HvJ EU 10 april 2025, C-723/23, ECLI:EU:C:2025:262
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
10 april 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Richtlijn (EU) 2019/1023 – Procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld – Artikel 20 – Toegang tot kwijtschelding van schuld – Artikel 23, leden 1 en 2 – Afwijkingen – Insolvent geworden natuurlijke persoon – Voorwaarden voor toegang tot kwijtschelding van schuld – Begrip ,oneerlijk of te kwader trouw’ handelen – Gedrag ten aanzien van schuldeisers van een derde”
In zaak C‑723/23 [Amilla] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil n.o 3 de Oviedo, con sede en Gijón (handelsrechtbank nr. 3 Oviedo, zittingsplaats Gijón, Spanje) bij beslissing van 13 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 28 november 2023, in de procedure
Agencia Estatal de la Administración Tributaria
tegen
VT,
UP,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. Kumin, kamerpresident, F. Biltgen (rapporteur), president van de Eerste kamer, en S. Gervasoni, rechter,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– VT en UP, vertegenwoordigd door I. Blanco Urizar, abogado,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Ballesteros Panizo als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. L. Buendía Sierra, G. Meeßen en G. von Rintelen als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20 en artikel 23, lid 1, van richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132 (richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PB 2019, L 172, blz. 18).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen VT, een insolvent geworden natuurlijke persoon, en de Agencia Estatal de Administración Tributaria (rijksbelastingdienst, Spanje; hierna: „AEAT”) over een aanvraag tot kwijtschelding van schuld die door die persoon is ingediend in de tegen hem ingeleide insolventieprocedure.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 78 tot en met 81 van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie luiden: „(78) Volledige kwijtschelding van schuld of het einde van het beroepsverbod na een periode van niet langer dan drie jaar is niet in alle omstandigheden passend, en derhalve kan het nodig zijn afwijkingen van deze regel die naar behoren zijn gemotiveerd met in de nationale wetgeving neergelegde redenen, in te stellen. Dergelijke afwijkingen moeten bijvoorbeeld worden ingesteld indien de schuldenaar oneerlijk is of te kwader trouw heeft gehandeld. Indien ondernemers krachtens nationaal recht niet het vermoeden van eerlijkheid en goede trouw genieten, mag de bewijslast voor de eerlijkheid en goede trouw het hun niet onnodig moeilijk of lastig maken om toegang tot de procedure te verkrijgen. (79) Bij het bepalen of een ondernemer oneerlijk is geweest, kunnen de rechterlijke of administratieve instanties rekening houden met omstandigheden zoals: de aard en de omvang van de schuld; het moment waarop de schuld is aangegaan; de inspanningen van de ondernemer om de schuld af te betalen en te voldoen aan de wettelijke verplichtingen, onder meer op het gebied van vergunningsvereisten en de noodzaak van een correcte boekhouding; de vraag of de ondernemer actie heeft ondernomen om verhaal van de schuldeisers te bemoeilijken; de nakoming van verplichtingen bij kans op insolventie die rusten op ondernemers die bestuurders van een onderneming zijn; en de conformiteit met mededingings- en arbeidsrecht van de Unie en de lidstaten. Het moet ook mogelijk zijn afwijkingen in te stellen, indien de ondernemer zich niet van bepaalde wettelijke verplichtingen heeft gekweten, zoals verplichtingen om het rendement voor de schuldeisers te maximaliseren; deze kunnen de vorm aannemen van een algehele verplichting om inkomen of activa te genereren. Bovendien zou het mogelijk moeten zijn speciale afwijkingen in te stellen indien het noodzakelijk is de rechten van de schuldenaar en de rechten van een of meer schuldeisers in evenwicht te houden, bijvoorbeeld indien de schuldeiser een natuurlijke persoon is die meer bescherming behoeft dan de schuldenaar. (80) Een afwijking kan eveneens te rechtvaardigen zijn indien de kosten van de procedure die tot een kwijtschelding van schuld leidt, met inbegrip van de vergoedingen voor de rechterlijke en de administratieve instanties en de deskundigen, niet worden gedekt. De lidstaten moeten over de mogelijkheid beschikken om in het nationaal recht te bepalen dat de voordelen van die kwijtschelding kunnen worden ingetrokken indien, bijvoorbeeld, de financiële situatie van de schuldenaar aanmerkelijk verbetert door onvoorziene omstandigheden, zoals loterijwinst of het verkrijgen van een erfenis of een schenking. De lidstaten mag niet worden belet om in welomschreven omstandigheden en op voorwaarde dat zulks naar behoren is gemotiveerd, in extra afwijkingen te voorzien. (81) Indien in het nationaal recht een naar behoren gemotiveerde grond is neergelegd, kan het passend zijn de mogelijkheid tot kwijtschelding voor bepaalde soorten schuld te beperken. […] De lidstaten moeten, indien zulks naar behoren is gemotiveerd, nog meer categorieën van schulden kunnen uitsluiten.”
