HvJ EU 6 maart 2025, C-647/21, ECLI:EU:C:2025:143
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
6 maart 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Rechtsstaat – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Beginsel van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters – Resolutie van het college van een rechterlijke instantie om alle zaken die zijn toegewezen aan een rechter aan hem te onttrekken – Ontbreken van objectieve criteria voor het nemen van een onttrekkingsbesluit – Geen verplichting tot motivering van een dergelijk besluit – Voorrang van het Unierecht – Verplichting om een dergelijk onttrekkingsbesluit niet toe te passen”
In de gevoegde zaken C‑647/21 en C‑648/21,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Słupsku (rechterlijke instantie in eerste en tweede aanleg Słupsk, Polen) bij beslissingen van 20 oktober 2021, ingekomen bij het Hof op 25 oktober 2021, in de strafzaken tegen
D. K. (C‑647/21),
M. C.,
M. F. (C‑648/21),
in tegenwoordigheid van:
Prokuratura Rejonowa w Bytowie,
Prokuratura Okręgowa w Łomży,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 januari 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– de Prokuratura Rejonowa w Bytowie, vertegenwoordigd door T. Rutkowska-Szmydyńska, Prokurator Regionalny w Gdańsku,
– de Prokuratura Okręgowa w Łomży, vertegenwoordigd door A. Bałazy, Zastępca Prokuratora Okręgowego w Łomży,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,
– de Deense regering, vertegenwoordigd door D. Elkan, V. Pasternak Jørgensen en M. Søndahl Wolff als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,
– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Runeskjöld en H. Shev als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann, P. Stancanelli en P. J. O. Van Nuffel als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 2024,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van strafrechtelijke procedures die worden gevoerd tegen D. K. (zaak C‑647/21) alsmede tegen M. C. en M. F. (zaak C‑648/21).
Toepasselijke bepalingen
Grondwet van de Republiek Polen
3 Artikel 178, lid 1, van de Konstytucja Rzeczypospolitej Polskiej (grondwet van de Republiek Polen; hierna: „grondwet”) luidt als volgt: „Rechters zijn bij de uitoefening van hun ambt onafhankelijk en uitsluitend onderworpen aan de grondwet en de wetten.”
4 Artikel 179 van deze grondwet bepaalt: „Rechters worden voor onbepaalde tijd benoemd door de president van de Republiek Polen op voordracht van de Krajowa Rada Sądownictwa [(nationale raad voor de rechtspraak, Polen) (hierna: ‚KRS’)].”
5 Artikel 180 van die grondwet luidt: „1. Rechters kunnen niet van hun ambt worden ontheven. 2. Een rechter kan enkel krachtens een rechterlijke beslissing en uitsluitend in de gevallen waarin de wet voorziet van zijn ambt worden ontheven, worden geschorst of tegen zijn wil naar een ander rechtsgebied of een andere functie worden overgeplaatst.”
Wet betreffende de gewone rechterlijke instanties
6 Artikel 11, § 3, van de ustawa Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. nr. 98, volgnr. 1070), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: „wet betreffende de gewone rechterlijke instanties”), luidt: „De president van een afdeling wordt benoemd door de president van de rechterlijke instantie. […] Alvorens de president van een afdeling in een sąd okręgowy [(regionale rechterlijke instantie in eerste en tweede aanleg, Polen)] of een sąd rejonowy [(rechterlijke instantie in eerste aanleg van een arrondissement, Polen)] te benoemen, raadpleegt de president van de rechterlijke instantie het college van de sąd okręgowy.”
7 Krachtens artikel 21, § 1, punt 2, van deze wet zijn de organen van een sąd okręgowy de president van de rechterlijke instantie, het college van de rechterlijke instantie en de directeur van de rechterlijke instantie.
8 Artikel 22a van die wet luidt als volgt: „§ 1. […] [D]e president van de sąd okręgowy in de sąd okręgowy stelt, na raadpleging van het college van de sąd okręgowy, de taakverdeling vast, waarbij het volgende wordt bepaald: 1) de toewijzing van de rechters […] aan de afdelingen van de rechterlijke instantie; 2) de omvang van de verantwoordelijkheden van de rechters […] alsmede de wijze waarop zij deelnemen aan de toewijzing van zaken; 3) het rooster van dienstdoende en vervangende rechters […], – rekening houdend met de specialisatie van de rechters […] om kennis te nemen van verschillende soorten zaken, met de noodzaak om te zorgen voor een adequate verdeling van de rechters […] over de afdelingen van de sąd okręgowy en voor een eerlijke verdeling van hun verantwoordelijkheden, alsmede met de noodzaak om het vlotte verloop van de gerechtelijke procedures te waarborgen. […] § 4. De president van de sąd okręgowy kan te allen tijde besluiten de taken geheel of gedeeltelijk te herverdelen, indien de in § 1 bedoelde redenen dit rechtvaardigen. […] § 4a. Een rechter kan slechts naar een andere afdeling worden overgeplaatst indien hij daarmee instemt. § 4b. Voor de overplaatsing van een rechter naar een andere afdeling is zijn instemming niet vereist: 1) in geval van overplaatsing naar een andere afdeling die kennisneemt van zaken op hetzelfde gebied; 2) wanneer geen enkele andere rechter van de afdeling van waaruit de overplaatsing plaatsvindt met zijn overplaatsing heeft ingestemd; 3) wanneer de overgeplaatste rechter is toegewezen aan de […] afdeling [voor het kadaster of aan de handelsafdeling voor de pandregisters]. § 4c. Het bepaalde in § 4b, punten 1 en 2, is niet van toepassing op een rechter die, voor een periode van drie jaar, zonder zijn instemming naar een andere afdeling is overgeplaatst. In het geval een rechter in het in § 4b, punt 2, bedoelde geval zonder zijn toestemming naar een andere afdeling wordt overgeplaatst, wordt met name rekening gehouden met de anciënniteit van de rechters in de afdeling van waaruit zij worden overgeplaatst. § 5. De rechter of bijzitter wiens taken dusdanig zijn herverdeeld dat de omvang van zijn verantwoordelijkheden is gewijzigd, met name wegens een overplaatsing naar een andere afdeling van de betrokken rechterlijke instantie, kan binnen zeven dagen na de kennisgeving van zijn nieuwe verantwoordelijkheden beroep aantekenen bij de [KRS]. Er staat geen beroep open in het geval: 1) van overplaatsing naar een afdeling die kennisneemt van zaken op hetzelfde gebied; 2) binnen dezelfde afdeling verantwoordelijkheden worden toegewezen, krachtens op andere rechters toepasselijke regels en, in het bijzonder, in het geval van herroeping van een toewijzing aan een gespecialiseerde afdeling of aan een andere vorm van specialisatie. § 6. Het in § 5 bedoelde beroep wordt aangetekend via de president van de betrokken rechterlijke instantie die de taken waarop het beroep betrekking heeft, heeft verdeeld. Deze president deelt het beroep binnen veertien dagen na ontvangst ervan mede aan de [KRS], samen met zijn standpunt ter zake. De [KRS] neemt een resolutie aan tot toewijzing of verwerping van het door de rechter aangetekende beroep, daarbij rekening houdend met de in lid 1 bedoelde elementen. De beslissing van de [KRS] op het in § 5 bedoelde beroep hoeft niet te worden gemotiveerd. De beslissing van de [KRS] is niet vatbaar voor beroep. De rechter of de bijzitter oefent zijn bestaande verantwoordelijkheden uit totdat de beslissing is vastgesteld.”
