HvJ EU 29 januari 2026, C-668/24, ECLI:EU:C:2026:60
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
29 januari 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Richtlijn 1999/70/EG – Door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd bij stichtingen voor dans, opera en orkesten – Werkneemster die op basis van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd is aangesteld – Clausule 5 – Maatregelen ter sanctionering van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd – Nationale regeling die geen omzetting van de arbeidsovereenkomst toestaat, maar wel voorziet in vergoeding voor de geleden schade”
In zaak C‑668/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale di Milano (rechter in eerste aanleg Milaan, Italië) bij beslissing van 7 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op 11 oktober 2024, in de procedure
Eliz Erkut Duygu
tegen
Fondazione Teatro alla Scala di Milano,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: J. Passer, kamerpresident, D. Gratsias en B. Smulders (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Eliz Erkut Duygu, vertegenwoordigd door F. Andretta, E. Casali en L. De Andreis, avvocati,
– Fondazione Teatro alla Scala di Milano, vertegenwoordigd door G. Brambilla, A. Giussani, L. Molteni en A. Rampolla, avvocati,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door L. Fiandaca en A. Giovannini, avvocati dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Delaude en D. Recchia als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de clausules 4 en 5 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (hierna: „raamovereenkomst”), die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Eliz Erkut Duygu, ballerina, en de Fondazione Teatro alla Scala di Milano (stichting La Scala van Milaan, Italië; hierna: „stichting”) over de kwalificatie van de arbeidsverhouding tussen deze partijen, die voortvloeit uit opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die tussen 2016 en 2019 zijn gesloten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 1999/70 luidt: „De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 10 juli 2001 hieraan te voldoen of verzekeren zich er uiterlijk op die datum van dat de sociale partners de nodige bepalingen bij overeenkomst hebben ingevoerd; de lidstaten moeten alle nodige maatregelen treffen om de in deze richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen. Zij stellen de [Europese] Commissie daarvan onverwijld in kennis.”
4 Punt 8 van de algemene overwegingen van de raamovereenkomst luidt als volgt: „Overwegende dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd typisch zijn voor sommige sectoren, beroepen en activiteiten en zowel de werkgevers als de werknemers goed kunnen uitkomen.”
5 Clausule 4 van de raamovereenkomst, met als opschrift „Non-discriminatiebeginsel”, bepaalt: „1. Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd louter op grond van het feit dat zij voor bepaalde tijd werken, niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is. [...] 3. De wijze waarop deze clausule wordt toegepast, wordt door de lidstaten – na raadpleging van de sociale partners – en/of de sociale partners bepaald met inachtneming van de Europese wetgeving en de nationale wetgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten en gebruiken. [...]”
6 Clausule 5 van de raamovereenkomst, met als opschrift „Maatregelen ter voorkoming van misbruik”, luidt: „1. Teneinde misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen, voeren de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken, en/of de sociale partners, wanneer er geen gelijkwaardige wettelijke maatregelen ter voorkoming van misbruik bestaan, op een wijze die rekening houdt met de behoeften van bepaalde sectoren en/of categorieën werknemers, een of meer van de volgende maatregelen in: a) vaststelling van objectieve redenen die een vernieuwing van dergelijke overeenkomsten of verhoudingen rechtvaardigen; b) vaststelling van de maximale totale duur van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd; c) vaststelling van het aantal malen dat dergelijke overeenkomsten of verhoudingen mogen worden vernieuwd. 2. De lidstaten, na raadpleging van de sociale partners, en/of, waar nodig, de sociale partners bepalen onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd: a) als ‚opeenvolgend’ worden beschouwd; b) geacht worden voor onbepaalde tijd te gelden.”
Italiaans recht
Wetsbesluit nr. 64 van 30 april 2010
7 Artikel 3, lid 6, van decreto-legge n. 64 – Disposizioni urgenti in materia di spettacolo e attività culturali (voorlopig wetsbesluit nr. 64 tot vaststelling van spoedmaatregelen voor voorstellingen en culturele activiteiten) van 30 april 2010 (GURI nr. 100 van 30 april 2010), omgezet, met wijzigingen, in wet nr. 100 van 29 juni 2010 (GURI nr. 150 van 30 juni 2010, blz. 2), bepaalt ten eerste dat artikel 3, leden 4 en 5, van legge n. 426 – Provvedimenti straordinari a sostegno delle attività musicali (wet nr. 426 tot invoering van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van muziekactiviteiten) van 22 juli 1977 (GURI nr. 206 van 28 juli 1977), van toepassing blijft op stichtingen voor dans, opera en orkesten, ofschoon zij zijn omgevormd tot privaatrechtelijke rechtspersonen. Ten tweede is volgens die bepaling artikel 1, leden 1 en 2, van decreto legislativo n. 368 – Attuazione della direttiva 1999/70/CE relativa all’accordo quadro sul lavoro a tempo determinato concluso dall’UNICE, dal CEEP e dal CES (wetsbesluit nr. 368 tot omzetting van richtlijn 1999/70/EG betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd) van 6 september 2001 (GURI nr. 235 van 9 oktober 2001), niet van toepassing op stichtingen voor dans, opera en orkesten.
Wetsbesluit nr. 91 van 8 augustus 2013
8 Artikel 11 van decreto-legge n. 91 – Disposizioni urgenti per la tutela, la valorizzazione e il rilancio dei beni e delle attività culturali e del turismo (voorlopig wetsbesluit nr. 91 tot vaststelling van spoedmaatregelen voor de bescherming, de exploitatie en het herstel van het cultureel erfgoed, culturele activiteiten en het toerisme) van 8 augustus 2013 (GURI nr. 186 van 9 augustus 2013), na wijziging omgezet in wet nr. 112 van 7 oktober 2013 (GURI nr. 236 van 8 oktober 2013, blz. 1), met als opschrift „Spoedmaatregelen voor de reorganisatie van stichtingen voor dans, opera en orkesten en de heropleving van het nationale muzieksysteem van topkwaliteit”, bepaalt in lid 19: „De arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd met de stichtingen voor dans, opera en orkesten komt uitsluitend via openbare selectieprocedures tot stand [...].”
