan de verkoopprocedure deel te nemen – Banco Santander en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA – een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend en op 5 juni 2017 hebben zij toegang gekregen tot de virtuele dataroom.
44 Op 5 juni 2017 heeft de afwikkelingsraad overeenkomstig artikel 20, lid 5, onder a), van de GAM-verordening een eerste waardering opgesteld (hierna: „eerste waardering”), die tot doel had als onderbouwing te dienen voor de vaststelling of voldaan was aan de in artikel 18, lid 1, eerste alinea, van deze verordening vastgelegde voorwaarden voor afwikkeling.
45 Op 6 juni 2017 heeft de ECB – overeenkomstig artikel 18, lid 1, tweede alinea, van deze verordening – na raadpleging van de afwikkelingsraad beoordeeld of Banco Popular faalde of waarschijnlijk zou falen.
46 Uit punt 61 van het bestreden arrest blijkt dat de ECB na die beoordeling, gelet op de ontwikkeling van de economische situatie van Banco Popular in 2016 en 2017,, zoals samengevat in de punten 21 tot en met 37 van het onderhavige arrest, en met name met de al te grote uitstroom van deposito’s, de snelheid waarmee de liquiditeitspositie van de bank was verslechterd en het feit dat zij niet in staat was om andere liquide middelen te genereren, heeft vastgesteld dat er objectieve gegevens bestonden waaruit bleek dat Banco Popular in de nabije toekomst waarschijnlijk niet in staat zou zijn om haar schulden of andere passiva te voldoen wanneer deze opeisbaar werden. De ECB is tot de slotsom gekomen dat Banco Popular moest worden beschouwd als een entiteit die faalde of althans in de nabije toekomst waarschijnlijk zou falen in de zin van artikel 18, lid 1, eerste alinea, onder a), en lid 4, eerste alinea, onder c), van de GAM-verordening.
47 Op dezelfde dag heeft de Banco Popular de ECB meegedeeld dat haar raad van bestuur tot de conclusie was gekomen dat de bank waarschijnlijk zou falen.
48 De feiten inzake de verkoopprocedure, zoals deze uit de punten 63 tot en met 67 van het bestreden arrest naar voren komen, kunnen worden samengevat als volgt.
49 Bij brief van 6 juni 2017 heeft het FROB de informatie verstrekt inzake de verkoopprocedure en 6 juni 2017 om middernacht vastgesteld als uiterste termijn voor het uitbrengen van een bod.
50 Nog steeds op diezelfde dag heeft Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, een van de twee potentiële kopers van Banco Popular, het FROB meegedeeld dat zij geen bod zou uitbrengen.
51 Eveneens op 6 juni 2017 heeft Deloitte de afwikkelingsraad een tweede waardering (hierna: „tweede waardering”) doen toekomen die was opgesteld overeenkomstig artikel 20, lid 10, van de GAM-verordening. De tweede waardering had tot doel de waarde van de activa en passiva van Banco Popular te bepalen, een inschatting te geven van de behandeling die de aandeelhouders en crediteuren zouden hebben genoten indien er een normale insolventieprocedure ten aanzien van Banco Popular was geopend, alsmede om gegevens te leveren die konden dienen als onderbouwing voor het besluit over de aandelen en eigendomsinstrumenten die moesten worden overgedragen, en die de afwikkelingsraad kon gebruiken om de commerciële voorwaarden voor het instrument van verkoop van de onderneming vast te stellen. In die waardering is onder meer de economische waarde van Banco Popular geraamd op 1,3 miljard EUR in het beste scenario, op min 8,2 miljard EUR in het slechtste scenario en op min 2 miljard EUR voor de beste raming.
52 Op 7 juni 2017 heeft Banco Santander een bindend bod uitgebracht.
53 Bij brief van 7 juni 2017 heeft het FROB de afwikkelingsraad meegedeeld dat Banco Santander op 7 juni om 3.12 uur een bod had uitgebracht en dat de door deze bank geboden prijs voor de koop van de aandelen van Banco Popular 1 EUR bedroeg. Het FROB heeft erop gewezen dat zijn directiecomité Banco Santander had geselecteerd als de succesvolle bieder in de op concurrentie gebaseerde procedure voor de verkoop van Banco Popular en had besloten om de afwikkelingsraad voor te stellen om Banco Santander in het besluit van de afwikkelingsraad over een afwikkelingsregeling voor Banco Popular als koper aan te wijzen.
C. Litigieuze afwikkelingsregeling
54 Op 7 juni 2017 heeft de afwikkelingsraad op grond van de GAM-verordening de litigieuze afwikkelingsregeling voor de Banco Popular vastgesteld.
55 In de overwegingen 19, 21 tot en met 25, overweging 26, onder c), en de overwegingen 36 en 46 van deze regeling heeft de afwikkelingsraad vastgesteld: – dat de afwikkelingsraad op 5 december 2016 een afwikkelingsplan had vastgesteld waarin een afwikkelingsstrategie is bepaald en een afwikkelingsinstrument is aangewezen dat de voorkeur genoot (overwegingen 19, 21 en 22); – dat uit de evaluatie van de ECB van de vraag of Banco Popular faalt of waarschijnlijk zal falen bleek dat de liquiditeitspositie van Banco Popular sinds oktober 2016 aanzienlijk was verslechterd ten gevolge van de deposito-opnamen in alle klantensegmenten; dat hieruit volgde dat de bank niet over voldoende mogelijkheden beschikte om haar liquiditeitspositie te herstellen om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen wanneer deze opeisbaar werden (overweging 23); – dat verschillende omstandigheden hadden geleid tot een snelle verslechtering van de liquiditeitspositie van Banco Popular, namelijk: – in februari 2017 had Banco Popular aangekondigd dat uitzonderlijke voorzieningen nodig waren ten belope van 5,7 miljard EUR, wat heeft geresulteerd in een geconsolideerd verlies van 3,485 miljard EUR, en had zij een nieuwe voorzitter benoemd; – op 10 februari 2017 had DBRS Morningstar de rating van Banco Popular verlaagd; – op 3 april 2017 heeft Banco Popular een publieke verklaring ad hoc bekendgemaakt over de uitkomst van interne audits die wezenlijke impact konden hebben op haar financiële staat, en heeft zij bevestigd dat haar CEO minder dan een jaar na zijn indiensttreding was vervangen; – op 7 april 2017 was de rating van Banco Popular verlaagd door Standard & Poor’s en op 21 april 2017 door Moody’s; – op 12 mei 2017 had Banco Popular het liquiditeitsdekkingsvereiste van 80 % geschonden en was er nadien niet in geslaagd om opnieuw aan de wettelijke limiet te voldoen; – de aanhoudende negatieve berichtgeving in de media over de financiële resultaten van Banco Popular en het vermeende dreigende risico op een faillissement of een gebrek aan liquiditeiten hadden geleid tot een toename van deposito-opnamen, en – op 6 juni 2017 hadden DBRS en Moody’s de rating van Banco Popular verlaagd (overweging 24); – dat bovengenoemde omstandigheden tot aanzienlijke deposito-opnamen hadden geleid (overweging 25); – dat Banco Popular op 5 juni 2017, na toestemming van de ECB, een eerste bedrag aan noodliquiditeitssteun had ontvangen, maar dat de Banco de España haar geen extra noodliquiditeitssteun had kunnen verschaffen [overweging 26; onder c)]; – dat de Banco Popular op 6 juni 2017 de ECB had laten weten dat haar raad van bestuur tot de slotsom was gekomen dat de bank waarschijnlijk zou falen (overweging 36), en – dat het in het afwikkelingsplan 2016 beoogde afwikkelingsinstrument niet geschikt was voor de omstandigheden die zich voordeden op het tijdstip van de afwikkeling (overweging 46).
