HvJ EU 17 maart 2026, C-8/24, ECLI:EU:C:2026:210

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

17 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Verordening (EU) 2018/1805 – Artikel 1, leden 1 en 4 – Confiscatiebevel uitgevaardigd in het kader van een strafprocedure – Artikel 2, punt 2 en punt 3, onder a) en d) – Confiscatie in verband met een strafbaar feit, maar zonder definitieve veroordeling – Confiscatiebevel dat is uitgevaardigd in een vonnis tot vrijspraak, waarbij is vastgesteld dat de goederen die dienen te worden geconfisqueerd de opbrengst vormen van een ander strafbaar feit dan dat welk tot dat vonnis heeft geleid en waaraan andere personen dan de vrijgesproken beklaagden hebben deelgenomen – Geen vervolging van die personen – Artikel 19, lid 1, onder h) – Gronden voor niet-erkenning en niet-tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen – Uitzonderlijke situaties waarin er gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vervat grondrecht – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en rechten van de verdediging – Geen gebruik van effectieve rechtsmiddelen in de uitvaardigende lidstaat”

In zaak C‑8/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Visoki kazneni sud (rechter in tweede aanleg in strafzaken, Kroatië) bij beslissing van 4 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 9 januari 2024, in de strafprocedure tegen

D. d.o.o.,

in tegenwoordigheid van:

Županijsko državno odvjetništvo u Zagrebu,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. Condinanzi, F. Schalin, kamerpresidenten, S. Rodin, E. Regan (rapporteur), N. Piçarra, N. Jääskinen, D. Gratsias, B. Smulders, S. Gervasoni en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: M. Longar, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 februari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Županijsko državno odvjetništvo u Zagrebu, vertegenwoordigd door S. Blažević als gemachtigde,

– de Kroatische regering, vertegenwoordigd door G. Vidović Mesarek als gemachtigde,

– de Sloveense regering, vertegenwoordigd door A. Dežman Mušič als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Mrljić, J. Vondung en I. Zaloguin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, en artikel 2, punten 3 en 10, van verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (PB 2018, L 303, blz. 1) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een door D. d.o.o. (hierna: „vennootschap D.”), gevestigd in Kroatië, ingesteld hoger beroep ter betwisting van de erkenning en tenuitvoerlegging van een door de Sloveense autoriteiten aan de Kroatische autoriteiten toegezonden bevel tot confiscatie van aandelen van vennootschap L.Z. d.d. (hierna: „vennootschap L.Z.”), die in handen zijn van vennootschap D.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Regeling inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen

3 De overwegingen 1 tot en met 4, 11 tot en met 13, 18, 31 en 34 van verordening 2018/1805 luiden als volgt: „(1) De [Europese] Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen. (2) De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat sinds de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 algemeen beschouwd wordt als een hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie. (3) De bevriezing en de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven behoren tot de meest doeltreffende methoden om criminaliteit te bestrijden. […] (4) Aangezien criminaliteit vaak grensoverschrijdend van aard is, is een effectieve grensoverschrijdende samenwerking essentieel voor het bevriezen en confisqueren van de hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven. […] (11) Voor een doeltreffende wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen moeten de regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging van dergelijke bevelen worden vastgesteld in een juridisch bindende en rechtstreeks toepasselijke handeling van de Unie. (12) De wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen moet worden vergemakkelijkt door de lidstaten te verplichten een door een andere lidstaat in het kader van een procedure in strafzaken uitgevaardigd bevriezingsbevel of confiscatiebevel zonder verdere formaliteiten op hun grondgebied te erkennen en ten uitvoer te leggen. (13) Deze verordening dient van toepassing te zijn op alle bevriezingsbevelen en alle confiscatiebevelen die in het kader van procedures in strafzaken worden uitgevaardigd. ‚Procedures in strafzaken’ is een autonoom Unierechtelijk begrip zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, niettegenstaande de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Die term dient derhalve betrekking te hebben op alle soorten bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen die zijn uitgevaardigd naar aanleiding van procedures in verband met een strafbaar feit, dus niet alleen bevelen die vallen onder richtlijn 2014/42/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB 2014, L 127, blz. 39)], maar ook andere soorten bevelen zonder definitieve veroordeling. Hoewel dergelijke bevelen in het rechtsstelsel van een lidstaat misschien niet voorkomen, moet de betrokken lidstaat in staat zijn een dergelijk door een andere lidstaat uitgevaardigd bevel te erkennen en ten uitvoer te leggen. Procedures in strafzaken zouden ook betrekking kunnen hebben op strafrechtelijke onderzoeken door de politie en andere rechtshandhavingsinstanties. Bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen die worden uitgevaardigd in civielrechtelijke en administratieve procedures, moeten buiten het toepassingsgebied van deze verordening worden gelaten. […] (18) De procedurele rechten als vastgelegd in [richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB 2010, L 280, blz. 1), richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1), richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB 2013, L 294, blz. 1), richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), […] dienen, binnen het toepassingsgebied van die richtlijnen, van toepassing te zijn op strafprocedures die onder deze verordening vallen, wat de door die richtlijnen gebonden lidstaten betreft. In ieder geval dienen de waarborgen van het Handvest te gelden voor alle procedures die onder deze verordening vallen. Met name dienen de in het Handvest neergelegde essentiële waarborgen voor strafprocedures van toepassing te zijn op procedures in strafzaken die geen strafprocedure zijn maar die onder deze verordening vallen. […] (31) De erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel mag niet op andere dan de in deze verordening genoemde gronden worden geweigerd. […] […] (34) Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie is gebaseerd op onderling vertrouwen en de veronderstelling dat alle lidstaten zich aan het recht van de Unie houden, met name de grondrechten. In uitzonderlijke situaties, wanneer er gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, moet de uitvoerende autoriteit kunnen besluiten het betreffende bevel niet te erkennen en ten uitvoer te leggen. De in dit verband relevante grondrechten zijn met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van verdediging. Het recht op eigendom zou in beginsel niet relevant mogen zijn, daar de bevriezing en confiscatie van vermogensbestanddelen per definitie een inmenging in het recht op eigendom van een persoon inhouden en er in dit verband in het Unierecht, onder meer in de onderhavige verordening, reeds in de noodzakelijke waarborgen is voorzien.”

4 Artikel 1 van die verordening, met als opschrift „Onderwerp”, bepaalt: „1. In deze verordening worden regels vastgesteld op grond waarvan een lidstaat door een andere lidstaat in het kader van procedures in strafzaken uitgevaardigde bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen op zijn grondgebied erkent en ten uitvoer legt. 2. Deze verordening laat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en rechtsbeginselen, zoals neergelegd in artikel 6 van het VEU, onverlet. […] 4. De verordening is niet van toepassing op bevriezings‑ en confiscatiebevelen in civielrechtelijke en administratieve procedures.”

5 Artikel 2 van die verordening heeft als opschrift „Definities” en bepaalt: „In deze verordening wordt verstaan onder: 1. ‚bevriezingsbevel’: een beslissing die door een uitvaardigende autoriteit is uitgevaardigd of gevalideerd ter voorkoming van vernietiging, verwerking, verplaatsing, overdracht of vervreemding van voorwerpen met het oog op de confiscatie ervan; 2. ‚confiscatiebevel’: een onherroepelijke straf of maatregel, opgelegd door een rechtbank na een procedure in verband met een strafbaar feit, die leidt tot definitieve ontneming van voorwerpen aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon; 3. ‚voorwerpen’: goederen van enigerlei aard, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, alsmede rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die goederen blijken, die door de uitvaardigende autoriteit worden beschouwd als: a) de opbrengst van een strafbaar feit dan wel het equivalent daarvan, hetzij de volledige waarde hetzij slechts een deel van de waarde van die opbrengst; […] d) onderworpen aan confiscatie op grond van andere rechtsvoorschriften betreffende confiscatiebevoegdheden, inclusief confiscatie zonder definitieve veroordeling, van de uitvaardigende staat naar aanleiding van een procedure in verband met een strafbaar feit; […] 10. ‚getroffen persoon’: de natuurlijke of rechtspersoon tegen wie een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is uitgevaardigd, de natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van de voorwerpen waarop het bevel betrekking heeft, en eventuele derden wier rechten met betrekking tot die voorwerpen rechtstreeks worden geschaad door het bevel op grond van het recht van de uitvoerende staat.”