4 Artikel 20 van die richtlijn, met als opschrift „Toegang tot kwijtschelding van schuld”, schrijft voor: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat insolvente ondernemers toegang hebben tot ten minste één procedure die tot volledige kwijtschelding van schuld overeenkomstig deze richtlijn kan leiden. […] 2. De lidstaten waar volledige kwijtschelding van schuld afhangt van gedeeltelijke terugbetaling van schuld door de ondernemer, zorgen ervoor dat de betrokken terugbetalingsverplichting gebaseerd is op de individuele situatie van de ondernemer, en met name in verhouding staat tot het voor beslag vatbare of het beschikbare inkomen en de activa van de ondernemer tijdens de kwijtscheldingsperiode, en het billijke belang van de schuldeisers in aanmerking neemt. […]”
5 Artikel 23 van die richtlijn, met als opschrift „Afwijkingen”, bepaalt het volgende: „1. In afwijking van de artikelen 20, 21 en 22 handhaven of introduceren de lidstaten bepalingen tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden indien de insolvente ondernemer bij het aangaan van de schulden, tijdens de insolventieprocedure of bij het terugbetalen van de schulden naar nationaal recht oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld tegenover schuldeisers of andere belanghebbenden, onverminderd de nationale bewijslastregels. 2. In afwijking van de artikelen 20, 21 en 22 kunnen de lidstaten bepalingen handhaven of introduceren tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden, zulks alleen in bepaalde, welomschreven omstandigheden en indien deze afwijkingen naar behoren gerechtvaardigd zijn, bijvoorbeeld indien: a) de insolvente ondernemer zijn verplichtingen krachtens een terugbetalingsplan of een andere wettelijke verplichting ter bescherming van de belangen van schuldeisers, onder meer de verplichting om het rendement voor de schuldeisers te maximaliseren, wezenlijk heeft geschonden; b) de insolvente ondernemer zich niet houdt aan informatie- of samenwerkingsverplichtingen uit hoofde van Unierecht en nationaal recht; c) er te kwader trouw ingediende kwijtscheldingsaanvragen zijn; d) er een nieuwe kwijtscheldingsaanvraag is binnen een bepaalde termijn nadat aan de insolvente ondernemer volledige kwijtschelding van schuld was toegekend of nadat een volledige kwijtschelding van schuld was geweigerd vanwege een ernstige schending van de informatie- of samenwerkingsverplichtingen; e) de kosten van de procedure inzake kwijtschelding van schuld niet zijn gedekt; of f) een afwijking noodzakelijk is om de rechten van de schuldenaar en de rechten van een of meer schuldeisers in evenwicht te houden. 3. In afwijking van artikel 21 kunnen de lidstaten voorzien in langere kwijtscheldingsperioden in gevallen waarin: […] 4. De lidstaten kunnen specifieke categorieën schulden uitsluiten van kwijtschelding van schuld, of de toegang ervan tot kwijtschelding van schuld beperken of de kwijtscheldingsperiode ervan verlengen indien die uitsluitingen, beperkingen of verlengingen naar behoren zijn gerechtvaardigd, bijvoorbeeld in het geval van: a) door een zekerheid gedekte schulden; b) schulden die ontstaan uit of verband houden met strafrechtelijke boeten; c) schulden die ontstaan uit aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad; […]”
Spaans recht
6 De wet die ratione temporis van toepassing is op het hoofdgeding is Real Decreto Legislativo 1/2020 por el que se aprueba el texto refundido de la Ley Concursal (koninklijk besluit met kracht van wet 1/2020 tot vaststelling van de geconsolideerde tekst van de insolventiewet) van 5 mei 2020 (BOE nr. 127 van 7 mei 2020, blz. 31518), zoals gewijzigd bij Ley 16/2022 de reforma del texto refundido de la Ley Concursal, aprobado por el Real Decreto Legislativo 1/2020, para la transposición de la Directiva (UE) 2019/1023 (wet 16/2022 tot herziening van de geconsolideerde tekst van de insolventiewet, vastgesteld bij koninklijk besluit met kracht van wet 1/2020, met het oog op de omzetting van [de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) van 5 september 2022 (BOE nr. 214 van 6 september 2022, blz. 123682) (hierna: „TRLC”).
7 De preambule van wet 16/2022 luidt: „[…] […] Wanneer de insolvente schuldenaar een natuurlijke persoon is, heeft de insolventieprocedure tot doel schuldenaren te goeder trouw te identificeren en hun een gedeeltelijke kwijtschelding van hun schulden aan te bieden, om hen zo een tweede kans te geven en te voorkomen dat ze terechtkomen in de zwarte economie of de marginaliteit. […] De [richtlijn betreffende herstructurering en insolventie] verplicht alle lidstaten een mechanisme in te voeren dat schuldenaren een tweede kans biedt om te voorkomen dat zij in de verleiding worden gebracht te verhuizen naar een ander land waar reeds een dergelijk mechanisme bestaat, met alle kosten van dien voor zowel de schuldenaar als zijn schuldeisers. Daarnaast wordt homogenisering op dit gebied essentieel geacht voor de werking van de Europese interne markt. Een van de meest radicale wijzigingen in de nieuwe regelgeving is dat, in plaats van kwijtschelding afhankelijk te maken van de voldoening van een bepaald soort schuld (zoals bepaald in artikel 487, lid 2, van de geconsolideerde tekst van de insolventiewet), een systeem van kwijtschelding op grond van verdienste wordt aangenomen waarbij elke schuldenaar, ongeacht of hij ondernemer is of niet, op voorwaarde dat hij voldoet aan het vereiste van goede trouw waarop dit systeem is gebaseerd, toegang heeft tot kwijtschelding van al zijn schulden, met uitzondering van de schulden die, bij wijze van uitzondering en wegens hun bijzondere aard, geacht worden wettelijk niet voor kwijtschelding in aanmerking te komen. De reeds in 2015 door de Spaanse wetgever aanvaarde mogelijkheid om kwijtschelding te verlenen aan iedere schuldenaar die een natuurlijke persoon te goeder trouw is, ongeacht of hij ondernemer is of niet, wordt gehandhaafd. […] De goede trouw van de schuldenaar blijft de hoeksteen van de kwijtschelding. In overeenstemming met de aanbevelingen van internationale instanties wordt een normatieve afbakening van de goede trouw vastgesteld aan de hand van bepaalde objectieve gedragingen die limitatief worden opgesomd (gesloten lijst), zonder toevlucht te nemen tot gedragsmodellen die vaag of onvoldoende specifiek zijn of waarvan het bewijs een onmogelijke last legt op de schuldenaar. […] […] De kwijtschelding van