56 Volgens artikel 1 van de litigieuze afwikkelingsregeling heeft de afwikkelingsraad besloten om Banco Popular vanaf de afwikkelingsdatum in afwikkeling te plaatsen, aangezien aan de voorwaarden van artikel 18, lid 1, eerste alinea, van de GAM-verordening was voldaan.
57 In dit verband blijkt uit de artikelen 2 tot en met 4 van de litigieuze afwikkelingsregeling dat de afwikkelingsraad van mening was dat Banco Popular faalde of waarschijnlijk zou falen, dat er geen alternatieve maatregelen waren die binnen een redelijk tijdsbestek het falen van Banco Popular konden voorkomen, en dat een afwikkelingsmaatregel in de vorm van het instrument van verkoop van Banco Popular noodzakelijk was om de continuïteit van de kritieke functies van de bank te garanderen en significante nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit, met name in Spanje, te vermijden.
58 In artikel 5, lid 1, van de litigieuze afwikkelingsregeling heeft de afwikkelingsraad derhalve het volgende besloten: „Het op Banco Popular toegepaste afwikkelingsinstrument zal bestaan in de verkoop van de onderneming overeenkomstig artikel 24 van [de GAM-] verordening door overdracht van de aandelen aan een koper. De afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten zullen onmiddellijk vóór de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming plaatsvinden.”
59 Artikel 6 van de litigieuze afwikkelingsregeling definieert de voorwaarden voor deze afschrijving en de verkoop van de onderneming. Zo heeft de afwikkelingsraad in artikel 6, lid 1, van de afwikkelingsregeling besloten om: – eerst het nominale bedrag van het maatschappelijk kapitaal van Banco Popular af te schrijven ten belope van 2098429046 EUR, waardoor 100 % van de aandelen van Banco Popular werden ingetrokken; – vervolgens de volledige hoofdsom van de door Banco Popular uitgegeven en op de datum van het afwikkelingsbesluit in omloop zijnde aanvullende tier 1-kapitaalinstrumenten om te zetten in nieuw uitgegeven aandelen van Banco Popular, de „nieuwe aandelen I”; – daarna de nominale waarde van de „nieuwe aandelen I” tot nul af te schrijven, waardoor 100 % van deze „nieuwe aandelen I” werden ingetrokken; – tot slot de volledige hoofdsom van de door Banco Popular uitgegeven en op de datum van het afwikkelingsbesluit in omloop zijnde tier 2-kapitaalinstrumenten om te zetten in nieuw uitgegeven aandelen van Banco Popular, de „nieuwe aandelen II”.
60 Artikel 6, lid 3, van de litigieuze afwikkelingsregeling bepaalt dat die afschrijvings- en omzettingsmaatregelen berusten op de tweede waardering, die wordt ondersteund door de resultaten van een door het FROB gevoerde transparante en open verkoopprocedure.
61 In artikel 6, lid 5, van de litigieuze afwikkelingsregeling heeft de afwikkelingsraad aangegeven dat hij de hem bij artikel 24, lid 1, onder a), van de GAM-verordening toegekende bevoegdheden met betrekking tot het instrument van verkoop van de onderneming heeft uitgeoefend, en dat hij heeft gelast om de „nieuwe aandelen II” onbelast en zonder enig recht of voorrecht van een derde over te dragen aan Banco Santander tegen betaling van een aankoopprijs van 1 EUR. Gepreciseerd werd dat de koper reeds met de overdracht had ingestemd.
62 De afwikkelingsraad heeft ook aangegeven dat de overdracht van de „nieuwe aandelen II” moest plaatsvinden op basis van het bindende bod van de koper van 7 juni 2017 en door het FROB moet worden uitgevoerd.
63 De litigieuze afwikkelingsregeling is op 7 juni 2017 ter goedkeuring voorgelegd aan de Commissie.
64 Diezelfde dag heeft deze instelling besluit 2017/1246 tot goedkeuring van de litigieuze afwikkelingsregeling vastgesteld en de afwikkelingsraad daarvan in kennis gesteld. In overweging 4 staat te lezen: „De Commissie stemt in met de afwikkelingsregeling. Met name stemt zij in met de door de afwikkelingsraad opgegeven redenen ter motivering van de noodzaak van een afwikkeling in het algemeen belang overeenkomstig artikel 18, lid 5, van [de GAM-]verordening.”
65 Ook op 7 juni 2017 heeft de afwikkelingsraad het FROB in kennis gesteld van de litigieuze afwikkelingsregeling en tegelijk op zijn website een mededeling gepubliceerd met informatie over de vaststelling van die regeling, met daarbij een document waarin de gevolgen van de afwikkeling werden samengevat.
66 Nog steeds op diezelfde datum heeft het FROB overeenkomstig artikel 29 van de GAM-verordening de nodige maatregelen getroffen om uitvoering te geven aan de afwikkelingsregeling.
D. Feiten die zich na de vaststelling van de litigieuze afwikkelingsregeling hebben voorgedaan
67 Op 14 juni 2018 heeft Deloitte de in artikel 20, leden 16 tot en met 18, van de GAM-verordening geregelde waardering van het verschil in behandeling verzonden die zij had uitgevoerd om vast te stellen of aandeelhouders en crediteuren beter zouden zijn behandeld indien er een normale insolventieprocedure ten aanzien van Banco Popular was geopend. Op 31 juli 2018 heeft Deloitte de afwikkelingsraad een addendum bij die waardering gestuurd, waarin een aantal vormfouten was rechtgezet.
