HvJ EU 15 januari 2026, C-129/24, ECLI:EU:C:2026:5
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
15 januari 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Milieu – Verdrag van Aarhus – Richtlijn 2003/4/EG – Toegang van het publiek tot milieu-informatie – Begrippen ‚aanvrager’ en ‚verzoek’ – Anonieme aanvragers of aanvragers die een pseudoniem gebruiken – Recht op toegang tot milieu-informatie – Praktische regelingen – Vereiste dat aanvragers hun echte naam en een actueel fysiek adres verstrekken – Ongeldigheid van het verzoek”
In zaak C‑129/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) bij beslissing van 24 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 16 februari 2024, in de procedure
Coillte Cuideachta Ghníomhaíochta Ainmnithe
tegen
Commissioner for Environmental Information,
in tegenwoordigheid van:
Doe, onbekende persoon/personen alias John en/of Jane Doe,
Ierland,
Attorney General,
Right to Know CLG,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer (rapporteur), E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Coillte Cuideachta Ghníomhaíochta Ainmnithe, vertegenwoordigd door B. Kennedy, SC, J. Kenny, BL, C. McLoughlin en N. Michel, solicitors,
– Commissioner for Environmental Information, vertegenwoordigd door D. Fennelly, BL, en G. Fitzgerald, solicitor,
– Right to Know CLG, vertegenwoordigd door F. Logue, solicitor,
– Ierland en de Attorney General, vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, A. Burke, A. Joyce en H. McGuire als gemachtigden, bijgestaan door C. Donnelly, SC, en A. Carroll, BL,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Langrová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door M. Di Benedetto, avvocato dello stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Milanowska en M. Noll-Ehlers als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 maart 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 5, artikel 3, lid 1, artikel 3, lid 5, onder c), artikel 4, lid 1, onder b), en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB 2003, L 41, blz. 26), gelezen in het licht van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 (PB 2005, L 124, blz. 1; hierna: „Verdrag van Aarhus”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Coillte Cuideachta Ghníomhaíochta Ainmnithe (hierna: „Coillte”), een commercieel bosbouwbedrijf dat gedeeltelijk eigendom is van de Ierse Staat, en de Commissioner for Environmental Information (commissaris voor milieu-informatie, Ierland; hierna: „commissaris”) over een beslissing van laatstgenoemde waarin wordt vastgesteld dat Coillte verschillende verzoeken om toegang tot milieu-informatie ten onrechte als ongeldig heeft aangemerkt.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3 Artikel 2 („Begripsomschrijvingen”) van het Verdrag van Aarhus bepaalt in de aanhef en de punten 4 en 5: „Voor de toepassing van dit verdrag, […] „4. wordt onder ‚het publiek’ verstaan een of meer natuurlijke of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen; 5. wordt onder ‚het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.”
4 Artikel 3 („Algemene bepalingen”) van dit verdrag bepaalt in lid 8: „Elke partij waarborgt dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen.”
5 Artikel 4 („Toegang tot milieu-informatie”) van dit verdrag luidt: „1. Elke partij waarborgt dat, met inachtneming van de volgende leden van dit artikel, overheidsinstanties, in antwoord op een verzoek om milieu-informatie, deze informatie beschikbaar stellen aan het publiek, binnen het kader van de nationale wetgeving, waaronder, desgevraagd en behoudens het navolgende onder b), afschriften van de feitelijke documentatie die deze informatie bevat of omvat: a) zonder dat een bepaald belang behoeft te worden gesteld; b) in de verzochte vorm, tenzij: i) het voor de overheidsinstantie redelijk is dit in een andere vorm beschikbaar te stellen, in welk geval het beschikbaar stellen in die vorm met redenen wordt omkleed; of ii) de informatie al voor het publiek beschikbaar is in een andere vorm. 2. De milieu-informatie bedoeld in het bovenstaande lid 1 wordt zo spoedig mogelijk beschikbaar gesteld en uiterlijk binnen een maand nadat het verzoek is ingediend, tenzij de omvang en de ingewikkeldheid van de informatie een verlenging van deze termijn rechtvaardigen tot ten hoogste twee maanden na het verzoek. De verzoeker wordt ingelicht over elke verlenging en over de redenen die deze rechtvaardigen. 3. Een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd indien: […] b) het verzoek kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze is geformuleerd; […] […]”
6 Artikel 6, leden 1 en 2, van het Verdrag van Aarhus bepaalt het toepassingsgebied van de regels inzake inspraak van het publiek bij beslissingen over bepaalde activiteiten en de inhoud van milieu-informatie die aan het begin van de besluitvorming wordt verstrekt.