schuld wordt uitgebreid tot alle schuldvorderingen in het kader van de collectieve procedure en vorderingen op de boedel. Uitzonderingen zijn, in bepaalde gevallen, gebaseerd op het bijzondere belang van de voldoening ervan voor een rechtvaardige en solidaire samenleving die is gebaseerd op de rechtsstaat (zoals onderhoudsschulden, schulden voortvloeiend uit publiekrechtelijke schuldvorderingen, schulden ontstaan uit strafbare feiten of schulden ontstaan uit aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad). Zo is de kwijtschelding van schuld met betrekking tot publiekrechtelijke schuldvorderingen aan bepaalde beperkingen onderworpen en kan zij alleen plaatsvinden bij de eerste kwijtschelding van schuld, en niet bij latere kwijtscheldingen. In andere gevallen wordt de uitzondering gerechtvaardigd door de synergieën of negatieve externe effecten die zouden kunnen voortvloeien uit de kwijtschelding van bepaalde soorten schulden: de kwijtschelding van schuld wegens gerechtskosten die voortvloeien uit de behandeling van de kwijtschelding zelf zou bepaalde derden (bijvoorbeeld advocaten) kunnen ontmoedigen om daartoe samen te werken met de schuldenaar, wat nadelig zou zijn voor de toegang van de gefailleerde tot het dossier. Evenzo zou de kwijtschelding van schuld waarvoor zakelijke zekerheden zijn gesteld, zonder enige grondslag afbreuk doen aan een van de hoekstenen van de toegang tot krediet en dus van de goede werking van moderne economieën, namelijk de onvatbaarheid van schuldeisers met een solide zakelijke zekerheid voor de wisselvalligheden die gepaard gaan met de insolventie of het in gebreke blijven van schuldenaren. Ten slotte mag de rechter bij wijze van uitzondering bepalen dat bepaalde schulden geheel of gedeeltelijk niet worden kwijtgescholden wanneer dit noodzakelijk is om de insolventie van de schuldeiser te voorkomen. […]”
8 Artikel 486 TRLC luidt als volgt: „Een natuurlijke persoon die schuldenaar is, al dan niet ondernemer, kan om kwijtschelding van onbetaalde schulden verzoeken onder de voorwaarden die in deze wet zijn vastgelegd, op voorwaarde dat hij een schuldenaar te goeder trouw is: 1.o [d]oor zich te onderwerpen aan een betalingsplan zonder voorafgaande vereffening van de boedel, in overeenstemming met de schuldkwijtscheldingsregeling waarnaar wordt verwezen in onderafdeling 1.a van afdeling 3.a hieronder; of 2.o [d]oor de vereffening van de boedel, in welk geval de kwijtschelding van schuld onderworpen zal zijn aan de regeling bedoeld in onderafdeling 2.a van afdeling 3.a hieronder, indien de oorzaak van de afsluiting van de insolventieprocedure het einde van de vereffeningsfase van de boedel of de ontoereikendheid van deze laatste is om de vorderingen van de boedel te voldoen.”
9 Artikel 487 TRLC is als volgt geformuleerd: „1. De schuldenaar komt niet in aanmerking voor kwijtschelding van niet-voldane schulden: 1.o [w]anneer hij in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij een onherroepelijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf, zelfs indien deze is opgeschort of vervangen, wegens vermogensdelicten en delicten tegen de sociaaleconomische orde, vervalsing van documenten, delicten tegen de schatkist en de sociale zekerheid of tegen de rechten van werknemers, op voorwaarde dat de maximumstraf voor het delict drie jaar of meer bedraagt, tenzij op de datum van indiening van de kwijtscheldingsaanvraag de strafrechtelijke aansprakelijkheid is vervallen en de uit het delict voortvloeiende financiële verplichtingen zijn nagekomen[;] 2.o [w]anneer hem in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij definitief administratief besluit een sanctie is opgelegd voor een bijzonder ernstige inbreuk op de belastingwetgeving, of een inbreuk op de socialezekerheidswetgeving of de maatschappelijke orde, of wanneer binnen diezelfde periode een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij hij op de datum van indiening van de kwijtscheldingsaanvraag zijn schulden volledig heeft voldaan. In geval van ernstige inbreuken kunnen schuldenaren aan wie een sanctie is opgelegd voor een bedrag van meer dan vijftig procent van het in artikel 489, lid 1, punt 5, bedoelde bedrag dat voor kwijtschelding door de [AEAT] in aanmerking komt, slechts kwijtschelding verkrijgen indien zij op de datum van indiening van de kwijtscheldingsaanvraag alle schulden waarvoor zij aansprakelijk zijn, hebben voldaan[;] 3.o [w]anneer de insolventie frauduleus is verklaard. Indien de insolventie echter alleen op grond van het feit dat de schuldenaar niet heeft voldaan aan de verplichting om tijdig te verzoeken om een faillietverklaring, frauduleus is verklaard, kan de rechter rekening houden met de omstandigheden waarin de vertraging zich heeft voorgedaan[;] 4.o [w]anneer de schuldenaar in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag als betrokken persoon is aangemerkt in het vonnis waarbij de insolventie van een derde als frauduleus is gekwalificeerd, tenzij de schuldenaar op de datum van indiening van de kwijtscheldingsaanvraag alle schulden waarvoor hij aansprakelijk is, heeft voldaan[;] […] 2. In de in de punten 3 en 4 van het vorige lid bedoelde gevallen schort de rechter, indien de kwalificatie nog niet definitief is, de beslissing tot kwijtschelding van schuld op totdat de kwalificatie definitief is. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10 VT en zijn echtgenote, UP, waren de bestuurders van BLANCO Y NARANJA SL en MALVA Y NARANJA SL. Tegen elk van beide vennootschappen was een insolventieprocedure ingeleid, aan het einde waarvan zij insolvent zijn verklaard, en er is geoordeeld dat die insolventies als „frauduleus” moesten worden gekwalificeerd. In beide procedures zijn VT en UP in hun hoedanigheid van hoofdelijk aansprakelijke bestuurders van die vennootschappen aangemerkt als bij die kwalificatie „betrokken personen” en is hun voor een bepaalde periode (vijf jaar in de ene procedure en zeven jaar in de andere) het recht ontnomen om andermans goederen te beheren en wie dan ook te vertegenwoordigen. Daarnaast hebben zij alle rechten verloren die zij bezaten als insolventie- of boedelschuldeisers van die vennootschappen. Bovendien zijn zij gezamenlijk en hoofdelijk veroordeeld tot aanzuivering van het vermogenstekort van de twee betrokken vennootschappen, te weten 169085,24 EUR en 62035,91 EUR, alsmede tot betaling van de kosten van de procedures.