68 Op 11 juli 2017 heeft de afwikkelingsraad op zijn website een niet-vertrouwelijke versie van de litigieuze afwikkelingsregeling openbaar gemaakt. In deze versie heeft de afwikkelingsraad met name bepaalde gegevens uit de overwegingen 23 tot en met 26 van die regeling, betreffende de liquiditeitscrisis van Banco Popular, en de daaruit voortvloeiende delen van artikel 6, leden 3 en 4, van de litigieuze afwikkelingsregeling betreffende de uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid, onleesbaar gemaakt.
69 In juli 2017 heeft de ECB op haar website een niet-vertrouwelijke versie openbaar gemaakt van haar beoordeling van de vraag of Banco Popular faalde of waarschijnlijk zou falen.
70 Op 2 februari en 31 oktober 2018 heeft de afwikkelingsraad niet-vertrouwelijke, minder geschoonde versies van de litigieuze afwikkelingsregeling openbaar gemaakt, waarin thans bepaalde voorheen onleesbaar gemaakte gegevens, als bedoeld in punt 68 van het onderhavige arrest, zichtbaar waren, met uitzondering van bepaalde cijfers. In dit verband heeft hij ook niet-vertrouwelijke versies van de eerste en de tweede waardering bekend gemaakt.
III. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
71 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 september 2017, heeft rekwirante beroep tot nietigverklaring van de litigieuze afwikkelingsregeling en van besluit 2017/1246 ingesteld.
A. Procedure bij het Gerecht
72 Bij een op 15 november 2017 ter griffie neergelegde akte heeft de afwikkelingsraad het Gerecht overeenkomstig artikel 92, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om maatregelen van instructie te gelasten met betrekking tot de overlegging van bepaalde in de bijlage bij dit verzoek genoemde documenten. Bij beslissing van 30 november 2017 heeft het Gerecht besloten dit verzoek om maatregelen van instructie in dat stadium van het geding niet in te willigen.
73 Bij op respectievelijk 6 november, 30 november, 5 december en 13 december 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben Banco Santander, de Raad, het Koninkrijk Spanje en het Europees Parlement verzocht om in de onderhavige procedure te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie en de afwikkelingsraad. Bij beslissingen van respectievelijk 6 augustus 2018 en van 12 april 2019 heeft het Gerecht deze verzoeken tot interventie ingewilligd.
74 Op 16 februari 2018 heeft het Gerecht de afwikkelingsraad in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang verzocht om overlegging van de laatste niet-vertrouwelijke versie van de afwikkelingsregeling en een niet-vertrouwelijke versie van de tweede waardering, welke documenten waren gepubliceerd op de website van de afwikkelingsraad. De afwikkelingsraad heeft deze documenten binnen de gestelde termijn ingediend.
75 Bij een op 21 januari 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft rekwirante krachtens artikel 84 van het Reglement voor de procesvoering een nieuw middel voorgedragen. De Commissie, de afwikkelingsraad, het Koninkrijk Spanje, het Parlement, de Raad en Banco Santander hebben binnen de gestelde termijn hun opmerkingen ingediend.
76 Bij een op 2 oktober 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft rekwirante een nieuw bewijsaanbod overgelegd ingevolge artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering. De Commissie, de afwikkelingsraad, het Koninkrijk Spanje, het Parlement, de Raad en Banco Santander hebben binnen de gestelde termijn hun opmerkingen ingediend.
77 Op 16 maart 2021 heeft het Gerecht de afwikkelingsraad in het kader van de in artikel 89 van zijn Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang verzocht om meerdere documenten over te leggen. Bij brieven van 30 maart en 20 april 2021 heeft de afwikkelingsraad geantwoord dat de gevraagde documenten volledig of gedeeltelijk vertrouwelijk waren en dat zij konden worden overgelegd indien het Gerecht daarvoor een maatregel van instructie zou vaststellen.
78 Bij beschikking van 12 mei 2021 heeft het Gerecht de afwikkelingsraad op grond van artikel 24, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsook artikel 91, onder b), artikel 92, lid 3, en artikel 103 van het Reglement voor de procesvoering gelast om de volledige versies over te leggen van de litigieuze afwikkelingsregeling, de tweede waardering, de door de ECB op 6 juni 2017 verrichte beoordeling of Banco Popular faalde of waarschijnlijk zou falen van, alsook een volledige en niet-vertrouwelijke versie van de brief van Banco Popular aan de ECB van 6 juni 2017 – daaronder begrepen de bijlage – en de brief van de ECB aan Banco Popular van 18 mei 2017.
79 Bij beschikking van 9 juni 2021 heeft het Gerecht de vertrouwelijke versies van de door de afwikkelingsraad ter uitvoering van de beschikking van 12 mei 2021 overgelegde documenten uit het dossier verwijderd en de brief van 6 juni 2017 van Banco Popular aan de ECB – zonder de bijlage erbij – verzonden aan rekwirante, het Koninkrijk Spanje, het Parlement, de Raad en Banco Santander.
B. Bestreden arrest
80 Ter ondersteuning van haar beroep had rekwirante tien middelen aangevoerd.
81 Het eerste middel berustte op schending van de motiveringsplicht en van de rechten van de verdediging, die zijn neergelegd in de artikelen 15 en 296 VWEU alsook in de artikelen 42 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Het tweede middel berustte op schending van het beginsel nemo auditur propriam turpitudinem allegans en artikel 88 van de GAM-verordening. Het derde middel was ontleend aan onwettigheid van de GAM-verordening, in die zin dat de artikelen 21 en 24 van deze verordening in strijd zijn met de beginselen inzake de delegatie van bevoegdheden. Het vierde middel behelsde een exceptie van onwettigheid van de GAM-verordening, in die zin dat de artikelen 15 en 22 van deze verordening inbreuk maken op het in artikel 17 van het Handvest erkende recht op eigendom en indruisen tegen het in artikel 5, lid 4, VEU neergelegde evenredigheidsbeginsel. In het vijfde middel werd een exceptie van onwettigheid van de GAM-verordening opgeworpen, in die zin dat de artikelen 18 en 20 van deze verordening inbreuk maken op het in de artikelen 17 en 41 van het Handvest neergelegde recht om te worden gehoord. Het zesde middel hield in dat inbreuk was gemaakt op het in artikel 17 van het Handvest erkende recht op eigendom en dat artikel 5, lid 4, VEU was geschonden. In het zevende middel werd betoogd dat inbreuk was gemaakt op het in de artikelen 17 en 41 van het Handvest neergelegde recht om te worden gehoord. Het achtste middel was gebaseerd op schending van artikel 18 van de GAM-verordening, niet-nakoming van de zorgplicht en schending van artikel 296 VWEU. In het negende middel werd aangevoerd dat de artikelen 14 en 20 van deze verordening waren geschonden, dat de zorgplicht niet was nagekomen en dat artikel 296 VWEU was geschonden. Het tiende middel berustte op schending van artikel 14 van genoemde verordening, niet-nakoming van de zorgplicht en schending van artikel 296 VWEU.
