HvJ EU 8 april 2025, C-292/23, ECLI:EU:C:2025:255
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
8 april 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Europees openbaar ministerie – Verordening (EU) 2017/1939 – Artikel 42, lid 1 – Procedurele handelingen die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren – Rechterlijke toetsing door de nationale rechterlijke instanties overeenkomstig de voorschriften en procedures in het nationale recht – Reikwijdte – Oproeping van getuigen – Nationaal recht dat rechtstreekse rechterlijke toetsing van een dergelijke maatregel niet mogelijk maakt – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid”
In zaak C‑292/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado Central de Instrucción n.o 6 de Madrid (centrale rechtbank van instructie nr. 6 Madrid, Spanje) bij beslissing van 26 april 2023, ingekomen bij het Hof op 3 mei 2023, in de strafprocedure tegen
I.R.O.,
F.J.L.R.,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen, D. Gratsias (rapporteur) en M. Gavalec, kamerpresidenten, E. Regan, I. Ziemele, J. Passer, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 september 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– het Europees Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door J. F. Castillo García en L. De Matteis als gemachtigden, en I. de Lucas Martín, Fiscal Europeo,
– I.R.O. en F.J.L.R., vertegenwoordigd door N. de Dorremochea Guiot, procurador, en P. Soriano Mendiara, abogado,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis en P. Pérez Zapico als gemachtigden,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard, B. Dourthe en B. Fodda als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door D. G. Pintus, avvocato dello Stato,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door E. M. M. Besselink, M. K. Bulterman en A. Hanje als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Baquero Cruz, F. Blanc en H. Leupold als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 oktober 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 42, lid 1, van verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM”) (PB 2017, L 283, blz. 1), artikel 7 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 86, lid 3, VWEU, en de artikelen 6, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure die door het Europees Openbaar Ministerie (hierna: „EOM”) tegen I.R.O. en F.J.L.R. is ingeleid naar aanleiding van een onderzoek wegens subsidiefraude en valsheid in geschrifte in verband met een door de Europese Unie gefinancierd project.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 12, 30, 32, 83 en 85 tot en met 89 van verordening 2017/1939 luiden als volgt: „(12) In overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel kunnen strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter op het niveau van de Unie worden bestreden. […] Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het intensiever bestrijden van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden door het opzetten van het EOM, vanwege de uiteenlopende wijze waarop op nationaal niveau de vervolging van dergelijke strafbare feiten wordt aangepakt, niet voldoende door de lidstaten van de Europese Unie kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, gezien het feit dat het EOM de bevoegdheid zal krijgen om dergelijke strafbare feiten te vervolgen, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 VEU vastgelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel vastgelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken en zijn de gevolgen ervan voor de rechtsorde en de institutionele structuur van de lidstaten zo beperkt mogelijk gehouden. […] (30) De onderzoeken van het EOM dienen in de regel te worden uitgevoerd door gedelegeerd Europese aanklagers in de lidstaten. […] […] (32) De gedelegeerd Europese aanklagers dienen een integrerend deel te vormen van het EOM en als zodanig dienen zij, bij het onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten waarvoor het EOM bevoegd is, uitsluitend te handelen namens het EOM op het grondgebied van hun lidstaat. […] […] (83) Deze verordening verplicht het EOM met name tot het eerbiedigen van het recht op een eerlijk proces, de rechten van de verdediging en het vermoeden van onschuld, als vastgelegd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest. […] De activiteiten van het EOM dienen derhalve te worden verricht met volledige eerbiediging van deze rechten, en deze verordening dient dienovereenkomstig te worden toegepast en uitgelegd. […] (85) De rechten van de verdediging die zijn geregeld bij het desbetreffende Unierecht, zoals [richtlijn 2016/343], in de vorm waarin ze [is] omgezet in het nationale recht, dienen van toepassing te zijn op het optreden van het EOM. Iedere verdachte of beklaagde tegen wie het EOM een onderzoek instelt, dient van die rechten gebruik te kunnen maken, evenals van het hem op grond van het nationaal recht toekomende recht om te verzoeken om de aanwijzing van deskundigen of het horen van getuigen, of het anderszins beschikbaar stellen van bewijsmateriaal voor de verdediging door het EOM. (86) Krachtens artikel 86, lid 3, VWEU kan de Uniewetgever de voorschriften vaststellen voor de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen die het EOM in de uitoefening van zijn ambt verricht. Deze bevoegdheid van de Uniewetgever is een afspiegeling van de specifieke aard van de taken en structuur van het EOM, die afwijkt van die van alle andere organen en instanties van de Unie en speciale voorschriften voor de rechterlijke toetsing vereist. (87) Overeenkomstig artikel 86, lid 2, VWEU is het EOM belast met de rechtsvordering voor de bevoegde rechterlijke instanties van de lidstaten. De handelingen die het EOM in het kader van het onderzoek verricht, hangen nauw samen met de strafvervolging die daaruit kan voortvloeien en hebben gevolgen binnen de rechtsorde van de lidstaten. In veel gevallen worden deze handelingen in opdracht van het EOM verricht door nationale rechtshandhavende instanties, in sommige gevallen nadat de nationale rechter toestemming heeft gegeven. Er kan dus gevoeglijk gesteld worden dat procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, dienen te worden getoetst door de bevoegde nationale rechter overeenkomstig de voorschriften en procedures in het nationale recht. Dit dient ervoor te zorgen dat de procedurele handelingen van het EOM die vóór de tenlastelegging zijn vastgesteld en bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren (onder wie de verdachte, het slachtoffer en andere belanghebbenden wier rechten kunnen worden geschaad door dergelijke handelingen), door nationale rechterlijke instanties kunnen worden getoetst. De procedurele handelingen betreffende de keuze van de lidstaat waarvan de rechtbanken de bevoegdheid tot het horen van de aanklager zullen hebben, hetgeen dient te worden bepaald op basis van de in deze verordening vastgelegde criteria, zijn bedoeld om rechtsgevolgen te creëren ten aanzien van derden en dienen derhalve door een nationale rechter getoetst te kunnen worden, zulks uiterlijk in de procesfase. […] Wanneer het nationale recht voorziet in rechterlijke toetsing van procedurele handelingen die niet bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren […], mag deze verordening niet zodanig worden uitgelegd dat zij deze wettelijke bepalingen aantast. Daarnaast mogen de lidstaten niet worden verplicht te voorzien in rechterlijke toetsing door de bevoegde nationale rechtbanken van procedurele handelingen die niet bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, zoals de aanwijzing van deskundigen of de terugbetaling van de kosten van getuigen. Tot slot laat deze verordening de bevoegdheden van de nationale zittingsrechter onverlet. (88) De wettigheid van procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, dient aan rechterlijke toetsing door de nationale rechter te worden onderworpen. In dit verband dient overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU in doeltreffende rechtsmiddelen te worden voorzien. Zoals duidelijk uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt, mogen nationale procesregels betreffende vorderingen ter bescherming van door de rechtsorde van de Unie verleende individuele rechten bovendien niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mogen zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Wanneer nationale rechterlijke instanties de wettigheid van die handelingen toetsen, mogen zij dit doen op basis van het Unierecht, met inbegrip van deze verordening, alsmede op basis van het nationaal recht dat van toepassing is voor zover een aangelegenheid niet in deze verordening wordt behandeld. […] […] (89) De bevoegdheden van het Hof van Justitie wat betreft de rechterlijke toetsing van bestuurlijke beslissingen van het EOM, die bedoeld zijn om rechtsgevolgen te hebben ten aanzien van derden, dit wil zeggen beslissingen die niet zijn genomen in de uitoefening van diens taken inzake onderzoek, strafvervolging of voor de rechter brengen, worden door deze bepaling van de verordening betreffende rechterlijke toetsing onverlet gelaten. De mogelijkheid waarover een lidstaat van de Europese Unie, het Europees Parlement, de Raad [van de Europese Unie] of de [Europese] Commissie beschikt om beroep tot nietigverklaring in te stellen overeenkomstig artikel 263, tweede alinea, VWEU, artikel 265, eerste alinea, VWEU, en de inbreukprocedures uit hoofde van de artikelen 258 en 259 VWEU, wordt eveneens door deze verordening onverlet gelaten.”