11 Aangezien VT moeilijkheden ondervond om die bedragen terug te betalen, heeft hij bij de Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Gijón (officiële kamer van koophandel, industrie en scheepvaart te Gijón, Spanje) een procedure ingeleid voor een buitengerechtelijk betalingsakkoord. Die procedure heeft niet tot de sluiting van een dergelijk akkoord geleid en VT heeft dan ook bij de Juzgado de lo Mercantil n.o 3 de Oviedo, con sede en Gijón (handelsrechtbank nr. 3 Oviedo, zittingsplaats Gijón, Spanje), de verwijzende rechter, een verzoek tot insolventverklaring ingediend.
12 Bij beschikking van 8 februari 2021 heeft die rechter VT persoonlijk insolvent verklaard en die insolventie als „niet-verwijtbaar” aangemerkt.
13 Op 2 februari 2023 heeft VT in het kader van de tegen hem geopende insolventieprocedure een aanvraag tot kwijtschelding van onbetaalde schulden ingediend. De AEAT heeft zich tegen dit verzoek verzet op grond dat de betrokken insolventie onder de uitzondering van artikel 487, lid 1, punt 4, TRLC viel en erop gewezen dat VT in het kader van de in punt 10 van het onderhavige arrest genoemde insolventieprocedures als „betrokken persoon” was aangemerkt, de insolventie van de betrokken vennootschappen als „frauduleus” was gekwalificeerd en VT niet volledig aan zijn verplichtingen had voldaan.
14 VT van zijn kant heeft ten eerste aangevoerd dat hij een schuldenaar te goeder trouw was ten aanzien van „zijn eigen schuldeisers” en dat de kwijtschelding van schulden jegens zijn schuldeisers niet werd beperkt door de omstandigheid dat hij in zijn hoedanigheid van borg als „betrokken persoon” was aangemerkt in de insolventieprocedure van de rechtspersonen waarvan hij een hoofdelijk aansprakelijke bestuurder was. Ten tweede is de uitzondering van artikel 487, lid 1, punt 4, TRLC, die een objectieve aansprakelijkheid invoert die niet kan worden getoetst, in strijd met het bij de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie vastgestelde stelsel, volgens hetwelk om te bepalen of een schuldenaar oneerlijk is geweest er rekening moet worden gehouden met de subjectieve omstandigheden waarin die schuldenaar zich bevindt, aldus VT.
15 De verwijzende rechter merkt in de eerste plaats op dat artikel 23, lid 1, van die richtlijn ziet op de situatie waarin een insolvente ondernemer oneerlijk of te kwader trouw handelt tegenover schuldeisers. Het is evenwel niet mogelijk om duidelijk vast te stellen of die bepaling ziet op een situatie als die in het hoofdgeding, waarin een schuldenaar als hoofdelijk aansprakelijke bestuurder gezamenlijk aansprakelijk is gesteld jegens de schuldeisers van een derde. Bijgevolg rijst de vraag of de afwijking van de toegang tot kwijtschelding van onbetaalde schulden van een schuldenaar jegens zijn eigen schuldeisers van toepassing is op schuldeisers van een derde en of een dergelijke toepassing verenigbaar is met het begrip „schuldeisers” in de zin van die bepaling.
16 In de tweede plaats is die rechter van oordeel dat de uitzondering van artikel 487, lid 1, punt 4, TRLC eraan in de weg staat dat VT toegang krijgt tot een procedure die kan leiden tot volledige kwijtschelding van zijn schulden jegens zijn eigen schuldeisers. Hij vraagt zich af of artikel 20 van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, dat de lidstaten verplicht te voorzien in een procedure die tot volledige kwijtschelding van schuld kan leiden, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een dergelijke bepaling.
17 In de derde plaats is de verwijzende rechter onzeker of de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, met name artikel 20, lid 2, ervan, verlangt dat het ingevoerde stelsel inzake toegang tot volledige kwijtschelding van schuld rekening houdt met de subjectieve omstandigheden waarin de schuldenaar zich bevindt, dat wil zeggen zijn individuele situatie, dan wel of de lidstaten een bepaling als artikel 487, lid 1, punt 4, TRLC, die zuiver objectieve criteria vaststelt en geen rekening houdt met die situatie, kunnen handhaven of vaststellen.
18 Tegen die achtergrond heeft de Juzgado de lo Mercantil n.o 3 de Oviedo, con sede en Gijón, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 23, lid 1, van [de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals artikel 487, lid 1, punt 4, [TRLC], aangezien volgens die regeling het ,oneerlijk of te kwader trouw hebben gehandeld’ van de schuldenaar ook ziet op gedragingen van die schuldenaar tegenover schuldeisers van derden, die verschillen van de schuldeisers die voorkomen op de lijst van schuldeisers in verband met de eigen insolventieprocedure van de betrokkene als natuurlijke persoon? 2) Is artikel 487, lid 1, punt 4, [TRLC] verenigbaar met artikel 20 van [de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie], aangezien die nationale bepaling voorziet in een uitzondering op de tweedekansprocedure, waardoor er geen sprake kan zijn van volledige kwijtschelding van schuld? 3) Is artikel 487, lid 1, punt 4, [TRLC] verenigbaar met artikel 20, lid 2, en overweging 79 van [de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie], aangezien er in de nationale regeling geen rekening wordt gehouden met de individuele situatie van de schuldenaar, maar wordt voorzien in een uitzondering die objectief van aard is, zonder dat de Spaanse rechterlijke instanties de subjectieve omstandigheden van de schuldenaar die gebruikmaakt van de tweedekansprocedure kunnen beoordelen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
19 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit wanneer de schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld jegens de schuldeisers van een derde en in het kader van de gerechtelijke vaststelling van de frauduleuze insolventie van die derde als „betrokken persoon” is aangemerkt.
20 Die vraag vloeit voort uit het feit dat artikel 487, lid 1, punt 4, TRLC in wezen bepaalt dat een schuldenaar die in de tien jaar voorafgaand aan zijn aanvraag tot kwijtschelding van schuld als „betrokken persoon” is aangemerkt in een vonnis waarbij de insolventie van een derde als „frauduleus” is gekwalificeerd, slechts kwijtschelding van schuld kan verkrijgen indien hij op de datum van indiening van die aanvraag alle schulden waarvoor hij aansprakelijk was, heeft voldaan.