9 Artikel 24, § 1, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties bepaalt: „De president van de sąd okręgowy wordt door de minister van Justitie benoemd uit de rechters in de sąd apelacyjny, de sąd okręgowy of de sąd rejonowy. Na de president van een sąd okręgowy te hebben benoemd, presenteert de minister van Justitie hem aan de bevoegde algemene vergadering van rechters van de betrokken sąd okręgowy.”
10 Overeenkomstig artikel 30, § 1, van deze wet is het college van de sąd okręgowy samengesteld uit de president van de sąd okręgowy en de presidenten van de sądy rejonowe die onder de sąd okręgowy ressorteren.
11 Artikel 42a van die wet bepaalt: § 1. In het kader van de werkzaamheden van de rechterlijke instanties of van hun organen is het niet toegestaan om de legitimiteit van de rechterlijke instanties in tweede en eerste aanleg, de grondwettelijke organen van de staat of de organen voor controle en bescherming van het recht in twijfel te trekken. § 2. Een gewone rechterlijke instantie of een ander orgaan van het gezag kan de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van de uit deze benoeming voortvloeiende bevoegdheid tot uitvoering van taken op het gebied van de rechtsbedeling niet vaststellen of toetsen.”
12 Artikel 47a van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties bepaalt: § 1. Zaken worden volgens specifieke categorieën van zaken willekeurig toegewezen aan rechters en bijzitters, behalve wanneer zaken worden toegewezen aan een rechter die piketdienst heeft. § 2. Zaken worden gelijkelijk over de specifieke categorieën verdeeld, tenzij het aandeel is verlaagd vanwege de uitgeoefende functie, de deelname aan de toewijzing van zaken uit een andere categorie of om andere, wettelijk bepaalde redenen.”
13 Artikel 47b van deze wet luidt als volgt: § 1. De samenstelling van een rechterlijke instantie kan slechts worden gewijzigd indien de zaak niet kan worden behandeld in de huidige samenstelling van die instantie of indien er in die samenstelling sprake is van een duurzaam beletsel voor de behandeling van de zaak. Het bepaalde in artikel 47a is van overeenkomstige toepassing. […] § 3. De [in § 1] bedoelde besluiten worden genomen door de president van de rechterlijke instantie of door een door hem aangewezen rechter. § 4. De verandering van standplaats van een rechter, zijn detachering bij een andere rechterlijke instantie of de beëindiging van een detachering vormen geen beletsel voor de vaststelling van [procedurehandelingen] in de aan de standplaats of de huidige plaats van ambtsuitoefening toegewezen zaken totdat die zaken zijn afgesloten. § 5. Het college van de rechterlijke instantie waar de nieuwe standplaats of plaats van detachering van de rechter onder valt, kan zaken op diens verzoek of ambtshalve geheel of gedeeltelijk aan deze rechter onttrekken, met name wegens de afstand tussen deze rechterlijke instantie en de nieuwe standplaats of plaats van detachering van deze rechter en naargelang van de voortgang van de aanhangige zaken. Alvorens een resolutie vast te stellen raadpleegt het college van de rechterlijke instantie de presidenten van de bevoegde rechterlijke instanties. § 6. Het bepaalde in de §§ 4 en 5 is van overeenkomstige toepassing in geval van overplaatsing naar een andere afdeling van dezelfde rechterlijke instantie.”
14 Artikel 17, § 1, van de ustawa roku o zmianie ustawy – Prawo o ustroju sądów powszechnych oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties) van 12 juli 2017 (Dz. U. 2017, volgnr. 1452) bepaalt: „De presidenten en vicepresidenten van de rechterlijke instanties die zijn benoemd op basis van de wet zoals gewijzigd bij artikel 1, in de tot op heden geldende versie, kunnen door de minister van Justitie binnen een termijn van ten hoogste zes maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet van hun ambt worden ontheven, zonder dat de vereisten van artikel 27 van de bij artikel 1 gewijzigde wet, zoals gewijzigd bij deze wet, in acht hoeven te worden genomen.”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
15 De verzoeken om een prejudiciële beslissing zijn door dezelfde rechter ingediend in het kader van het onderzoek van twee afzonderlijke strafzaken.
16 Het hoofdgeding in zaak C‑647/21 komt voort uit een strafprocedure tegen D. K. Bij beslissing van de rechter in eerste aanleg is D. K. veroordeeld tot een gevangenisstraf. Hij heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Słupsku (rechterlijke instantie in eerste en tweede aanleg Słupsk, Polen), de verwijzende rechterlijke instantie. In deze zaak is de alleensprekende rechter – degene die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft toegezonden – zowel rechter-rapporteur als voorzitster van de rechtsprekende formatie.
17 Het hoofdgeding in zaak C‑648/21 komt voort uit een strafzaak tegen M. C. en M. F., die bij beslissing van een rechter in eerste aanleg zijn veroordeeld. De rechterlijke instantie in tweede aanleg waarbij laatstgenoemden hoger beroep hebben ingesteld, heeft M. C. vrijgesproken en de veroordeling van M. F. bevestigd. De Prokurator Generalny (procureur-generaal, Polen) heeft tegen de beslissing van de rechterlijke instantie in tweede aanleg ten aanzien van M. C. cassatieberoep ingesteld bij de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen). De Sąd Najwyższy heeft deze beslissing vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Sąd Okręgowy w Słupsku, de verwijzende rechterlijke instantie. In deze zaak zetelt de rechtsprekende formatie in een meervoudige kamer van drie rechters, te weten de voorzitster van de formatie, de president van de verwijzende rechterlijke instantie en een derde rechter. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend door alleen de voorzitster van de formatie, die ook de rechter is in zaak C‑647/21.
18 In september 2021 heeft de rechter die de onderhavige twee verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, uitspraak gedaan in een procedure die geen verband houdt met de hoofdgedingen, waarbij zij de president van de afdeling voor hoger beroep van de Sąd Okręgowy w Słupsku heeft verzocht om een zaak opnieuw toe te wijzen aan een andere rechter, dan wel om, in de rechtsprekende formatie in die procedure, de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku te vervangen door een andere rechter. Zij heeft dit verzoek gemotiveerd door het feit dat de president van de verwijzende rechterlijke instantie in zijn ambt was benoemd op basis van een resolutie van de KRS in zijn nieuwe samenstelling. De aanwezigheid van een dergelijke rechter in de rechtsprekende formatie schendt daarmee het recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van artikel 19, lid 1, VEU, artikel 47 van het Handvest en artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De vicepresident van de verwijzende rechterlijke instantie, die zelf ook is benoemd op voorstel van de KRS in zijn nieuwe samenstelling, heeft de uitspraak houdende dat verzoek van die rechter vernietigd.