4 Artikel 4 van die verordening, met als opschrift „Taken”, luidt als volgt: „Het EOM is belast met het instellen van onderzoek naar, het vervolgen en het voor de rechter brengen van daders van, en medeplichtigen aan, strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie […] schaden […]. Met betrekking daartoe stelt het EOM onderzoeken in, verricht het strafvervolgingshandelingen en treedt het op als openbaar aanklager bij de bevoegde rechtbanken van de lidstaten, totdat de zaak definitief is afgedaan.”
5 Artikel 8 van verordening 2017/1939, met het opschrift „Structuur van het EOM”, luidt als volgt: „1. Het EOM is een ondeelbaar orgaan van de Unie en treedt op als één dienst met een gedecentraliseerde structuur. 2. Het EOM bestaat uit een centraal en een decentraal niveau. 3. Het centrale niveau is het centrale kantoor, op de plaats waar de zetel van het EOM gevestigd is. Bij het centrale kantoor zitten het college, de permanente kamers, de Europese hoofdaanklager, de plaatsvervangend Europese hoofdaanklagers, de Europese aanklagers en de administratief directeur. 4. Het decentrale niveau wordt gevormd door de gedelegeerd Europese aanklagers, die werkzaam zijn in de lidstaten. […]”
6 Artikel 13 van die verordening, met als opschrift „De gedelegeerd Europese aanklagers”, bepaalt in lid 1 het volgende: „De gedelegeerd Europese aanklagers treden namens het EOM in hun respectieve lidstaten op en hebben dezelfde bevoegdheden als nationale aanklagers met betrekking tot onderzoeken, strafvervolgingen en het voor de rechter brengen van zaken […]. De gedelegeerd Europese aanklagers zijn verantwoordelijk voor de onderzoeken en strafvervolgingen die zij hebben ingesteld, die hun zijn toegewezen of die zij met gebruikmaking van hun evocatierecht hebben overgenomen. […] […]”
7 Artikel 28 van verordening 2017/1939, met als opschrift „Voeren van het onderzoek”, bepaalt in lid 1: „De gedelegeerd Europese aanklager die een zaak behandelt, kan overeenkomstig deze verordening en het nationale recht zelf onderzoeks- en andere maatregelen treffen […].”
8 Artikel 30 van verordening 2017/1939, met als opschrift „Onderzoeksmaatregelen en andere maatregelen”, bepaalt in de leden 1, 4 en 5: „1. Ten minste in gevallen waarin het te onderzoeken strafbare feit kan worden bestraft met een maximumstraf van minimaal vier jaar gevangenisstraf, zorgen de lidstaten ervoor dat de gedelegeerd Europese aanklagers bevoegd zijn de volgende onderzoeksmaatregelen te bevelen of verzoeken: a) doorzoeken […]; b) vorderen van alle relevante voorwerpen of documenten, […]; c) vorderen van opgeslagen computergegevens, […]; d) bevriezing van de hulpmiddelen waarmee strafbare feiten zijn gepleegd en de opbrengsten van die feiten, […]; e) onderschepping van elektronische communicatie […]; f) tracering en opsporing van een voorwerp […]. […] 4. De gedelegeerd Europese aanklagers zijn bevoegd om andere dan de in lid 1 bedoelde maatregelen te verzoeken of te bevelen die in hun lidstaat in soortgelijke nationale gevallen krachtens het nationale recht beschikbaar zijn voor openbare aanklagers. 5. De gedelegeerd Europese aanklagers kunnen de in de leden 1 en 4 bedoelde maatregelen alleen gelasten indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de specifieke maatregel in kwestie informatie of bewijsmateriaal zou kunnen opleveren die/dat nuttig is voor het onderzoek, en indien er geen minder ingrijpende maatregelen beschikbaar zijn waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt. De procedures en de nadere voorwaarden voor het uitvoeren van de maatregelen worden beheerst door het toepasselijke nationale recht.”
9 Artikel 41 van deze verordening, met als opschrift „Reikwijdte van de rechten van verdachten en beklaagden”, bepaalt als volgt: „1. De activiteiten van het EOM worden uitgevoerd met volledige inachtneming van de rechten van verdachte en beklaagde personen zoals verankerd in het Handvest, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging. 2. Elke verdachte of beklaagde tegen wie een strafprocedure van het EOM loopt, heeft ten minste de procedurele rechten als vastgesteld in de Uniewetgeving, met inbegrip van richtlijnen betreffende de rechten van verdachten en beklaagden in strafzaken, als omgezet in nationaal recht; het gaat hierbij onder meer om: […] b) het recht op informatie en op toegang tot de stukken van een dossier, […]; c) het recht op toegang tot een advocaat en het recht om bij detentie contact te hebben met derden en deze in kennis te laten stellen van de detentie, […]; d) het zwijgrecht en het recht om voor onschuldig te worden gehouden, […]; […] 3. Onverminderd de in dit hoofdstuk bedoelde rechten, beschikken verdachten en beklaagden en andere personen die betrokken zijn bij de procedures van het EOM over alle procedurele rechten die zij op grond van het toepasselijke nationale recht hebben, waaronder de mogelijkheid bewijsmateriaal te presenteren, te verzoeken om de aanwijzing van deskundigen of om een onderzoek door deskundigen en om het horen van getuigen, alsmede de mogelijkheid het EOM te verzoeken die maatregelen voor de verdediging te verkrijgen.”
10 Artikel 42 van die verordening, met als opschrift „Rechterlijke toetsing”, luidt: „1. Procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, moeten worden getoetst door de bevoegde nationale rechter overeenkomstig de voorschriften en procedures in het nationale recht. Hetzelfde geldt wanneer het EOM nalaat procedurele handelingen vast te stellen die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, wanneer het in het kader van deze verordening wettelijk verplicht is om deze vast te stellen. 2. Het Hof van Justitie is, overeenkomstig artikel 267 VWEU, bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over: a) de geldigheid van procedurele handelingen van het EOM, voor zover een dergelijke vraag over geldigheid rechtstreeks op basis van het Unierecht wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een lidstaat; b) de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie, met inbegrip van deze verordening; c) de uitlegging van artikel 22 en artikel 25 van deze verordening, met betrekking tot een bevoegdheidsconflict tussen het EOM en de bevoegde nationale autoriteiten. 3. In afwijking van lid 1 van dit artikel worden besluiten van het EOM om een zaak te seponeren, voor zover deze rechtstreeks op basis van het Unierecht worden aangevochten, voor het Hof van Justitie getoetst overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU. 4. Het Hof van Justitie is overeenkomstig artikel 268 VWEU bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van schade veroorzaakt door het EOM. 5. Het Hof van Justitie is overeenkomstig artikel 272 VWEU bevoegd uitspraak te doen in geschillen betreffende arbitrale bedingen in door het EOM gesloten overeenkomsten. 6. Het Hof van Justitie is overeenkomstig artikel 270 VWEU bevoegd uitspraak te doen in elk geschil aangaande personeelszaken. 7. Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen over het ontslag van de Europees hoofdaanklager en de Europese aanklagers, […]. 8. Dit artikel geldt behoudens rechterlijke toetsing door het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU, van besluiten van het EOM die gevolgen hebben voor de rechten van de betrokkenen uit hoofde van hoofdstuk VIII, en van besluiten van het EOM die geen procedurele handelingen zijn, zoals besluiten van het EOM inzake het recht op toegang van het publiek tot documenten, of overeenkomstig artikel 17, lid 3, van deze verordening aangenomen besluiten inzake het ontslag van gedelegeerd Europese aanklagers, of enig ander administratief besluit.”