82 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen.
83 In dat arrest heeft het Gerecht eveneens de verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie afgewezen.
IV. Conclusies van partijen in hogere voorziening
84 Rekwirante verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – haar bij het Gerecht ingestelde vorderingen tot nietigverklaring van de litigieuze afwikkelingsregeling en besluit 2017/1246 toe te wijzen en de artikelen 15 en 22 van de GAM-verordening niet-toepasselijk te verklaren overeenkomstig artikel 277 VWEU, en – de Commissie en de afwikkelingsraad te verwijzen in de kosten in eerste aanleg en in hogere voorziening.
85 De Commissie, de afwikkelingsraad, het Parlement, het Koninkrijk Spanje en Banco Santander verzoeken ieder het Hof de hogere voorziening af te wijzen en rekwirante te verwijzen in de kosten.
86 Voor het geval dat het Hof de hogere voorziening toewijst en overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beslist om het beroep tot nietigverklaring zelf af te doen, verzoekt Banco Santander het Hof om, overeenkomstig artikel 264, tweede alinea, VWEU, de draagwijdte van het te wijzen arrest te beperken door de gevolgen van de verkoop van Banco Popular aan Banco Santander te handhaven. De Raad verzoekt het Hof in ditzelfde geval vast te stellen dat dit niets afdoet aan de wettigheid van de artikelen 15, 18, 20, 21, 22 en 24 van de GAM-verordening.
V. Hogere voorziening
87 Rekwirante voert ter staving van haar hogere voorziening acht middelen aan, die respectievelijk zijn ontleend aan schending van: – artikel 18 van de GAM-verordening, de zorgvuldigheidsplicht en artikel 296 VWEU (eerste middel); – de artikelen 14 en 20 van de GAM-verordening, de zorgvuldigheidsplicht en artikel 296 VWEU (tweede middel); – de zorgvuldigheidsplicht, de artikelen 17 en 47 van het Handvest, en artikel 14 van de GAM-verordening (derde middel); – de rechten van de verdediging, neergelegd in artikel 47 van het Handvest en artikel 296 VWEU (vierde middel); – artikel 296 VWEU en de rechten van de verdediging, neergelegd in artikel 47 van het Handvest met betrekking tot de vertrouwelijkheid van de afwikkelingsregeling en de tweede waardering (vijfde middel); – artikel 47 van het Handvest en artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) doordat het Gerecht het verzoek van rekwirante om overlegging van documenten heeft afgewezen (zesde middel); – de artikelen 17 en 52 van het Handvest, omdat het Gerecht haar middel ontleend aan onwettigheid van de artikelen 15 en 22 van de GAM-verordening heeft verworpen (zevende middel), en – van de artikelen 17 en 52 van het Handvest en artikel 5, lid 4, VEU (achtste middel).
A. Overwegingen vooraf
88 Vooraf zij opgemerkt dat rekwirante met het beroep dat aan de oorsprong ligt van de onderhavige hogere voorziening verzocht om nietigverklaring van zowel de litigieuze afwikkelingsregeling als besluit 2017/1246.
89 Ofschoon het Hof in zijn arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR (C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punten 102 en 103), reeds heeft geoordeeld dat de litigieuze afwikkelingsregeling geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU vormt, zodat dit beroep niet-ontvankelijk is voor zover het tegen die regeling is gericht, vertoont besluit 2017/1246, waarbij de Commissie deze regeling heeft goedgekeurd, wel de kenmerken van een handeling waartegen beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU kan worden ingesteld.
90 Het Hof heeft niettemin verduidelijkt dat het, in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Commissie als besluit 2017/1246, de betrokken natuurlijke of rechtspersonen vrijstaat zich te beroepen op de onrechtmatigheid van de afwikkelingsregeling die door deze instelling is goedgekeurd en waaraan die instelling aldus bindende rechtsgevolgen heeft verbonden, hetgeen hun voldoende rechtsbescherming kan bieden. Bovendien wordt de Commissie door een dergelijke goedkeuring geacht de in die regeling vervatte elementen en motivering tot de hare te hebben gemaakt, zodat zij zich in voorkomend geval voor de Unierechter dient te verantwoorden (arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR,C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91 De middelen waarmee de rechtmatigheid van de litigieuze afwikkelingsregeling wordt betwist, moeten dus in dit kader worden onderzocht.
B. Eerste en vierde tot en met zesde middel: schending van artikel 296 VWEU, artikel 18 van de GAM-verordening, de op de afwikkelingsraad rustende zorgvuldigheidsplicht, artikel 47 van het Handvest, artikel 6 EVRM en het beginsel van hoor en wederhoor
92 Met haar eerste en vierde middel tot en met zesde middel, die als eerste moeten worden onderzocht, voert rekwirante in wezen aan dat zij toegang moest krijgen tot de volledige versie van met name de litigieuze afwikkelingsregeling en de eerste en de tweede waardering om haar recht op een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen uitoefenen (vijfde middel), dat de litigieuze afwikkelingsregeling ontoereikend en tegenstrijdig was gemotiveerd omdat bepaalde informatie in die regeling alsook in de eerste en de tweede waardering onleesbaar was gemaakt (eerste en vierde middel) en dat het Gerecht dus via een maatregel tot organisatie van de procesgang had moeten bevelen dat deze documenten en aanvullende documenten in hun geheel werden overgelegd (zesde middel).
1. Vijfde middel
93 Met haar vijfde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 296 VWEU en artikel 47 van het Handvest door in de punten 354 tot en met 402 van het bestreden arrest te oordelen dat rekwirante de vertrouwelijke informatie die was opgenomen in de litigieuze afwikkelingsregeling en in de tweede waardering niet nodig had om haar recht op een doeltreffende voorziening in rechte uit te oefenen. Dit middel bestaat uit vier onderdelen.
a) Argumenten van partijen
94 Met het eerste onderdeel van het vijfde middel betoogt rekwirante dat zij, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld in de punten 356 tot en met 359 van het bestreden arrest, krachtens artikel 296 VWEU en artikel 47 van het Handvest recht had op inzage in de volledige versie van de litigieuze afwikkelingsregeling, ook al was zij niet de adressaat ervan.