Wetsbesluit nr. 81/2015
9 De verwijzende rechter verduidelijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten deels zijn gesloten onder de gelding van de oorspronkelijke versie van decreto legislativo n. 81 – Disciplina organica dei contratti di lavoro e revisione della normativa in tema di mansioni, a norma dell’articolo 1, comma 7, della legge 10 dicembre 2014, n. 183 (wetsbesluit nr. 81 betreffende de organieke regeling voor arbeidsovereenkomsten en de herziening van de wettelijke regeling betreffende arbeidstaken, overeenkomstig artikel 1, lid 7, van wet nr. 183 van 10 december 2014), van 15 juni 2015 (gewoon supplement bij GURI nr. 144 van 24 juni 2015; hierna: „wetsbesluit nr. 81/2015”), en deels onder de gelding van dit wetsbesluit, zoals gewijzigd bij voorlopig wetsbesluit nr. 87 van 12 juli 2018, omgezet in wet nr. 96 van 9 augustus 2018 (hierna: „wetsbesluit nr. 81/2015, zoals gewijzigd”).
10 Artikel 19 van wetsbesluit nr. 81/2015 bepaalde: „1. De arbeidsovereenkomst kan worden gesloten voor een bepaalde duur van ten hoogste 36 maanden. 2. Tenzij in collectieve overeenkomsten anders is bepaald en met uitzondering van seizoensarbeid als bedoeld in artikel 21, lid 2, mag de duur van arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd tussen dezelfde werkgever en dezelfde werknemer als gevolg van opeenvolgende overeenkomsten voor het vervullen van taken van hetzelfde niveau en dezelfde juridische categorie, en ongeacht perioden van onderbreking tussen twee arbeidsovereenkomsten, niet meer dan 36 maanden bedragen. Bij de berekening van deze termijn wordt ook rekening gehouden met de perioden van opdrachten met taken van hetzelfde niveau en dezelfde juridische categorie die in het kader van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd tussen dezelfde personen zijn verricht. Wanneer de limiet van 36 maanden als gevolg van één enkele overeenkomst of een opeenvolging van overeenkomsten wordt overschreden, wordt de overeenkomst met ingang van de datum waarop de termijn wordt overschreden, omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. 3. Onverminderd lid 2 kan een andere overeenkomst voor bepaalde tijd tussen dezelfde personen, met een maximumduur van 12 maanden, worden gesloten bij het territoriaal bevoegde directoraat voor arbeid. Indien de beschreven procedure niet in acht wordt genomen en de in die overeenkomst vastgestelde termijn wordt overschreden, wordt deze overeenkomst met ingang van de datum van sluiting ervan omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd.”
11 Artikel 21 van dit wetsbesluit bepaalde: „1. De duur van een overeenkomst voor bepaalde tijd kan met instemming van de werknemer slechts worden verlengd indien de aanvankelijke duur van de overeenkomst minder dan 36 maanden bedraagt en in elk geval ten hoogste vijfmaal binnen een periode van 36 maanden, ongeacht het aantal overeenkomsten. Indien het aantal verlengingen hoger is, wordt de overeenkomst op de datum waarop de zesde verlenging ingaat, omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. 2. Indien de werknemer binnen tien dagen na afloop van een overeenkomst van ten hoogste zes maanden, of binnen twintig dagen na afloop van een overeenkomst van meer dan zes maanden, opnieuw voor bepaalde tijd in dienst wordt genomen, wordt de tweede overeenkomst omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing op werknemers die seizoensgebonden activiteiten verrichten die zijn aangewezen bij besluit van het ministerie van Arbeid en Sociaal Beleid, noch in de gevallen waarin collectieve arbeidsovereenkomsten voorzien. De bepalingen van decreet nr. 1525 van de president van de Republiek van 7 oktober 1963 blijven van toepassing totdat het in de tweede zin bedoelde besluit is aangenomen. [...]”
12 Artikel 29, lid 3, van dat wetsbesluit luidde: „De bepalingen van artikel 19, leden 1 tot en met 3, en artikel 21 zijn niet van toepassing op het artistieke en technische personeel van stichtingen voor muziekproductie als bedoeld in wetsbesluit nr. 367 van 29 juni 1996.”
13 Volgens de verwijzende rechter sluit deze laatste bepaling aan bij de eerdere bepaling, te weten artikel 11, lid 4, van wetsbesluit nr. 368/2001 van 6 september 2001, dat bepaalde dat de regels van de artikelen 4 en 5 van laatstgenoemd wetsbesluit betreffende respectievelijk de tijds- en oorzakelijke beperkingen voor overeenkomsten voor bepaalde tijd en de omzetting van de overeenkomst in een overeenkomst voor onbepaalde tijd in geval van niet-naleving, niet van toepassing waren op het artistieke en technische personeel van stichtingen voor muziekproductie.
14 Artikel 19 van wetsbesluit nr. 81/2015, zoals gewijzigd, bepaalde: „1. Een arbeidsovereenkomst kan worden gesloten voor een bepaalde duur van ten hoogste 12 maanden. Zij kan worden gesloten voor een langere periode, die echter niet langer mag zijn dan 24 maanden, indien aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan: a) er is sprake van tijdelijke en objectieve behoeften die niets van doen hebben met de normale activiteit, of het is noodzakelijk om andere werknemers te vervangen; b) er is sprake van behoeften in verband met tijdelijke, aanzienlijke en onvoorspelbare toenames van de normale activiteit. [...] ((b-bis) er is sprake van specifieke behoeften waarin de in artikel 51 bedoelde collectieve overeenkomsten voorzien.)) ((1.1 De in lid 1 van dit artikel bedoelde duur van meer dan 12 maanden, maar in geen geval meer dan 24 maanden, kan worden opgenomen in arbeidsovereenkomsten in geval van specifieke behoeften die zijn vastgelegd in de in artikel 51 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomsten, overeenkomstig lid 1, onder b-bis), tot 30 september 2022.)) 1-bis. Indien de overeenkomst voor een duur van meer dan 12 maanden is gesloten zonder dat aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt de overeenkomst met ingang van de datum waarop de termijn van 12 maanden wordt overschreden, omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. 2. Tenzij in collectieve overeenkomsten anders is bepaald en met uitzondering van seizoensarbeid als bedoeld in artikel 21, lid 2, mag de duur van arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd tussen dezelfde werkgever en dezelfde werknemer als gevolg van opeenvolgende overeenkomsten voor het vervullen van taken van hetzelfde niveau en dezelfde juridische categorie, en ongeacht perioden van onderbreking tussen twee arbeidsovereenkomsten, niet meer dan 24 maanden bedragen. Bij de berekening van deze termijn wordt ook rekening gehouden met de perioden van opdrachten met taken van hetzelfde niveau en dezelfde juridische categorie die in het kader van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd tussen dezelfde personen zijn verricht. Wanneer de limiet van 24 maanden als gevolg van één enkele overeenkomst of een opeenvolging van overeenkomsten wordt overschreden, wordt de overeenkomst met ingang van de datum waarop de termijn wordt overschreden, omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. 3. Onverminderd lid 2 kan een andere overeenkomst voor bepaalde tijd tussen dezelfde personen, met een maximumduur van 12 maanden, worden gesloten bij het territoriaal bevoegde directoraat voor arbeid. Indien de beschreven procedure niet in acht wordt genomen en de in die overeenkomst vastgestelde termijn wordt overschreden, wordt deze overeenkomst met ingang van de datum van sluiting ervan omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. [...]”