Unierecht
7 In de overwegingen 8 en 15 van richtlijn 2003/4 is het volgende opgenomen: „(8) Er moet voor worden gezorgd dat alle natuurlijke en rechtspersonen recht hebben op toegang tot milieu-informatie waarover overheidsinstanties beschikken of die voor hen wordt beheerd, zonder dat zij daarvoor een belang moeten aanvoeren. […] (15) De lidstaten dienen praktische regelingen vast te stellen om deze informatie daadwerkelijk beschikbaar te stellen. Deze regelingen dienen ervoor te zorgen dat de informatie daadwerkelijk en gemakkelijk toegankelijk is en geleidelijk beschikbaar wordt gesteld aan het publiek door middel van openbare telecommunicatienetwerken, met inbegrip van openbaar toegankelijke lijsten van overheidsinstanties alsmede registers of lijsten van milieu-informatie waarover overheidsinstanties beschikken of die voor hen worden beheerd.”
8 Artikel 1 („Doel”) van deze richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn heeft ten doel: a) recht van toegang te garanderen tot milieu-informatie waarover overheidsinstanties beschikken of die voor hen wordt beheerd, en de voorwaarden, grondregels en praktische regelingen voor de uitoefening van dat recht vast te stellen, en b) te waarborgen dat, als regel, milieu-informatie geleidelijk aan het publiek beschikbaar wordt gesteld en onder het publiek wordt verspreid, om aldus te bereiken dat deze informatie op de breedst mogelijke basis systematisch aan het publiek beschikbaar wordt gesteld en onder het publiek wordt verspreid. Te dien einde wordt het gebruik van met name computertelecommunicatie en/of elektronische technologie, voor zover beschikbaar, bevorderd.”
9 Artikel 2 („Definities”) van die richtlijn is geformuleerd als volgt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] 5. ‚aanvrager’: elke natuurlijke of rechtspersoon die om milieu-informatie verzoekt; 6. ‚publiek’: een of meer natuurlijke of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen.”
10 Artikel 3 („Toegang tot milieu-informatie op verzoek”) van die richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat de overheidsinstanties, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn, ertoe gehouden zijn de milieu-informatie waarover zij beschikken, of die voor hen wordt beheerd, aan elke aanvrager op verzoek beschikbaar te stellen, zonder dat deze daarvoor een belang hoeft aan te voeren. […] 5. Voor de toepassing van dit artikel zorgen de lidstaten ervoor dat: […] c) er praktische regelingen worden getroffen om te garanderen dat het recht op toegang tot milieu-informatie daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, zoals: – het benoemen van voorlichtingsambtenaren; – het opzetten en onderhouden van voorzieningen om de gevraagde informatie te onderzoeken; – het voorhanden zijn van registers of lijsten van de milieu-informatie waarover overheidsinstanties en voorlichtingspunten beschikken, met duidelijke gegevens over de plaats waar deze informatie te vinden is. […]”
11 Artikel 4 („Uitzonderingen”) van richtlijn 2003/4 luidt: „1. De lidstaten kunnen bepalen dat een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd, indien: […] b) het verzoek kennelijk onredelijk is; […] 5. Een weigering om de verzochte informatie geheel of gedeeltelijk beschikbaar te stellen, wordt schriftelijk of via elektronische weg meegedeeld indien het een schriftelijk verzoek betreft of indien de aanvrager daarom verzoekt binnen de in artikel 3, lid 2, onder a) dan wel onder b), genoemde termijn. Deze mededeling bevat de redenen voor de weigering en informatie over de beroepsprocedure waarin overeenkomstig artikel 6 is voorzien.”
12 Artikel 6 („Toegang tot de rechter”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1: „De lidstaten waarborgen dat een aanvrager die meent dat zijn verzoek om informatie is veronachtzaamd, ten onrechte (geheel of gedeeltelijk) is geweigerd, onvoldoende is beantwoord of op een andere wijze niet is behandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, 4 of 5, toegang heeft tot een procedure waarin het handelen of nalaten van de betrokken overheidsinstantie opnieuw door die of door een andere overheidsinstantie, dan wel door een bij wet opgericht onafhankelijk en onpartijdig orgaan bestuursrechtelijk kan worden getoetst. Dit moet een snelle procedure zijn waaraan weinig of geen kosten verbonden zijn.”