95 Wat dat betreft stelt zij dat zij krachtens artikel 88, lid 1, van de GAM-verordening de volledige tekst van de litigieuze afwikkelingsregeling had moeten krijgen om een beroep in te stellen. Bovendien herinnert zij eraan dat het recht om de motivering van een handeling te kennen niet alleen geldt voor de adressaten van het betrokken besluit, maar ook voor de derden die daardoor geraakt zijn. Indien deze personen, wanneer een dergelijk besluit niet is bekendgemaakt of meegedeeld, de volledige tekst moeten opvragen, kan de beroepstermijn derhalve pas beginnen te lopen vanaf het tijdstip waarop zij precies weten hoe de inhoud en de motivering van de betrokken handeling luiden, zodat zij daadwerkelijk hun beroepsrecht kunnen uitoefenen. In de loop van 2017 heeft rekwirante nu juist toegang gevraagd tot de volledige tekst van de litigieuze afwikkelingsregeling.
96 Met het tweede onderdeel van het vijfde middel betoogt zij dat het Gerecht artikel 296 VWEU en artikel 47 van het Handvest heeft geschonden door in de punten 381 en 388 van het bestreden arrest te oordelen dat de publicatie van een geschoonde versie van de litigieuze afwikkelingsregeling in overeenstemming was met artikel 88 van de GAM-verordening.
97 Volgens rekwirante heeft de oorspronkelijk gepubliceerde versie van de litigieuze afwikkelingsregeling haar met name niet in staat gesteld om te weten wat de afwikkelingsdoelstellingen waren en de eerste waardering te raadplegen. Zelfs de actuele versie van de litigieuze afwikkelingsregeling stelt rekwirante niet in staat om al deze doelstellingen te kennen of de omvang van de liquiditeitscrisis bij Banco Popular te begrijpen, noch om te begrijpen waarom geen noodliquiditeitssteun kon worden geboden en waarom voor de afschrijving werd gekozen voor een waarde van min 8,2 miljard euro.
98 Volgens rekwirante vindt de gegrondheid van deze kritiek steun in de omstandigheid dat het Gerecht de afwikkelingsraad op 16 februari 2018 heeft gelast een meer volledige versie van die documenten over te leggen en in het feit dat het bestreden arrest, volgens haar, hoofdzakelijk gebaseerd is op informatie die in 2018 beschikbaar is geworden. Anders dan het Gerecht in de punten 389 tot en met 393 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, zijn de beslissingen van het beroepspanel van de afwikkelingsraad van 28 november 2017 en 19 juni 2018, op basis waarvan later toegang tot de documenten werd verleend, bovendien niet gebaseerd op de tijd die was verstreken sinds de litigieuze afwikkelingsregeling is vastgesteld.
99 Met het derde onderdeel van haar vijfde middel stelt rekwirante dat het Gerecht artikel 296 VWEU en artikel 47 van het Handvest heeft geschonden door ten eerste, in de punten 394 en 395 van het bestreden arrest, te oordelen dat de rechten van de verdediging niet waren geschonden aangezien rekwirante een beroep heeft kunnen instellen en opmerkingen heeft kunnen maken over de nieuwe versies van de litigieuze afwikkelingsregeling. Volgens rekwirante betekent het enkele feit dat een beroep kan worden ingesteld echter niet dat de rechten van de verdediging daadwerkelijk zijn uitgeoefend. Wat dat betreft is zij is van mening de personen die door een besluit worden geraakt het recht moeten hebben om de volledige tekst ervan op te vragen met het oog op het instellen van een beroep tot nietigverklaring. Wanneer niet alle informatie beschikbaar is, is het onmogelijk om ten volle de passende rechtsmiddelen te formuleren en uit te werken. Bovendien is het zeer moeilijk om nieuwe middelen te formuleren nadat het verzoekschrift bij het Gerecht is ingediend, hetgeen het feit bevestigt dat de twee nieuwe middelen die in casu in haar repliek in eerste aanleg zijn opgeworpen niet in aanmerking zijn genomen of in de punten 701 tot en met 704 en 710 tot en met 713 van het bestreden arrest niet-ontvankelijk zijn verklaard door het Gerecht.
100 Voorts heeft het Gerecht in de punten 396 en 397 van dat arrest ten onrechte geoordeeld dat het ontbreken van een motivering a posteriori kan worden geregulariseerd omdat de vertrouwelijke informatie van meet af aan was opgenomen in het afwikkelingsbesluit, de eerste waardering en de tweede waardering, ook al was ze niet aan rekwirante meegedeeld.
101 Met het vierde onderdeel van het vijfde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht artikel 296 VWEU en artikel 47 van het Handvest heeft geschonden omdat het, bij de in punt 723 van het bestreden arrest genoemde beschikking van 9 juni 2021, heeft beslist dat de volledige tekst van de litigieuze afwikkelingsregeling, de tweede waardering en de beoordeling van het falen of waarschijnlijk zullen falen niet relevant waren voor de beslechting van het beroep. Dienaangaande stelt zij dat met een verzoek om toegang tot deze documenten wordt beoogd nieuwe argumenten, of zelfs nieuwe middelen te kunnen aanvoeren.
102 Bovendien waren de volledige versies van deze documenten niet alleen ruimschoots bekend bij de afwikkelingsraad en de Commissie, maar ook bij het Gerecht, zodat zij noodzakelijkerwijze een bepaalde invloed hebben gehad op de wijze waarop zij de aangevoerde argumenten hebben opgevat. Zo heeft het Gerecht zich in punt 278 van het bestreden arrest gebaseerd op de bijlage bij de brief van Banco Popular aan de ECB van 6 juni 2017, terwijl dit document niet aan rekwirante was meegedeeld. Derhalve is het in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor dat geen inzage in deze documenten is gegeven.
103 De Commissie en Banco Santander stellen dat het vijfde middel niet-ontvankelijk is omdat rekwirante alleen maar de middelen en argumenten die zij voor het Gerecht heeft aangevoerd herhaalt en letterlijk weergeeft. De afwikkelingsraad stelt dat het derde onderdeel van dat middel niet-ontvankelijk is, aangezien het betoog dat tot staving van dit onderdeel is aangevoerd, namelijk dat het nodig was om over alle informatie te beschikken om haar verzoekschrift te kunnen indienen, pas voor het eerst in de hogere voorziening is aangevoerd.
104 Inhoudelijk stellen de Commissie, de afwikkelingsraad, het Koninkrijk Spanje en Banco Santander dat het vijfde middel ongegrond is.