21 Na deze verduidelijking moet eraan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 14 maart 2024, VR Bank Ravensburg-Weingarten, C‑536/22, EU:C:2024:234, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie betreft, zij erop gewezen dat de lidstaten blijkens dat voorschrift bepalingen handhaven of introduceren tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden indien de insolvente ondernemer „bij het aangaan van de schulden, tijdens de insolventieprocedure of bij het terugbetalen van de schulden” oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld, onder meer „tegenover schuldeisers”.
23 Dat voorschrift bevat een indirecte temporele aanwijzing voor het tijdstip waarop de schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw moet hebben gehandeld, namelijk „bij het aangaan van de schulden”, „tijdens de insolventieprocedure” of „bij het terugbetalen van de schulden”, zodat kan worden aangenomen dat de in dat voorschrift bedoelde „schuldeisers” degenen zijn die kunnen worden geïdentificeerd hetzij op het tijdstip waarop de betrokken schuldenaar schulden is aangegaan, hetzij tijdens de insolventieprocedure, hetzij bij het terugbetalen van de schulden. Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, kan die temporele aanwijzing worden opgevat als een argument om artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus uit te leggen dat de term „schuldeisers” uitsluitend ziet op schuldeisers jegens wie de betrokken schuldenaar rechtstreeks en persoonlijk schulden is aangegaan, te weten „zijn eigen” schuldeisers, en niet op schuldeisers die oorspronkelijk schuldeisers van een derde waren en pas na een vonnis waarbij de schuldenaar is aangemerkt als een bij de frauduleuze insolventie van die derde „betrokken persoon”, schuldeisers van die schuldenaar zijn geworden.
24 Aangezien het in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding echter zo is dat een persoon die optreedt als bestuurder van een vennootschap waarvan de insolventie als „frauduleus” is gekwalificeerd weet dat hij overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling kan worden aangemerkt als „betrokken persoon” in de zin van die nationale regeling en dus schuldenaar van de schuldeisers van die vennootschap kan worden, kan die persoon er redelijkerwijs niet onkundig van zijn dat de schuldeisers jegens wie hij besluit die vennootschap te verbinden, potentieel zijn eigen schuldeisers zijn. Derhalve moet in een dergelijk geval het oneerlijk of te kwader trouw handelen door die persoon jegens de schuldeisers van die vennootschap, en dus jegens zijn potentiële persoonlijke schuldeisers, worden gelijkgesteld met het oneerlijk of te kwader trouw handelen jegens zijn eigen schuldeisers.
25 Die uitlegging van de bewoordingen van artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie vindt steun in het feit dat de Franse taalversie van die bepaling de term „schuldeisers” gebruikt, en niet „zijn schuldeisers”. Indien de Uniewetgever de in die bepaling bedoelde kring van schuldeisers had willen beperken tot de eigen schuldeisers van de schuldenaar, had hij dit immers gemakkelijk kunnen doen door het bezittelijk voornaamwoord „zijn” te gebruiken.
26 In dat verband moet worden vastgesteld dat andere taalversies van artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie dan de Franse – onder meer de Duitse („gegenüber den Gläubigern”), de Engelse („towards creditors”), de Deense („for kreditorer”), de Spaanse („respecto a los acreedores”), de Hongaarse („a hitelezőkkel […] szemben”), de Italiaanse („nei confronti dei creditori”), de Portugese („para com os credores”), de Roemeense („față de creditori”) en de Zweedse („gentemot borgenärerna”) – bevestigen dat de wetgever geen bezittelijk voornaamwoord heeft gebruikt.
27 Wat in de tweede plaats de context van artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie betreft, moet worden opgemerkt dat die bepaling de eerste is van een reeks afwijkingen van het bij artikel 20 van die richtlijn ingevoerde beginsel van toegang tot een procedure die tot volledige kwijtschelding van schuld kan leiden, en derhalve strikt moet worden uitgelegd.
28 Zoals onder meer blijkt uit de Tsjechische, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Ierse, de Franse, de Kroatische, de Italiaanse, de Letse, de Nederlandse, de Portugese, de Roemeense, de Slowaakse, de Sloveense, de Finse en de Zweedse taalversie van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, wordt er in die taalversies van lid 1 van artikel 23 van die richtlijn, anders dan in de leden 2, 3 en 4 van dat artikel, die in wezen soortgelijke termen gebruiken als de Franse term „peuvent” – te weten respectievelijk „mohou”, „kan”, „können”, „may”, „féadfaidh”, „mogu”, „possono”, „var”, „kunnen”, „podem”, „pot”, „môžu”, „lahko”, „voivat” en „får” – en de lidstaten aldus een zekere beoordelingsmarge laten om respectievelijk bepaalde afwijkingen van dat beginsel te „handhaven of [te] introduceren”, te „voorzien in” langere kwijtscheldingsperioden en „specifieke categorieën schulden [uit te sluiten] van kwijtschelding van schuld, of de toegang ervan tot kwijtschelding van schuld [te] beperken of de kwijtscheldingsperiode ervan [te] verlengen”, geen soortgelijke term gebruikt en worden de lidstaten verplicht om in een dergelijke afwijking te voorzien, aangezien in dat lid wordt bepaald dat zij onder meer bepalingen moeten „handhaven of introduceren” tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden indien de insolvente ondernemer oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld. Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door het gebruik in de Spaanse taalversie van artikel 23, lid 1, van die richtlijn van de term „podrán” („kunnen”), aangezien de in een van de taalversies van een handeling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die handeling kan dienen of in zoverre voorrang kan hebben boven de andere taalversies (zie in die zin arrest van 20 februari 2018, België/Commissie, C‑16/16 P, EU:C:2018:79, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Aangezien de Uniewetgever heeft besloten de lidstaten tot het handhaven of het introduceren van die afwijking van dat beginsel te verplichten en zich er dus niet toe heeft beperkt hun dienaangaande een beoordelingsmarge te laten, moet artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie op zodanige wijze worden uitgelegd dat zo veel mogelijk kan worden voorkomen dat schuldenaren die oneerlijk of te kwader trouw hebben gehandeld jegens schuldeisers of andere belanghebbenden, in aanmerking komen voor kwijtschelding van schuld.