6 Artikel 3 van deze verordening draagt het opschrift „Strafbare feiten” en bepaalt: „1. Bevriezingsbevelen of confiscatiebevelen worden ten uitvoer gelegd zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van de feiten die ten grondslag liggen aan dergelijke bevelen, indien op die feiten in de uitvaardigende staat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaar staat en die feiten naar het recht van de uitvaardigende staat een of meer van de volgende strafbare feiten vormen: […] 9. witwassen van opbrengsten van misdrijven; […] 2. Ten aanzien van andere dan de in lid 1 bedoelde strafbare feiten kan de uitvoerende staat de erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de feiten die ten grondslag liggen aan het bevriezingsbevel of het confiscatiebevel, naar het recht van de uitvoerende staat een strafbaar feit vormen, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan volgens het recht van de uitvaardigende staat.”

7 Hoofdstuk II van verordening 2018/1805, met als opschrift „Toezending, erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen”, bevat de artikelen 4 tot en met 13 van die verordening, terwijl hoofdstuk III, met als opschrift „Toezending, erkenning en tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen” de artikelen 14 tot en met 22 van die verordening bevat.

8 Artikel 14 van verordening 2018/1805, met als opschrift „Toezending van confiscatiebevelen”, bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Een confiscatiebevel wordt toegezonden door middel van een confiscatiecertificaat. De uitvaardigende autoriteit zendt het in artikel 17 bedoelde confiscatiecertificaat rechtstreeks aan de uitvoerende autoriteit toe, of, indien van toepassing, aan de in artikel 24, lid 2, bedoelde centrale autoriteit, op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd en de echtheid van het confiscatiecertificaat door de uitvoerende autoriteit kan worden vastgesteld. 2. De lidstaten kunnen een verklaring afleggen waarin staat dat, wanneer hun een confiscatiecertificaat wordt toegezonden met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel, de uitvaardigende autoriteit, tezamen met het confiscatiebevel, het originele exemplaar van het confiscatiebevel of een gewaarmerkte kopie daarvan moet toezenden. Alleen het confiscatiecertificaat moet evenwel worden vertaald, in overeenstemming met artikel 17, lid 2.”

9 Artikel 17 van die verordening, met het opschrift „Modelcertificaat voor confiscaties”, bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Met het oog op de toezending van een confiscatiebevel, vult de uitvaardigende autoriteit het confiscatiebevel van bijlage II in, ondertekent het en verklaart de inhoud ervan voor juist. 2. De uitvaardigende autoriteit bezorgt de uitvoerende autoriteit een vertaling van het confiscatiecertificaat in een officiële taal van de uitvoerende staat of in een andere taal die de uitvoerende staat in overeenstemming met lid 3 aanvaardt.”

10 Artikel 18 van die verordening draagt het opschrift „Erkenning en tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen” en bepaalt in lid 1: „De uitvoerende autoriteit erkent een overeenkomstig artikel 14 toegezonden confiscatiebevel en neemt de voor de tenuitvoerlegging daarvan nodige maatregelen op dezelfde wijze als in het geval van een door een autoriteit van de uitvoerende staat gegeven binnenlands confiscatiebevel, tenzij de uitvoerende autoriteit een van de in artikel 19 bepaalde gronden voor weigering van erkenning en van tenuitvoerlegging inroept, dan wel een van de in artikel 21 bepaalde gronden voor uitstel.”

11 Artikel 19 van die verordening heeft als opschrift „Gronden voor niet-erkenning en niet-tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen” en bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De uitvoerende autoriteit mag slechts besluiten een confiscatiebevel niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen indien: […] c) het confiscatiecertificaat onvolledig of manifest onjuist is, en niet is aangevuld na het in lid 2 bedoelde overleg; […] h) er, in uitzonderlijke situaties, gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van verdediging. 2. In alle in lid 1 bedoelde gevallen overlegt de uitvoerende autoriteit, alvorens te besluiten dat zij een confiscatiebevel, geheel of gedeeltelijk, niet erkent of niet ten uitvoer legt, op passende wijze met de uitvaardigende autoriteit en verzoekt zij indien nodig de uitvaardigende autoriteit onverwijld alle benodigde gegevens te verstrekken.”

12 Artikel 23 van verordening 2018/1805, met als opschrift „Recht dat van toepassing is op de tenuitvoerlegging”, bepaalt in lid 1: „Op de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is het recht van de uitvoerende staat van toepassing en de autoriteiten van die staat zijn als enige bevoegd te beslissen over de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en alle daarop betrekking hebbende maatregelen.”

13 Artikel 25 van die verordening, met als opschrift „Communicatie”, bepaalt: „1. Indien nodig kunnen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit onverwijld met elk geschikt communicatiemiddel overleg plegen met het oog op de efficiënte toepassing van deze verordening. 2. Alle communicatie, met inbegrip van overleg over problemen in verband met de toezending of waarmerking van een document dat noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel, geschiedt rechtstreeks tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit of, als de lidstaat overeenkomstig artikel 24, lid 2, een centrale autoriteit heeft aangewezen, in voorkomend geval, met de betrokkenheid van die centrale autoriteit.”

14 Artikel 33 van die verordening draagt het opschrift „Rechtsmiddelen in de uitvoerende staat tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel” en bepaalt in de leden 2 en 4: „2. De materiële gronden van het bevriezingsbevel of confiscatiebevel kunnen niet worden aangevochten bij een rechtbank in de uitvoerende staat. […] 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing, in de uitvaardigende staat, van waarborgen en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 2014/42/EU.”

Regeling inzake minimumvoorschriften betreffende bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen

15 Artikel 1 van richtlijn 2014/42, met als opschrift „Onderwerp”, bepaalt in lid 1: „Bij deze richtlijn worden minimumvoorschriften vastgesteld betreffende de bevriezing van voorwerpen met het oog op een eventuele confiscatie, en betreffende de confiscatie van voorwerpen in strafzaken.”

16 Artikel 8 van die richtlijn, met als opschrift „Waarborgen”, bepaalt: „1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de personen tegen wie de in deze richtlijn bedoelde maatregelen zijn gericht, recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces, om hun rechten te kunnen handhaven. […] 6. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat elk confiscatiebevel met redenen wordt omkleed en aan de betrokkene wordt meegedeeld. De lidstaten bieden de persoon tegen wie het confiscatiebevel is gericht, daadwerkelijk de mogelijkheid om het confiscatiebevel voor een rechter te betwisten. 7. Onverminderd richtlijn 2012/13/EU en richtlijn 2013/48/EU hebben de personen wier voorwerpen zijn getroffen door een confiscatiebevel, tijdens de gehele confiscatieprocedure betreffende het bepalen van de opbrengsten en hulpmiddelen recht op toegang tot een advocaat, ter verdediging van [hun] rechten. De betrokkenen zullen ervan in kennis gesteld worden dat zij over dit recht beschikken. […]”

Regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel en inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke veroordelingen

– Kaderbesluit 2002/584

17 Artikel 1 van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1) draagt het opschrift „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel” en bepaalt in lid 3: „Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het [VEU], wordt aangetast.”

– Kaderbesluit 2008/909

18 Artikel 3 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27), met als opschrift „Doel en werking”, bepaalt in lid 4 het volgende: „Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die is neergelegd in artikel 6 van het [VEU], wordt aangetast.”