15 Artikel 21 van wetsbesluit nr. 81/2015, zoals gewijzigd, luidde als volgt: „01. De overeenkomst kan slechts worden hernieuwd indien aan de voorwaarden van artikel 19, lid 1, is voldaan. De overeenkomst kan in de eerste 12 maanden vrijelijk worden verlengd en daarna alleen indien aan de voorwaarden van artikel 19, lid 1, is voldaan. In geval van schending van de bepalingen van de eerste en de tweede volzin wordt de overeenkomst omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Overeenkomsten voor seizoensgebonden activiteiten als bedoeld in lid 2 van dit artikel kunnen worden hernieuwd of verlengd, ook al is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, lid 1. 1. De duur van een overeenkomst voor bepaalde tijd kan, met instemming van de werknemer, slechts worden verlengd indien de aanvankelijke duur van de overeenkomst minder dan 24 maanden bedraagt en in elk geval ten hoogste viermaal binnen een periode van 24 maanden, ongeacht het aantal overeenkomsten. Indien het aantal verlengingen hoger is, wordt de overeenkomst op de datum waarop de vijfde verlenging ingaat, omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. 2. Indien de werknemer binnen tien dagen na afloop van een overeenkomst van ten hoogste zes maanden, of binnen twintig dagen na afloop van een overeenkomst van meer dan zes maanden, opnieuw voor bepaalde tijd in dienst wordt genomen, wordt de tweede overeenkomst omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing op werknemers die seizoensgebonden activiteiten verrichten die zijn aangewezen bij decreet van het ministerie van Arbeid en Sociaal Beleid, noch in de gevallen waarin collectieve arbeidsovereenkomsten voorzien. De bepalingen van besluit nr. 1525 van de president van de Republiek van 7 oktober 1963 blijven van toepassing totdat het in de tweede zin bedoelde besluit is aangenomen. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
16 Verzoekster in het hoofdgeding, Eliz Erkut Duygu, heeft tussen 2014 en 2019 in het kader van verschillende overeenkomsten in het corps de ballet van de stichting gewerkt als ballerina. Meer bepaald heeft zij na een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, van 4 november 2014 tot en met 18 januari 2015, als leerling, na een selectieprocedure een reeks opeenvolgende overeenkomsten gesloten als zelfstandige tussen 16 augustus 2016 en 9 juli 2019.
17 Aangezien zij van mening was dat zij permanent deel uitmaakte van het personeel van de stichting en dat zij haar arbeidsprestatie op dezelfde wijze had verricht als personeel met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, heeft Erkut Duygu beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Tribunale di Milano (rechter in eerste aanleg Milaan, Italië), waarbij zij aanvoerde dat de overeenkomsten die zij als zelfstandige met de stichting had gesloten, onrechtmatig waren. Zij heeft die rechter verzocht vast te stellen dat de arbeidsverhouding naar haar aard een arbeidsverhouding in loondienst is, en te gelasten dat zij opnieuw in dienst wordt genomen, op grond dat de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd misbruik opleveren.
18 Deze rechter merkt op dat het geding dat aldus bij hem aanhangig is gemaakt, past in de context van procedures die zijn ingesteld door andere dansers van de stichting, waarover de Tribunale di Milano reeds uitspraak heeft gedaan. In het bijzonder heeft deze rechter in de context van een feitelijke situatie die vergelijkbaar is met die van de onderhavige zaak, erkend dat de tussen die stichting en die dansers als zelfstandigen gesloten overeenkomsten louter fictief waren en dat deze overeenkomsten werden gebruikt als middel om de toepasselijke wetgeving te omzeilen, en heeft hij vastgesteld dat er sprake was van een arbeidsverhouding in loondienst. De rechter heeft echter niet gelast dat de werknemers terug in dienst worden genomen, aangezien de mogelijkheid om misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen door deze om te zetten in overeenkomsten voor onbepaalde tijd, is uitgesloten op grond van een rechtspraak die de verenigde kamers van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) in 2023 voor het eerst hebben bevestigd. Deze hoogste rechterlijke instantie is aldus teruggekomen op haar eerdere rechtspraak, waarin het de volledige bescherming van de totstandkoming van een arbeidsverhouding in loondienst in geval van misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd leek te erkennen, ook in de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten.
19 De verwijzende rechter is van oordeel dat deze context rechtvaardigt dat aan het Hof vragen worden voorgelegd over de uitlegging van het Unierecht. Hoewel hij zich ervan bewust is dat een vraag die in wezen vergelijkbaar is met die welke in de onderhavige zaak aan de orde is, door het Hof is onderzocht in het arrest van 25 oktober 2018, Sciotto (C‑331/17, EU:C:2018:859; hierna: „arrest Sciotto”), neemt dit niet weg dat de Italiaanse wetgever na dat arrest ten eerste voorlopig wetsbesluit nr. 59 van 28 juni 2019, omgezet in legge n. 81 – Misure urgenti in materia di personale delle fondazioni lirico sinfoniche (wet nr. 81 houdende spoedmaatregelen betreffende het personeel van stichtingen voor dans, opera en orkesten), van 8 september 2019 (hierna: „voorlopig wetsbesluit nr. 59”), heeft vastgesteld. Ten tweede heeft de Corte suprema di cassazione haar rechtspraak gewijzigd, zodat het Hof opnieuw moet worden gevraagd of de nationale regeling die van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten, zoals uitgelegd door deze hoogste rechterlijke instantie, verenigbaar is met het Unierecht.