19 In oktober 2021 heeft die rechter in een andere zaak een vonnis van een rechterlijke instantie in eerste aanleg vernietigd dat was gewezen door iemand die tot rechter was benoemd krachtens een resolutie van de KRS in zijn nieuwe samenstelling. Zij heeft haar vernietigingsbeslissing met name gestoeld op artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest.
20 Op 11 oktober 2021 heeft het college van de Sąd Okręgowy w Słupsku, samengesteld uit de president van deze rechterlijke instantie en de presidenten van de vijf sądy rejonowe binnen het ressort van de Sąd Okręgowy w Słupsku, een resolutie vastgesteld met als doel om ongeveer zeventig zaken die binnen de zesde afdeling voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep, met inbegrip van de hoofdgedingen, waren toegewezen aan de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing had ingediend, aan haar te onttrekken (hierna: „resolutie van het college”). Volgens deze rechter is die resolutie niet aan haar betekend en is zij niet in kennis gesteld van de motivering ervan. Zij wijst erop dat de president van de verwijzende rechterlijke instantie haar er enkel van in kennis heeft gesteld dat deze zaken niet langer door haar werden behandeld. Zij voegt daaraan toe dat deze president tweemaal heeft geweigerd haar verzoeken om inzage in die resolutie in te willigen.
21 Op 13 oktober 2021 heeft de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku een beschikking gegeven tot overplaatsing van die rechter van de afdeling voor hoger beroep van deze rechterlijke instantie, waarbij de hoofdgedingen aanhangig zijn, naar de afdeling voor zaken in eerste aanleg (hierna: „overplaatsingsbeschikking”). Een andere rechter is overgeplaatst om haar te vervangen en heeft zitting genomen in de afdeling voor hoger beroep.
22 Volgens de verwijzende rechterlijke instantie wordt in de motivering van de overplaatsingsbeschikking slechts de noodzaak om de goede werking van de twee afdelingen te verzekeren aangestipt. Deze beschikking verwijst tevens naar een niet nader gespecificeerde briefwisseling tussen de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku en de president van een van deze afdelingen.
23 Op 18 oktober 2021 is de overplaatsingsbeschikking van kracht geworden. Deze beschikking bevat geen informatie over eventuele rechtsmiddelen.
24 In die omstandigheden wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, kan aanblijven als alleensprekende rechter in het hoofdgeding in zaak C‑647/21 en als voorzitster van de rechtsprekende formatie in het hoofdgeding in zaak C‑648/21.
25 Volgens deze rechter wordt zij, gelet op de in de punten 18 tot en met 23 van het onderhavige arrest uiteengezette omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de zaken waarin zij rapporteur was, met inbegrip van de hoofdgedingen, aan haar zijn onttrokken, geconfronteerd met de noodzaak om te beslissen op de vraag of dergelijke handelingen strijdig zijn met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest. Indien dat het geval is, wenst die rechter te vernemen of zij de resolutie van het college en de andere daaropvolgende handelingen, zoals het besluit waarbij de aanvankelijk aan haar toegewezen zaken, daaronder begrepen de hoofdgedingen, aan een andere rechter zijn overgedragen, moet negeren.
26 Volgens de verwijzende rechterlijke instantie zijn het feit dat de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, niet langer belast is met de behandeling van de haar toevertrouwde zaken alsmede haar overplaatsing in strijd met de vereisten van onafhankelijkheid en onafzetbaarheid. Daarenboven zijn de maatregelen jegens deze rechter genomen als reactie op haar pogingen na te gaan of de rechterlijke instantie in eerste aanleg voldeed aan het vereiste van een bij wet ingesteld gerecht, en hebben zij tot doel toekomstige pogingen in die zin te voorkomen.
27 In die omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Słupsku de tenuitvoerlegging van de resolutie van het college opgeschort, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof in elk van de hoofdgedingen de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als artikel 47b, §§ 5 en 6, gelezen in samenhang met artikel 30, § 1, en artikel 24, § 1, van [de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties], op grond waarvan een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college van een rechterlijke instantie, de bevoegdheid heeft een rechter van die rechterlijke instantie geheel of gedeeltelijk te ontheffen van zijn taak om de hem toegewezen zaken te behandelen, wanneer: a) dat college van rechtswege bestaat uit de presidenten van rechterlijke instanties die in die functies zijn benoemd door een orgaan van de uitvoerende macht, zoals de minister van Justitie, die tegelijkertijd procureur-generaal is; b) de rechter zonder zijn instemming van de behandeling van de hem toegewezen zaken wordt ontheven; c) het nationale recht niet voorziet in criteria die het college van de rechterlijke instantie moet hanteren wanneer het een rechter ontheft van zijn taak om de hem toegewezen zaken te behandelen, noch in de verplichting tot motivering en rechterlijke toetsing van een dergelijke ontheffing; d) sommige leden van het college van de rechterlijke instantie zijn benoemd tot rechter in omstandigheden die analoog zijn aan de omstandigheden genoemd in het arrest van het Hof van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596? 2) Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen en het beginsel van voorrang [van het Unierecht] aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie die een zaak behandelt in het kader van een binnen de werkingssfeer van [richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1)] vallende strafprocedure, waarvan de behandeling op de in de eerste vraag omschreven wijze is onttrokken aan een rechter, alsook ieder overheidsorgaan de handeling van het college van de rechterlijke instantie en andere daaropvolgende handelingen, zoals beschikkingen waarbij zaken, [de hoofdgedingen] daaronder begrepen, buiten de rechter die van zijn taak is ontheven om opnieuw te worden toegewezen, buiten toepassing kan (of moet) laten, zodat deze rechter kan blijven deelnemen in de rechtsprekende formatie die de zaak behandelt? 3) Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen en het beginsel van voorrang [van het Unierecht] aldus worden uitgelegd dat zij vereisen dat er in de nationale rechtsorde, in het kader van een binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/343 vallende strafprocedure, middelen bestaan die procesdeelnemers, zoals de verdachten in de hoofdgedingen, de mogelijkheid bieden van toetsing van en beroep tegen beslissingen als bedoeld in de [eerste vraag], die ertoe strekken de samenstelling van de in het hoofdgeding rechtsprekende formatie te wijzigen en dientengevolge de rechter aan wie de zaak tot dusver was toegewezen op de in de eerste vraag omschreven wijze te ontheffen van zijn taak om er kennis van te nemen?”
Procedure bij het Hof
Voeging van de zaken
28 Bij beslissing van de president van het Hof van 29 november 2021 zijn de zaken C‑647/21 en C‑648/21 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.