Spaans recht
LO 9/2021
11 Volgens Ley Orgánica 9/2021 de aplicación del Reglamento (UE) 2017/1939 del Consejo, de 12 de octubre de 2017, por el que se establece una cooperación reforzada para la creación de la Fiscalía Europea [organieke wet 9/2021 betreffende de uitvoering van verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie] van 1 juli 2021 (BOE nr. 157 van 2 juli 2021, blz. 78523) (hierna: „LO 9/2021”) wordt bij elke bevoegde rechterlijke instantie een Juez de garantías (waarborgenrechter) benoemd, die volgens de preambule van deze organieke wet een orgaan vormt dat niet betrokken is bij het voeren van procedures, maar dat belast is met de taken van rechterlijke toetsing waarin de organieke wet uitdrukkelijk voorziet.
12 Artikel 42 LO 9/2021 bepaalt: „1. In overeenstemming met de bepalingen van deze organieke wet, verordening [2017/1939] en de in het reglement van orde van het EOM vastgestelde regels voeren de gedelegeerd Europese aanklagers het onderzoek uit en gelasten zij dat alle in de Ley de Enjuiciamiento Criminal [(wetboek van strafvordering)] bedoelde onderzoeksmaatregelen en voorlopige maatregelen worden genomen, behoudens die welke zijn voorbehouden aan de rechterlijke instanties krachtens de Grondwet en overige wettelijke bepalingen, waarvoor de goedkeuring van de waarborgenrechter vereist is. […] 3. Het onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het wetboek van strafvordering, behoudens in de bijzondere gevallen die uitdrukkelijk zijn opgenomen in deze organieke wet.”
13 Artikel 43 LO 9/2021 luidt als volgt: „1. Personen die kennis hebben van feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de vaststelling van een strafbaar feit en van wie daarvoor verantwoordelijk is of die in dat verband bruikbare informatie kunnen verstrekken, kunnen door de gedelegeerd Europese aanklager als getuige worden opgeroepen om verklaringen af te leggen. Met uitzondering van diegenen die vrijgesteld zijn van de verplichting om te verschijnen en om getuigenis af te leggen tijdens de mondelinge behandeling van een rechtszaak, dient eenieder die door de gedelegeerd Europese aanklager wordt opgeroepen, als getuige te verschijnen en getuigenis af te leggen van al hetgeen hij weet in antwoord op de hem gestelde vragen. 2. De getuigenverklaring wordt afgenomen op de wijze als bepaald in het wetboek van strafvordering. De partijen bij de procedure mogen door tussenkomst van hun advocaten aanwezig zijn bij de getuigenverklaring, in welk geval zij na de verklaring de gelegenheid krijgen om de getuige te vragen de door hen noodzakelijk geachte toelichting te verschaffen.”
14 Artikel 90 LO 9/2021 bepaalt: „Tegen de besluiten van de gedelegeerd Europese aanklager tijdens de onderzoeksprocedure kan uitsluitend worden opgekomen bij de waarborgenrechter in de gevallen die uitdrukkelijk zijn opgenomen in deze organieke wet.”
15 Artikel 91 LO 9/2021 betreft het verloop van de beroepsprocedure.
16 Op grond van LO 9/2021 kan er in de onderzoeksprocedure worden opgekomen tegen de volgende besluiten van de gedelegeerd Europese aanklager: – het besluit tot instelling van een procedure; – het besluit tot weigering om een nieuwe verklaring af te nemen van de persoon tegen wie een onderzoek loopt en die daarom had gevraagd; – het besluit tot weigering om de onderzoeksmaatregelen uit te voeren waar voor de gedelegeerd Europese aanklager om is verzocht; – het besluit tot weigering om de ingediende documenten en verslagen in het procesdossier op te nemen; – het besluit tot weigering om de door de verdediging aangewezen deskundige in te schakelen voor het deskundigenonderzoek waartoe opdracht is gegeven; – het besluit tot weigering van wraking van een deskundige; – het besluit over voorlopige maatregelen; – het besluit van de gedelegeerd Europese aanklager waarbij voorlopige hechtenis wordt gelast, en – het besluit om het onderzoek te heropenen.
Wetboek van strafvordering
17 Artikel 311 van het wetboek van strafvordering luidt als volgt: „De rechter van instructie voert alle onderzoeksmaatregelen uit die zijn voorgesteld door het openbaar ministerie of door een partij bij de procedure, tenzij hij van oordeel is dat deze onnodig of nadelig zijn. Tegen een besluit tot weigering van de gevraagde onderzoeksmaatregelen kan beroep worden ingesteld, dat ontvankelijk wordt verklaard en onmiddellijk zonder opschortende werking naar de bevoegde rechter wordt verwezen. […]”
18 Artikel 766, lid 1, van het wetboek van strafvordering luidt: „Tegen beschikkingen van de rechter van instructie en van de strafrechter waartegen beroep kan worden ingesteld, kan beroep tot herziening of hoger beroep worden ingesteld. Tenzij de wet anders bepaalt, hebben deze beroepen niet tot gevolg dat de voortzetting van de procedure wordt geschorst.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19 I.R.O. en F.J.L.R. waren bestuurders van een naar Spaans recht opgerichte vennootschap die een subsidie had ontvangen voor de uitvoering van een project dat met Uniemiddelen gefinancierd werd. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) heeft de Fiscalía de área de Getafe-Leganés (openbaar ministerie Getafe-Leganés, Spanje) medegedeeld dat de directe personeelskosten die deze vennootschap had gevorderd voor twee onderzoekers die zij voor de uitvoering van het project had aangenomen, te weten Y.C. en I.M.B., onvoldoende onderbouwd waren.
20 De Fiscalía de área de Getafe-Leganés heeft wegens subsidiefraude de zaak aanhangig gemaakt bij de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n.o 1 de Getafe (rechtbank van eerste aanleg en instructie nr. 1 Getafe, Spanje). Op 20 april 2021 heeft deze rechterlijke instantie een strafonderzoek geopend tegen I.R.O. In het kader van dit onderzoek werd hij op 21 mei 2021 ondervraagd, waarbij hij zijn recht om te zwijgen heeft uitgeoefend. Op 2 juli 2021 heeft die rechterlijke instantie Y.C. als getuige gehoord.
21 Bij besluit van 26 juli 2022 hebben de gedelegeerd Europese aanklagers die in Spanje belast waren met de zaak gebruikgemaakt van hun evocatierecht en het onderzoek ingesteld in het kader waarvan de onderhavige prejudiciële verwijzing heeft plaatsgevonden.
22 Bij besluiten van 22 augustus en 25 oktober 2022 hebben deze gedelegeerd Europese aanklagers overeenkomstig artikel 27 LO 9/2021 I.R.O. en F.J.L.R. opgeroepen om te verschijnen op de eerste zitting, met als doel hen te informeren dat er een onderzoek naar hen was ingesteld wegens subsidiefraude en valsheid in geschrifte op grond van respectievelijk artikel 308 of, waar van toepassing, artikel 306 van de Código Penal (wetboek van strafecht) en de artikelen 390 en 392 van dat wetboek.
23 Bij besluit van 2 februari 2023 (hierna: „besluit van 2 februari 2023”), dat is genomen krachtens artikel 43 LO 9/2021, hebben de gedelegeerd Europese aanklagers Y.C. en I.M.B. opgeroepen als getuige. Op 7 februari 2023 hebben de advocaten van I.R.O. en F.J.L.R. op grond van artikel 90 LO 9/2021 bij het EOM beroep ingesteld tegen dit besluit voor zover Y.C. als getuige werd opgeroepen. Zij voerden aan dat die onderzoeksmaatregel niet passend, noodzakelijk of nuttig was, aangezien Y.C. reeds door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n.o 1 de Getafe was gehoord in die hoedanigheid. Op 8 februari 2023 is dit beroep ter kennis gebracht van de Juzgado Central de Instrucción n.o 6 de Madrid (centrale rechtbank van instructie nr. 6 Madrid, Spanje), die in de procedure optreedt als waarborgenrechter en de verwijzende rechter is.