Iers recht
13 De European Communities (Access to Information on the Environment) Regulations 2007‑2018 [EG-regelingen uit 2007 tot en met 2018 (toegang tot milieu-informatie)] (hierna: „TMI-regelingen”) zetten richtlijn 2003/4 om in Iers recht.
14 Artikel 6 („Verzoek om milieu-informatie”) van de TMI-regelingen bepaalt: „(1) Een verzoek om milieu-informatie – (a) wordt schriftelijk of elektronisch ingediend; (b) vermeldt dat het verzoek op grond van deze regelingen wordt ingediend; (c) vermeldt de naam, het adres en eventuele andere relevante contactgegevens van de aanvrager; […] (2) De aanvrager hoeft zijn belang bij het verzoek niet te vermelden.”
15 Artikel 12 („Beroep bij de [commissaris]”) van de TMI-regelingen bepaalt in lid 3 met name dat een aanvrager beroep kan instellen bij de commissaris wanneer een beslissing van een overheidsinstantie tot afwijzing van een verzoek om milieu-informatie, na interne herziening van die afwijzingsbeslissing, geheel of gedeeltelijk wordt bevestigd.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16 Tussen 10 maart 2022 en 7 juni 2022 heeft Coillte 130 verzoeken om toegang tot milieu-informatie ontvangen. Hiervan waren er 97 afkomstig van anonieme aanvragers of van aanvragers die een pseudoniem gebruikten – vaak geïnspireerd op filmpersonages – en waren deze verzoeken identiek of nagenoeg identiek van opmaak, zonder dat een fysiek adres was opgegeven (hierna: „anonieme of pseudonieme verzoeken”).
17 Aangezien Coillte van mening was dat de anonieme of pseudonieme verzoeken niet daadwerkelijk gericht waren op het verkrijgen van milieu-informatie, maar deel uitmaakten van een georganiseerde campagne met twijfelachtige motieven – zoals het verstoren van haar werking – vroeg zij de betrokken aanvragers om hun actueel adres te verstrekken en te bevestigen dat zij in die verzoeken hun echte, officiële naam hadden gebruikt.
18 Aangezien Coillte geen antwoord had ontvangen, heeft zij in essentie de anonieme of pseudonieme verzoeken als ongeldig afgewezen en de gevraagde milieu-informatie dus niet binnen de door de nationale regeling gestelde termijn verstrekt.
19 De betrokken aanvragers hebben Coillte vervolgens verzocht om een interne herziening van die afwijzingsbeslissingen. Coillte heeft hen opnieuw gevraagd om hun officiële naam te bevestigen en hun huidige adres op te geven. Zij benadrukte daarbij dat zij niet verwachtte dat de aanvragers de reden voor hun verzoeken om milieu-informatie zouden motiveren, en dat hun verzoeken om een interne herziening zouden worden afgewezen indien de gevraagde gegevens niet werden verstrekt.
20 Aangezien die informatie niet is verstrekt, zijn de verzoeken tot interne herziening als ongeldig afgewezen.
21 Tegen 81 van deze afwijzingsbeslissingen is tussen 13 juni en 4 juli 2022 administratief beroep ingesteld bij de commissaris. De commissaris heeft op 29 augustus 2022 een beslissing genomen over de eerste 58 afwijzingsbeslissingen, waarbij hij vaststelde dat Coillte de betrokken verzoeken om milieu-informatie niet als ongeldig had mogen aanmerken op grond van artikel 6, lid 1, onder c), van de TMI-regelingen.
22 Coillte heeft tegen die laatste beslissing beroep ingesteld bij de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland), de verwijzende rechter.
23 Deze rechter is van oordeel dat de anonieme of pseudonieme verzoeken waarschijnlijk afkomstig waren van één enkele bron of deel uitmaakten van een gecoördineerde campagne, aangezien zij plotseling en gelijktijdig zijn gestopt. Hij overweegt dat bepaalde aanvragers zich mogelijk achter anonimiteit hebben verscholen om opzettelijk de procedure voor toegang tot milieu-informatie te misbruiken, met als doel de behoorlijke werking van overheidsinstanties te verstoren. Die rechter is van oordeel dat Coillte redelijkerwijs heeft gehandeld bij de beoordeling of de betrokken verzoeken kennelijk onredelijk waren gelet op de hoeveelheid, aard en frequentie van andere verzoeken van dezelfde aanvrager. Bovendien constateert hij dat er geen aanwijzingen zijn dat de verstrekking van de echte naam en/of het actueel fysiek adres van een aanvrager er indirect toe zou kunnen leiden dat de overheidsinstantie of enige derde conclusies trekt of speculaties maakt over het eventuele belang van de aanvrager, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2003/4.