Verzoeken om toepassing van de versnelde procedure
29 De verwijzende rechterlijke instantie heeft verzocht om de onderhavige prejudiciële verwijzingen te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Ter ondersteuning van deze verzoeken heeft zij in wezen aangevoerd dat er reden was voor toepassing van deze procedure omdat de prejudiciële vragen betrekking hebben op fundamentele vragen van Pools recht, en dan met name constitutioneel recht, te weten het beginsel van onafzetbaarheid van rechters en het recht van procespartijen op een onpartijdig en onafhankelijk gerecht dat bij wet is ingesteld. Zij heeft daaraan toegevoegd dat er gegronde redenen waren om aan te nemen dat de redenen om vragen aan het Hof voor te leggen door de vaststelling van andere handelingen in de hoofdgedingen zouden wegvallen en dat de uitvoering van de antwoorden van het Hof zou kunnen worden belemmerd, waardoor de waarborging van de doeltreffendheid van het Unierecht en een effectieve rechterlijke bescherming zouden worden belet.
30 Volgens artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslissen om een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen een korte termijn vereist.
31 Er zij aan herinnerd dat een dergelijke versnelde procedure een procedureel instrument betreft dat is bedoeld om buitengewoon spoedeisende situaties te behandelen (arrest van 21 december 2021, Randstad Italia, C‑497/20, EU:C:2021:1037, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 In casu heeft de president van het Hof op 29 november 2021, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslist dat de verzoeken om de onderhavige prejudiciële verwijzingen volgens een versnelde procedure te behandelen, niet hoefden te worden ingewilligd. De argumenten die de verwijzende rechterlijke instantie ter rechtvaardiging van deze verzoeken aanvoert, zijn namelijk van algemene aard en geven geen specifieke redenen aan die de behandeling van deze prejudiciële verwijzingen binnen korte termijnen rechtvaardigen. Meer bepaald is de omstandigheid dat de gestelde vragen betrekking hebben op fundamentele kwesties van Pools recht en met name van constitutioneel recht niet kenmerkend voor een buitengewone noodsituatie, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde is om een versnelde behandeling te rechtvaardigen. Tot slot rechtvaardigt het feit dat de hoofdgedingen onder het strafrecht vallen op zich niet dat zij versneld worden behandeld.
Schorsing van de behandeling van de zaken en verzoeken om verduidelijking
33 Op 18 oktober 2022 heeft het Hof de behandeling van de gevoegde zaken C‑647/21 en C‑648/21 geschorst in afwachting van zijn arrest in de gevoegde zaken C‑615/20 en C‑671/20. Op 20 juli 2023 heeft het Hof de verwijzende rechterlijke instantie in kennis gesteld van het arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter) (C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562), en haar verzocht mee te delen of zij haar verzoeken om een prejudiciële beslissing in de gevoegde zaken C‑647/21 en C‑648/21 wenste te handhaven.
34 Op instructie van de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku heeft de rechter die de onderhavige twee verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, op 25 september 2023 geantwoord dat de verwijzende rechterlijke instantie haar verzoeken om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
35 Daar dit antwoord op enkele punten dubbelzinnig was, heeft het Hof deze rechterlijke instantie een tweede verzoek om verduidelijking krachtens artikel 101, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering toegezonden. Het Hof heeft met name gevraagd of de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, nog steeds zitting had in de rechtsprekende formaties die de hoofdgedingen behandelen die tot de prejudiciële verwijzingen in de gevoegde zaken C‑647/21 en C‑648/21 hebben geleid, en zo ja, in welke hoedanigheid. De verwijzende rechterlijke instantie heeft dit verzoek op 17 oktober 2023 beantwoord via de rechter die deze verzoeken had ingediend.
Bevoegdheid van het Hof
36 De Deense regering en de Europese Commissie betogen in wezen dat artikel 47 van het Handvest niet op de hoofdgedingen van toepassing is. De Commissie merkt in het bijzonder op dat de verzoeken om een prejudiciële beslissing, met name de bewoordingen van de vragen die door de verwijzende rechterlijke instantie zijn gesteld, weliswaar verwijzen naar richtlijn 2016/343, maar dat niet om uitlegging van deze richtlijn wordt verzocht.
37 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van zijn bevoegdheden kan uitleggen (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Wat de handelingen van de lidstaten betreft, wordt het toepassingsgebied van het Handvest omschreven in artikel 51, lid 1, daarvan, waarin is vastgesteld dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Die bepaling bevestigt de vaste rechtspraak volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 In casu heeft de verwijzende rechterlijke instantie, wat betreft de uitlegging van artikel 47 van het Handvest, geen enkele aanwijzing gegeven dat de hoofdgedingen betrekking hebben op de uitlegging of de toepassing van een Unierechtelijke regel die op nationaal niveau ten uitvoer wordt gelegd. Hoewel de tweede prejudiciële vragen verwijzen naar richtlijn 2016/343, zijn deze vragen namelijk niet gesteld in het licht van de bepalingen van deze richtlijn, en de verwijzende rechterlijke instantie geeft geen enkele uitleg over het verband tussen die richtlijn en deze zaken.
40 Het Hof is in de onderhavige zaken dan ook niet bevoegd om artikel 47 van het Handvest als zodanig uit te leggen.
41 Voorts voeren de Prokuratura Rejonowa w Bytowie (arrondissementsparket Bytów, Polen) en de Prokuratura Okręgowa w Łomży (regionaal parket Łomża, Polen) in wezen aan dat kwesties in verband met de rechterlijke organisatie van de lidstaten, zoals die welke in de gestelde vragen worden opgeworpen, in het bijzonder met betrekking tot de onttrekking van een rechter van de taak om de hem toegewezen zaken te behandelen, onder de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten vallen en niet binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht. De Poolse regering heeft ter terechtzitting daarentegen verklaard dat het Hof volgens haar bevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden.
42 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten weliswaar onder hun bevoegdheid valt, maar dat dit niet wegneemt dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen in acht moeten nemen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht, hetgeen met name het geval kan zijn wat betreft nationale regels inzake de vaststelling van besluiten tot benoeming van rechters en, waar van toepassing, voorschriften aangaande het rechterlijk toezicht dat bij dergelijke benoemingsprocedures geldt [arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen), C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
43 Daarenboven blijkt duidelijk uit de bewoordingen van de gestelde vragen dat zij geen betrekking hebben op de uitlegging van het Poolse recht, maar met name op de uitlegging van artikel 19, lid 1, VEU.
44 Hieruit volgt dat het Hof bevoegd is om zich uit te spreken over de verzoeken om een prejudiciële beslissing, maar niet om artikel 47 van het Handvest als zodanig uit te leggen.
Ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing
45 De Prokuratura Rejonowa w Bytowie en de Prokuratura Okręgowa w Łomży betwisten de ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing. Zij voeren in de eerste plaats aan dat de verwijzende rechter deze verzoeken heeft ingediend nadat het college zijn resolutie had vastgesteld, dus op een datum waarop deze rechter naar aanleiding van die resolutie de zaken in de hoofdgedingen niet langer onder zich had en niet langer bevoegd was om die beslissingen vast te stellen. In de tweede plaats wijzen zij erop dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de individuele situatie van de verwijzende rechter en dat deze vragen derhalve van persoonlijke aard zijn. In de derde plaats betogen zij dat de verzoeken om een prejudiciële beslissing niet voldoen aan de vereisten van artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering. Ter terechtzitting heeft de Poolse regering dan weer verklaard dat deze verzoeken wel ontvankelijk waren.
46 De Commissie betoogt verder dat de derde prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn omdat de vraag of er voor de verdachte in de hoofdgedingen mogelijk een doeltreffende voorziening in rechte bestaat, noch in limine litis rijst als een preliminaire vraag noch noodzakelijk is voor de beslechting van die zaken.
47 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend de taak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden [arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte), C‑510/19, EU:C:2020:953, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
48 Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Het Hof heeft in dat verband reeds benadrukt dat een antwoord op prejudiciële vragen noodzakelijk kan zijn om verwijzende rechterlijke instanties een uitlegging van het Unierecht te verschaffen die hen in staat stelt om procedurele vragen van nationaal recht te beslechten alvorens ten gronde uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen (arrest van 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a., C‑748/19–C‑754/19, EU:C:2021:931, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Wat betreft de eerste grief van niet-ontvankelijkheid, die eraan is ontleend dat de betrokken rechter deze verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend toen zij de hoofdgedingen niet langer onder zich had, moet worden vastgesteld dat, ten eerste, uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat de hoofdgedingen bij haar aanhangig waren op de datum waarop deze verzoeken om een prejudiciële beslissing bij het Hof zijn ingediend, te weten 20 oktober 2021, en, ten tweede, de verwijzende rechterlijke instantie die verzoeken om een prejudiciële beslissing niet heeft ingetrokken nadat die rechter niet langer verantwoordelijk was voor de behandeling van de zaken in de hoofdgedingen.
51 In haar antwoord op het tweede verzoek om verduidelijking van het Hof heeft de verwijzende rechterlijke instantie namelijk bevestigd dat de betrokken rechter, op de datum waarop de verwijzingsbeslissingen zijn vastgesteld, te weten 20 oktober 2021, respectievelijk de rechter-rapporteur en de voorzitster van de rechtsprekende formatie in de twee hoofdgedingen was. De rechterlijke instantie heeft mede aangegeven dat de procedure die aan de prejudiciële verwijzing in zaak C‑648/21 ten grondslag lag, bij beschikking van 21 oktober 2021, dus nadat die verwijzingsbeslissingen waren vastgesteld, is toegewezen aan een andere rechter-rapporteur, die voorheen zitting had in de formatie van drie rechters die deze procedure in behandeling moest nemen, en dat de samenstelling van de enkelvoudige kamer in de procedure die aan de prejudiciële verwijzing in zaak C‑647/21 ten grondslag lag, ook op 21 oktober 2021 is gewijzigd. Deze rechterlijke instantie heeft bovendien bevestigd dat de behandeling van deze twee procedures ten gevolge van de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing was en nog steeds is geschorst.
52 Wat betreft de tweede grief van niet-ontvankelijkheid, die eraan is ontleend dat de prejudiciële vragen in wezen betrekking hebben op de individuele situatie van de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend en dus geen verband houden met de hoofdgedingen, moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechterlijke instantie in de context van de hoofdgedingen wordt geconfronteerd met procedurele vragen die zij in limine litis dient te beantwoorden en waarvan de beslechting afhangt van de uitlegging van de bepalingen en de beginselen van het Unierecht waarop deze prejudiciële vragen betrekking hebben. Deze prejudiciële vragen strekken er namelijk in wezen toe vast te stellen of deze rechter, gelet op die bepalingen en beginselen van het Unierecht, het onderzoek van de hoofdgedingen kan voortzetten ondanks de resolutie van het college waarbij deze zaken aan haar zijn onttrokken.
53 Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, zijn prejudiciële vragen die ertoe strekken een verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen om in limine litis uitspraak te doen over procedurele moeilijkheden, zoals die welke verband houden met haar eigen bevoegdheid om kennis te nemen van een bij haar aanhangige zaak of met de rechtsgevolgen die al dan niet moeten worden verbonden aan een rechterlijke beslissing die eraan in de weg kan staan dat het onderzoek van een dergelijke zaak door die rechterlijke instantie wordt voortgezet, krachtens artikel 267 VWEU ontvankelijk [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
54 Wat betreft de derde grief van niet-ontvankelijkheid, volgens welke de verzoeken om een prejudiciële beslissing niet voldoen aan de vereisten van artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering, volstaat het op te merken dat, zoals blijkt uit de punten 6 tot en met 14 respectievelijk 15 tot en met 26 van het onderhavige arrest, deze verzoeken om een prejudiciële beslissing, zoals zij door de verwijzende rechterlijke instantie zijn verduidelijkt in haar antwoord op de twee verzoeken om verduidelijking van het Hof, met betrekking tot een deel van de eerste vragen en de tweede vragen alle door dat artikel 94, onder a) en b), vereiste informatie bevatten, met name de inhoud van de nationale bepalingen die in casu van toepassing kunnen zijn, een uiteenzetting van de redenen waarom de verwijzende rechterlijke instantie twijfelt over de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het verband dat deze rechterlijke instantie legt tussen die bepaling en de aangevoerde nationale regels, zodat het Hof de prejudiciële vragen kan beantwoorden.
55 Met betrekking tot het deel van de eerste vragen dat betrekking heeft op de samenstelling van het college van een rechterlijke instantie, namelijk het feit dat de minister van Justitie, die tevens de procureur-generaal is, bevoegd is voor de benoeming van de presidenten van de sądy rejonowe die het college van een sąd okręgowy vormen, en voorts het feit dat sommige leden van het college tot rechter zijn benoemd op voordracht van de onvoldoende waarborgen voor onafhankelijkheid biedende KRS in zijn nieuwe samenstelling, zij eraan herinnerd dat, aangezien de verwijzingsbeslissing als grondslag dient voor de procedure van artikel 267 VWEU, de nationale rechterlijke instantie in die verwijzingsbeslissing zelf het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding moet toelichten en de nodige toelichting moet geven over de redenen voor de keuze van de Unierechtelijke bepalingen waarvan zij om uitlegging verzoekt en over het verband dat zij ziet tussen die bepalingen en de nationale wettelijke regeling die van toepassing is op het bij haar aanhangige geding [zie in die zin arrest van 4 juni 2020, C.F. (Belastingcontrole), C‑430/19, EU:C:2020:429, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
56 Afgezien van enkele beperkte toelichtingen op de samenstelling van het college van een rechterlijke instantie, wordt in de verwijzingsbeslissingen in casu het nationale rechtskader voor de benoeming van de leden van dat college evenwel onvoldoende verduidelijkt. In die beslissingen wordt evenmin toegelicht waarom het Hof een antwoord moet geven op het deel van de eerste vragen dat betrekking heeft op de samenstelling van het college van een rechterlijke instantie. In die omstandigheden beschikt het Hof niet over voldoende gegevens om dit deel van de eerste vragen nuttig te kunnen beantwoorden, zodat de verzoeken om een prejudiciële beslissing in zoverre niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering.