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
105 Wat betreft om te beginnen de exceptie van niet-ontvankelijkheid die de Commissie en Banco Santander hebben opgeworpen, zij eraan herinnerd dat overeenkomstig vaste rechtspraak uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, uit artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsook uit artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening op straffe van niet-ontvankelijkheid van die hogere voorziening of van het betrokken middel, duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Een hogere voorziening waarin slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten letterlijk worden herhaald, waaronder die welke steunden op feiten die door het Gerecht uitdrukkelijk van de hand zijn gewezen, en waarin zelfs geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven, op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan die vereisten. Een dergelijke hogere voorziening beoogt in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is (arrest van 11 januari 2024, Planistat Europe en Charlot/Commissie, C‑363/22 P, EU:C:2024:20, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
106 De in eerste aanleg onderzochte rechtspunten kunnen in hogere voorziening evenwel opnieuw worden behandeld wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen indien de rekwirant zijn hogere voorziening niet aldus zou kunnen baseren op middelen en argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd (arresten van 12 september 2006, Reynolds Tobacco e.a./Commissie,C‑131/03 P, EU:C:2006:541, punt 51, en 9 juli 2020, Haswani/Raad,C‑241/19 P, EU:C:2020:545, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
107 In casu wordt met het vijfde middel van de hogere voorziening in wezen opgekomen tegen de beslissing van het Gerecht op de rechtsvragen die in eerste aanleg met name met betrekking tot de motiveringsplicht van de instellingen uit hoofde van artikel 296 VWEU en het in artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een effectieve rechterlijke bescherming aan deze rechter zijn voorgelegd. Bovendien bevat dit middel concrete aanduidingen over de bekritiseerde punten van het bestreden arrest alsook de argumenten waarop het steunt, en kan daarom niet in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
108 Niettemin, voor zover rekwirante met het tweede onderdeel van het vijfde middel kritiek uit op de punten 389 tot en met 393 van het bestreden arrest op grond dat het beroepspanel van de afwikkelingsraad bij zijn beslissingen van 28 november 2017 en 19 juni 2018 op rekwirantes verzoeken om toegang tot documenten, ter beoordeling van de vertrouwelijkheid van bepaalde gegevens rekening had gehouden met de tijd die was verstreken sinds de litigieuze afwikkelingsregeling was vastgesteld, voert zij echter niet aan en staaft evenmin dat het Gerecht het bewijsmateriaal verkeerd heeft opgevat door in punt 392 van het bestreden arrest te oordelen dat – voor zover deze beslissingen meer dan zes maanden respectievelijk een jaar na de vaststelling van de litigieuze afwikkelingsregeling zijn gegeven – de tijd die sinds de vaststelling ervan is verstreken van invloed kan zijn geweest op de beoordeling, door het beroepspanel, van de vraag of alle voorwaarden voor vertrouwelijkheid van de betrokken informatie waren vervuld.
109 Blijkens vaste rechtspraak volgt evenwel uit artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen, en dat daarom het Gerecht als enige bevoegd is om de relevante feiten en het bewijs vast te stellen en te beoordelen. De beoordeling van de feiten en van het bewijs levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst (arrest van 25 januari 2022, Commissie/European Food e.a.,C‑638/19 P, EU:C:2022:50, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
110 Bijgevolg is het tweede onderdeel van het vijfde middel niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen de punten 389 tot en met 393 van het bestreden arrest.
111 Wat ten slotte het derde onderdeel van dit middel betreft, werpt de afwikkelingsraad ten onrechte op dat dit niet-ontvankelijk is op grond dat door rekwirante voor het eerst in hogere voorziening een argument wordt aangevoerd dat dat is ontleend aan de noodzaak om over alle inlichtingen te beschikken om haar beroepsrecht te kunnen uitoefenen. Uit haar verzoekschrift van het beroep in eerste aanleg blijkt namelijk dat rekwirante, nadat de afwikkelingsraad had geweigerd om deze informatie te verstrekken, het Gerecht heeft verzocht om de overlegging te gelasten van onder andere de volledige versie van de litigieuze afwikkelingsregeling en die van de eerste waardering, om met name te kunnen nagaan of in casu de voorwaarden waren nageleefd waaraan op grond van de artikelen 18 en 20 van de GAM-verordening moet zijn voldaan om een afwikkelingsmaatregel vast te stellen.
2) Ten gronde
112 Met de vier onderdelen van haar vijfde middel betoogt rekwirante in wezen dat haar krachtens de artikelen 296 VWEU en 47 van het Handvest het recht had moeten worden toegekend op toegang tot de volledige versies van de litigieuze afwikkelingsregeling en de voorbereidende waarderingen, met inbegrip van de vertrouwelijke informatie in deze documenten. Zonder de toereikendheid van de motivering van de litigieuze afwikkelingsregeling als zodanig ter discussie te stellen, uit rekwirante kritiek op het feit dat bepaalde motiveringen en inlichtingen in de oorspronkelijke versie van de regeling aanvankelijk onleesbaar waren gemaakt in de op internet gepubliceerde versie en slechts gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt nadat het beroep was ingeleid.
113 Wat dat betreft moet in herinnering worden gebracht dat de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de omstreden handeling betreft (arrest van 18 januari 2024, Jenkinson/Raad e.a.,C‑46/22 P, EU:C:2024:50, punt 130 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114 Het is vaste rechtspraak dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering weliswaar de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen opdat de belanghebbende de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregelen kan kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen, maar dat die motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin zij is vastgesteld. Het is in dat verband niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen, en in het bijzonder op het belang dat de adressaten van de handeling bij een toelichting kunnen hebben (zie in die zin arresten van 8 mei 2019, Landeskreditbank Baden-Württemberg/ECB,C‑450/17 P, EU:C:2019:372, punten 85 en 87, en 29 september 2022, ABLV Bank/GAR,C‑202/21 P, EU:C:2022:734, punt 193 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
115 Ook heeft het Hof reeds geoordeeld dat de mate van nauwkeurigheid waarmee een besluit moet worden gemotiveerd, afhangt van de praktische mogelijkheden en de technische omstandigheden en van de termijn waarbinnen zij tot stand moet komen. Bij de opstelling van een handeling hoeven de instellingen van de Unie dus geen standpunt in te nemen over gegevens die duidelijk bijkomstig zijn, noch vooruit te lopen op potentiële bezwaren (zie in die zin arresten van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 167 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 november 2012, Éditions Odile Jacob/Commissie,C‑551/10 P, EU:C:2012:681, punt 48).
116 Wat artikel 47 van het Handvest betreft vereist de doeltreffendheid van rechterlijke toetsing die door dit artikel wordt gewaarborgd volgens vaste rechtspraak van het Hof dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden waarop het tegen hem genomen besluit is gebaseerd, hetzij door lezing van het besluit zelf, hetzij doordat de redenen hem op zijn verzoek worden meegedeeld, onverminderd het recht van de bevoegde rechter om te eisen dat de betrokken autoriteit hem die redenen meedeelt, teneinde die belanghebbende de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden en teneinde deze laatste ten volle in staat te stellen om de wettigheid van het betrokken nationale besluit te toetsen (arresten van 4 juni 2013, ZZ,C‑300/11, EU:C:2013:363, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 november 2020, minister van Buitenlandse Zaken,C‑225/19 en C‑226/19, EU:C:2020:951, punt 43).