Sloveens recht

19 De artikelen 227 en 245 van de Kazenski zakonik (wetboek van strafrecht) hebben respectievelijk betrekking op het strafbare feit van benadeling van schuldeisers en van witwassen van geld.

20 Artikel 498.a van de Zakon o kazenskem postopku (wetboek van strafvordering), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „ZKP”), is als volgt verwoord: „(1) Naast de gevallen waarin de strafprocedure eindigt met een vonnis waarin de schuld van de beklaagde wordt vastgesteld, worden geld of goederen van illegale herkomst op grond van artikel 245 van het [wetboek van strafrecht] […] ook in beslag genomen: 1) indien de wettelijke bestanddelen van het strafbare feit van artikel 245 van het wetboek van strafrecht zijn bewezen die erop wijzen dat het in dat artikel bedoelde geld of in dat artikel bedoelde goederen afkomstig zijn van strafbare feiten. […] […] (2) De kamer zal na een met redenen omkleed verzoek van de openbare aanklager in deze zaak een bijzondere beschikking geven […]; eerst wint de onderzoeksrechter op verzoek van de kamer inlichtingen in en onderzoekt hij alle relevante omstandigheden om de onrechtmatige oorsprong van het geld of de goederen […] vast te stellen. (3) Een gewaarmerkte kopie van de beschikking uit het vorige lid wordt betekend aan de eigenaar van de geconfisqueerde gelden of goederen […], indien zijn identiteit bekend is. […] (4) De eigenaar van de geconfisqueerde gelden of goederen […] heeft het recht om hoger beroep in te stellen tegen de in lid 2 bedoelde beschikking, indien hij van mening is dat er geen enkele wettelijke grond is voor de confiscatie.”

21 Artikel 500 ZKP luidt: „(1) In geval van confiscatie van opbrengsten van een misdrijf die ten goede komen aan een andere begunstigde (artikelen 75, 77, 77a en 77b van het wetboek van strafrecht) moet die begunstigde worden uitgenodigd om in het kader van het vooronderzoek en ter terechtzitting te worden gehoord. Als het gaat om een rechtspersoon moet zijn vertegenwoordiger worden uitgenodigd. In de uitnodiging moet worden vermeld dat de procedure ook zal doorgaan in zijn afwezigheid. (2) De vertegenwoordiger van de rechtspersoon wordt ter terechtzitting gehoord na de beklaagde. Hetzelfde geldt voor elke andere begunstigde die niet als getuige is opgeroepen. (3) De begunstigde en de vertegenwoordiger van de rechtspersoon hebben bij het bepalen van de opbrengsten van misdrijven het recht om bewijsmateriaal over te leggen en om, met toestemming van de president van de kamer, vragen te stellen aan de beklaagde, de getuigen en de deskundigen. […] (5) Indien de rechter pas tijdens de hoofdzitting ontdekt dat confiscatie van opbrengsten van misdrijven van toepassing is, moet hij de terechtzitting schorsen en de begunstigde of de vertegenwoordiger van de rechtspersoon uitnodigen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

22 Op grond van een tenlastelegging van 29 mei 2017 heeft de Okrožno sodišče v Mariboru (rechter in eerste aanleg Maribor, Slovenië) een strafprocedure ingeleid tegen vier personen (hierna: „vier beklaagden”), die ervan werden verdacht het strafbare feit van misbruik van functie of bevoegdheden te hebben gepleegd door tussen 15 en 25 juli 2007 I.J.S. d.d. (hierna: „vennootschap I.J.S.”) een onrechtmatig vermogensvoordeel te hebben verschaft bij de aankoop van de aandelen van vennootschap L.Z.

23 In het kader van die procedure heeft die rechter ook vastgesteld dat de bestanddelen van twee andere strafbare feiten, te weten benadeling van schuldeisers van vennootschap I.J.S. en witwassen, aanwezig waren ten aanzien van andere personen dan de vier beklaagden. Dienaangaande heeft die rechter onder meer vastgesteld dat de formeel directeur van de op dat moment insolvente vennootschap I.J.S. in juni 2013, zonder daar daadwerkelijk voor te zijn betaald, aandelen van vennootschap L.Z. aan vennootschap V.K. d.o.o. had verkocht. Vervolgens heeft die laatste vennootschap in juli 2013 die aandelen aan vennootschap D. verkocht via een van haar bestuurders, om de herkomst ervan te verhullen.

24 In het kader van het strafrechtelijke vooronderzoek naar het strafbare feit van benadeling van schuldeisers van vennootschap I.J.S. heeft de Okrožno sodišče v Mariboru op 16 juni 2014 de door vennootschap D. gehouden aandelen van vennootschap L.Z. als opbrengst van dat strafbare feit bevroren. Dat bevriezingsbevel, dat aanvankelijk gold voor een periode van drie maanden vanaf de datum van de vaststelling ervan, namelijk tot en met 15 september 2014, verbood vennootschap D. om die aandelen over te boeken en stelde haar in kennis van haar recht om daartegen verzet aan te tekenen. Op verzoek van de openbaar aanklager heeft die rechter verschillende bevelen uitgevaardigd waarbij de bevriezing van die aandelen werd verlengd. Die bevelen zijn door de Kroatische autoriteiten erkend en uitgevoerd. Aangezien die aandelen wegens moeilijkheden in de erkenningsprocedure van die bevelen niet beschermd waren in de periode tussen 16 september en 20 oktober 2014, werden zij op 13 oktober 2014 evenwel overgeboekt naar trustrekeningen waarvan niet kon worden nagegaan wie de werkelijke houders waren.

25 Vennootschap D. heeft tweemaal beroep ingesteld tegen de bevriezingsbevelen. Die beroepen werden verworpen. Voorts werd haar beroep bij de Županijski sud u Zagrebu (rechter voor het district Zagreb, Kroatië), waarmee zij de erkenning en de tenuitvoerlegging van die bevelen door de Kroatische autoriteiten betwistte, verworpen. Het tegen die verwerping ingestelde hoger beroep werd eveneens verworpen.

26 Op 27 januari 2020 heeft de Okrožno sodišče v Mariboru in het kader van de in de punten 22 en 23 van dit arrest bedoelde strafprocedure Z. Z., de vertegenwoordiger van vennootschap D., gehoord. Tijdens dat verhoor heeft die rechter laatstgenoemde in kennis gesteld van de mogelijkheid dat de aandelen van vennootschap L.Z., die in handen zijn van vennootschap D. en waarop de bevriezingsbevelen betrekking hebben, werden geconfisqueerd, alsook, overeenkomstig artikel 500 ZKP, van de mogelijkheid om over een dergelijke confiscatie te worden gehoord en om bewijsmateriaal over te leggen en vragen te stellen. Z.Z. heeft verklaard dat hij op de hoogte was van die bevriezingsbevelen, dat hij van mening was dat zij niet gerechtvaardigd waren en dat hij om die reden via zijn advocaat het in het vorige punt bedoelde beroep bij de Županijski sud u Zagrebu had ingesteld om de erkenning en de tenuitvoerlegging ervan door de Kroatische autoriteiten te betwisten. Hij heeft ook verklaard dat hij in geval van confiscatie van die aandelen in hoger beroep zou gaan.

27 Op 22 mei 2020 heeft de Okrožno sodišče v Mariboru in die procedure de hoofdzitting gehouden in aanwezigheid van de openbaar aanklager, de vier beklaagden en hun advocaten. In zijn slotrede heeft de openbaar aanklager voorgesteld om die aandelen te confisqueren aangezien zij volgens hem moeten worden beschouwd als opbrengsten van strafbare feiten, te weten benadeling van schuldeisers en het witwassen van geld.