24 Deze rechter verzoekt het Hof hem de gegevens over de uitlegging van het Unierecht te verschaffen die hem in staat stellen om de gevolgen van verordening 2017/1939 te beoordelen waar het gaat om de bevoegdheid van de waarborgenrechter tot toetsing van bepaalde procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren. Hij wijst erop dat op grond van de artikelen 42 en 43 LO 9/2021, gelezen in samenhang met artikel 90 ervan, de rechterlijke toetsing van procedurele handelingen van dat orgaan alleen mogelijk is indien dit uitdrukkelijk is toegestaan door deze organieke wet. Aangezien het oproepen van getuigen niet behoort tot de handelingen waarvoor de organieke wet voorziet in een dergelijke toetsing, is tegen het besluit van 2 februari 2023 geen beroep mogelijk bij de waarborgenrechter.
25 De verwijzende rechter benadrukt echter dat artikel 42 van verordening 2017/1939 voorziet in de rechterlijke toetsing van procedurele handelingen van het EOM die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, en is van oordeel dat het besluit van 2 februari 2023 zo’n handeling is.
26 In de eerste plaats is hij van mening dat dit besluit directe gevolgen heeft ten aanzien van de personen die zijn opgeroepen om te verschijnen, aangezien het afbreuk doet aan, ten eerste, hun grondrecht om het grondgebied van de Unie binnen te komen en te verlaten en zich daar vrij te verplaatsen, zoals beschermd door artikel 6 van het Handvest, en, ten tweede, hun rechten van verdediging, zoals neergelegd in artikel 48 van het Handvest, omdat er een redelijke mogelijkheid bestaat dat hun verklaringen een vorm van deelneming aan de betrokken feiten aan het licht brengen en er aanwijzingen voor strafbare gedragingen uit kunnen worden afgeleid, terwijl het wetboek van strafvordering niet voorschrijft dat de getuige bij zijn verklaring wordt bijgestaan door een advocaat.
27 In de tweede plaats heeft de dagvaarding van Y.C. en I.M.B. volgens de verwijzende rechter gevolgen voor de personen tegen wie het lopende onderzoek is ingesteld. Om te beginnen is hij van oordeel dat de oproeping van Y.C. als getuige, ofschoon hij reeds in deze hoedanigheid een verklaring had afgelegd voor de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n.o 1 de Getafe, gevolgen kan hebben voor het recht van deze personen op een procedure zonder onnodige vertragingen, aangezien reeds verrichte procedurele handelingen zouden worden herhaald. Voorts merkt hij op dat de verklaringen van Y.C. en I.M.B. kunnen leiden tot het verkrijgen van belastende informatie die de personen tegen wie het onderzoek loopt schade kan berokkenen.
28 Gelet op deze overwegingen is de verwijzende rechter van oordeel dat het ontbreken van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het besluit van 2 februari 2023, in het licht van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid kan leiden tot een ongerechtvaardigde beperking van een aan het Unierecht ontleend subjectief recht.
29 Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft voert deze rechter aan dat indien de betrokken feiten zouden worden onderzocht door een Spaanse rechter van instructie, die op nationaal niveau het equivalent is van de gedelegeerd Europees aanklager, de te volgen procedure een strafrechtelijk onderzoek zou zijn, aangezien de straf voor de betrokken strafbare feiten minder dan vijf jaar gevangenisstraf bedraagt. Op grond van artikel 766 van het wetboek van strafvordering kan tegen besluiten van rechters van instructie waarmee onderzoeksmaatregelen in het kader van deze procedure worden gelast, beroep worden ingesteld bij de rechter die het bestreden besluit heeft genomen en ook bij een hogere rechterlijke instantie.
30 Voorts merkt de verwijzende rechter op dat er een tendens in de nationale rechtspraak is volgens welke artikel 311 van het wetboek van strafvordering, dat ziet op de „procedimiento sumario ordinario” (procedure voor strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar staat), voorschrijft dat er geen beroep kan worden ingesteld tegen de beschikking waarbij de onderzoeksmaatregelen worden gelast waar door partijen om is verzocht. Deze tendens in de rechtspraak, die de toepassing van een bepaling die specifiek is voor de „procedimiento sumario ordinario” uitbreidt tot het strafrechtelijk onderzoek, is echter niet bevestigd door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), is niet unaniem en heeft niet geleid tot een wetswijziging.
31 Volgens de verwijzende rechter is er dus sprake van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel, aangezien LO 9/2021 niet de mogelijkheid biedt om beroep in te stellen tegen oproepingen van getuigen, terwijl het wetboek van strafvordering geen enkele beperking bevat van de mogelijkheid om op te komen tegen besluiten van de rechter van instructie om al dan niet over te gaan tot het gelasten van onderzoeksmaatregelen.
32 Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, stelt deze rechter vast dat LO 9/2021 de rechterlijke toetsing van handelingen van gedelegeerd Europese aanklagers beperkt tot limitatief opgesomde gevallen. Hij is van oordeel dat de omstandigheid dat de waarborgenrechter slechts in beperkte mate toetsingsmogelijkheden heeft op grond van deze wet en met name artikel 90 ervan, een belemmering vormt van de uitoefening van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van de rechten van de verdediging die de justitiabelen ontlenen aan verordening 2017/1939 en die voortvloeien uit het Handvest en uit de waarden die inherent zijn aan de rechtsstaat waarop de Unie is gebaseerd. Bovendien maakt het in artikel 42, lid 1, van deze verordening bedoelde beroep deel uit van een procedure die hoofdzakelijk de bestrijding van belastingfraude en -ontwijking in de Unie tot doel heeft. Bijgevolg bestaat er overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking een legitiem belang en een dwingende reden van algemeen belang die erin gelegen zijn dat de op nationaal niveau vastgestelde procedureregels voor dit beroep niet tot gevolg hebben dat de uitoefening van dat uit het Unierecht voortvloeiend beroep zinloos wordt of wordt beperkt.
33 In deze omstandigheden heeft de Juzgado Central de Instrucción n.o 6 de Madrid de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals artikel 90 [LO 9/2021], waarbij er geen rechterlijke toetsing plaats kan vinden van een procedurele handeling van het EOM die (in de aangegeven zin) rechtsgevolgen ten aanzien van derden creëert, zoals de bij besluit van 2 februari 2023 genomen beslissing van de gedelegeerd Europese aanklager om getuigen op te roepen? 2) Moeten de artikelen 6 en 48 van het [Handvest] en artikel 7 van richtlijn [2016/343] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling zoals artikel 90 [LO 9/2021], gelezen in samenhang met artikel 42, leden 1 en 3, en artikel 43 van deze wet, waarbij er geen rechterlijke toetsing plaats kan vinden van een procedurele handeling van het EOM zoals de beslissing van de gedelegeerd Europese aanklager om als getuige een derde op te roepen van wie redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij betrokken is bij de strafbare feiten waarop het onderzoek betrekking heeft? 3) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 86, lid 3, VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een systeem van rechterlijke toetsing als bedoeld in de artikelen 90 en 91 LO 9/2021 voor handelingen van gedelegeerde Europese aanklagers op grond van artikel 42, lid 1, en artikel 43 LO 9/2021, dat niet voorziet in rechterlijke toetsing van een maatregel die door de gedelegeerd Europese aanklager bij de uitoefening van zijn onderzoeksbevoegdheid is gelast, en dat geen gelijkwaardige regeling kent in de nationale procedureregels voor het aanvechten van beslissingen die door rechters van instructie bij de uitoefening van hun onderzoeksbevoegdheid zijn genomen? 4) Moet artikel 2 VEU, waarin de waarden van de rechtsstaat zijn neergelegd waarop de Unie berust, gelezen in samenhang met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een [eerlijk] proces in artikel 47 van het [Handvest] en met het doeltreffendheidsbeginsel in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een systeem van rechterlijke toetsing van de handelingen van gedelegeerd Europese aanklagers waarbij dergelijke handelingen slechts in een beperkt aantal gevallen kunnen worden aangevochten, zoals dat naar Spaans recht het geval is in de artikelen 90 en 91 LO 9/2021?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
34 Het EOM, de Spaanse, de Franse en de Nederlandse regering alsmede de Commissie betogen dat de tweede vraag niet-ontvankelijk is omdat zij louter hypothetisch is. Het hoofdgeding heeft immers betrekking op de omstandigheid dat personen tegen wie een onderzoek van het EOM loopt, opkomen tegen het besluit van het EOM om derden als getuige op te roepen, terwijl bij deze vraag aan de orde is of die getuigen zelf kunnen opkomen tegen dat besluit.