30 De contextuele uitlegging van artikel 23, lid 1, bevestigt dus de letterlijke uitlegging in de punten 24 en 25 van het onderhavige arrest.
31 Wat in de derde plaats de doelstelling van artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie betreft, blijkt uit overweging 78 van die richtlijn dat de Uniewetgever heeft willen voorzien in een verplichte afwijking van de toegang tot kwijtschelding van schuld „indien de schuldenaar oneerlijk is of te kwader trouw heeft gehandeld”, zonder in die overweging de kring van schuldeisers tegenover wie de schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld, verder te beperken.
32 Wat specifiek de omstandigheden betreft waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of een schuldenaar oneerlijk is geweest, heeft de Uniewetgever in overweging 79 van die richtlijn verwezen naar „de aard en de omvang van de schuld; het moment waarop de schuld is aangegaan; de inspanningen van de ondernemer om de schuld af te betalen en te voldoen aan de wettelijke verplichtingen, onder meer op het gebied van vergunningsvereisten en de noodzaak van een correcte boekhouding; de vraag of de ondernemer actie heeft ondernomen om verhaal van de schuldeisers te bemoeilijken; de nakoming van verplichtingen bij kans op insolventie die rusten op ondernemers die bestuurders van een onderneming zijn; en de conformiteit met mededingings- en arbeidsrecht van de Unie en de lidstaten”.
33 Ten eerste moet worden vastgesteld dat die opsomming, die niet uitputtend is omdat zij wordt ingeleid met de term „zoals”, geen enkele aanwijzing bevat dat de kring van schuldeisers tegenover wie de schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld, op enigerlei wijze wordt beperkt en niet de personen omvat die oorspronkelijk schuldeisers van een derde waren en als gevolg van de frauduleuze insolventie van die derde schuldeisers van die schuldenaar zijn geworden. Ten tweede bestrijken de aldus opgesomde omstandigheden, met name die betreffende „de aard en de omvang van de schuld”, „het moment waarop de schuld is aangegaan” en de „actie [die de ondernemer] heeft ondernomen om verhaal van de schuldeisers te bemoeilijken”, een breed scala aan situaties en zijn zij aldus geformuleerd dat de Uniewetgever kan worden geacht het gedrag van een schuldenaar ten aanzien van zowel zijn eigen schuldeisers als de schuldeisers van een derde, zoals de vennootschap waarvan die schuldenaar bestuurder was, te hebben willen omvatten.
34 In het licht van de aldus uiteengezette doelstelling kan artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie derhalve niet aldus worden uitgelegd dat een persoon die verantwoordelijk is bevonden voor de frauduleuze insolventie van een vennootschap, zich kan onttrekken aan de hoofdelijke aansprakelijkheid die hij krachtens het nationale recht jegens de schuldeisers van die vennootschap heeft, door te verzoeken om opening van een persoonlijke insolventieprocedure en in het kader van die procedure de volledige kwijtschelding van zijn schulden aan te vragen.
35 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit wanneer de schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld jegens de schuldeisers van een derde en in het kader van de gerechtelijke vaststelling van de frauduleuze insolventie van die derde als „betrokken persoon” is aangemerkt.
Tweede en derde vraag
Ontvankelijkheid van de derde vraag
36 De Spaanse regering betoogt in wezen dat de derde vraag berust op de aanname dat de TRLC het de Spaanse autoriteiten en rechterlijke instanties niet mogelijk maakt om het gedrag van een persoon die kwijtschelding van onbetaalde schulden aanvraagt, subjectief te beoordelen. Die aanname is evenwel onjuist. Die vraag is derhalve niet relevant voor de beslechting van het hoofdgeding en moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
37 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te wijzen rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dan ook in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 22 februari 2024, Consejería de Presidencia, Justicia e Interior de la Comunidad de Madrid e.a., C‑59/22, C‑110/22 en C‑159/22, EU:C:2024:149, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Derhalve geldt er een vermoeden van relevantie voor vragen die het Unierecht betreffen. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van een Unieregel geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 22 februari 2024, Consejería de Presidencia, Justicia e Interior de la Comunidad de Madrid e.a., C‑59/22, C‑110/22 en C‑159/22, EU:C:2024:149, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 In casu moet ten eerste worden vastgesteld dat niet duidelijk blijkt dat de Unierechtelijke bepalingen waarvan in de derde vraag om uitlegging wordt verzocht, geen enkel verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding of dat het door die vraag aan de orde gestelde vraagstuk niet relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding.
40 Het klopt weliswaar, zoals de Spaanse regering heeft opgemerkt, dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat artikel 487, lid 1, punt 4, TRLC volgens de verwijzende rechter voorziet in een uitsluitend op objectieve factoren gebaseerde afwijking van de procedure voor kwijtschelding van schuld waardoor de Spaanse rechterlijke instanties de subjectieve omstandigheden van de schuldenaar die toegang heeft tot die procedure, niet kunnen beoordelen, maar dat neemt niet weg dat de verwijzende rechter volgens vaste rechtspraak als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen en toe te passen. Bijgevolg moet het Hof in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties acht slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst [arrest van 14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C‑197/23, EU:C:2024:956, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41 Ten tweede heeft de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing alle gegevens verstrekt die het Hof nodig heeft om op de derde vraag een zinvol antwoord te kunnen geven.
42 Die vraag is derhalve ontvankelijk.
Ten gronde
43 De tweede en de derde vraag moeten samen worden behandeld. Aangezien deze vragen rijzen naar aanleiding van het onderzoek van een afwijkende nationale bepaling die onder bepaalde voorwaarden de toepassing van het algemeen geldende stelsel uitsluit, moeten zij aldus worden opgevat dat zij in wezen zien op de uitlegging van artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie. Die bepaling voorziet namelijk in de mogelijkheid voor de lidstaten om onder bepaalde voorwaarden afwijkende bepalingen tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden te handhaven of te introduceren. De gestelde vragen kunnen geen betrekking hebben op artikel 20 van die richtlijn, dat een principiële bepaling is die van de lidstaten verlangt dat zij ervoor zorgen dat insolvente ondernemers toegang hebben tot een procedure die tot volledige kwijtschelding van schuld overeenkomstig die richtlijn kan leiden.