28 Voor die twee strafbare feiten is echter geen tenlastelegging opgesteld.

29 Bij vonnis van 27 mei 2020 heeft de Okrožno sodišče v Mariboru de vier beklaagden vrijgesproken van het in punt 22 van het onderhavige arrest bedoelde strafbare feit van misbruik van functie of bevoegdheden, maar heeft hij op grond van artikel 498.a, lid 1, punt 1, ZKP een confiscatiebevel uitgevaardigd met betrekking tot de door vennootschap D. aangehouden aandelen van vennootschap L.Z. (hierna: „litigieus confiscatiebevel”). Wat dit laatste betreft, wordt er in dit vonnis met name op gewezen dat uit de tijdens de onderzoeksprocedure vastgestelde feiten blijkt dat die aandelen opbrengsten van de in de punten 23 en 27 van het onderhavige arrest genoemde strafbare feiten van benadeling van schuldeisers en witwassen vormen. De openbaar aanklager heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Višje sodišče v Mariboru (rechter in tweede aanleg Maribor, Slovenië), die dit hoger beroep heeft verworpen bij arrest van 24 november 2021, waarna dit confiscatiebevel op 22 december 2021 onherroepelijk is geworden.

30 Op 17 februari 2022 heeft de Okrožno sodišče v Mariboru het in artikel 17, lid 1, van verordening 2018/1805 en in bijlage II erbij bedoelde confiscatiecertificaat afgegeven, waarin de door vennootschap D. gehouden aandelen van vennootschap L.Z. werden omschreven als „opbrengst van een strafbaar feit” in de zin van artikel 2, punt 3, onder a), van die verordening en als zijnde onderworpen aan „confiscatie zonder definitieve veroordeling […] naar aanleiding van een procedure in verband met een strafbaar feit” in de zin van artikel 2, punt 3, onder d), van die verordening.

31 Die rechter heeft dit certificaat met het oog op de erkenning en de tenuitvoerlegging van het litigieuze confiscatiebevel krachtens artikel 14, lid 1, van verordening 2018/1805 toegezonden aan de Županijsko državno odvjetništvo u Zagrebu (regionaal parket van het openbaar ministerie Zagreb, Kroatië). Dat certificaat ging vergezeld van een Kroatische vertaling van, ten eerste, uittreksels uit het in punt 29 van het onderhavige arrest genoemde vonnis van 27 mei 2020, met betrekking tot de inleiding, het dictum, het gedeelte van de motivering dat betrekking heeft op de geconfisqueerde opbrengsten, en de rechtsmiddelen, en ten tweede, van de inleiding en het dictum van het in datzelfde punt genoemde arrest van de Višje sodišče v Mariboru van 24 november 2021, waarbij het door de openbaar aanklager tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep werd verworpen.

32 Bij vonnis van 25 november 2022 heeft de Županijski sud u Zagrebu, die door de Županijsko državno odvjetništvo u Zagrebu was aangezocht, het litigieuze confiscatiebevel erkend.

33 De openbaar aanklager en D. hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Visoki kazneni sud (rechter in tweede aanleg in strafzaken, Kroatië), de verwijzende rechter.

34 Die rechter twijfelt in de eerste plaats of het goed waarop het litigieuze confiscatiebevel betrekking heeft, binnen de werkingssfeer van verordening 2018/1805 valt.

35 Dienaangaande vraagt de verwijzende rechter zich af of een strafprocedure die eindigt in vrijspraak en die leidt tot een confiscatiebevel dat is gebaseerd op constateringen met betrekking tot een ander strafbaar feit dan dat waarover dat vonnis is gewezen, dat is gepleegd door andere dan de in dat vonnis bedoelde daders en jegens wie geen vervolging is ingesteld, kan worden beschouwd als een „procedure in verband met een strafbaar feit” in de zin van artikel 2, punt 2, van verordening 2018/1805 die kan leiden tot een „confiscatie zonder definitieve veroordeling” in de zin van artikel 2, punt 3, onder d), van die verordening. Die rechter beklemtoont dat volgens de ZKP enkel in de confiscatie van een goed kan worden voorzien in het kader van een veroordeling of een beslissing waarbij wordt vastgesteld dat de betrokkene het strafbare feit heeft gepleegd waarvoor hij vervolgd wordt.

36 De verwijzende rechter vraagt zich af of de grondrechten die vennootschap D. aan het Handvest ontleent, zijn geëerbiedigd in het kader van de strafprocedure die tot de uitvaardiging van dat bevel heeft geleid.

37 Aangezien volgens artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805 de erkenning van een confiscatiebevel wegens schending van de grondrechten van de betrokkene slechts in uitzonderlijke situaties kan worden geweigerd, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, vraagt deze rechter zich af in hoeverre deze verordening, met name artikel 1, lid 2, ervan en artikel 47 van het Handvest, zich tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing kan verzetten indien blijkt dat die grondrechten zijn geschonden.

38 Ten eerste merkt de verwijzende rechter op dat Z.Z. ter terechtzitting van 27 januari 2020 voor de Okrožno sodišče v Mariboru is gehoord als vertegenwoordiger van vennootschap D. en in kennis is gesteld van de mogelijkheid van een confiscatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aandelen en van de mogelijkheid om tijdens de procedure bewijsmateriaal over te leggen en vragen te stellen. Hij zou daarentegen niet in kennis zijn gesteld van het in artikel 8, lid 7, van richtlijn 2014/42 neergelegde recht op toegang tot een advocaat gedurende de gehele confiscatieprocedure.

39 Ten tweede benadrukt die rechter dat het verzoek tot confiscatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aandelen ten tijde van die terechtzitting nog niet was ingediend, aangezien de openbaar aanklager dat verzoek tot confiscatie pas in zijn slotrede heeft geformuleerd, te weten ter terechtzitting van 22 mei 2020. De terechtzitting van de Okrožno sodišče v Mariboru was dus gebaseerd op de in 2017 opgestelde tenlastelegging.

40 Ten derde stelt de verwijzende rechter vast dat uit het in het hoofdgeding aan de orde zijnde confiscatiecertificaat blijkt dat de Okrožno sodišče v Mariboru op 13 oktober 2020 aan vennootschap D. uittreksels heeft laten betekenen uit zijn vonnis van 27 mei 2020 waarbij het litigieuze confiscatiebevel werd uitgevaardigd. Die uittreksels hadden betrekking op de inleiding, het dictum, het gedeelte van de motivering dat ziet op de geconfisqueerde opbrengsten, en de rechtsmiddelen, en gingen vergezeld van een Kroatische vertaling.

41 Dienaangaande vraagt de verwijzende rechter zich af of de volledige tekst van dit vonnis als essentieel document aan vennootschap D. had moeten worden betekend om haar een eerlijk proces te waarborgen.

42 Die rechter merkt op dat vennootschap D. betwist dat de uittreksels uit dat vonnis haar daadwerkelijk op 13 oktober 2020 zijn betekend en dat die vennootschap voorstelt dit te bewijzen door middel van de verkrijging van het certificaat waaruit blijkt dat de betekening op die datum heeft plaatsgevonden, en van een schriftexpertise. Die vennootschap verklaart dat zij pas in de loop van de maand februari 2022, na erom te hebben verzocht, een kopie van dat vonnis heeft ontvangen.

43 Ten vierde en ten slotte wijst de verwijzende rechter erop dat vennootschap D. geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis waarbij het litigieuze confiscatiebevel is uitgevaardigd.

44 In het licht van die vaststellingen vraagt de verwijzende rechter zich af wat de draagwijdte is van de verificaties die hij in het kader van het hoofdgeding moet verrichten en in welke mate hij in die context de autoriteit die het litigieuze confiscatiebevel heeft uitgevaardigd, moet raadplegen, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning en op artikel 33, lid 2, van verordening 2018/1805, waarin de materiële gronden van een dergelijk bevel niet kunnen worden aangevochten bij een rechtbank in de uitvoerende lidstaat.

