HvJ EU 10 juli 2025, C-294/24, ECLI:EU:C:2025:565
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
10 juli 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 3, lid 1 – Dienstenovereenkomst inzake de distributie en de afvoer van water – Opeisbaarheid en aanvang verjaringstermijn van de schuldvordering die afhangen van het gedrag van de verkoper – Vereiste om de redenen te vermelden waarom een uitlegging van bepalingen van het Unierecht door het Hof noodzakelijk is – Ontoereikende gegevens – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak C‑294/24 [Zadzhova] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rayonen sad – Burgas (rechter in eerste aanleg Burgas, Bulgarije) bij beslissing van 24 april 2024, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
„Vodosnabdyavane i kanalizatsia” EAD
tegen
ED,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen, kamerpresident, M. Condinanzi en R. Frendo (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 maart 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– „Vodosnabdyavane i kanalizatsia” EAD, vertegenwoordigd door G. D. Dobrev, Z. I. Gadzheva, L. I. Todev, advokati, en T. Mirchev,
– de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door T. Mitova en R. Stoyanov als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel, G. Koleva, N. Nikolova en P. Ondrůšek als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Vodosnabdyavane i kanalizatsia” EAD (hierna: „VIK” of „waterbedrijf van de stad Burgas”) en ED over de niet-betaling van facturen voor het waterverbruik van een gebouw dat toebehoort aan ED.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt: „Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”
Bulgaars recht
4 Artikel 84, eerste alinea, van de Zakon za zadalzheniyata i dogovorite (wet inzake verbintenissen en overeenkomsten, DV nr. 275 van 22 november 1950) (hierna: „ZZD”) bepaalt: „Wanneer voor de nakoming van de verbintenis een termijn is vastgesteld, is de schuldenaar bij het verstrijken van die termijn in verzuim. [...]”
5 Artikel 114 ZZD luidt als volgt: „De verjaringstermijn gaat in op de datum waarop de schuldvordering opeisbaar is geworden. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
6 VIK levert aan haar klanten diensten die bestaan in de distributie en de afvoer van water in de stad Burgas (Bulgarije) op basis van individuele overeenkomsten die algemene voorwaarden voor de levering van deze diensten aan de gebruikers ervan (hierna: „algemene voorwaarden”) bevatten.
7 Op 27 oktober 2023 heeft VIK bij de Rayonen sad – Burgas (rechter in eerste aanleg Burgas, Bulgarije), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld strekkende tot veroordeling van ED, een consument, tot betaling van bepaalde facturen voor het waterverbruik in verband met een aan haar toebehorend onroerend goed in de stad Burgas.
8 VIK stelt in het bijzonder dat ED haar een hoofdsom van 693,56 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 350 EUR) verschuldigd is wegens waterverbruik in de periode van 17 maart 2020 tot en met 12 mei 2023, waarvoor facturen zijn uitgereikt in de periode van 25 augustus 2021 tot en met 25 mei 2023. Daarbovenop vordert zij de wettelijke rente vanaf de datum van aanhangigmaking van de zaak bij de verwijzende rechter tot aan de volledige betaling, alsook een vertragingsvergoeding van 81,30 BGN (ongeveer 41 EUR) over de periode van 25 september 2021 tot en met 24 oktober 2023.
9 VIK stelt dat zij voor de betrokken verbruiksperiode facturen heeft uitgereikt die ED niet binnen de in artikel 33, lid 2, van de algemene voorwaarden vastgestelde betalingstermijn van dertig dagen heeft voldaan.
10 ED betwist de hoogte van de gevorderde bedragen en voert met name aan dat de gestelde schuldvordering is tenietgegaan door het verstrijken van de driejarige verjaringstermijn.
11 De verwijzende rechter merkt op dat VIK volgens artikel 33, lid 1, van de algemene voorwaarden maandelijks facturen moet uitreiken voor de aan haar klanten geleverde diensten, te weten distributie en afvoer van water. Artikel 33, lid 2, van de algemene voorwaarden bepaalt dat de consument binnen dertig dagen na de datum van uitreiking van de factuur moet betalen.
12 Bovendien bepaalt artikel 42 van de algemene voorwaarden dat de consument die zijn betalingsverplichtingen niet binnen de gestelde termijn nakomt, aan VIK een schadevergoeding verschuldigd is ter hoogte van de wettelijke rente.