117 Wat in het bijzonder de mededeling van de motivering aan andere personen dan de adressaat van een handeling betreft, zij in herinnering gebracht dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de instellingen, organen en instanties van de Unie in beginsel gehouden zijn om ter toepassing van het beginsel van de bescherming van het zakengeheim – dat een algemeen beginsel van het Unierecht vormt en met name is uitgewerkt in artikel 339 VWEU – aan concurrenten van een particuliere marktdeelnemer geen door deze marktdeelnemer verstrekte vertrouwelijke informatie prijs te geven (arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 Teneinde te verzekeren dat deze verplichtingen worden nagekomen, heeft het Hof op verschillende gebieden van het Unierecht geoordeeld dat de motivering van een voor een justitiabele bezwarende handeling die berust op een beoordeling van de relatieve positie van particuliere marktdeelnemers, ter bescherming van onder het zakengeheim vallende informatie over deze marktdeelnemers tot op zekere hoogte kan worden beperkt. De verplichting om het zakengeheim te eerbiedigen mag echter niet de motiveringsplicht volledig uithollen. Bijgevolg kan een dergelijke handeling, gelet op de verplichting om het zakengeheim te eerbiedigen, weliswaar toereikend gemotiveerd zijn zonder dat alle cijfers worden vermeld waarop de redenering gebaseerd is, maar moet deze motivering toch duidelijk en ondubbelzinnig deze redenering en de gebruikte methode tot uitdrukking brengen (zie in die zin arresten van 1 juli 2008, Chronopost en La Poste/UFEX e.a., C‑341/06 P en C‑342/06 P, EU:C:2008:375, punten 108‑111; 21 december 2016, Club Hotel Loutraki e.a./Commissie,C‑131/15 P, EU:C:2016:989, punt 48, en 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punten 110, 111 en 120).
119 In het kader van de regeling die door de GAM-verordening is ingevoerd, is de eerbiediging van de in artikel 339 VWEU vastgestelde vereisten inzake het beroepsgeheim met name gespecificeerd in artikel 88, lid 1, tweede alinea, van deze verordening, welke bepaling de afwikkelingsraad verbiedt om informatie waarop deze vereisten van toepassing zijn te verstrekken aan een andere publieke of particuliere entiteit, tenzij dat in het kader van gerechtelijke procedures noodzakelijk is. Bovendien bepaalt artikel 90, lid 4, van deze verordening dat de aan de besluiten van de afwikkelingsraad onderworpen personen gerechtigd zijn toegang tot het dossier van de afwikkelingsraad te krijgen, onder voorbehoud van het rechtmatige belang van andere personen bij de bescherming van hun zakengeheimen, en preciseert het uitdrukkelijk dat het recht van toegang tot het dossier niet van toepassing is op vertrouwelijke informatie of interne voorbereidende documenten van de afwikkelingsraad.
120 Wat het eerste tot en met derde onderdeel van dat middel betreft, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, blijkt uit de bovenstaande overwegingen dat het Gerecht in punt 357 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat rekwirante, voor zover zij geen adressaat was van het bestreden besluit dat aan het FROB is gestuurd, niet in alle gevallen van het gehele besluit in kennis moest worden gesteld.
121 Bovendien heeft het Gerecht in punt 381 van het bestreden arrest vastgesteld dat rekwirante in haar beroep in eerste aanleg geen specifiek argument had aangevoerd waarmee kon worden aangetoond dat de verklaring dat de informatie die in de litigieuze afwikkelingsregeling onleesbaar was gemaakt vertrouwelijk was, in strijd was met het transparantiebeginsel. Het Gerecht heeft dus geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 388 van dat arrest te oordelen dat de rechtspraak die in de punten 117 en 118 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht naar analogie van toepassing is op bij de afwikkelingsraad berustende vertrouwelijke informatie, in de zin van artikel 88, lid 1, tweede alinea, van de GAM-verordening. Overeenkomstig deze rechtspraak heeft een derde die door een dergelijke regeling wordt geraakt niet altijd het recht om de volledige versie ervan te krijgen.
122 Anders dan rekwirante stelt in het kader van het eerste onderdeel van het vijfde middel, verzet de omstandigheid dat het verbod om onder de vereisten inzake beroepsgeheim vallende informatie mee te delen, krachtens artikel 88, lid 1, tweede alinea, van de GAM-verordening, van toepassing is „tenzij dat in het kader van gerechtelijke procedures noodzakelijk is”, zich niet tegen deze uitlegging.
123 Dat voorbehoud, dat een evenwicht tot stand brengt tussen de vereisten die voortvloeien uit artikel 339 VWEU enerzijds en artikel 296 VWEU en artikel 47 van het Handvest anderzijds, moet namelijk worden uitgelegd tegen de achtergrond van de rechtspraak waarnaar wordt verwezen in de punten 117 en 118 van het onderhavige arrest. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat artikel 88, lid 1, tweede alinea, van de GAM-verordening van de afwikkelingsraad vereiste dat de motivering van de litigieuze afwikkelingsregeling de door dit orgaan gevolgde redenering en de gebruikte methode duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking bracht, evenwel zonder dat de afwikkelingsraad door deze verplichting gehouden was om onder het zakengeheim vallende informatie en in het bijzonder alle in de regeling genoemde cijfers openbaar te maken, wat wordt bevestigd door overweging 116 van deze verordening.
124 Uit deze overweging komt namelijk naar voren dat „informatie over de inhoud en de details van afwikkelingsplannen en de resultaten van eventueel van deze plannen opgemaakte evaluaties verregaande gevolgen kunnen hebben, in het bijzonder voor de betrokken ondernemingen” zodat „ervoor [moet] worden gezorgd dat er passende mechanismen zijn om dergelijke informatie […] vertrouwelijk te houden”.
125 Bovendien wordt met het vertrouwelijkheidsvereiste van artikel 88, lid 1, tweede alinea, van de GAM-verordening, gelezen in het licht van overweging 116 van deze verordening, niet alleen beoogd om de specifieke belangen van de rechtstreeks geraakte ondernemingen te beschermen, maar ook te verzekeren dat de afwikkelingsraad de hem krachtens deze verordening voorbehouden taken daadwerkelijk kan uitvoeren. Met het oog daarop verleent artikel 34, leden 1 en 2, van de GAM-verordening de afwikkelingsraad met name de bevoegdheid om van de kredietinstellingen alle informatie op te vragen die hij nodig heeft ter vervulling van zijn taken, zonder dat de vereisten in verband met de eerbiediging van het beroepsgeheim die instellingen vrijstellen van de plicht die informatie te verstrekken. Als er geen vertrouwen bestaat dat de verstrekte vertrouwelijke informatie in beginsel vertrouwelijk blijft, zou de vlotte overdracht van de voor de vervulling van deze taken nodige informatie in gevaar kunnen komen (zie naar analogie, met betrekking tot richtlijn 2004/39/EG betreffende markten voor financiële instrumenten, arrest van 19 juni 2018, Baumeister,C‑15/16, EU:C:2018:464, punten 31‑33).