35 Het EOM voert voorts ook aan dat ook de derde en de vierde vraag hypothetisch zijn en stelt ter onderbouwing daarvan dat artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 bij gebreke van een rechtsgrondslag in het nationale recht niet automatisch een recht op rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen van dat orgaan verleent.
36 Volgens vaste rechtspraak rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 24 oktober 2018, XC e.a.,C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 In casu wenst de verwijzende rechter om te beginnen met zijn tweede vraag in essentie te vernemen of de artikelen 6 en 48 van het Handvest en artikel 7 van richtlijn 2016/343 zich verzetten tegen een regel van nationaal recht die niet voorziet in de mogelijkheid voor derden om wegens schending van hun grondrechten beroep in te stellen tegen een besluit van het EOM waarbij zij worden opgeroepen om als getuige te verschijnen.
38 Opgemerkt zij dat het hoofdgeding weliswaar betrekking heeft op een beroep tegen het besluit van 2 februari 2023 waarbij de gedelegeerd Europese aanklagers die in het hoofdgeding de zaak behandelen Y.C. en I.M.B. hebben opgeroepen als getuige, maar dat dit beroep niet is ingesteld door die personen zelf maar door I.R.O. en F.J.L.R., tegen wie het onderzoek van deze gedelegeerd Europese aanklagers in het kader waarvan dit besluit is genomen loopt. Bijgevolg is deze vraag niet-ontvankelijk, aangezien de verwijzende rechter niet uiteenzet waarom het, ondanks deze context, toch noodzakelijk is dat het Hof de tweede vraag beantwoordt.
39 Voorts wenst de verwijzende rechter met de derde en de vierde vraag in wezen te vernemen of de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die de mogelijkheden om beroep in te stellen tegen procedurele handelingen van het EOM beperkt tot een aantal limitatief opgesomde gevallen en daardoor geen bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden door de nationale procesregels die van toepassing zijn op beroepen tegen besluiten die zijn genomen door rechters van instructie (die op nationaal niveau de tegenhangers zijn van de gedelegeerd Europese aanklagers).
40 In dit verband is de verwijzende rechter, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, van oordeel dat het besluit van het EOM om Y.C. en I.M.B. als getuige op te roepen, dat aan de orde is in het hoofdgeding, bij de huidige stand van het nationale recht niet vatbaar is voor beroep. Bovendien is hij van mening dat, anders dan het EOM betoogt, het nationale recht aldus moet worden uitgelegd dat tegen besluiten waarbij een rechter van instructie gelast dat in een strafrechtelijk onderzoek onderzoeksmaatregelen worden uitgevoerd, beroep kan worden ingesteld.
41 Gelet op deze overwegingen, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid ervan na te gaan, zijn de derde en de vierde vraag relevant voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding, aangezien de ontvankelijkheid van het beroep in het hoofdgeding kan afhangen van het antwoord dat het Hof op die vragen zal geven. Overigens heeft de door het EOM opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid betrekking op de uitlegging van artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 en dus op de inhoudelijke behandeling van deze vragen en niet op de ontvankelijkheid ervan.
42 De derde en de vierde prejudiciële vraag zijn derhalve ontvankelijk.
Eerste, derde en vierde vraag
43 Met zijn eerste, derde en vierde vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939, gelezen in het licht van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, de artikelen 47 en 48 van het Handvest en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan personen tegen wie een onderzoek van het EOM loopt, niet rechtstreeks bij een bevoegde nationale rechterlijke instantie kunnen opkomen tegen een besluit waarbij de gedelegeerd Europese aanklager die de zaak behandelt getuigen oproept in het kader van dat onderzoek.
44 Artikel 4 van deze verordening bepaalt dat „[h]et EOM […] belast [is] met het instellen van onderzoek naar, het vervolgen en het voor de rechter brengen van daders van, en medeplichtigen aan, strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden”. In dat verband stelt het EOM onderzoeken in, verricht het strafvervolgingshandelingen en treedt het op als openbaar aanklager bij de bevoegde rechtbanken van de lidstaten, totdat de zaak definitief is afgedaan.
45 In artikel 8, lid 1, van die verordening is bepaald dat het EOM een ondeelbaar orgaan van de Unie is dat als één dienst met een gedecentraliseerde structuur optreedt. Volgens artikel 8, leden 2 tot en met 4, bestaat het EOM uit een centraal niveau, te weten het centrale kantoor dat zich bevindt op de plaats waar de zetel van het EOM gevestigd is, en een decentraal niveau, dat wordt gevormd door de gedelegeerd Europese aanklagers, die werkzaam zijn in de lidstaten.
46 Volgens artikel 13, lid 1, van die verordening, gelezen in het licht van de overwegingen 30 en 32 ervan, moeten de onderzoeken van het EOM in de regel worden uitgevoerd door de gedelegeerd Europese aanklagers, die namens het EOM in hun respectieve lidstaten optreden [arrest van 21 december 2023, G. K. e.a. (Europees Openbaar Ministerie), C‑281/22, EU:C:2023:1018, punt 42].
47 Krachtens artikel 28, lid 1, van verordening 2017/1939 kan de gedelegeerd Europese aanklager die de zaak behandelt overeenkomstig die verordening en het nationale recht zelf onderzoeks- en andere maatregelen nemen. Meer in het bijzonder zijn de gedelegeerd Europese aanklagers niet alleen bevoegd om de in artikel 30, lid 1, van die verordening genoemde onderzoeksmaatregelen vast te stellen, ten minste in gevallen waarin het te onderzoeken strafbare feit kan worden bestraft met een maximumstraf van minimaal vier jaar gevangenisstraf, maar ook om overeenkomstig artikel 30, lid 4, om andere maatregelen te verzoeken of te bevelen die in hun lidstaat in soortgelijke nationale gevallen krachtens het nationale recht beschikbaar zijn voor openbare aanklagers. Bovendien worden, zoals in artikel 30, lid 5, is bepaald, de procedures en de nadere voorwaarden voor het uitvoeren van de maatregelen beheerst door het toepasselijke nationale recht.
48 In deze context biedt artikel 86, lid 3, VWEU, zoals wordt uiteengezet in overweging 86 van verordening 2017/1939, de Uniewetgever, teneinde rekening te houden met de specifieke aard van de taken en de structuur van het EOM – die afwijkt van die van alle andere organen en instanties van de Unie –, de mogelijkheid om bijzondere voorschriften vast te stellen voor de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen die het EOM in de uitoefening van zijn ambt verricht.
49 De Uniewetgever heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door artikel 42 van deze verordening vast te stellen. In het eerste lid van dat artikel staat dat de procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, moeten worden getoetst door de bevoegde nationale rechter overeenkomstig de voorschriften en procedures in het nationale recht.