13 De verwijzende rechter merkt op dat de vordering van VIK krachtens artikel 84, eerste alinea, en artikel 114 ZZD opeisbaar wordt bij het verstrijken van een termijn van dertig dagen na uitreiking van de factuur, en dat vanaf dat moment de verjaringstermijn begint te lopen.
14 Bijgevolg hangt de vaststelling van het aanvangstijdstip van deze verjaringstermijn af van het gedrag van VIK en, meer bepaald, van de uitreiking van de facturen. VIK schendt echter regelmatig de voorschriften van artikel 33, lid 1, van de algemene voorwaarden, op grond waarvan zij maandelijks moet factureren.
15 De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 33, lid 2, van de algemene voorwaarden als oneerlijk kan worden beschouwd, aangezien VIK op grond van dit artikel eenzijdig – door de datum van uitreiking van de factuur te bepalen – kan vaststellen wanneer haar vorderingen en de daarop betrekking hebbende vertragingsrente opeisbaar worden, en wanneer de daarvoor geldende verjaringstermijn aanvangt.
16 In die omstandigheden heeft de Rayonen sad – Burgas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat een beding zoals opgenomen in artikel 33, lid 2, van de algemene voorwaarden [voor de distributie en de afvoer van water van Burgas] het evenwicht tussen de uit de algemene voorwaarden voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, aangezien de opeisbaarheid van de vordering volgens deze regeling in de algemene voorwaarden en het begin van de verjaringstermijn van de vordering voor de door het waterbedrijf van de stad Burgas aan consumenten geleverde diensten alleen van het factureringsgedrag van het waterbedrijf afhangen, ook wanneer het zich niet houdt aan zijn verplichting om maandelijks een factuur uit te reiken?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
17 Volgens vaste rechtspraak is de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de gegevens voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen (arrest van 22 februari 2024, Ente Cambiano società cooperativa per azioni, C‑660/22, EU:C:2024:152, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Aangezien de verwijzingsbeslissing als basis dient voor deze procedure, moet de nationale rechter in de verwijzingsbeslissing zelf het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding uiteenzetten en de nodige uitleg verstrekken over de redenen voor de keuze van de bepalingen van het Unierecht waarvan hij om uitlegging verzoekt en over het verband tussen die bepalingen en de nationale wettelijke regeling die van toepassing is op het bij hem aanhangige geding (arrest van 22 februari 2024, Ente Cambiano società cooperativa per azioni, C‑660/22, EU:C:2024:152, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 Daarnaast rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken. Derhalve kan het Hof een verzoek van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het probleem hypothetisch is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C‑292/23, EU:C:2025:255, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
20 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een beding in de algemene voorwaarden van een overeenkomst waarin is bepaald dat de consument de verschuldigde bedragen moet betalen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de factuur is uitgereikt, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
21 Opgemerkt zij echter dat de verwijzende rechter niet heeft uiteengezet waarom de uitlegging van de in zijn prejudiciële vraag vermelde bepaling noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding.
22 Zowel uit het dossier waarover het Hof beschikt als uit de debatten ter terechtzitting voor het Hof blijkt namelijk dat het hoofdgeding betrekking heeft op de toepassing van de in artikel 33, lid 1, van de algemene voorwaarden neergelegde contractuele verplichting van de verkoper om maandelijks facturen uit te reiken. De twijfels van de verwijzende rechter hebben geen betrekking op lid 1 van dat artikel 33, maar veeleer op lid 2 ervan, zodat het voorwerp van het hoofdgeding kennelijk geen verband houdt met de gevraagde uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13.
23 Het verzoek om een prejudiciële beslissing moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.
24 Er zij evenwel aan herinnerd dat de verwijzende rechter de mogelijkheid behoudt om een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen waarbij het Hof alle gegevens worden verstrekt aan de hand waarvan het uitspraak kan doen (arrest van 22 februari 2024, Ente Cambiano società cooperativa per azioni, C‑660/22, EU:C:2024:152, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Kosten
25 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Het verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rayonen sad – Burgas (rechter in eerste aanleg Burgas, Bulgarije) bij beslissing van 24 april 2024, is niet-ontvankelijk.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.