57 Met betrekking tot de derde prejudiciële vragen, waarmee de verwijzende rechterlijke instantie wenst te vernemen of de beklaagden in de hoofdgedingen over een mogelijk daadwerkelijk rechtsmiddel beschikken, moet worden vastgesteld dat deze vragen geen preliminaire vragen zijn die in limine litis rijzen en evenmin noodzakelijk zijn voor de beslechting van de hoofdgedingen. Meer bepaald komt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet naar voren of ten principale de vraag rijst of de beklaagden de regelmatigheid van de rechtsprekende formatie die kennis moet nemen van hun zaken, kunnen betwisten.
58 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de verzoeken om een prejudiciële beslissing ontvankelijk zijn, met uitzondering van het deel van de eerste vragen dat betrekking heeft op de samenstelling van het college van een rechterlijke instantie alsmede van de derde prejudiciële vragen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vragen
59 Vooraf moet allereerst worden opgemerkt dat de verwijzende rechterlijke instantie met haar eerste prejudiciële vragen weliswaar formeel wenst te vernemen of het met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verenigbaar is dat een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college ervan, bevoegd is om een deel van of alle zaken die aan een rechter van die rechterlijke instantie zijn toegewezen aan hem te onttrekken, maar dat uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat deze eerste vragen hoofdzakelijk betrekking hebben op de nationale regeling die de procedure regelt volgens welke zaken aan een rechter kunnen worden onttrokken.
60 Zelfs al is de overplaatsing van de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, van de afdeling voor hoger beroep van de verwijzende rechterlijke instantie waarbij de hoofdgedingen aanhangig zijn naar de afdeling in eerste aanleg van die rechterlijke instantie, een belangrijk element waarmee rekening moet worden gehouden om de situatie die door de verwijzende rechterlijke instantie in haar vragen wordt bedoeld te begrijpen, kan uit datzelfde dossier daarentegen niet worden afgeleid dat de eerste vragen aldus moeten worden opgevat dat zij ook betrekking hebben op de verenigbaarheid van een besluit tot overplaatsing of, meer in het algemeen, van een regeling van de overplaatsingsprocedure, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.
61 Gelet op deze vaststellingen moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechterlijke instantie met haar eerste vragen in wezen wenst te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college ervan, een deel van of alle aan een rechter toegewezen zaken aan hem kan onttrekken, zonder dat deze regeling de criteria vastlegt die dit orgaan bij het nemen van een dergelijk onttrekkingsbesluit moeten leiden, de verplichting oplegt om dat besluit te motiveren en voorziet in de mogelijkheid om dat besluit door de rechter te laten toetsen.
62 In dit verband zij eraan herinnerd dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten – met name de invoering, de samenstelling, de bevoegdheden en de werking van de nationale rechterlijke instanties – weliswaar tot de eigen bevoegdheid van die lidstaten behoort, maar dat deze bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en in het bijzonder uit artikel 19 VEU (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, waarnaar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst, is een algemeen beginsel van Unierecht dat is neergelegd in met name artikel 6, lid 1, EVRM, waarmee artikel 47, tweede alinea, van het Handvest overeenstemt. Laatstgenoemde bepaling moet dus naar behoren in aanmerking worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Voorts beoogt artikel 52, lid 3, van het Handvest, voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, te zorgen voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte en de daarmee corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten, zonder de autonomie van het Unierecht aan te tasten. Volgens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM. Derhalve dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het in de onderhavige zaken geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt geboden door artikel 6, lid 1, EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Na deze precisering zij er, in de eerste plaats, aan herinnerd dat elke lidstaat krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, moet verzekeren dat de instanties die als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht geroepen zijn om te oordelen over de toepassing of de uitlegging van dit recht en die dus deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden op de onder het Unierecht vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming, waaronder dat van onafhankelijkheid (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 Dit vereiste van onafhankelijkheid van rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, behoort tot de kern van het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en het grondrecht op een eerlijk proces, die van het grootste belang zijn als waarborg voor de bescherming van alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten en tevens voor het behoud van de in artikel 2 VEU verankerde waarden die de lidstaten gemeen hebben en met name die van de rechtsstaat (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 Het genoemde vereiste van onafhankelijkheid heeft twee aspecten. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen. Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip „onpartijdigheid” en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Hoewel het „externe” aspect van de onafhankelijkheid voornamelijk bedoeld is om de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht te bewaren overeenkomstig het beginsel van de scheiding der machten dat kenmerkend is voor de werking van een rechtsstaat, beoogt dat aspect ook de rechters te beschermen tegen ongepaste beïnvloeding vanuit de betrokken rechterlijke instantie (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69 Ook moet worden onderstreept dat de uitoefening van de rechtsprekende taak niet alleen gevrijwaard moet zijn tegen elke rechtstreekse beïnvloeding, in de vorm van instructies, maar ook tegen meer indirecte vormen van beïnvloeding die rechterlijke beslissingen zouden kunnen sturen [zie in die zin arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C‑197/23, EU:C:2024:956, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
70 Voor deze waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn regels nodig, onder andere met betrekking tot de samenstelling van het betrokken orgaan, die geschikt moeten zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel weg te nemen over de vraag of dit orgaan zich niet laat beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 52).
71 Overigens heeft ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens benadrukt dat het fundamentele belang van met name rechterlijke onafhankelijkheid en rechtszekerheid voor de rechtsstaat een bijzondere duidelijkheid van de in elk geval toegepaste regels en duidelijke waarborgen vereist om te zorgen voor objectiviteit en transparantie en bovenal om elke schijn van willekeur bij de toewijzing van specifieke zaken aan rechters te vermijden (EHRM, 5 oktober 2010, DMD GROUP, a.s. tegen Slowakije, CE:ECHR:2010:1005JUD001933403, § 66).
72 In de tweede plaats vereist artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU ook dat er sprake is van een gerecht „dat vooraf bij wet is ingesteld”, gelet op het onlosmakelijke verband tussen de toegang tot een dergelijk gerecht en de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters [zie in die zin arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C‑197/23, EU:C:2024:956, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
73 De – ook in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest opgenomen – verwijzing naar een „gerecht dat bij wet is ingesteld” is met name een afspiegeling van het beginsel van de rechtsstaat en heeft niet alleen betrekking op de rechtsgrondslag voor het bestaan van dat gerecht zelf, maar ook op de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak en op alle overige nationaalrechtelijke bepalingen waarvan de niet-inachtneming meebrengt dat de deelname van een of meerdere rechters aan de behandeling van de zaak onrechtmatig is (zie naar analogie arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 De regels voor de toewijzing en de hertoewijzing van zaken maken dus deel uit van het begrip gerecht dat „vooraf bij wet is ingesteld”, dat niet alleen vereist dat er sprake is van een rechtsgrondslag voor het bestaan van het gerecht zelf, maar ook dat de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak in acht wordt genomen en dat verdere bepalingen van nationaal recht bestaan waarvan de niet-inachtneming tot gevolg heeft dat de deelname van een of meer rechters aan het onderzoek van de zaak onregelmatig is.