45 Daarop heeft de Visoki kazneni sud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Omvat het begrip ‚procedure in verband met een strafbaar feit die kan leiden tot confiscatie van voorwerpen zonder veroordeling’ in de zin van artikel 2, punt 3, van verordening 2018/1805 ook een strafprocedure die tot vrijspraak heeft geleid? 2) Omvat het begrip ‚procedure in verband met een strafbaar feit die kan leiden tot confiscatie van voorwerpen zonder veroordeling’ in de zin van artikel 2, punt 3, van verordening 2018/1805 ook een strafprocedure die tot vrijspraak heeft geleid en waarin het vonnis een bevel bevat tot confiscatie van opbrengsten uit een ander strafbaar feit (dat wil zeggen niet het strafbare feit waarvan de beklaagden zijn vrijgesproken) waaraan niet de beklaagden hebben deelgenomen, maar personen jegens wie geen vervolging is ingesteld? 3) Is het in strijd met verordening 2018/1805, met artikel 1, lid 2, daarvan en met artikel 47 van het Handvest […] om een confiscatiebevel te erkennen dat is uitgevaardigd in een strafprocedure waarin de persoon op wie het in artikel 2, punt 10, van de verordening bedoelde bevel betrekking heeft: – niet is opgeroepen om in alle stadia van de strafprocedure deel te nemen; – niet in kennis is gesteld van het recht op toegang tot een advocaat gedurende de gehele procedure; – niet de volledige tekst van de beslissing houdende het confiscatiebevel heeft ontvangen in een taal die hij begrijpt maar enkel delen van die beslissing, en tegen de aldus betekende beslissing geen hoger beroep heeft ingesteld?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

46 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, leden 1 en 4, en artikel 2, punt 2 en punt 3, onder a) en d), van verordening 2018/1805 aldus moeten worden uitgelegd dat die verordening van toepassing is op een confiscatiebevel dat na een strafprocedure is uitgevaardigd in een vonnis waarbij de beklaagden van het strafbare feit waarop die procedure betrekking heeft, zijn vrijgesproken en waarbij is vastgesteld dat de goederen die dienen te worden geconfisqueerd de opbrengst vormen van een ander strafbaar feit dan dat van die procedure, waaraan niet de vrijgesproken beklaagden hebben deelgenomen maar een andere persoon, tegen wie geen vervolging is ingesteld.

47 Er zij aan herinnerd dat artikel 1, lid 1, van verordening 2018/1805 bepaalt dat deze verordening de regels vaststelt op grond waarvan een lidstaat door een andere lidstaat in het kader van procedures in strafzaken uitgevaardigde bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen op zijn grondgebied erkent en ten uitvoer legt. Krachtens artikel 1, lid 4, van deze verordening is deze daarentegen niet van toepassing op bevriezings‑ en confiscatiebevelen die zijn uitgevaardigd in civielrechtelijke en administratieve procedures.

48 Artikel 2, punt 2, van die verordening verduidelijkt in dit verband dat het begrip „confiscatiebevel” in de zin van die verordening ziet op een onherroepelijke straf of maatregel, opgelegd door een rechtbank na een procedure in verband met een strafbaar feit, die leidt tot definitieve ontneming van voorwerpen aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon.

49 Artikel 2, punt 3, onder a) en d), van verordening 2018/1805 definieert het begrip „voorwerpen” als, onder andere, alle goederen die volgens de uitvaardigende autoriteit de opbrengst vormen van een strafbaar feit of zijn onderworpen aan confiscatie, inclusief „confiscatie zonder definitieve veroordeling”, uit hoofde van het recht van de uitvaardigende lidstaat naar aanleiding van een procedure in verband met een strafbaar feit.

50 Uit de bewoordingen van die bepalingen blijkt aldus dat de werkingssfeer van verordening 2018/1805 alle soorten confiscatiebevelen omvat die zijn uitgevaardigd naar aanleiding van een procedure in verband met een strafbaar feit, met inbegrip van confiscatiebevelen zonder definitieve veroordeling. Zoals in overweging 13 van die verordening is vermeld, moeten de lidstaten in staat zijn om dergelijke beslissingen die krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat overeenkomstig die verordening zijn uitgevaardigd, te erkennen en ten uitvoer te leggen, hoewel dergelijke bevelen in het rechtsstelsel van de uitvoerende lidstaat misschien niet voorkomen.

51 Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 28 tot en met 36 van zijn conclusies heeft uiteengezet en zoals door alle belanghebbenden die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, is aangevoerd, verordening 2018/1805 van toepassing is op een confiscatiebevel als aan de orde in het hoofdgeding. Dit bevel is namelijk door de bevoegde nationale rechter uitgevaardigd na een strafprocedure waarin die rechter heeft geoordeeld dat de geconfisqueerde goederen de „opbrengst van een strafbaar feit” vormen in de zin van artikel 2, punt 3, onder a), van die verordening, te weten het strafbare feit van benadeling van schuldeisers en witwassen, en dat die goederen krachtens het Sloveense recht onderworpen zijn aan „confiscatie zonder definitieve veroordeling” in de zin van artikel 2, punt 3, onder d), van die verordening. In dit verband is het niet van belang dat die twee strafbare feiten niet tot een tenlastelegging hebben geleid en dat de andere personen dan degenen die aan die strafbare feiten hebben deelgenomen in het kader van die procedure zijn vrijgesproken.

52 Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 1, leden 1 en 4, en artikel 2, punt 2 en punt 3, onder a) en d), van verordening 2018/1805 aldus moeten worden uitgelegd dat die verordening van toepassing is op een confiscatiebevel dat na een strafprocedure is uitgevaardigd in een vonnis waarbij de beklaagden van het strafbare feit waarop die procedure betrekking heeft, zijn vrijgesproken en waarbij is vastgesteld dat de goederen die dienen te worden geconfisqueerd de opbrengst vormen van een ander strafbaar feit dan dat van die procedure, waaraan niet de vrijgesproken beklaagden hebben deelgenomen maar een andere persoon, tegen wie geen vervolging is ingesteld.

Derde vraag

53 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 2, van die verordening en in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de uitvoerende autoriteit van een lidstaat de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel kan weigeren wegens de vermeende schending in de uitvaardigende lidstaat van de grondrechten van de door dat bevel getroffen persoon in de zin van artikel 2, punt 10, van die verordening, op grond dat, ten eerste, die persoon niet is opgeroepen om deel te nemen aan alle fasen van de strafprocedure die tot het uitvaardigen van dat bevel heeft geleid, ten tweede, hij niet in kennis is gesteld van zijn recht op toegang tot een advocaat gedurende die gehele procedure en, ten derde, de volledige tekst van het vonnis waarbij dat bevel is uitgevaardigd hem niet is betekend in een taal die hij begrijpt, ook al heeft die persoon geen gebruikgemaakt van de rechtsmiddelen waarover hij in de uitvaardigende lidstaat beschikte om tegen dat vonnis op te komen.

Ontvankelijkheid

54 De Sloveense regering voert aan dat de derde vraag niet-ontvankelijk is omdat de mogelijke schendingen van de grondrechten die de verwijzende rechter in die vraag aan de orde stelt, niet overeenstemmen met de feiten van het hoofdgeding.

55 Er zij aan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter enkel afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C‑292/23, EU:C:2025:255, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

56 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter, bij wie een geding aanhangig is over de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel dat is uitgevaardigd naar aanleiding van een strafprocedure die in een andere lidstaat dan de Republiek Kroatië is ingeleid, met zijn derde vraag wenst te vernemen of de procedure die tot de uitvaardiging van dat bevel heeft geleid, is aangetast door schendingen van de grondrechten van de betrokkene die op grond van artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805 de weigering van erkenning en tenuitvoerlegging van dat bevel zouden kunnen rechtvaardigen.

57 In die omstandigheden, en aangezien het enkel aan die rechter staat om de juistheid na te gaan van de feitelijke omstandigheden waarnaar hij in zijn vraag verwijst wat eventuele dergelijke schendingen betreft, kan niet worden geoordeeld dat de uitlegging van het Unierecht waar die rechter met die vraag om verzoekt, kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het bij hem aanhangige hoofdgeding, of dat die vraag van hypothetische aard is.