50 Om te bepalen of artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan personen tegen wie een onderzoek van het EOM loopt, niet rechtstreeks bij een bevoegde nationale rechterlijke instantie kunnen opkomen tegen een besluit waarbij de gedelegeerd Europese aanklager die de zaak behandelt getuigen oproept in het kader van dat onderzoek, moet worden onderzocht of een dergelijk besluit valt onder het begrip „procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren” in de zin van die bepaling.
51 Volgens vaste rechtspraak vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het beginsel van gelijke behandeling als algemene regel dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en reikwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstelling van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 30 april 2024, M.N. (EncroChat),C‑670/22, EU:C:2024:372, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
52 In de eerste plaats is het juist dat de bevoegde nationale rechterlijke instanties volgens de bewoordingen van artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 overgaan tot rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren „overeenkomstig de voorschriften en procedures in het nationale recht”.
53 Uit de termen zelf van artikel 42, lid 1, van die verordening volgt echter dat deze verwijzing naar „voorschriften en procedures in het nationale recht” uitsluitend betrekking heeft op de wijze waarop de bevoegde nationale rechterlijke instanties de betrokken handelingen aan rechterlijke toetsing onderwerpen, en niet op de reikwijdte van het begrip „procedurehandelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren”. In dat opzicht verwijst deze bepaling niet naar het recht van de lidstaten in de zin van de in punt 51 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
54 Zoals de advocaat-generaal in de punten 39 tot en met 43 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt bovendien uit de bewoordingen en de opzet van artikel 42 van verordening 2017/1939, gelezen in het licht van de overwegingen 86, 87 en 89 ervan, alsmede uit de context van deze bepaling, dat zij met name tot doel heeft te zorgen voor een verdeling van de bevoegdheden tussen de nationale rechterlijke instanties en de rechterlijke instanties van de Unie in het kader van de uitoefening van de rechterlijke toetsing van de activiteiten van het EOM.
55 Zoals in de punten 49 en 52 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, bepaalt artikel 42, lid 1, van die verordening dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om over te gaan tot toetsing van de procedurele handelingen van het EOM die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, terwijl de leden 2 tot en met 8 van artikel 42 de gevallen opsommen waarin de rechterlijke toetsing van de activiteiten van het EOM onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie valt.
56 In het bijzonder verleent artikel 42, lid 3, van verordening 2017/1939 de rechterlijke instanties van de Unie de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU de besluiten van het EOM tot seponering van een zaak te toetsen, voor zover deze rechtstreeks op basis van het Unierecht worden aangevochten. Bovendien toetsen de rechterlijke instanties van de Unie op grond van lid 8 van artikel 42 overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU ook besluiten van het EOM die gevolgen hebben voor de rechten op gegevensbescherming van de betrokkenen uit hoofde van hoofdstuk VIII, en besluiten van het EOM die geen procedurele handelingen zijn, zoals besluiten van het EOM inzake het recht op toegang van het publiek tot documenten, of overeenkomstig artikel 17, lid 3, van die verordening aangenomen besluiten inzake het ontslag van gedelegeerd Europese aanklagers, of enig ander administratief besluit.
57 Bijgevolg zijn „procedurele handelingen” in de zin van artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 handelingen waarvan de wettigheid in beginsel door de nationale rechterlijke instanties wordt getoetst. Het voorgaande geldt met uitzondering van de in artikel 42, lid 3, van die verordening genoemde handelingen en is te plaatsen tegenover besluiten inzake de bescherming van persoonsgegevens en „administratieve besluiten” van het EOM in de zin van artikel 42, lid 8, van de verordening, die binnen de werkingssfeer van artikel 263 VWEU vallen.
58 Uit het voorgaande volgt dat het begrip „procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren” in de zin van artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 een autonoom Unierechtelijk begrip is dat op basis van uniforme criteria moet worden uitgelegd. Alleen met die uitlegging kan er immers voor worden gezorgd dat in de gehele Unie de bevoegdheden tussen de nationale rechterlijke instanties en de rechterlijke instanties van de Unie op samenhangende wijze worden verdeeld in het kader van de uitoefening van de rechterlijke toetsing van de activiteiten van het EOM.
59 In de tweede plaats moet worden onderzocht of een besluit van het EOM om getuigen op te roepen onder dat begrip valt, welk begrip in verordening 2017/1939 niet wordt omschreven.
60 In dit verband blijkt ten eerste uit overweging 87 van deze verordening dat onder de uitdrukking „procedurele handelingen” met name de handelingen vallen die het EOM in het kader van het onderzoek verricht. Vast staat dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit een „procedurele handeling” is overeenkomstig de gebruikelijke betekenis die aan dit begrip moet worden gegeven, en dat deze handeling is vastgesteld in het kader van een onderzoek van het EOM.
61 Wat ten tweede de vraag betreft of een dergelijk besluit moet worden beschouwd als een procedurele handeling „die bedoeld is om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren”, moet om te beginnen worden opgemerkt dat de gebruikte formulering overeenkomt met het criterium dat in artikel 263, eerste alinea, VWEU wordt gehanteerd om te bepalen tegen welke handelingen bij de rechterlijke instanties van de Unie kan worden opgekomen in het kader van het in dat artikel bedoelde beroep tot nietigverklaring.
62 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263, eerste alinea, VWEU kan worden ingesteld tegen elke door de instellingen, organen of instanties van de Unie vastgestelde bepaling of maatregel, ongeacht de vorm, waarmee wordt beoogd bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de belangen van een natuurlijke of rechtspersoon kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Uit de bewoordingen van artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939, gelezen in het licht van de algemene opzet van deze verordening en de doelstelling van artikel 42, kan dus worden afgeleid dat de Uniewetgever, door een soortgelijk criterium te hanteren als dat van artikel 263, eerste alinea, VWEU, de verplichte rechterlijke toetsing van procedurele handelingen van het EOM niet heeft willen beperken tot bepaalde specifieke categorieën procedurele handelingen, maar deze toetsing heeft willen uitbreiden tot alle procedurele handelingen die beogen bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de belangen van derden kunnen aantasten doordat zij hun rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, en met name ook tot handelingen die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek worden vastgesteld.
64 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat volgens overweging 87 van verordening 2017/1939 de term „derden” in artikel 42 van deze verordening verwijst naar een categorie van personen waartoe niet alleen de „verdachte” en het „slachtoffer” behoren, maar ook „andere belanghebbenden wier rechten kunnen worden geschaad door dergelijke handelingen”.
65 Verder is het zo dat de Uniewetgever in de derde alinea van overweging 87 van die verordening ter illustratie van het begrip „procedurele handelingen die niet bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren” enkel de aanwijzing van deskundigen en de terugbetaling van de kosten van getuigen uitdrukkelijk heeft genoemd. Hoewel deze opsomming niet limitatief is, kan niet bij voorbaat worden uitgesloten dat een besluit om getuigen op te roepen, dat niet één van de in deze overweging genoemde procedurele handelingen is, kan worden geacht bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de belangen van de betrokkene kunnen aantasten doordat zij zijn rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.
66 Ten tweede is de in punt 63 van het onderhavige arrest uiteengezette uitlegging de enige die de eerbiediging kan waarborgen van het beginsel dat de Unie een unie is die wordt beheerst door het recht, in die zin dat haar instellingen, organen en instanties niet ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met, inzonderheid, de Verdragen, de algemene rechtsbeginselen en de grondrechten (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 Er moet echter ook aan worden herinnerd dat, om in een bepaald geval vast te stellen of de bestreden handeling beoogt bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen, op de wezenlijke inhoud ervan moet worden gelet en de gevolgen ervan moeten worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria, zoals de inhoud van de betrokken handeling, waarbij in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de context waarin zij is vastgesteld en met de bevoegdheden van de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie die deze handeling heeft vastgesteld. Deze bevoegdheden moeten niet op een abstracte manier worden opgevat, maar als factoren die licht kunnen werpen op de concrete analyse van de inhoud van die handeling, welke analyse essentieel en onmisbaar is (zie naar analogie arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Gelet op de in de punten 62 tot en met 67 van het onderhavige arrest genoemde criteria kan de vraag of een besluit van een gedelegeerd Europese aanklager om getuigen op te roepen beoogt bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de rechten van personen tegen wie een onderzoek is ingesteld, zoals verzoekers in het hoofdgeding, kunnen aantasten doordat hun rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd, niet in algemene en abstracte termen worden beantwoord.