20 In dit verband verduidelijkt de verwijzende rechter om te beginnen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten deels zijn gesloten onder de gelding van wetsbesluit nr. 81/2015 en deels onder die van wetsbesluit nr. 81/2015, zoals gewijzigd.
21 Hij wijst er ook op dat geen van deze overeenkomsten onder voorlopig wetsbesluit nr. 59 valt. Deze nieuwe wettelijke regeling, die is vastgesteld om het nationale recht weer in overeenstemming te brengen met de in het arrest Sciotto geformuleerde beginselen, is ratione temporis niet van toepassing, aangezien zij is ingevoerd na de sluiting van de laatste door Erkut Duygu gesloten overeenkomst.
22 Vervolgens benadrukt de verwijzende rechter dat, hoewel de nationale regeling met betrekking tot overeenkomsten voor bepaalde tijd in de sector stichtingen voor dans, opera en orkesten steeds heeft voorzien in een regeling die deze entiteiten vrijstelde van de algemene regeling voor andere economische sectoren, niet alle bepalingen die aanwerving op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd om redenen van beheersing van de overheidsuitgaven verbieden, in de heersende nationale rechtspraak aldus zijn opgevat dat zij de totstandkoming van een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd beletten in geval van bewezen misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
23 Zo is er rechtspraak ontwikkeld om de rechtspositie van werknemers te beschermen en dus om de totstandkoming van een overeenkomst voor onbepaalde tijd mogelijk te maken, zelfs in geval van een verbod om werknemers in vaste dienst aan te werven. In dit verband verwijst de verwijzende rechter naar arrest nr. 6547/2014 van de Corte suprema di cassazione en arrest nr. 260/2015 van de Corte costituzionale (grondwettelijk hof, Italië).
24 Deze eerdere rechtspraak die pleitte voor de omzetting van overeenkomsten voor bepaalde tijd in overeenkomsten voor onbepaalde tijd, is echter gewijzigd na de uitspraak van het arrest Sciotto.
25 De Corte suprema di cassazione heeft in zijn arresten nr. 5542/2023 en nr. 5556/2023 immers geoordeeld dat de omzetting van overeenkomsten voor bepaalde tijd in overeenkomsten voor onbepaalde tijd niet behoort tot de sancties waarin de nationale regeling voor stichtingen voor dans, opera en orkesten voorziet. Deze hoogste rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat het nationale recht ter vergoeding van misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd, waarmee de vermeende schade – de zogenoemde „communautaire schade” – moet worden vergoed, voorzag in een minimumvergoeding van 2,5 tot 12 maandsalarissen, tenzij werd aangetoond dat de schade groter was.
26 De verwijzende rechter verduidelijkt dat de Corte suprema di cassazione in die arresten uitdrukkelijk is ingegaan op de vraag of zijn rechtspraak verenigbaar is met de beginselen die het Hof in het arrest Sciotto heeft geformuleerd. De verwijzende rechter heeft echter twijfels over die verenigbaarheid, aangezien het Hof in dat arrest duidelijk lijkt te hebben aangegeven dat de omzetting van een overeenkomst voor bepaalde tijd in een overeenkomst voor onbepaalde tijd de enige maatregel is waarmee de naleving van clausule 5 van de raamovereenkomst kan worden gewaarborgd in geval van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
27 Bovendien is de verwijzende rechter van oordeel dat het Hof uitdrukking heeft gegeven aan de horizontale bindende werking van het non-discriminatiebeginsel. De Corte suprema di cassazione leek echter weinig geneigd om dit beginsel te erkennen. In zijn in punt 25 van het onderhavige arrest genoemde arresten heeft deze hoogste rechterlijke instantie verklaard dat de betrekkingen tussen de werknemer en de stichtingen voor dans, opera en orkesten niet vergelijkbaar zijn met die van werknemers bij andere particuliere werkgevers, gelet op de bijzondere aard van deze betrekkingen, die erin bestaat dat die stichtingen – ondanks de omvorming ervan tot privaatrechtelijke entiteiten – hoofdzakelijk openbaar zijn. De verhouding tussen de werknemer en een dergelijke stichting lijkt dus eerder op de contractuele arbeidsverhouding in overheidsdienst.
28 Volgens de verwijzende rechter kan het feit dat een particuliere entiteit publieke doelstellingen nastreeft of ten dele overheidsfinanciering ontvangt, niet afdoen aan het particuliere karakter ervan. In dit verband merkt deze rechter op dat het Hof in het arrest Sciotto heeft geoordeeld dat de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke aard van de werkgever op zich niet rechtvaardigt dat de werknemer minder wordt beschermd.
29 Ten slotte merkt de verwijzende rechter op dat de discriminatie tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in andere sectoren – die de Corte suprema di cassazione in de in punt 25 van het onderhavige arrest genoemde arresten heeft uitgesloten – door het Hof uitdrukkelijk is erkend en bekritiseerd in punt 71 van het arrest Sciotto.
30 Daarop heeft de Tribunale di Milano de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd: „Moeten de clausules 4 en 5 van de [raamovereenkomst], aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als die in het hoofdgeding, zoals uitgelegd door de Suprema Corte di cassazione (verenigde kamers) in de arresten nr. 5542/2023 en nr. 5556/2023, volgens welke de op arbeidsverhoudingen betrekking hebbende algemene regels die bedoeld zijn om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen door de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd automatisch om te zetten in een overeenkomst voor onbepaalde tijd, niet van toepassing zijn op de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten, indien de voor die sector vastgestelde maatregel, anders dan in de meeste andere economische sectoren, bestaat in de vergoeding van de schade, zij het met een lichtere, op vermoedens gebaseerde bewijsregeling en de bepaling dat de bestuurders aansprakelijk zijn in geval van opzet of een ernstige fout?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
31 In de eerste plaats betogen de stichting en de Italiaanse regering dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.