58 Bijgevolg is de derde vraag ontvankelijk.

Ten gronde

59 Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat met name uit artikel 1, lid 1, van verordening 2018/1805, gelezen in het licht van de overwegingen 1 tot en met 4, 11 en 12 van die verordening, blijkt dat aangezien de bevriezing en de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven tot de meest doeltreffende methoden behoren om criminaliteit te bestrijden en aangezien de vaak grensoverschrijdende aard van criminaliteit vereist dat wordt gezorgd voor een effectieve grensoverschrijdende samenwerking op dit gebied, die verordening tot doel heeft regels in te voeren die lidstaten verplichten om door een andere lidstaat in het kader van strafprocedures uitgevaardigde bevriezingsbevelen of confiscatiebevelen te erkennen. Dit mechanisme is gebaseerd op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat de „hoeksteen” vormt van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten in strafzaken, en heeft tot doel bij te dragen tot de handhaving en ontwikkeling van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht door deze samenwerking te versterken.

60 In het bijzonder is een lidstaat overeenkomstig het aan de opzet van verordening 2018/1805 ten grondslag liggende beginsel van wederzijdse erkenning, op grond van artikel 18, lid 1, van die verordening, gelezen in het licht van de overwegingen 12 en 31, in beginsel verplicht om door een andere lidstaat uitgevaardigde confiscatiebevelen die hem overeenkomstig artikel 14 van die verordening zijn toegezonden zonder verdere formaliteiten te erkennen en voor de tenuitvoerlegging daarvan nodige maatregelen te nemen op dezelfde wijze als bij binnenlandse confiscatiebevelen, behalve in de gevallen die uitdrukkelijk zijn opgenomen in die verordening en, met name in artikel 19 ervan, dat de gronden bevat op basis waarvan een lidstaat kan besluiten een confiscatiebevel niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen.

61 Een van de gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging is die waarin artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805 voorziet. Volgens die bepaling kan de uitvoerende autoriteit besluiten de erkenning en tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat uitgevaardigd confiscatiebevel te weigeren, wanneer er, in uitzonderlijke situaties, gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van dat bevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van de verdediging.

62 Hieruit volgt dat de Uniewetgever met artikel 19, lid 1, onder h), heeft voorzien in een specifieke grond voor weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel, die ertoe strekt de eerbiediging van de in het Handvest verankerde grondrechten te waarborgen en uitvoering geeft aan artikel 1, lid 2, van die verordening, volgens hetwelk die verordening de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en rechtsbeginselen, zoals neergelegd in artikel 6 van het VEU, onverlet laat.

63 In dat verband blijkt uit de bewoordingen van artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805, die ook in overweging 34 van die verordening zijn overgenomen, dat die bepaling verwijst naar het risico dat de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel „in de bijzondere omstandigheden van het geval” leidt tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht.

64 Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie heeft opgemerkt, en zoals de Europese Commissie ook ter terechtzitting voor het Hof heeft aangevoerd, heeft de Uniewetgever met de invoering van die specifieke grond voor weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel wegens schending van grondrechten derhalve willen vereisen dat de uitvoerende autoriteit van de betrokken lidstaat uitsluitend een op het betrokken geval afgestemd onderzoek verricht naar het bestaan van een risico van een dergelijke manifeste schending van een grondrecht.

65 Met name vereist artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805 niet dat een dergelijk op het betrokken geval afgestemd onderzoek wordt voorafgegaan door de vaststelling van de uitvoerende autoriteit van de betrokken lidstaat dat er in de uitvaardigende lidstaat sprake is van hetzij structurele of fundamentele tekortkomingen, hetzij tekortkomingen die meer specifiek een objectief identificeerbare groep personen raken. Die vaststelling is daarentegen door het Hof vereist in het kader van de tweestappentoets, die in beginsel in de context van de kaderbesluiten 2002/584 en 2008/909 moet verlopen om in een procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel en een procedure voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling te beoordelen of er een reëel risico bestaat op schending van de door de artikelen 4, 7, 24 en 47 van het Handvest gewaarborgde grondrechten (zie in die zin met name arresten van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 88‑94; 9 november 2023, Staatsanwaltschaft Aachen, C‑819/21, EU:C:2023:841, punten 25‑30, en 29 juli 2024, Alchaster, C‑202/24, EU:C:2024:649, punten 52‑54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 Die tweestappentoets vloeit, wanneer er geen sprake is van een specifieke grond voor weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging wegens schending van de door de Uniewetgever neergelegde grondrechten, voort uit de uitlegging van de algemene bepaling van respectievelijk artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 en artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909, die overeenstemmen met het in punt 62 van het onderhavige arrest aangehaalde artikel 1, lid 2, van verordening 2018/1805.

67 Vastgesteld moet worden dat de Uniewetgever er met artikel 19, lid 1, onder h), van die verordening expliciet voor heeft gekozen om wat de regeling voor de erkenning en tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen betreft, die algemene bepaling te concretiseren met een dergelijke specifieke grond voor erkenning en tenuitvoerlegging die op eigen onderzoeksmethoden berust en die uitsluitend vereist dat per geval wordt onderzocht of er een risico op een manifeste schending van grondrechten bestaat.

68 In het kader van een op het betrokken geval afgestemd onderzoek zou het bestaan van tekortkomingen wat betreft de naleving in de uitvaardigende lidstaat van de door het Handvest neergelegde grondrechten – hetzij structurele of fundamentele tekortkomingen, hetzij tekortkomingen die meer specifiek een objectief identificeerbare groep personen raken – in voorkomend geval weliswaar kunnen leiden tot de vaststelling dat er een risico op een manifeste schending van die rechten bestaat, maar dat neemt niet weg dat de uitvoerende autoriteit van een lidstaat niet verplicht is om de in punt 65 van het onderhavige arrest vermelde tweestappentoets te verrichten om de in artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805 bedoelde specifieke grond voor weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel te kunnen aanvoeren.

69 Evenwel zij opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft gedaan, die bepaling, door de daarin genoemde grond voor weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging te beperken tot „uitzonderlijke situaties” en door het bewijs te vereisen dat er „gegronde redenen” zijn om op basis van „specifieke en objectieve gegevens” aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel zou leiden tot een „manifeste schending” van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, strikte voorwaarden stelt en vereist dat er sprake is van een ernstige schending.

70 Een dergelijke grond voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging moet, aangezien deze een uitzondering vormt op de beginselen van erkenning en wederzijds vertrouwen, waarop het stelsel van justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten is gebaseerd, strikt worden uitgelegd [zie naar analogie arrest van 21 december 2023, GN (Weigeringsgrond gebaseerd op het belang van het kind), C‑261/22, EU:C:2023:1017, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

71 In casu vraagt de verwijzende rechter zich af of de grondrechten van de door het litigieuze confiscatiebevel getroffen persoon in de uitvaardigende lidstaat zijn geëerbiedigd omdat die persoon niet is opgeroepen om deel te nemen aan alle fasen van de strafprocedure die tot het uitvaardigen van dat bevel hebben geleid, dat hij niet in kennis is gesteld van zijn recht op toegang tot een advocaat gedurende die gehele procedure en de volledige tekst van het vonnis waarbij dat bevel is uitgevaardigd hem niet is betekend in een taal die hij begrijpt.