44 Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede en derde vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die voorziet in een niet in die bepaling genoemde afwijking van het beginsel van toegang tot een procedure die kan leiden tot kwijtschelding van schuld, en die bepaalt dat een schuldenaar die in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag als „betrokken persoon” is aangemerkt in een vonnis waarbij de insolventie van een derde als „frauduleus” is gekwalificeerd, geen toegang heeft tot die procedure, tenzij hij op de datum van indiening van die aanvraag alle schulden waarvoor hij aansprakelijk was heeft voldaan, wanneer er van de nationale rechterlijke instanties niet wordt verlangd dat zij in subjectief opzicht beoordelen of die schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld.
45 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of artikel 23, lid 2, van die richtlijn zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot een procedure voor kwijtschelding van schuld uitsluit in andere dan de in die bepaling opgesomde omstandigheden, heeft het Hof reeds geoordeeld dat die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van omstandigheden niet uitputtend is en dat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken op basis waarvan zij in andere dan de in dat artikel genoemde omstandigheden bepalingen kunnen introduceren tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden, mits het gaat om – zoals blijkt uit de bewoordingen van die bepaling – welomschreven omstandigheden en mits dergelijke afwijkingen naar behoren zijn gerechtvaardigd (arrest van 7 november 2024, Corván en Bacigán, C‑289/23 en C‑305/23, EU:C:2024:934, punt 28).
46 Met betrekking tot de voorwaarden waaraan de uitoefening van de aldus aan de lidstaten verleende bevoegdheid moet voldoen, te weten dat de door de lidstaten vastgestelde afwijkingen betrekking moeten hebben op „bepaalde welomschreven omstandigheden” en „naar behoren gerechtvaardigd” moeten zijn, heeft het Hof geoordeeld dat wanneer de nationale wetgever dergelijke afwijkingen vaststelt, de redenen voor die afwijkingen moeten voortvloeien uit het nationale recht of uit de procedure die tot deze afwijkingen heeft geleid, en dat die redenen een legitiem openbaar belang moeten nastreven (arrest van 7 november 2024, Corván en Bacigán, C‑289/23 en C‑305/23, EU:C:2024:934, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat zowel op grond van overweging 78 van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, waarin wordt verwezen naar afwijkingen „die naar behoren zijn gemotiveerd met in de nationale wetgeving neergelegde redenen”, als op grond van overweging 81 van deze richtlijn, waarin er sprake is van een „in het nationaal recht […] naar behoren gemotiveerde” grond, kan worden geoordeeld dat de Uniewetgever heeft gemeend dat het volstaat dat de daartoe in de verschillende nationale rechtsstelsels vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen (arrest van 7 november 2024, Corván en Bacigán, C‑289/23 en C‑305/23, EU:C:2024:934, punt 32).
48 Ten tweede heeft het Hof in een zaak betreffende een soortgelijke bepaling als welke in het hoofdgeding aan de orde is, te weten artikel 487, lid 1, punt 2, TRLC, geoordeeld dat artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie zich niet verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit in bepaalde welomschreven omstandigheden, zoals wanneer aan een schuldenaar in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij definitief administratief besluit een sanctie is opgelegd wegens een bijzonder ernstige inbreuk op de belastingwetgeving, of een inbreuk op de socialezekerheidswetgeving of de maatschappelijke orde, of wanneer binnen diezelfde periode een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij die schuldenaar op de datum van indiening van die aanvraag zijn fiscale en sociale schulden volledig heeft voldaan, mits uit het nationale recht volgt dat deze uitsluiting gerechtvaardigd is omdat er een legitiem openbaar belang wordt nagestreefd. Het staat aan de verwijzende rechter om dat te beoordelen (zie in die zin arrest van 7 november 2024, Corván en Bacigán, C‑289/23 en C‑305/23, EU:C:2024:934, punt 47).
49 Dezelfde conclusie moet worden getrokken met betrekking tot een nationale bepaling als artikel 487, lid 1, punt 4, TRLC, die voorschrijft dat een schuldenaar die in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag als „betrokken persoon” is aangemerkt in een vonnis waarbij de insolventie van een derde als „frauduleus” is gekwalificeerd, slechts kwijtschelding van schuld kan verkrijgen indien hij op de datum van indiening van die aanvraag alle schulden waarvoor hij aansprakelijk was, heeft voldaan.
50 In casu heeft de Spaanse wetgever – zoals blijkt uit punt 7 van het onderhavige arrest – in de preambule van wet 16/2022, waarbij de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie in Spaans recht is omgezet, aangegeven waarom hij heeft besloten om te voorzien in afwijkingen van de kwijtschelding van schuld. Die wetgever verklaart daarin met name dat „[d]e goede trouw van de schuldenaar […] de hoeksteen van de kwijtschelding [van de schuld blijft]” en dat „[de] normatieve afbakening van de goede trouw [wordt] vastgesteld aan de hand van bepaalde objectieve gedragingen die limitatief worden opgesomd (gesloten lijst), zonder toevlucht te nemen tot gedragsmodellen die vaag of onvoldoende specifiek zijn of waarvan het bewijs een onmogelijke last legt op de schuldenaar”.
51 Daarnaast blijkt uit die preambule dat de Spaanse wetgever het noodzakelijk heeft geacht om uitzonderingen vast te stellen op het beginsel dat een schuldenaar die voldoet aan het vereiste van goede trouw toegang heeft tot volledige kwijtschelding van zijn schulden, met name voor schulden die, „bij wijze van uitzondering en wegens hun bijzondere aard, geacht worden wettelijk niet voor kwijtschelding in aanmerking te komen”. Die uitzonderingen worden in het bijzonder gerechtvaardigd door „het bijzondere belang [bij] de voldoening [van die schulden] voor een rechtvaardige en solidaire samenleving die is gebaseerd op de rechtsstaat” of door „de synergieën of negatieve externe effecten die zouden kunnen voortvloeien uit de kwijtschelding van bepaalde soorten schulden”.