75 Bijgevolg vereist artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU in dit verband ook dat de regels die de samenstelling van rechtsprekende formaties beheersen, elke ongerechtvaardigde inmenging uitsluiten in het besluitvormingsproces in een bepaalde zaak van personen die geen deel uitmaken van de rechtsprekende formatie die met die zaak is belast en voor wie de partijen hun argumenten niet hebben kunnen aanvoeren (zie in die zin arrest van 11 juli 2024Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 59).
76 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten verificaties blijkt in casu dat artikel 47b, § 1, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties bepaalt dat de samenstelling van een rechterlijke instantie mag worden gewijzigd wanneer er „in [de huidige] samenstelling sprake is van een duurzaam beletsel voor de behandeling van de zaak”, zonder nadere verduidelijking. Hoewel § 4 van dat artikel 47b in wezen bepaalt dat een rechter ondanks zijn overplaatsing naar een andere plaats of zijn detachering bij een andere rechterlijke instantie verantwoordelijk blijft voor de behandeling van zaken die aan hem zijn toegewezen totdat die zaken zijn afgesloten, bepaalt § 5 van artikel 47b dat zijn zaken bij besluit van het college van de betrokken rechterlijke instantie aan hem kunnen worden onttrokken, zonder dat die bepaling daartoe criteria bevat. Overeenkomstig § 6 van dit artikel beschikt dit college ook over de mogelijkheid om zaken aan een rechter te onttrekken in het geval die rechter wordt overgeplaatst naar een andere afdeling, maar ook hier zonder dat aan deze mogelijkheid precieze criteria zijn verbonden.
77 Vastgesteld moet dus worden dat een nationale regeling als die welke in het vorige punt is beschreven, niet alleen geen objectieve criteria bevat voor de mogelijkheid om een of meer zaken aan een rechter te onttrekken, maar ook het college van de betrokken rechterlijke instantie de mogelijkheid biedt om zaken aan een rechter te onttrekken zonder een dergelijke beslissing te motiveren. De verwijzing naar het bestaan van een „duurzaam beletsel voor de behandeling van de zaak”„in [de huidige] samenstelling” is immers te vaag om te kunnen worden geacht elke willekeur bij de beslissing tot wijziging van een rechtsprekende formatie te kunnen voorkomen. Bovendien heeft de Poolse regering ter terechtzitting voor het Hof bevestigd dat het Poolse recht geen enkele verplichting oplegt om de onttrekking van zaken aan een rechter krachtens artikel 47b, §§ 5 en 6, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties te motiveren.
78 Overigens blijkt, wat betreft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde onttrekkingen, uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de resolutie van het college waarbij de zaken in de hoofdgedingen aan de betrokken rechter zijn onttrokken, niet is gemotiveerd.
79 Daarenboven lijkt deze resolutie van het college niet te kunnen worden gerechtvaardigd door de overplaatsingsbeschikking, waarbij de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku op 13 oktober 2021 krachtens artikel 22a, § 4, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties heeft beslist om de rechter die de onderhavige verzoeken heeft ingediend, over te plaatsen naar een andere afdeling van dezelfde rechterlijke instantie.
80 Deze beschikking is namelijk ten eerste slechts summier onderbouwd door de noodzaak om „de goede werking te waarborgen van de zesde afdeling strafrecht in hogerberoepszaken en van de tweede afdeling strafrecht” van de Sąd Okręgowy w Słupsku.
81 Ten tweede is de resolutie van het college twee dagen vóór de overplaatsingsbeschikking vastgesteld.
82 Overigens heeft het Hof met betrekking tot de onvrijwillige overplaatsing van een rechter naar een andere rechterlijke instantie of de onvrijwillige overplaatsing van een rechter tussen twee afdelingen van dezelfde rechterlijke instantie reeds geoordeeld dat dergelijke overplaatsingen een middel kunnen zijn om toezicht uit te oefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen, aangezien zij niet alleen van invloed kunnen zijn op de omvang van de bevoegdheden van de betrokken magistraten en de behandeling van de hun toevertrouwde dossiers, maar ook aanzienlijke gevolgen voor hun leven en loopbaan kunnen hebben en dus gevolgen kunnen meebrengen die vergelijkbaar zijn met die van een tuchtmaatregel [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 115].
83 Evenzo kan de onttrekking aan een rechter van zaken die hij moet behandelen, zonder dat de betrokken nationale regeling objectieve criteria vaststelt waarmee een dergelijke onttrekkingsmogelijkheid kan worden afgebakend en – bovendien – zelfs zonder dat een dergelijk onttrekkingsbesluit hoeft te worden gemotiveerd, niet uitsluiten dat die onttrekking willekeurig is geweest of zelfs een verkapte tuchtmaatregel vormt. Dit is des te meer het geval wanneer een dergelijke onttrekking wordt gevolgd door de overplaatsing van de betrokken rechter naar een andere afdeling van dezelfde rechterlijke instantie.
84 Organisatorische maatregelen tot onttrekking als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, waarvan de uitvoering niet wordt geregeld door voldoende nauwkeurige criteria en waarvoor geen toereikende motiveringsplicht geldt, kunnen dus twijfels doen rijzen over de vraag of de onttrekking van zaken aan de betrokken rechter, gevolgd door overplaatsing, heeft plaatsgevonden in reactie op diens eerdere handelingen.
85 Om te voorkomen dat ruimte wordt gelaten voor willekeur die het gevolg zou kunnen zijn van een niet-transparante procedure en afbreuk zou kunnen doen aan de beginselen van onafhankelijkheid en onafzetbaarheid van rechters, is het dus van belang dat de nationale regels inzake de onttrekking van zaken voorzien in duidelijk omschreven objectieve criteria op grond waarvan zaken aan een rechter kunnen worden onttrokken, alsook in de verplichting om de onttrekkingsbesluiten te motiveren, met name wanneer de betrokken rechter niet met de onttrekking instemt, teneinde te waarborgen dat de onafhankelijkheid van de rechters niet in gevaar wordt gebracht door ongepaste externe invloeden.
86 Gelet op een en ander moet op de eerste prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college van die rechterlijke instantie, een gedeelte van of alle zaken die aan een rechter van die rechterlijke instantie zijn toegewezen aan hem kan onttrekken, zonder dat deze regeling de criteria bevat die dit orgaan bij het nemen van een dergelijk onttrekkingsbesluit moeten leiden en verplicht om dat besluit te motiveren.