72 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat richtlijn 2014/42 de lidstaten met name verplicht, zoals uit artikel 1, lid 1, van die richtlijn blijkt, om gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen voor de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten die verkregen zijn in verband met strafbare feiten, teneinde met name de wederzijdse erkenning van in het kader van strafprocedures gegeven rechterlijke beslissingen tot confiscatie te vergemakkelijken (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, 1Dream e.a., C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23, EU:C:2024:823, punten 72 en 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73 Zo verplicht artikel 8, lid 1, van die richtlijn de lidstaten om de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de personen tegen wie de in die richtlijn bedoelde maatregelen zijn gericht, die volgens de rechtspraak van het Hof niet alleen diegenen zijn die schuldig zijn bevonden aan een strafbaar feit, maar ook derden wier voorwerpen zijn getroffen door een confiscatiebevel (arrest van 21 oktober 2021, Okrazhna prokuratura – Varna, C‑845/19 en C‑863/19, EU:C:2021:864, punt 76), recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces om hun rechten te kunnen handhaven.

74 In het bijzonder moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 8, lid 6, van richtlijn 2014/42 de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat elk confiscatiebevel met redenen wordt omkleed en aan de betrokkene wordt meegedeeld. Zij moeten de persoon tegen wie het confiscatiebevel is gericht ook daadwerkelijk de mogelijkheid bieden om dat bevel voor een rechter aan te vechten. Voorts bepaalt artikel 8, lid 7, van die richtlijn dat personen wier voorwerpen zijn getroffen door dat bevel, onverminderd de richtlijnen 2012/13 en 2013/48, gedurende de gehele confiscatieprocedure betreffende het bepalen van de opbrengsten en hulpmiddelen recht hebben op toegang tot een advocaat ter verdediging van hun rechten, en dat de betrokkenen ervan in kennis zullen worden gesteld dat zij over dat recht beschikken.

75 Bovendien blijkt uit overweging 18 van verordening 2018/1805 dat de procedurele rechten die door verschillende andere in die overweging genoemde richtlijnen worden gewaarborgd, van toepassing zijn op strafprocedures die onder die verordening vallen, wat de door die richtlijnen gebonden lidstaten betreft.

76 Ongeacht de grenzen van de werkingssfeer van de in de punten 72 en 75 van het onderhavige arrest genoemde handelingen van afgeleid recht moeten de waarborgen van het Handvest in ieder geval gelden voor alle procedures die onder verordening 2018/1805 vallen, zoals ook in overweging 18 van die verordening wordt benadrukt.

77 Zo zijn de lidstaten verplicht om de door het Handvest gewaarborgde grondrechten in acht te nemen wanneer zij beslissen op een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel overeenkomstig verordening 2018/1805, aangezien zij daarmee het Unierecht ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.

78 Tot die grondrechten behoren in het bijzonder het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, dat uit verschillende onderdelen bestaat, waaronder met name de rechten van de verdediging, het beginsel van „equality of arms”, het recht op toegang tot de rechter en het recht om zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen (arrest van 26 juli 2017, Sacko, C‑348/16, EU:C:2017:591, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van de verdediging worden uitdrukkelijk genoemd in artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805.

79 Volgens vaste rechtspraak is de waarborging van die grondrechten in het kader van de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de uitvaardigende lidstaat (zie naar analogie arrest van 29 juli 2024, Breian, C‑318/24 PPU, EU:C:2024:658, punten 32 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80 Bijgevolg kan de door een confiscatiebevel getroffen persoon, zoals de advocaat-generaal in punt 93 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, wanneer hij geen gebruik heeft gemaakt van de in de uitvaardigende lidstaat beschikbare rechtsmiddelen, niet worden geacht zich te bevinden in een uitzonderlijke situatie die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van specifieke en objectieve gegevens die gegronde redenen kunnen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van dat bevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een in het Handvest neergelegd grondrecht in de zin van artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805, tenzij hij kan aantonen dat bijzondere omstandigheden het voor die persoon onmogelijk of op zijn minst uiterst moeilijk hebben gemaakt om die rechtsmiddelen aan te wenden, of zelfs dat die omstandigheden de doeltreffendheid ervan aantastten.

81 In casu blijkt uit de gegevens in de verwijzingsbeslissing om te beginnen dat artikel 500 ZKP bepaalt dat een rechtspersoon in geval van confiscatiemaatregelen het recht heeft om via zijn vertegenwoordiger te worden gehoord, zowel tijdens het vooronderzoek als tijdens de hoofdzitting, en dat deze vertegenwoordiger het recht heeft om bewijs te leveren en vragen te stellen. Voorts is in artikel 498.a, leden 3 en 4, ZKP bepaald dat een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de in dat artikel bedoelde beschikking aan de eigenaar van de geconfisqueerde gelden of goederen wordt betekend indien zijn identiteit bekend is, en dat die eigenaar tegen dat beroep hoger beroep kan instellen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat vennootschap D. via haar advocaat beroep heeft ingesteld tegen de jegens haar uitgevaardigde bevriezingsbevelen maar dat zij daarentegen geen gebruik heeft gemaakt van de rechtsmiddelen waarin de wetgeving van de uitvaardigende lidstaat voorziet om het litigieuze confiscatiebevel aan te vechten.

82 In die omstandigheden en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties kan een rechtspersoon als vennootschap D., zoals de advocaat-generaal in punt 92 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zich in het stadium van de erkenning en tenuitvoerlegging van een op hem betrekking hebbend confiscatiebevel slechts beroepen op de in punt 53 van het onderhavige arrest vermelde vermeende schending van zijn grondrechten tijdens de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van die beslissing in de uitvaardigende lidstaat, door zich te beroepen op de in artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805 genoemde grond voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging, indien hij kan aantonen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die het voor die persoon onmogelijk of op zijn minst uiterst moeilijk hebben gemaakt om die rechtsmiddelen aan te wenden, waardoor de doeltreffendheid ervan wordt aangetast.

83 Zoals in de punten 41, 42 en 44 van het onderhavige arrest is opgemerkt, blijkt in dat verband uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter zich afvraagt of de volledige tekst van het vonnis van de Okrožno sodišče v Mariboru van 27 mei 2020 waarbij het litigieuze confiscatiebevel werd uitgevaardigd aan vennootschap D. had moeten worden betekend om haar een eerlijk proces te waarborgen. Aangezien vennootschap D. in het kader van het hoofdgeding betwist dat de uittreksels uit dat vonnis en informatie over de rechtsmiddelen in de uitvaardigende lidstaat, haar daadwerkelijk op 13 oktober 2020 zijn betekend, vraagt die rechter zich voorts af of hij kan nagaan of die betekening daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en of hij in die omstandigheden de uitvaardigende autoriteit moet raadplegen.

84 Volgens vaste rechtspraak vereist de eerbiediging van het recht op effectieve rechterlijke bescherming niet alleen dat wordt gewaarborgd dat beslissingen daadwerkelijk en snel worden ontvangen, dat wil zeggen ter kennis worden gebracht van degenen tot wie zij zijn gericht, maar ook dat een dergelijke kennisgeving hen in staat stelt nauwkeurig kennis te nemen van de gronden waarop de jegens hen genomen beslissing is gebaseerd, alsook van de rechtsmiddelen die tegen een dergelijke beslissing openstaan en de daartoe gestelde termijn, zodat zij in staat zijn hun rechten op doeltreffende wijze te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of het zinvol is deze beslissing in rechte aan te vechten (arrest van 6 oktober 2021, Prokuratura Rejonowa Łódź-Bałuty, C‑338/20, EU:C:2021:805, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat, zoals in punt 40 van het onderhavige arrest is vermeld, het in het hoofdgeding aan de orde zijnde confiscatiecertificaat, dat door de uitvaardigende autoriteit overeenkomstig artikel 14, lid 1, van verordening 2018/1805 is toegezonden, de vermelding bevat dat de uittreksels uit het vonnis houdende het litigieuze confiscatiebevel zijn betekend die betrekking hebben op de inleiding, het dictum, het gedeelte van de motivering dat betrekking heeft op de geconfisqueerde opbrengsten, en de rechtsmiddelen, vergezeld van een Kroatische vertaling.