32 In wezen betogen zij om te beginnen dat de verwijzende rechter het verband tussen de Unierechtelijke bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling niet uiteenzet en dat hij de relevante elementen van dit geding onvolledig heeft uiteengezet. Zo wordt de exacte duur van elk van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten niet vermeld en kan uit de algemene verwijzing naar het geschil in het hoofdgeding niet worden opgemaakt of er sprake is van misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd. Voorts merkt de stichting op dat de arbeidsverhouding tussen haarzelf en Erkut Duygu is gebaseerd op een collectieve arbeidsovereenkomst die voorziet in een maximale arbeidsduur van 60 maanden, welke mogelijkheid wordt erkend door artikel 19 van wetsbesluit nr. 81/2015. Bijgevolg is het feit dat de clausules 4 en 5 van de raamovereenkomst zich zouden kunnen verzetten tegen de algemene regeling die van toepassing is op de sector stichtingen voor dans, opera en orkesten, irrelevant voor het hoofdgeding, aangezien het risico van misbruik van opeenvolging van dit soort overeenkomsten wegens het ontbreken van een op de arbeidsverhouding toepasselijke maximale duur – waarop het arrest Sciotto is gebaseerd – zich in casu in geen geval kan voordoen.
33 Vervolgens bevat de verwijzingsbeslissing geen voldoende nauwkeurige beschrijving van het nationale rechtskader van dit geding, zowel wat de rechtspraak als wat de relevante regelgeving betreft. De verwijzende rechter heeft dus geen volledige weergave gegeven van de inhoud van de door hem aangehaalde arresten van de hoogste rechterlijke instanties, en overigens evenmin van die van de rechtspraak van het Hof. Bovendien heeft de verwijzende rechter slechts gedeeltelijk verwezen naar artikel 29 van wetsbesluit nr. 81/2015, waarvan lid 4 bepaalde dat dit artikel van toepassing is „[o]nverminderd het bepaalde in artikel 36 van wetsbesluit nr. 165 [van 30 maart 2001, met als opschrift ‚Algemene regels voor de organisatie van het werk in overheidsdienst’(GURI nr. 106 van 9 mei 2001, gewoon supplement nr. 112)]”. Dit laatste artikel, zoals uitgelegd in de door de verwijzende rechter aangehaalde arresten van de Corte suprema de cassazione, was van toepassing ten tijde van de feiten van het hoofdgeding. Krachtens deze bepaling heeft de betrokken werknemer recht op vergoeding van de schade die voortvloeit uit het verrichten van arbeid in strijd met dwingende bepalingen inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die in deze sector van toepassing zijn, alsmede op een verlichting van de bewijslast voor de aldus geleden schade. Bovendien is de bestuurder van de entiteit die deze werknemer in dienst heeft, aansprakelijk voor de aan de staat berokkende financiële schade in geval van opzettelijke schending van de bepalingen inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd of grove schuld zijnerzijds. Deze bestuurder wordt ook elke prestatiebonus onthouden en met een dergelijke schending wordt bij de verlenging van zijn overeenkomst rekening gehouden.
34 Ten slotte verzoekt deze rechter volgens de stichting en de Italiaanse regering het Hof om een beoordeling van een vraag die het reeds heeft beantwoord in het arrest Sciotto en in het arrest van 7 maart 2018, Santoro (C‑494/16, EU:C:2018:166).
35 In dit verband is het vaste rechtspraak dat een vermoeden van relevantie rust op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het wettelijke en feitelijke kader dat hij onder zijn eigen verantwoordelijkheid heeft geschetst en ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Aangezien de verwijzende rechter als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen en toe te passen, moet het Hof acht slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst (zie arresten van 15 mei 2003, Salzmann, C‑300/01, EU:C:2003:283, punt 31, en 28 januari 2025, ASG 2, C‑253/23, EU:C:2025:40, punten 56 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [arresten van 14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C‑197/23, EU:C:2024:956, punt 43, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36 Bovendien moet het verzoek om een prejudiciële beslissing voldoen aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en dus met name de uiteenzetting bevatten van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging van bepalingen van het recht van de Unie vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling.
37 In casu heeft de verwijzende rechter een standpunt ingenomen over de kwalificatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten. Hij heeft er namelijk op gewezen dat het in de context van een feitelijke situatie die vergelijkbaar is met die welke in casu aan de orde is, had erkend dat de overeenkomsten die door zelfstandigen met de stichting waren gesloten, louter fictief waren en dat de opeenvolging van die overeenkomsten misbruik opleverde, waarbij dit misbruik niet kon worden bestraft met een omzetting van die overeenkomsten in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Door te benadrukken dat op zijn minst de mogelijkheid bestaat dat die overeenkomsten fictief en oneerlijk zijn, heeft deze rechter de relevante feiten van het hoofdgeding onder zijn verantwoordelijkheid uiteengezet en het verband tussen de bepalingen van het Unierecht en de toepasselijke nationale wettelijke regeling, alsmede het verband tussen de gevraagde uitlegging van het Unierecht en de realiteit of het voorwerp van het hoofdgeding, uiteengezet.
38 Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter van oordeel was dat een collectieve overeenkomst die door de stichting was vermeld als grondslag voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsverhouding op grond van artikel 19 van wetsbesluit nr. 81/2015, niet relevant was. Naast de kwalificatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten, zoals bedoeld in het vorige punt, heeft de verwijzende rechter immers verwezen naar artikel 29 van dit wetsbesluit, volgens hetwelk de bepalingen van artikel 19, leden 1 tot en met 3, ervan niet van toepassing zijn op het artistieke en technische personeel van stichtingen voor muziekproductie, zoals de stichting.
39 Vervolgens heeft de verwijzende rechter, door zijn twijfels te uiten over de verenigbaarheid met de clausules 4 en 5 van de raamovereenkomst van de nationale regeling die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, zoals uitgelegd door een hoogste nationale rechter, aangegeven waarom hij twijfelt over de uitlegging van die Unierechtelijke bepalingen. Hij heeft dus voldaan aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering.