Tweede vragen
87 Met zijn tweede vragen wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat zij een nationale rechterlijke instantie en elke andere autoriteit van de betrokken lidstaat verplichten om een resolutie van het college van die rechterlijke instantie waarbij de zaken die aan een rechter in die rechterlijke instantie waren toegewezen aan hem worden onttrokken alsmede de daaropvolgende handelingen, zoals de besluiten inzake de hertoewijzing van die zaken, buiten toepassing te laten wanneer die resolutie is vastgesteld in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.
88 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat het beginsel van het primaat van het Unierecht inhoudt dat dit recht voorrang heeft op het recht van de lidstaten. Dit beginsel verplicht dus alle instanties van de lidstaten om volle werking te verlenen aan de verschillende normen van de Unie, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van die staten aan deze verschillende normen is verleend [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
89 Iedere nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid de bepalingen van het Unierecht moet toepassen, is volgens dat beginsel dan ook met name verplicht om de volle werking van de vereisten van het Unierecht te verzekeren in het geschil dat hem is voorgelegd, en dient daarbij zo nodig op eigen gezag elke nationale regeling of praktijk die in strijd is met een Unierechtelijke bepaling met rechtstreekse werking buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing van deze nationale regeling of praktijk via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
90 Het Hof heeft reeds voor recht verklaard dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest, welke bepaling de lidstaten een duidelijke en nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen enkele voorwaarde is verbonden met betrekking tot met name de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke instanties die gehouden zijn het Unierecht uit te leggen en toe te passen en met betrekking tot het vereiste dat die instanties vooraf bij wet zijn ingesteld, rechtstreekse werking heeft waardoor elke bepaling, rechtspraak of nationale praktijk die in strijd is met die bepalingen van het Unierecht, zoals deze worden uitgelegd door het Hof, buiten toepassing moeten worden gelaten [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
91 Uit vaste rechtspraak volgt eveneens dat het zelfs bij het uitblijven van nationale wettelijke maatregelen waarmee een door het Hof vastgestelde niet-nakoming is beëindigd, aan de nationale rechterlijke instanties staat om alle maatregelen te nemen om de volledige doorwerking van het Unierecht te vergemakkelijken overeenkomstig de overwegingen in het niet-nakomingsarrest. Voorts zijn die rechterlijke instanties volgens het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking verplicht om de onwettige gevolgen van een schending van het Unierecht ongedaan te maken [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
92 Om te voldoen aan de in de punten 88 tot en met 91 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte verplichtingen, moet een nationale rechterlijke instantie een handeling zoals een resolutie van het college van deze rechterlijke instantie, dat in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU heeft bevolen dat de zaken van een rechter aan hem worden onttrokken, buiten toepassing laten wanneer dit in het licht van de betrokken procedurele situatie onontbeerlijk is om de voorrang van het Unierecht te waarborgen [zie naar analogie arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
93 Aangezien het enkel aan de verwijzende rechter staat om de feiten en de toepassing en uitlegging van het nationale recht in het kader van een in artikel 267 VWEU bedoelde procedure definitief te beoordelen, komt het die rechter toe om definitief vast te stellen welke concrete gevolgen het in het vorige punt aangehaalde beginsel meebrengt in de procedures in de hoofdgedingen. Volgens vaste rechtspraak kan het Hof op grond van de gegevens van het dossier die rechter evenwel de elementen met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht verschaffen die daartoe voor deze rechter van waarde kunnen zijn [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
94 In dit verband volgt uit het antwoord op de eerste vragen dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU zich verzet tegen een nationale regeling die de onttrekking van zaken aan een rechter regelt, zoals de door de verwijzende rechterlijke instantie beschreven regeling.
95 In een dergelijke situatie moet een rechtsprekende formatie elke op grondslag van die regeling genomen resolutie buiten toepassing kunnen laten en derhalve het onderzoek van de hoofdgedingen in dezelfde samenstelling kunnen voortzetten, zonder dat de gerechtelijke organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties van de nationale rechterlijke instantie daaraan in de weg kunnen staan [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
96 In dezelfde situatie moeten de organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van deze rechtsprekende formatie een dergelijke resolutie buiten toepassing laten [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 80].
97 Gelet op een en ander moet op de tweede vragen worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat zij een nationale rechterlijke instantie verplichten om een resolutie van het college van die rechterlijke instantie waarbij de zaken die aan een rechter in die rechterlijke instantie waren toegewezen aan hem worden onttrokken alsmede de daaropvolgende handelingen, zoals de besluiten inzake de hertoewijzing van die zaken, niet toe te passen wanneer die resolutie is vastgesteld in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. De gerechtelijke organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van deze rechtsprekende formatie moeten een dergelijke resolutie buiten toepassing laten.
Kosten
98 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college van die rechterlijke instantie, een gedeelte van of alle zaken die aan een rechter van die rechterlijke instantie zijn toegewezen aan hem kan onttrekken, zonder dat deze regeling de criteria bevat die dit orgaan bij het nemen van een dergelijk onttrekkingsbesluit moeten leiden en verplicht om dat besluit te motiveren.
2) Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht moeten aldus worden uitgelegd dat zij een nationale rechterlijke instantie verplichten om een resolutie van het college van die rechterlijke instantie waarbij de zaken die aan een rechter in die rechterlijke instantie waren toegewezen aan hem worden onttrokken alsmede de daaropvolgende handelingen, zoals de besluiten inzake de hertoewijzing van die zaken, niet toe te passen wanneer die resolutie is vastgesteld in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. De gerechtelijke organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van deze rechtsprekende formatie moeten een dergelijke resolutie buiten toepassing laten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 14 november 2024, C-197/23, ECLI:EU:C:2024:956
- HvJ EU 11 juli 2024, C-554/21, ECLI:EU:C:2024:594
- HvJ EU 9 januari 2024, C-181/21, ECLI:EU:C:2024:1
- HvJ EU 13 juli 2023, C-615/20, ECLI:EU:C:2023:562
- HvJ EU 29 maart 2022, C-132/20, ECLI:EU:C:2022:235
- HvJ EU 21 december 2021, C-497/20, ECLI:EU:C:2021:1037
- HvJ EU 16 november 2021, C-748/19, ECLI:EU:C:2021:931
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-487/19, ECLI:EU:C:2021:798
- HvJ EU 15 juli 2021, C-791/19, ECLI:EU:C:2021:596
- HvJ EU 24 november 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:953
- HvJ EU 4 juni 2020, C-430/19, ECLI:EU:C:2020:429
Aangehaald in
- HvJ EU 1 augustus 2025, C-600/23, ECLI:EU:C:2025:617
- HvJ EU 15 januari 2026, C-588/24, ECLI:EU:C:2026:14
- HvJ EU 3 juli 2025, C-646/23, ECLI:EU:C:2025:519
- Conclusie A-G Assink 16 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:557
- Conclusie A-G Assink 16 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:556
- HvJ EU 24 maart 2026, C-521/21, ECLI:EU:C:2026:242
- HvJ EU 1 augustus 2025, C-422/23, ECLI:EU:C:2025:592