24 De verwijzende rechter merkt op dat volgens de TMI-regelingen de begrippen „naam” en „adres” verwijzen naar de echte naam van de aanvrager en het actueel fysiek adres waarop met de aanvrager contact kan worden opgenomen. Daarom betwijfelt hij in wezen of deze regelingen, zoals deze worden uitgelegd in het nationale recht, verenigbaar zijn met richtlijn 2003/4, gelezen in het licht van het Verdrag van Aarhus.
25 Tegen deze achtergrond heeft de High Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Wordt onder de term ‚verzoek’ in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2003/4 – gelezen in het licht van artikel 4, lid 1, van het [Verdrag van Aarhus] – slechts een verzoek verstaan dat geldig is in de zin van [deze] richtlijn en van de nationale omzettingsregeling van de betreffende lidstaat? 2) Wordt onder de term ‚aanvrager’ in artikel 2, punt 5, van richtlijn 2003/4 – gelezen in het licht van onder meer artikel 4, lid 1, onder b), en/of artikel 6, lid 1 en/of lid 2, en/of artikel 2, punt 5, en artikel 4, lid 1, en lid 3, onder b), van het [Verdrag van Aarhus] – een natuurlijke of rechtspersoon verstaan die op basis van zijn echte naam en/of een actueel fysiek adres wordt geïdentificeerd, en niet een anonieme persoon of een persoon die een pseudoniem gebruikt en/of een aanvrager wiens contactgegevens slechts per e-mail worden vastgesteld? 3) Indien de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord, verzet artikel 3, lid 1, en/of lid 5, onder c), van richtlijn 2003/4 – gelezen in het licht van artikel 4, lid 1, van het [Verdrag van Aarhus] – zich dan tegen een nationale regeling die een aanvrager verplicht om zijn echte naam en/of actuele fysieke adres te verstrekken voor een verzoek? 4) Indien de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord en de derde vraag bevestigend moet worden beantwoord, impliceert richtlijn 2003/4 – gelezen in het licht van artikel 4 van het [Verdrag van Aarhus] – dan dat indien een overheidsinstantie redelijkerwijs van mening is dat er op het eerste gezicht twijfel bestaat over de echtheid van de door een aanvrager verstrekte identiteitsinformatie, die overheidsinstantie de aanvrager niet mag verzoeken om bevestiging van zijn echte naam en/of een actueel fysiek adres met het oog op zijn identificatie en niet om te bepalen welk belang hij heeft, ook indien het verstrekken van de echte naam en/of het actuele fysieke adres van een aanvrager indirect kan leiden tot gevolgtrekkingen of speculaties door de overheidsinstantie of anderszins ten aanzien van het in artikel 3, lid 1, van [deze] richtlijn genoemde eventuele belang van de aanvrager? 5) Indien de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord en de derde vraag bevestigend moet worden beantwoord, impliceert artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2003/4 – gelezen in het licht van artikel 4, lid 3, onder b), van het [Verdrag van Aarhus] – dat een overheidsinstantie de aanvrager niet mag verzoeken om bevestiging van zijn echte naam en/of een actueel fysiek adres om te bepalen of een bepaald verzoek kennelijk onredelijk is gelet op de hoeveelheid, de aard en de frequentie van andere verzoeken van diezelfde aanvrager, en niet om te bepalen welk belang hij heeft, ook indien het verstrekken van de echte naam en/of het actuele fysieke adres van een aanvrager indirect kan leiden tot gevolgtrekkingen of speculaties door de overheidsinstantie of anderszins ten aanzien van het in artikel 3, lid 1, van [deze] richtlijn genoemde eventuele belang van de aanvrager?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
26 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het begrip „aanvrager” in de zin van artikel 2, punt 5, van richtlijn 2003/4, gelezen in het licht van het Verdrag van Aarhus, aldus moet worden uitgelegd dat het vereist dat een natuurlijke of rechtspersoon zich identificeert met zijn echte naam en/of een actueel fysiek adres. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord wil hij bovendien weten of deze bepaling zich dan verzet tegen een nationale regeling die een dergelijke identificatie van de aanvrager voorschrijft.