40 Wat voorts de juistheid of de volledigheid van de in de verwijzingsbeslissing aangehaalde nationale rechtspraak of regeling betreft, is het juist dat de verwijzende rechter in casu geen nauwkeurige verwijzingen verstrekt naar een nationale bepaling die van toepassing is op het hoofdgeding en die als sanctie voorziet in de mogelijkheid om bestuurders aansprakelijk te stellen in geval van ernstige fout of opzettelijke schending van de nationale bepalingen inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Evenwel moet worden vastgesteld dat uit de presentatie van de arresten nr. 5542/2023 en nr. 5556/2023 van de Corte suprema di cassazione blijkt dat hij van oordeel is dat een dergelijke regel van kracht was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding. Aangezien het dus niet is uitgesloten dat deze regel deel uitmaakt van de regeling die van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, beschikt het Hof over voldoende gegevens, feitelijk en rechtens, om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven. Hieruit volgt ook dat de prejudiciële vraag in zoverre niet hypothetisch is.
41 Wat ten slotte de stelling betreft dat het Hof reeds uitspraak heeft gedaan over de gestelde vraag, zij eraan herinnerd dat artikel 267 VWEU de nationale rechterlijke instanties de meest uitgebreide bevoegdheid toekent om zich tot het Hof te wenden indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen over de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen doet rijzen. Daaruit volgt dat vaste rechtspraak over een rechtsvraag van het Unierecht het Hof er weliswaar toe kan bewegen een beschikking te geven krachtens artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering, maar geen gevolgen kan hebben voor de ontvankelijkheid van een prejudiciële verwijzing ingeval een nationale rechterlijke instantie in de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid beslist zich krachtens dat artikel 267 tot het Hof te wenden (arrest van 19 juni 2025, Bulgarian posts, C‑785/23, EU:C:2025:462, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 In de tweede plaats zijn de Italiaanse regering en de Commissie van mening dat de gestelde vraag niet-ontvankelijk is voor zover zij betrekking heeft op clausule 4 van de raamovereenkomst. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat deze bepaling niet kan worden ingeroepen in het kader van vermeende ongelijke behandeling van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
43 In dit verband moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter met zijn prejudiciële verwijzing niet opkomt tegen een ongunstige behandeling van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ten opzichte van werknemers in vaste dienst die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, maar tegen een verschil in behandeling tussen verschillende categorieën werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd naargelang van de economische sector waarin zij hun beroepsactiviteit uitoefenen, te weten werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de sector stichtingen voor dans, opera en orkesten en werknemers uit andere sectoren.
44 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat eventuele verschillen in behandeling tussen bepaalde categorieën personeel met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet onder het in de raamovereenkomst neergelegde non-discriminatiebeginsel vallen, aangezien dit beginsel in deze overeenkomst uitsluitend is toegepast en geconcretiseerd met betrekking tot verschillen in behandeling tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werknemers in vaste dienst die zich in een vergelijkbare situatie bevinden (arrest van 13 januari 2022, MIUR en Ufficio Scolastico Regionale per la Campania, C‑282/19, EU:C:2022:3, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Punt 71 van het arrest Sciotto, waarnaar de verwijzende rechter uitdrukkelijk verwijst om zijn prejudiciële vraag betreffende clausule 4 te motiveren, doet geen afbreuk aan deze rechtspraak. In dit punt wordt weliswaar melding gemaakt van een mogelijke discriminatie tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de sector stichtingen voor dans, opera en orkesten en werknemers uit andere sectoren, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat een dergelijke discriminatie, gesteld dat zij zou zijn aangetoond, onder clausule 4 van de raamovereenkomst valt. In dit punt wordt immers enkel bepaald dat werknemers in andere sectoren door de omzetting van hun overeenkomst „vergelijkbare werknemers in vaste dienst” in de zin van die clausule kunnen worden. Uit dat punt blijkt daarentegen niet dat een verschil in behandeling tussen verschillende categorieën werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd naargelang van de economische sector waarin zij hun beroepsactiviteit uitoefenen, onder clausule 4 valt.
46 Hieruit volgt dat clausule 4 van de raamovereenkomst niet van toepassing is op het hoofdgeding. In zoverre is de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk.
Ten gronde
47 Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 5 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door een hoogste nationale rechterlijke instantie, volgens welke de op arbeidsverhoudingen betrekking hebbende algemene regels die bedoeld zijn om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen door dergelijke overeenkomsten automatisch om te zetten in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, niet van toepassing zijn op de sector waarin stichtingen voor dans, opera en orkesten actief zijn, en die als sanctiemaatregel voor misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in deze sector, ten eerste bepaalt dat – onverminderd de mogelijkheid om schadevergoeding te verkrijgen voor grotere schade – een minimumbedrag kan worden toegekend als vergoeding van de geleden schade, waarvan het bewijs op basis van een vermoeden kan worden geleverd, en ten tweede in de mogelijkheid om de bestuurders van deze stichtingen aansprakelijk te stellen in geval van grove schuld of opzettelijke schending van de nationale regeling inzake die overeenkomsten.
48 Volgens vaste rechtspraak heeft clausule 5 van de raamovereenkomst betrekking op maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd. Zij voorziet niet in specifieke sancties voor het geval dat misbruik wordt vastgesteld. In een dergelijk geval staat het aan de nationale instanties om maatregelen vast te stellen die niet alleen evenredig moeten zijn, maar ook voldoende effectief en afschrikkend om ervoor te zorgen dat de krachtens de raamovereenkomst vastgestelde normen hun volle uitwerking krijgen (arresten van 8 mei 2019, Rossato en Conservatorio di Musica F.A. Bonporti, C‑494/17, EU:C:2019:387, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 juni 2024, DG de la Función Pública, Generalitat de Catalunya en Departamento de Justicia de la Generalitat de Catalunya, C‑331/22 en C‑332/22, EU:C:2024:496, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Hieruit volgt dat bij misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd, er een maatregel moet kunnen worden toegepast die voorziet in effectieve en gelijkwaardige garanties ter bescherming van de werknemers, teneinde dit misbruik naar behoren te bestraffen en de gevolgen van de schending van het Unierecht ongedaan te maken. Volgens de tekst van artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 1999/70, waaraan de raamovereenkomst is gehecht, moeten de lidstaten immers „alle nodige maatregelen treffen om de in deze richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen” (arrest van 13 juni 2024, DG de Función Pública, Generalitat de Catalunya en Departamento de Justicia de la Generalitat de Catalunya, C‑331/22 en C‑332/22, EU:C:2024:496, punt 69).