86 De betekening van die uittreksels uit het vonnis waarbij het litigieuze confiscatiebevel werd uitgevaardigd, mits deze aan vennootschap D. is gedaan, lijkt in beginsel die vennootschap in staat te stellen daadwerkelijk gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover zij in de uitvaardigende lidstaat beschikte om de vermeende schending van haar grondrechten aan te voeren die de procedure heeft aangetast die tot de uitvaardiging van dat bevel heeft geleid. Zoals blijkt uit de punten 22 tot en met 29 van dit arrest, was het confiscatiebevel immers gebaseerd op andere strafbare feiten dan die waarvoor de vier betrokken beklaagden bij dat vonnis zijn vrijgesproken. In zoverre lijkt de betekening aan vennootschap D. van delen van dat vonnis met betrekking tot dat laatste strafbare feit en die vrijspraak niet onontbeerlijk te zijn voor de daadwerkelijke uitoefening van die rechtsmiddelen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

87 Wat betreft het feit dat vennootschap D. voor de verwijzende rechter betwist dat die betekening daadwerkelijk is gedaan, zij opgemerkt dat, aangezien het confiscatiecertificaat bedoeld is om de wederzijdse erkenning van confiscatiebevelen te vergemakkelijken en rekening houdend met het wederzijdse vertrouwen dat tussen de gerechten van de lidstaten moet bestaan, de uitvoerende autoriteit moest afgaan op de gegevens in dat certificaat bij gebrek aan voldoende specifieke en objectieve gegevens die de geloofwaardigheid ervan in twijfel kunnen trekken (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Breian, C‑318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88 Indien de verwijzende rechter op basis van specifieke en objectieve gegevens en niettegenstaande de gegevens in een dergelijk certificaat zou twijfelen of het litigieuze confiscatiebevel werd betekend, of meer in het algemeen, of de grondrechten van de betrokkene werden geëerbiedigd tijdens de procedure die tot de uitvaardiging van dat bevel heeft geleid, is hij hoe dan ook overeenkomstig artikel 19, lid 2, van verordening 2018/1805 verplicht om, alvorens te besluiten dat bevel geheel of gedeeltelijk niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen op grond van artikel 19, lid 1, onder h), van die verordening, de uitvaardigende autoriteit te raadplegen en haar in voorkomend geval te verzoeken onverwijld alle nodige informatie te verstrekken om te kunnen bepalen of die twijfel gegrond is.

89 In dit verband moet nog worden opgemerkt dat de Commissie ter terechtzitting voor het Hof heeft aangevoerd dat zij na raadpleging van het nationale dossier van het hoofdgeding heeft vastgesteld dat bepaalde delen van het vonnis waarbij het litigieuze confiscatiebevel is uitgevaardigd, onleesbaar waren wegens de slechte kwaliteit van het drukwerk.

90 Dienaangaande zij er volledigheidshalve aan herinnerd dat de uitvoerende autoriteit van een lidstaat krachtens artikel 19, lid 1, onder c), van verordening 2018/1805 ook kan beslissen om een confiscatiebevel niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen wanneer het in artikel 17 van en in bijlage II bij die verordening bedoelde confiscatiecertificaat onvolledig of manifest onjuist is, en niet is aangevuld na het in artikel 19, lid 2, bedoelde overleg.

91 Het is juist dat dit confiscatiecertificaat overeenkomstig artikel 14, lid 1, van verordening 2018/1805 in beginsel weliswaar het middel vormt waarmee de uitvaardigende autoriteit elk confiscatiebevel aan de uitvoerende autoriteit moet toezenden met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging van dat bevel.

92 Lidstaten kunnen krachtens artikel 14, lid 2, van verordening 2018/1805 echter een verklaring afleggen waarin staat dat wanneer hun een dergelijk certificaat is toegezonden voor die doeleinden, de uitvaardigende autoriteit tezamen met dat certificaat het originele exemplaar van het confiscatiebevel of een gewaarmerkte kopie daarvan moet toezenden. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Kroatië een dergelijke verklaring heeft afgelegd.

93 Aangezien artikel 18, lid 1, van die verordening de erkenning en tenuitvoerlegging van elk confiscatiebevel verplicht, mits deze „overeenkomstig artikel 14” van die verordening is toegezonden, kan de onleesbaarheid van de tekst van het vonnis waarbij het originele exemplaar van het confiscatiebevel is uitgevaardigd of de gewaarmerkte kopie daarvan in een dergelijk geval onder artikel 19, lid 1, onder c), van die verordening vallen.

94 Zoals blijkt uit de bewoordingen van die laatste bepaling en zoals in punt 88 van het onderhavige arrest is opgemerkt, moet de uitvoerende autoriteit overeenkomstig artikel 19, lid 2, van verordening 2018/1805 echter, alvorens te besluiten de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel te weigeren, de uitvaardigende autoriteit raadplegen opdat deze haar een leesbare versie van het originele exemplaar van het confiscatiebevel of de gewaarmerkte kopie daarvan toezendt. Die verplichting tot raadpleging vloeit ook voort uit artikel 25 van die verordening, waarvan lid 1 bepaalt dat de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit indien nodig onverwijld met elk geschikt communicatiemiddel met elkaar overleg plegen met het oog op de efficiënte toepassing van deze verordening, en waarvan lid 2 specifiek ziet op problemen in verband met de toezending of waarmerking van een document dat noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel.

95 Alleen wanneer de uitvaardigende autoriteit niet binnen een redelijke termijn een leesbare versie van het originele exemplaar van het confiscatiebevel of de gewaarmerkte kopie daarvan heeft toegezonden, kan de uitvoerende autoriteit dus weigeren om het betrokken confiscatiebevel te erkennen en ten uitvoer te leggen wegens de in artikel 19, lid 1, onder c), van verordening 2018/1805 genoemde grond.

96 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 2, van die verordening en in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de uitvoerende autoriteit van een lidstaat de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel niet kan weigeren op grond van de vermeende schending in de uitvaardigende lidstaat van de grondrechten van de door dat bevel getroffen persoon in de zin van artikel 2, punt 10, van die verordening, wanneer die persoon, nadat de delen van het vonnis waarbij dat bevel is uitgevaardigd, die hem voldoende in staat stellen beroep in te stellen tegen dat bevel, hem daadwerkelijk werden betekend in een taal die hij begrijpt, geen gebruik heeft gemaakt van de rechtsmiddelen waarover hij in de uitvaardigende lidstaat beschikte om tegen dat confiscatiebevel op te komen.

Kosten

97 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 1, leden 1 en 4, en artikel 2, punt 2 en punt 3, onder a) en d), van verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen moeten aldus worden uitgelegd dat die verordening van toepassing is op een confiscatiebevel dat na een strafprocedure is uitgevaardigd in een vonnis waarbij de beklaagden van het strafbare feit waarop die procedure betrekking heeft, zijn vrijgesproken en waarbij is vastgesteld dat de goederen die dienen te worden geconfisqueerd de opbrengst vormen van een ander strafbaar feit dan dat van die procedure, waaraan niet de vrijgesproken beklaagden hebben deelgenomen maar een andere persoon, tegen wie geen vervolging is ingesteld.

2) Artikel 19, lid 1, onder h), van verordening 2018/1805, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 2, van die verordening en in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat de uitvoerende autoriteit van een lidstaat de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel niet kan weigeren op grond van de vermeende schending in de uitvaardigende lidstaat van de grondrechten van de door dat bevel getroffen persoon in de zin van artikel 2, punt 10, van die verordening, wanneer die persoon, nadat de delen van het vonnis waarbij dat bevel is uitgevaardigd, die hem voldoende in staat stellen beroep in te stellen tegen dat bevel, hem daadwerkelijk werden betekend in een taal die hij begrijpt, geen gebruik heeft gemaakt van de rechtsmiddelen waarover hij in de uitvaardigende lidstaat beschikte om tegen dat confiscatiebevel op te komen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Kroatisch.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in