27 Volgens vaste rechtspraak vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het beginsel van gelijke behandeling als algemene regel in dat verband dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en reikwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Europese Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstelling van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie arresten van 18 januari 1984, Ekro, 327/82, EU:C:1984:11, punt 11, en 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C‑292/23, EU:C:2025:255, punt 51].
28 Wat de bewoordingen van artikel 2, punt 5, van richtlijn 2003/4 betreft, definieert deze bepaling het begrip „aanvrager” als „elke natuurlijke of rechtspersoon die om milieu-informatie verzoekt”.
29 Deze bepaling koppelt de hoedanigheid van „aanvrager” echter niet aan de identificatie – via echte naam en/of actueel fysiek adres – van de natuurlijke of rechtspersoon die om milieu-informatie verzoekt.
30 Een dergelijk vereiste vloeit evenmin voort uit de context van artikel 2, punt 5, van richtlijn 2003/4.
31 Artikel 3, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de overheidsinstanties ertoe gehouden zijn de milieu-informatie waarover zij beschikken, of die voor hen wordt beheerd, „aan elke aanvrager op verzoek beschikbaar te stellen, zonder dat deze daarvoor een belang hoeft aan te voeren”.
32 Uit deze bepaling blijkt inderdaad dat een „verzoek” om toegang tot milieu-informatie – gericht tot een overheidsinstantie die over deze informatie beschikt, of die voor haar wordt beheerd – slechts geldig is wanneer dat verzoek wordt ingediend door een „aanvrager”. Zoals in punt 28 van dit arrest in herinnering is gebracht, omvat dat begrip „elke natuurlijke of rechtspersoon die om milieu-informatie verzoekt”. Die bepaling voorziet evenwel niet in een verplichting voor de betrokken aanvrager om bij een dergelijk verzoek zijn echte naam en/of een actueel fysiek adres te verstrekken en bijgevolg ook niet in een verplichting voor de lidstaten om dergelijke gegevens op te vragen.
33 Dat richtlijn 2003/4 de lidstaten niet verplicht om de echte naam en/of het actuele fysieke adres van de betrokken aanvrager op te vragen, wordt niet door de doelstellingen van die richtlijn – zoals neergelegd in artikel 1 – tenietgedaan. Die doelstellingen bestaan erin om het recht van toegang te garanderen tot milieu-informatie waarover overheidsinstanties beschikken of die voor hen wordt beheerd, en de voorwaarden, grondregels en praktische regelingen voor de uitoefening van dat recht vast te stellen, alsook te waarborgen dat, als regel, milieu-informatie geleidelijk aan het publiek beschikbaar wordt gesteld en onder het publiek wordt verspreid, om aldus te bereiken dat deze informatie op de breedst mogelijke basis systematisch aan het publiek beschikbaar wordt gesteld en onder het publiek wordt verspreid.
34 Dat er geen verplichting bestaat voor de lidstaten om de echte naam en/of het actuele fysieke adres van de betrokken aanvrager te vragen, doet evenmin afbreuk aan de doelstelling van die richtlijn om het verdrag van Aarhus in Unierecht om te zetten door te dien einde een algemene regeling in te voeren die ervoor moet zorgen dat elke aanvrager recht heeft op toegang tot milieu-informatie waarover overheidsinstanties beschikken of die voor rekening van deze instanties wordt beheerd, zonder dat hij een bijzonder belang hoeft aan te tonen (zie in die zin arresten van 19 december 2013, Fish Legal en Shirley, C‑279/12, EU:C:2013:853, punt 37, en 23 november 2023, Right to Know, C‑84/22, EU:C:2023:910, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 De verwezenlijking van deze doelstellingen vereist namelijk geenszins dat de hoedanigheid van „aanvrager” in de zin van die richtlijn afhankelijk wordt gesteld van de identificatie van een natuurlijke of rechtspersoon die om milieu-informatie verzoekt.
36 Wat meer bepaald het Verdrag van Aarhus betreft, verplicht artikel 4 van dat verdrag – dat in essentie is overgenomen in artikel 3 van richtlijn 2003/4 – overheidsinstanties weliswaar om dergelijke informatie beschikbaar te stellen aan het „publiek”, dat in artikel 2, punt 4, van dat verdrag is gedefinieerd als „een of meer natuurlijke of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen”, maar uit dat artikel 4 kan niet worden afgeleid dat natuurlijke of rechtspersonen zich moeten identificeren wanneer zij een verzoek om toegang tot milieu-informatie indienen.