52 In casu staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of deze redenen kunnen worden aangemerkt als redenen van legitiem openbaar belang en of uit de nationale wettelijke regeling blijkt dat die redenen rechtvaardigen dat er geen kwijtschelding van schuld mogelijk is in welomschreven omstandigheden als bedoeld in artikel 487, lid 1, punt 4, TRLC.
53 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of artikel 23, lid 1, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit in welomschreven omstandigheden en zonder dat de nationale rechterlijke instanties in subjectief opzicht hoeven te beoordelen of de betrokken schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld, zij vastgesteld dat die bepaling weliswaar uitdrukkelijk ziet op insolvente ondernemers die „oneerlijk of te kwader trouw” hebben gehandeld, maar dat een dergelijke verwijzing in lid 2 van dat artikel ontbreekt. Artikel 23, lid 2, van die richtlijn bepaalt namelijk alleen maar dat de lidstaten bepalingen kunnen handhaven of introduceren tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden „in bepaalde, welomschreven omstandigheden en indien deze afwijkingen naar behoren gerechtvaardigd zijn”, zonder evenwel te eisen dat de betrokken ondernemers „oneerlijk” of „te kwader trouw” hebben gehandeld (arrest van 7 november 2024, Corván en Bacigán, C‑289/23 en C‑305/23, EU:C:2024:934, punt 41).
54 Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, worden de in artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie ter illustratie genoemde omstandigheden waarin afwijkingen op de kwijtschelding van schuld kunnen worden toegestaan, niet gekenmerkt door „oneerlijk” gedrag of „kwade trouw” van de betrokken ondernemers en komen deze omstandigheden in wezen overeen met die welke in de overwegingen 79 en 80 van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie worden genoemd en waaruit evenmin blijkt dat de Uniewetgever de in artikel 23, lid 2, van deze richtlijn bedoelde „welomschreven omstandigheden” heeft willen beperken tot gevallen waarin de betrokken ondernemers oneerlijk of te kwader trouw hebben gehandeld (arrest van 7 november 2024, Corván en Bacigán, C‑289/23 en C‑305/23, EU:C:2024:934, punten 42 en 43).
55 Aangezien artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie zich volgens de rechtspraak van het Hof niet verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit in welomschreven omstandigheden waarin de schuldenaar niet oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld (zie in die zin arrest van 7 november 2024, Corván en Bacigán, C‑289/23 en C‑305/23, EU:C:2024:934, punt 44), moet worden geoordeeld dat die bepaling zich evenmin verzet tegen een nationale regeling die in dergelijke omstandigheden de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit zonder dat de nationale rechterlijke instanties in subjectief opzicht hoeven te beoordelen of de betrokken schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld.
56 Hieruit volgt dat artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om te voorzien in nationale bepalingen die de toegang tot de procedure voor kwijtschelding van schuld uitsluiten in omstandigheden die niet worden gekenmerkt door oneerlijk gedrag of kwade trouw van de betrokken schuldenaar zonder dat de nationale rechterlijke instanties in subjectief opzicht hoeven te beoordelen of die schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld.
57 De Uniewetgever heeft de uitoefening van die mogelijkheid echter uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de voorwaarden dat de in deze bepaling bedoelde afwijkingen betrekking hebben op „bepaalde, welomschreven omstandigheden” en „naar behoren gerechtvaardigd” zijn. Hieruit volgt, zoals in punt 46 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dat wanneer de nationale wetgever dergelijke afwijkingen vaststelt, de redenen voor die afwijkingen moeten blijken uit het nationale recht of uit de procedure die tot deze afwijkingen heeft geleid, en dat die redenen een legitiem openbaar belang moeten nastreven. Het nationale recht moet het dus mogelijk maken om de reden van legitiem openbaar belang te identificeren die in die welomschreven omstandigheden de uitsluiting van kwijtschelding van schuld rechtvaardigt.
58 Artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie verzet zich dus niet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit in bepaalde welomschreven omstandigheden, zoals wanneer tegen de schuldenaar in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij die schuldenaar op de datum van indiening van die aanvraag zijn fiscale en sociale schulden volledig heeft voldaan, mits uit het nationale recht volgt dat deze uitsluiting gerechtvaardigd is omdat er een legitiem openbaar belang wordt nagestreefd. Het staat aan de verwijzende rechter om dat te beoordelen (arrest van 7 november 2024, Corván en Bacigán, C‑289/23 en C‑305/23, EU:C:2024:934, punt 47).
59 Gelet op het voorgaande dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die voorziet in een niet in die bepaling genoemde afwijking van het beginsel van toegang tot een procedure die kan leiden tot kwijtschelding van schuld, en die bepaalt dat een schuldenaar die in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag als „betrokken persoon” is aangemerkt in een vonnis waarbij de insolventie van een derde als „frauduleus” is gekwalificeerd, geen toegang heeft tot die procedure, tenzij hij op de datum van indiening van die aanvraag alle schulden waarvoor hij aansprakelijk was heeft voldaan, ook al wordt er van de nationale rechterlijke instanties niet verlangd dat zij in subjectief opzicht beoordelen of die schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld; als voorwaarde geldt wel dat die afwijking naar behoren gerechtvaardigd is op grond van het nationale recht.
Kosten
60 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 23, lid 1, van richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132 (richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit wanneer de schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld jegens de schuldeisers van een derde en in het kader van de gerechtelijke vaststelling van de frauduleuze insolventie van die derde als „betrokken persoon” is aangemerkt.
2) Artikel 23, lid 2, van richtlijn 2019/1023 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die voorziet in een niet in die bepaling genoemde afwijking van het beginsel van toegang tot een procedure die kan leiden tot kwijtschelding van schuld, en die bepaalt dat een schuldenaar die in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag als „betrokken persoon” is aangemerkt in een vonnis waarbij de insolventie van een derde als „frauduleus” is gekwalificeerd, geen toegang heeft tot die procedure, tenzij hij op de datum van indiening van die aanvraag alle schulden waarvoor hij aansprakelijk was heeft voldaan, ook al wordt er van de nationale rechterlijke instanties niet verlangd dat zij in subjectief opzicht beoordelen of die schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld; als voorwaarde geldt wel dat die afwijking naar behoren gerechtvaardigd is op grond van het nationale recht.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.