69 Deze criteria houden immers in dat de betrokken handeling in concreto wordt beoordeeld in het licht van met name de hoedanigheid van de „derde” die deze handeling aanvecht, de inhoud van de handeling, de context waarin zij is vastgesteld en de bevoegdheden van de instantie die de handeling heeft vastgesteld.
70 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de overwegingen 83 en 85 tot en met 87 van verordening 2017/1939, artikel 42, lid 1, van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 41 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, het mogelijk maakt om te waarborgen dat het EOM de fundamentele rechten eerbiedigt van de personen ten aanzien van wie die handelingen rechtsgevolgen creëren, en met name om na te gaan of dat orgaan overeenkomstig de artikelen 47 en 48 van het Handvest het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging van verdachten en beklaagden in acht neemt.
71 In het bijzonder houdt een dergelijke toetsing onder meer in dat niet alleen voor de in het Unierecht neergelegde en in artikel 41, lid 1, van die verordening genoemde procedurele rechten van verdachten en beklaagden wordt nagegaan of deze worden geëerbiedigd, maar is dat overeenkomstig artikel 41, lid 3, ervan ook het geval voor alle procedurele rechten die het toepasselijke nationale recht toekent aan die personen en aan andere bij de procedures van het EOM betrokken personen.
72 Aangezien de omvang van de procedurele waarborgen die aan de verschillende categorieën van personen worden verleend kan variëren afhankelijk van de nationale procesregels van de betrokken lidstaat, kunnen de procedurele handelingen waartegen deze personen voor de nationale rechterlijke instanties kunnen opkomen bijgevolg ook verschillen qua reikwijdte, afhankelijk van het toepasselijke nationale recht.
73 De beoordeling van de gevolgen die een besluit om getuigen op te roepen heeft voor de rechten van personen tegen wie een onderzoek loopt, hangt dus tot op zekere hoogte af van de nationale procesregels en van de specifieke context van het strafonderzoek binnen het kader waarvan het EOM dat besluit heeft vastgesteld. De nationale rechterlijke instanties die bevoegd zijn om de rechterlijke toetsing van artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 uit te voeren zijn dan ook het meest geschikt om die beoordeling te maken.
74 Deze uitlegging wordt bevestigd door de overwegingen 12 en 87 van deze verordening. Om te beginnen volgt uit overweging 12 dat de Uniewetgever overeenkomstig de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid die zijn neergelegd in artikel 5, leden 3 en 4, VEU het niveau van harmonisatie van de rechterlijke toetsing van procedurele handelingen van het EOM heeft willen beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is om een uniform niveau van effectieve rechterlijke bescherming voor die handelingen te waarborgen in overeenstemming met het primaire Unierecht. Voorts strookt de gehanteerde uitlegging ook met het feit dat dit orgaan van de Unie in hoge mate geïntegreerd is in de strafprocesrechtsstelsels van de lidstaten en binnen die stelsels zijn bevoegdheden uitoefent. Zoals blijkt uit de eerste alinea van overweging 87 van deze verordening rechtvaardigt dit dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn ten aanzien van de in artikel 42, lid 1, van deze verordening bedoelde procedurele handelingen.
75 Hieruit volgt dat het aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties staat om, in het licht van met name de nationale procesregels en de specifieke context van het lopende strafonderzoek, te beoordelen of een besluit van een gedelegeerd Europese aanklager om getuigen op te roepen, beoogt bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de belangen van de personen die tegen dat besluit opkomen – zoals in casu de personen tegen wie het betreffende onderzoek loopt – kunnen aantasten doordat hun rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd, met name doordat hun procedurele rechten worden aangetast. Indien dat het geval is, is dat besluit krachtens artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 vatbaar voor toetsing door die rechterlijke instanties.
76 Wat in de derde plaats de vraag betreft of die rechterlijke toetsing eventueel de vorm moet aannemen van een rechtstreeks beroep tegen dat besluit, moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen van deze bepaling niet blijkt of de lidstaten moeten voorzien in een specifiek rechtsmiddel waarmee een procedurele handeling van het EOM rechtstreeks kan worden aangevochten en of de toetsing noodzakelijkerwijs de nietigverklaring van het bestreden besluit moet beogen.
77 In die bepaling wordt daarentegen wel gesteld dat de betrokken rechterlijke toetsing wordt verricht „overeenkomstig de voorschriften en procedures in het nationale recht”. Hieruit volgt dat deze bepaling, mits de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest neergelegde rechten ten volle worden gewaarborgd, niet uitsluit dat in lidstaten waar de regels van strafvordering niet voorzien in een dergelijk specifiek rechtsmiddel om tegen gedurende de procedure verrichte handelingen op te komen, die rechterlijke toetsing incidenteel kan plaatsvinden.
78 Deze uitlegging vindt steun in overweging 88 van verordening 2017/1939, waarin wordt vermeld dat met betrekking tot de door de nationale rechterlijke instanties verrichte toetsing van de wettigheid van procedurele handelingen die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, in doeltreffende rechtsmiddelen moet worden voorzien overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.
79 Deze bepaling van het VEU verplicht de lidstaten om te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren. Volgens de rechtspraak van het Hof komt deze verplichting overeen met het in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden. Die verplichting houdt alleen in dat eenieder het recht wordt toegekend om in rechte op te komen tegen een voor hem bezwarende handeling die afbreuk kan doen aan die rechten en vrijheden, en niet noodzakelijkerwijs dat de houder van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte rechtstreeks beroep moet kunnen instellen dat er primair toe strekt een bepaalde maatregel aan te vechten, voor zover er voor de verschillende bevoegde nationale rechters een of meer rechtsmiddelen bestaan waarmee hij incidenteel een rechterlijke toetsing van die maatregel kan verkrijgen waarmee de eerbiediging van de hem door het Unierecht verleende rechten en vrijheden wordt gewaarborgd, zonder dat hij zich hoeft bloot te stellen aan het risico dat hem een sanctie wordt opgelegd wegens niet-naleving van de betrokken maatregel [zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C‑245/19 en C‑246/19, EU:C:2020:795, punten 47, 58 en 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
80 Artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 moet weliswaar worden gelezen in het licht van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en de artikelen 47 en 48 van het Handvest, maar laat de procedurevoorschriften voor de toetsing door de nationale rechter onverlet. De toetsing kan dus ook de vorm aannemen van een incidentele toetsing, met name door de strafrechter die de zaak zal beoordelen, mits er met die procedurevoorschriften wordt gewaarborgd dat er sprake is van een doeltreffende voorziening in rechte. Daarvoor is vereist dat de aangezochte rechter bevoegd is om alle feitelijke en juridische vraagstukken die relevant zijn voor de beslechting van dat geding te onderzoeken. Deze rechter moet met name bevoegd zijn om na te gaan of de bewijzen waarop die handeling berust niet zijn verkregen of gebruikt in strijd met de door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden van de betrokkene [zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C‑245/19 en C‑246/19, EU:C:2020:795, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
81 In de vierde en laatste plaats moet artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939, zoals de bewoordingen van overweging 88 van die verordening suggereren, worden uitgelegd in het licht van het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten.