50 In dit verband dient vooraf te worden herinnerd aan de vaste rechtspraak volgens welke de omzetting van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet verplicht is in geval van misbruik van dergelijke overeenkomsten (zie in die zin arrest van 22 februari 2024, Consejería de Presidencia, Justicia e Interior de la Comunidad de Madrid e.a., C‑59/22, C‑110/22 en C‑159/22, EU:C:2024:149, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het bijzonder heeft het Hof met betrekking tot een wettelijke nationale regeling die van toepassing is op de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten geoordeeld dat uit de raamovereenkomst geen algemene verplichting van de lidstaten voortvloeit om in een dergelijke omzetting te voorzien (zie in die zin arrest Sciotto, punt 59).
51 Tevens zij eraan herinnerd dat clausule 5 van de raamovereenkomst er als zodanig niet aan in de weg staat dat een lidstaat het misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd verschillend behandelt, al naargelang de genoemde overeenkomsten of verhoudingen werden aangegaan met een werkgever uit de particuliere sector of een werkgever uit de publieke sector (arrest van 7 maart 2018, Santoro, C‑494/16, EU:C:2018:166, punt 42).
52 Evenzo is de toepassing van verschillende regels op een specifieke economische sector wegens de bijzonderheden die deze kenmerken niet a priori verboden (zie in die zin arrest Sciotto, punten 46‑48). In deze context kan overigens worden verwezen naar punt 8 van de algemene overwegingen van de raamovereenkomst, volgens hetwelk arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd typisch zijn voor sommige sectoren, beroepen en activiteiten en zowel de werkgevers als de werknemers goed kunnen uitkomen.
53 Hieruit volgt dat clausule 5 van de raamovereenkomst zich in beginsel niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die in de specifieke sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten verbiedt dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd automatisch wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in geval van misbruik van eerstgenoemde overeenkomst.
54 Overeenkomstig de in de punten 48 en 49 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet evenwel worden opgemerkt dat een nationale regeling die in de sector stichtingen voor dans, opera en orkesten verbiedt om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen door deze om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, alleen kan worden geacht in overeenstemming met de raamovereenkomst te zijn wanneer de interne rechtsorde van de betrokken lidstaat voor die sector voorziet in een andere effectieve maatregel ter voorkoming en, in voorkomend geval, ter bestraffing van het misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (zie in die zin arresten Sciotto, punt 60, en 22 februari 2024, Consejería de Presidencia, Justicia e Interior de la Comunidad de Madrid e.a., C‑59/22, C‑110/22 en C‑159/22, EU:C:2024:149, punt 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Aangezien het niet aan het Hof staat om uitspraak te doen over de uitlegging van een nationale regeling of nationale rechtspraak, komt de taak om te beoordelen of het nationale recht een dergelijke maatregel bevat toe aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties (zie in die zin arrest van 13 juni 2024, DG de la Función Pública, Generalitat de Catalunya en Departamento de Justicia de la Generalitat de Catalunya, C‑331/22 en C‑332/22, EU:C:2024:496, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Niettemin kan het Hof in zijn prejudiciële beslissing in voorkomend geval preciseringen geven teneinde de nationale rechterlijke instantie te leiden bij haar beoordeling van de regeling die in het bij hem aanhangige geding aan de orde is (arrest van 8 mei 2019, Rossato en Conservatorio di Musica F.A. Bonporti, C‑494/17, EU:C:2019:387, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 In casu verwijst de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vraag naar een nationale regeling die voorziet in twee afzonderlijke maatregelen als sancties voor misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, te weten, ten eerste, de mogelijkheid om vergoeding van de geleden schade te verkrijgen en, ten tweede, de mogelijkheid dat de bestuurders van de betrokken stichting voor dans, opera en orkesten aansprakelijk worden gesteld in geval van grove schuld of opzettelijke schending van de nationale regeling inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
58 Wat in de eerste plaats de vergoeding betreft die de werknemer kan verkrijgen, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de regeling die van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten, zoals uitgelegd door de Corte suprema di cassazione, voorziet in vergoeding van de geleden schade, waarbij het gaat om een vermoedelijke schade die wordt bepaald aan de hand van een minimum- en een maximumbedrag, onverminderd de mogelijkheid om aan te tonen dat de schade groter is. De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat het nationale recht de toekenning van een minimumvergoeding van 2,5 tot 12 maandsalarissen waarborgt.
59 In dit verband moet ten eerste worden geoordeeld dat een dergelijke regeling, die voorziet in schadeloosstelling van de werknemer die slachtoffer is van schade die op basis van een vermoeden is vastgesteld, onverminderd de mogelijkheid om te bewijzen dat de schade groter is, een doeltreffende maatregel kan vormen om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen. In deze context heeft het Hof reeds geoordeeld dat, gelet op de problemen die inherent zijn aan het bewijs van het bestaan van het verlies van een kans, moet worden vastgesteld dat een mechanisme van vermoeden dat de werknemer die tewerkstellingskansen heeft verloren als gevolg van misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd, de mogelijkheid beoogt te waarborgen om de gevolgen van een dergelijke schending van het Unierecht weg te nemen, aan het doeltreffendheidsvereiste kan voldoen (arrest van 7 maart 2018, Santoro, C‑494/16, EU:C:2018:166, punt 50).
60 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter niet welke grenzen bij deze nationale regeling zijn gesteld aan de mogelijkheid om gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in termen van maximumduur of maximale totale duur. Krachtens de nationale regeling die ratione temporis van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten, zoals aangehaald door de verwijzende rechter, kunnen de artikelen 19 tot en met 21 van wetsbesluit nr. 81/2015 en wetsbesluit nr. 81/2015, zoals gewijzigd, die respectievelijk voorzagen in de beperking van de duur van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en de voorwaarden voor de verlenging van de duur van de overeenkomst voor bepaalde tijd, immers niet van toepassing zijn op stichtingen voor dans, opera en orkesten.