126 In het kader van het tweede onderdeel van het vijfde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 381 en 388 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de publicatie van een opgeschoonde versie van de litigieuze afwikkelingsregeling voldeed aan de vereisten van artikel 88, lid 1, tweede alinea, van die verordening. Dit betoog gaat echter uit van een kennelijk onjuiste lezing van deze punten die betrekking hebben op de vertrouwelijkheid van deze regeling, en gaat niet in op de vraag of de motivering die in de niet-vertrouwelijke versie ervan staat toereikend is. Het betoog van rekwirante botst eveneens met de overweging in punt 400 van dat arrest, waarin het Gerecht in wezen heeft opgemerkt dat het de argumenten in verband met de vermeende ontoereikendheid van de motivering die in de niet-vertrouwelijke versie van de litigieuze afwikkelingsregeling staat niet heeft behandeld in de punten 354 tot en met 399 van het bestreden arrest, maar in een ander deel van dat arrest, namelijk in de punten 330 tot en met 353 ervan.
127 Wat in deze context de punten 394 en 395 van het bestreden arrest betreft, heeft het Gerecht met de opmerking dat de openbaarmaking van de niet-vertrouwelijke versie van de regeling, gevolgd door die van de minder opgeschoonde versies van die regeling en van de eerste en de tweede waardering het voor rekwirante mogelijk hebben gemaakt om een beroep in te stellen en argumenten te formuleren over deze versies, willen antwoorden op het betoog van rekwirante dat het zonder toegang tot de volledige versies van deze documenten onmogelijk was geweest om haar rechten te verdedigen. Het Gerecht heeft in deze punten daarentegen geenszins geoordeeld dat het enkele feit dat rekwirante een beroep had ingesteld volstaat om aan te tonen dat haar recht op een doeltreffende voorziening in rechte was geëerbiedigd.
128 Aangezien – zoals is opgemerkt in punt 126 van het onderhavige arrest – het onderzoek van het Gerecht in de punten 354 tot en met 399 van het bestreden arrest geen betrekking had op de vermeende ontoereikendheid van de bekendgemaakte motivering van de litigieuze afwikkelingsregeling, is het betoog van rekwirante dat deze motivering ontoereikend was, dat is samengevat in de punten 97 en 98 van het onderhavige arrest, niet ter zake dienend.
129 Ten slotte gaat ook de kritiek die is geformuleerd tegen de punten 396 en 397 van het bestreden arrest uit van een kennelijk onjuiste lezing van dat arrest. Toen het Gerecht vaststelde dat de afwikkelingsraad de motivering van de litigieuze afwikkelingsregeling en de eerste en tweede waarderingen geenszins had aangevuld met informatie die van meet af aan niet in die documenten was opgenomen, heeft namelijk desondanks niet erkend dat de onrechtmatigheid van een handeling wegens een ontoereikende motivering naderhand kon worden hersteld. Integendeel, volgens de vaststellingen van het Gerecht, die rekwirante niet heeft betwist, heeft de afwikkelingsraad later op zijn website informatie gepubliceerd die reeds aanvankelijk in die documenten was opgenomen, ook al werd deze als vertrouwelijk werd beschouwd.
130 Bijgevolg zijn het eerste tot en met het derde onderdeel van het vijfde middel, voor zover zij ontvankelijk zijn, ongegrond.
131 Met het vierde onderdeel van dit middel merkt rekwirante op dat zij met haar verzoek aan het Gerecht om de overlegging te gelasten van de volledige tekst van de litigieuze afwikkelingsregeling, van de tweede waardering en van de beoordeling door de ECB of Banco Popular faalde of waarschijnlijk ging falen, nieuwe argumenten of zelfs nieuwe middelen beoogde aan te voeren. In deze omstandigheden is zij de mening toegedaan dat het Gerecht artikel 296 VWEU en artikel 47 van het Handvest heeft geschonden door in de beschikking van 9 juni 2021, waarnaar wordt verwezen in punt 723 van het bestreden arrest, te oordelen dat de volledige tekst van deze documenten niet relevant was voor de beslechting van het beroep in eerste aanleg.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
- Artikel 56 Statuut
- Artikel 61 Statuut
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 14 VWEU
- Artikel 15 VWEU
- Artikel 18 VWEU
- Artikel 20 VWEU
- Artikel 21 VWEU
- Artikel 22 VWEU
- Artikel 24 VWEU
- Artikel 39 VWEU
- Artikel 90 VWEU
- Artikel 256 VWEU
- Artikel 263 VWEU
- Artikel 277 VWEU
- Artikel 291 VWEU
- Artikel 296 VWEU
- Artikel 339 VWEU
- Artikel 15 VvL
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 18 juni 2024, C-551/22, ECLI:EU:C:2024:520
- HvJ EU 18 januari 2024, C-46/22, ECLI:EU:C:2024:50
- HvJ EU 11 januari 2024, C-363/22, ECLI:EU:C:2024:20
- HvJ EU 9 november 2023, C-746/21, ECLI:EU:C:2023:836
- HvJ EU 4 mei 2023, C-389/21, ECLI:EU:C:2023:368
- HvJ EU 29 september 2022, C-202/21, ECLI:EU:C:2022:734
- Gerecht EU 1 juni 2022, T-628/17, ECLI:EU:T:2022:315
- HvJ EU 5 mei 2022, C-83/20, ECLI:EU:C:2022:346
- HvJ EU 25 januari 2022, C-638/19, ECLI:EU:C:2022:50
- HvJ EU 15 juli 2021, C-584/20, ECLI:EU:C:2021:601
- HvJ EU 24 november 2020, C-225/19, ECLI:EU:C:2020:951
- HvJ EU 9 juli 2020, C-241/19, ECLI:EU:C:2020:545
- HvJ EU 6 juni 2019, C-264/18, ECLI:EU:C:2019:472
- HvJ EU 21 mei 2019, C-235/17, ECLI:EU:C:2019:432
- HvJ EU 8 mei 2019, C-450/17, ECLI:EU:C:2019:372
- HvJ EU 30 januari 2019, C-220/17, ECLI:EU:C:2019:76
- Gerecht EU 13 juli 2018, T-680/13, ECLI:EU:T:2018:486
- HvJ EU 19 juni 2018, C-15/16, ECLI:EU:C:2018:464
- HvJ EU 26 januari 2017, C-619/13, ECLI:EU:C:2017:50
- HvJ EU 21 december 2016, C-131/15, ECLI:EU:C:2016:989