82 Volgens dit beginsel staat het aan de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor de rechtsmiddelen die nodig zijn om de justitiabelen op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren dat hun recht op effectieve rechterlijke bescherming wordt geëerbiedigd. Voorwaarde daarbij is wel dat die regels – in situaties die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen – niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Randstad Italia,C‑497/20, EU:C:2021:1037, punten 56 en 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
83 Met betrekking tot het gelijkwaardigheidsbeginsel heeft de verwijzende rechter twijfels geuit over de vraag of de toepasselijke nationale procedureregels zich verdragen met dit beginsel.
84 Om te toetsen of het gelijkwaardigheidsbeginsel is geëerbiedigd, moeten eerst de vergelijkbare procedures of beroepen worden geïdentificeerd en dient vervolgens te worden beoordeeld of de op het nationale recht gebaseerde beroepen gunstiger worden behandeld dan de beroepen die betrekking hebben op de bescherming van de rechten die particulieren aan het Unierecht ontlenen [arrest van 26 september 2018, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Schorsende werking van het hoger beroep), C‑180/17, EU:C:2018:775, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
85 Wat de vergelijkbaarheid van de beroepen betreft, staat het aan de nationale rechter, die rechtstreeks bekend is met de toepasselijke procedureregels, om na te gaan of de betrokken beroepen vergelijkbaar zijn wat hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken betreft [arrest van 26 september 2018, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Schorsende werking van het hoger beroep), C‑180/17, EU:C:2018:775, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
86 In casu blijkt, zoals in de punten 29 en 40 van het onderhavige arrest is aangegeven, uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de rechtsmiddelen tegen de procedurele handelingen van de gedelegeerd Europese aanklagers die in Spanje aangewezen zijn, moeten worden vergeleken met de rechtsmiddelen die in het nationale recht bestaan tegen soortgelijke handelingen van een rechter van instructie, die op nationaal niveau gelijkstaat aan een gedelegeerd Europese aanklager.
87 Wat de gelijksoortige behandeling van de beroepen betreft, zij eraan herinnerd dat ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procedureregel inzake op het Unierecht gebaseerde beroepen minder gunstig is dan de regels betreffende soortgelijke nationale beroepen, door de nationale rechter moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van de betrokken regels in de gehele procedure, van het verloop van deze procedure en van de bijzondere kenmerken van die regels voor de verschillende nationale instanties [arrest van 26 september 2018, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Schorsende werking van het hoger beroep), C‑180/17, EU:C:2018:775, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
88 Zoals de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, lijkt in dit verband uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens naar voren te komen dat personen tegen wie een onderzoek is ingesteld door een in Spanje aangewezen gedelegeerd Europese aanklager zich in een minder gunstige situatie bevinden dan personen tegen wie een onderzoek door een rechter van instructie is ingesteld, aangezien de nationale regeling die van toepassing is op de rechterlijke toetsing van procedurele handelingen van het EOM niet de mogelijkheid kent om een rechtstreeks beroep in te stellen tegen een besluit waarbij getuigen worden opgeroepen, terwijl de regeling die van toepassing is op de rechterlijke toetsing van een soortgelijke handeling van een rechter van instructie voorziet in de mogelijkheid om beroep in te stellen bij die rechter van instructie of bij een hogere rechterlijke instantie.
89 Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in het licht van de in punt 87 van het onderhavige arrest genoemde criteria inderdaad het geval is, en met name of de door de Spaanse regering en het EOM in hun schriftelijke opmerkingen verdedigde uitlegging van het nationale recht dat in een zuiver interne situatie procedureregels kunnen worden toegepast die niet in een dergelijk rechtstreeks beroep voorzien, moet worden afgewezen.
90 Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, moet worden geoordeeld dat dit in casu geen eisen met zich meebrengt die verder gaan dan die welke voortvloeien uit het recht op effectieve rechterlijke bescherming, zoals gewaarborgd door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU [zie in die zin arrest van 26 september 2018, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Schorsende werking van het hoger beroep), C‑180/17, EU:C:2018:775, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Uit punt 79 van het onderhavige arrest blijkt dat deze bepalingen van primair Unierecht zich er niet tegen verzetten dat een procedurele handeling van het EOM waarbij getuigen worden opgeroepen, niet vatbaar is voor rechtstreeks beroep, mits is voldaan aan de vereisten die met name in dat punt 79 en in punt 80 van dit arrest in herinnering zijn gebracht.
91 Gelet op een en ander dient op de eerste, de derde en de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939, gelezen in het licht van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, de artikelen 47 en 48 van het Handvest en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, aldus moet worden uitgelegd dat een besluit waarbij de gedelegeerd Europese aanklager die de betrokken zaak behandelt getuigen oproept in het kader van een onderzoek, op grond van artikel 42, lid 1, van die verordening onderworpen is aan toetsing door de bevoegde nationale rechterlijke instantie wanneer met dit besluit wordt beoogd bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de personen die tegen dat besluit opkomen – zoals de personen tegen wie dat onderzoek loopt – in hun belangen raken doordat hun rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd. Indien dat het geval is, moeten die personen er op grond van het nationale recht zeker van kunnen zijn dat het besluit daadwerkelijk, althans incidenteel, wordt getoetst, eventueel door de strafrechter die de zaak zal beoordelen. Wanneer de nationale procedurele bepalingen betreffende vergelijkbare, op basis van nationaal recht ingestelde beroepen echter voorzien in de mogelijkheid om rechtstreeks op te komen tegen een soortgelijk besluit, moet deze mogelijkheid op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel ook openstaan voor die personen.
Kosten
92 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 42, lid 1, van verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM”), gelezen in het licht van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid,
moet aldus worden uitgelegd dat
een besluit waarbij de gedelegeerd Europese aanklager die de betrokken zaak behandelt getuigen oproept in het kader van een onderzoek, op grond van artikel 42, lid 1, van die verordening onderworpen is aan toetsing door de bevoegde nationale rechterlijke instantie wanneer met dit besluit wordt beoogd bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de personen die tegen dat besluit opkomen – zoals de personen tegen wie dat onderzoek loopt – in hun belangen raken doordat hun rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd.
Indien dat het geval is, moeten die personen er op grond van het nationale recht zeker van kunnen zijn dat het besluit daadwerkelijk, althans incidenteel, wordt getoetst, eventueel door de strafrechter die de zaak zal beoordelen.
Wanneer de nationale procedurele bepalingen betreffende vergelijkbare, op basis van nationaal recht ingestelde beroepen echter voorzien in de mogelijkheid om rechtstreeks op te komen tegen een soortgelijk besluit, moet deze mogelijkheid op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel ook openstaan voor die personen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 30 april 2024, C-670/22, ECLI:EU:C:2024:372
- HvJ EU 21 december 2023, C-281/22, ECLI:EU:C:2023:1018
- HvJ EU 22 september 2022, C-619/20, ECLI:EU:C:2022:722
- HvJ EU 21 december 2021, C-497/20, ECLI:EU:C:2021:1037
- HvJ EU 6 oktober 2020, C-245/19, ECLI:EU:C:2020:795
- HvJ EU 24 oktober 2018, C-234/17, ECLI:EU:C:2018:853
- HvJ EU 26 september 2018, C-180/17, ECLI:EU:C:2018:775
- HvJ EU 3 oktober 2013, C-583/11, ECLI:EU:C:2013:625
Aangehaald in
- HvJ EU 11 september 2025, C-215/24, ECLI:EU:C:2025:695
- HvJ EU 18 december 2025, C-417/23, ECLI:EU:C:2025:1017
- HvJ EU 1 augustus 2025, C-600/23, ECLI:EU:C:2025:617
- HvJ EU 17 maart 2026, C-8/24, ECLI:EU:C:2026:210
- HvJ EU 15 januari 2026, C-129/24, ECLI:EU:C:2026:5
- HvJ EU 10 juli 2025, C-294/24, ECLI:EU:C:2025:565