37 Richtlijn 2003/4 verplicht overheidsinstanties evenwel niet om milieu-informatie waarover zij beschikken, of die voor hen wordt beheerd, beschikbaar te stellen aan een andere entiteit dan een natuurlijke of rechtspersoon. Die richtlijn verplicht die instanties evenmin om, nadat zij aan een natuurlijke of rechtspersoon toegang tot die informatie hebben gegeven, binnen een zeer korte termijn opnieuw toegang tot die informatie te geven naar aanleiding van een groot aantal identieke verzoeken van die natuurlijke of rechtspersoon. Dergelijke verzoeken kunnen immers de doeltreffendheid van de toegang van andere natuurlijke of rechtspersonen tot milieu-informatie belemmeren, gelet op het feit dat de middelen van de overheidsinstanties niet oneindig zijn.
38 Bij gebreke van een Unierechtelijke bepaling waarin de praktische regelingen voor toegang tot milieu-informatie nader worden vastgesteld, is het aan de lidstaten om in hun respectieve rechtsordes nadere regels vast te stellen om ervoor te zorgen dat de verzoeken om toegang tot milieu-informatie daadwerkelijk door natuurlijke en rechtspersonen worden ingediend en geen verzoeken zijn als bedoeld in punt 37 van het onderhavige arrest. Deze regels mogen evenwel niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties krachtens nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, East Sussex County Council, C‑71/14, EU:C:2015:656, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 In casu schrijven de TMI-regelingen voor dat in elk verzoek om toegang tot milieu-informatie de echte naam en/of het actuele fysieke adres van de aanvrager wordt vermeld. Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat een dergelijk vereiste met name tot doel heeft om de nationale overheidsinstanties in staat te stellen na te gaan of een dergelijk verzoek daadwerkelijk door een natuurlijke of rechtspersoon is ingediend, en om deze laatste in kennis te stellen van zowel de beslissing op dat verzoek als, in voorkomend geval, de gevraagde informatie.
40 Met betrekking tot het gelijkwaardigheidsbeginsel moet worden opgemerkt dat het Hof niet over gegevens beschikt die twijfel doen rijzen over de verenigbaarheid van die regelingen met dit beginsel.
41 Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat het verstrekken van de echte naam en/of het actuele fysieke adres van de betrokken aanvrager niet van dien aard is dat de uitoefening van het door de rechtsorde van de Unie verleende recht op toegang tot milieu-informatie in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt.
42 In deze omstandigheden kan een regeling zoals die in het hoofdgeding aan de orde is, vereisen dat elke „aanvrager” in de zin van artikel 2, punt 5, van richtlijn 2003/4 op basis van zijn naam, adres en eventueel andere relevante contactgegevens kan worden geïdentificeerd door de overheidsinstantie waaraan een verzoek om toegang tot milieu-informatie is gericht.
43 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de beweringen van bepaalde partijen dat een dergelijke identificatie de betrokken overheidsinstanties of derden ertoe kunnen brengen om, in voorkomend geval, op basis van de identiteit of het fysieke adres van de betrokken aanvragers te speculeren over hun belang bij het verkrijgen van toegang tot milieu-informatie. Zelfs indien wordt aangenomen dat dergelijke gegevens een dergelijke instantie of derden er indirect toe kunnen brengen conclusies te trekken over enig belang van die aanvragers, blijkt immers uit punt 31 van dit arrest dat een dergelijke conclusie geen invloed heeft op de uitkomst van hun verzoeken.
44 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat het begrip „aanvrager” in de zin van artikel 2, punt 5, van richtlijn 2003/4, gelezen in het licht van het Verdrag van Aarhus, aldus moet worden uitgelegd dat het niet vereist dat een natuurlijke of rechtspersoon zich identificeert met zijn echte naam en/of een actueel fysiek adres, maar dat het zich evenmin verzet tegen een nationale regeling die een dergelijke identificatie van de aanvrager voorschrijft, mits de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in acht worden genomen.
Kosten
45 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Het begrip „aanvrager” in de zin van artikel 2, punt 5, van richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad, gelezen in het licht van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet vereist dat een natuurlijke of rechtspersoon zich identificeert met zijn echte naam en/of een actueel fysiek adres, maar dat het zich evenmin verzet tegen een nationale regeling die een dergelijke identificatie van de aanvrager voorschrijft, mits de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in acht worden genomen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.