61 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is het in een wetgevende context die geen beperkingen voor de duur of voorwaarden voor de vernieuwing of verlenging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd oplegt, moeilijk aan te tonen dat het gebruik van dergelijke overeenkomsten misbruik oplevert, terwijl het bewijs van misbruik noodzakelijk is om vergoeding van de schade te kunnen vorderen. Hieruit volgt dat de vaststelling van deze beperkingen en voorwaarden, zoals deze voortvloeit uit voorlopig wetsbesluit nr. 59 dat ratione temporis echter niet van toepassing is op het hoofdgeding, in belangrijke mate kan bijdragen tot de doeltreffendheid van de regels die voorzien in een verlichting van het bewijs van deze schade en dus tot de doeltreffendheid van de maatregel ter bescherming van de werknemer die slachtoffer is van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
62 Ten tweede heeft het Hof met betrekking tot de berekening van het bedrag van de vergoeding reeds geoordeeld dat het beginsel van volledige vergoeding van de geleden schade en het evenredigheidsbeginsel de lidstaten verplichten om in een geval als dat van het hoofdgeding te voorzien in een adequate vergoeding die meer moet zijn dan een zuiver symbolische schadevergoeding, maar die niet verder hoeft te gaan dan een volledige vergoeding (arrest van 13 juni 2024, DG de la Función Pública, Generalitat de Catalunya en Departamento de Justicia de la Generalitat de Catalunya, C‑331/22 en C‑332/22, EU:C:2024:496, punt 83).
63 In dat verband dient uit de rechtspraak van het Hof te worden afgeleid dat een nationale maatregel die een plafond vaststelt voor de vergoeding die kan worden toegekend in een geval als dat van het hoofdgeding, in situaties waarin het misbruik een bepaalde duur in termen van jaren te boven gaat, noch een evenredig en daadwerkelijk herstel kan bieden, noch een passende en volledige vergoeding vormt van de uit een dergelijk misbruik voortvloeiende schade (zie in die zin arrest van 13 juni 2024, DG de la Función Pública, Generalitat de Catalunya en Departamento de Justicia de la Generalitat de Catalunya, C‑331/22 en C‑332/22, EU:C:2024:496, punt 81). Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zal een maatregel die voorziet in een dergelijke beperking van het bedrag van de vergoeding die kan worden toegekend, voor een werkgever immers geen afschrikkend effect hebben wanneer het maximumbedrag van de vergoeding is bereikt.
64 Zoals in punt 58 van het onderhavige arrest is vermeld, blijkt in casu uit de verwijzingsbeslissing dat de nationale regeling die van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten, zoals uitgelegd door de Corte suprema di cassazione, ten eerste waarborgt dat een minimumvergoeding wordt toegekend ten belope van 2,5 tot 12 maandsalarissen, en ten tweede geen plafond lijkt vast te stellen, aangezien de werknemer het bewijs van een grotere schade kan leveren.
65 Aangezien deze regeling de nationale rechter de mogelijkheid biedt om een passende en volledige vergoeding van de geleden schade toe te kennen, voor zover zij toestaat dat het minimumbedrag wordt overschreden dat is vastgesteld voor het geval dat wordt aangetoond dat de schade groter is, kan die regeling worden beschouwd als een evenredige en dus doeltreffende maatregel ter bestraffing van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Bovendien kan het ontbreken van een plafond bijdragen tot de afschrikkende werking van deze maatregel, aangezien deze werkgevers ertoe kan aanzetten het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te beperken, de maximumduur van deze overeenkomsten in acht te nemen en vernieuwingen of verlengingen die deze duur overschrijden, te beëindigen.
66 Aangezien de evenredigheid en de afschrikkende werking van een dergelijke vergoeding afhangen van de specifieke kenmerken van het concrete geval waarvan de nationale rechter kennis moet nemen, moet er in deze context bovendien op worden gewezen dat de Commissie heeft opgemerkt dat de Italiaanse wetgever in 2024 artikel 36, lid 5, van wetsbesluit nr. 165 van 30 maart 2001 heeft gewijzigd, hetgeen zou hebben geleid tot een verhoging van de vergoeding die kan worden toegekend in geval van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. De werknemer die het slachtoffer is van een dergelijk misbruik heeft immers recht op een vergoeding die tussen 4 en 24 maal het bedrag van het laatste referentieloon bedraagt, onverminderd het recht van die werknemer om te bewijzen dat hij grotere schade heeft geleden. In deze context heeft deze instelling ook verwezen naar een vonnis van de Tribunal ordinario di Cuneo (rechter in eerste aanleg Cuneo, Italië) van 24 september 2024, waarin met name met toepassing van de bedragen die zijn vastgesteld bij deze bepaling, zoals gewijzigd, feiten worden bestraft die zich vóór de inwerkingtreding ervan hebben voorgedaan.
67 In de tweede plaats, voor zover de regeling die van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten, zoals uitgelegd door de Corte suprema di cassazione, naast de mogelijkheid om vergoeding van de geleden schade te verkrijgen, ook voorziet in een regel volgens welke de bestuurder of bestuurders van de betrokken stichting voor dans, opera en orkesten aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de financiële schade die de staat heeft geleden als gevolg van de schending van de in die sector geldende bepalingen inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, wanneer deze schending opzettelijk is of het gevolg is van grove schuld van deze bestuurder(s) – hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan, gelet op hetgeen in punt 40 van het onderhavige arrest is opgemerkt – moet worden opgemerkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het feit dat de nationale wettelijke regeling van de overheid verlangt dat zij bij de verantwoordelijke bestuurders de bedragen terugvordert die aan de werknemers zijn betaald ter vergoeding van de schade als gevolg van schending van die bepalingen, slechts één van de vele maatregelen is die tot doel hebben misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen en te bestraffen, en het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of die aansprakelijkheid voldoende doeltreffend en afschrikkend is om de volle werking te garanderen van de regels die krachtens de raamovereenkomst zijn vastgesteld (arrest Sciotto, punt 63).
68 In voorkomend geval zal de verwijzende rechter bij die beoordeling rekening moeten houden met de door de stichting en de Italiaanse regering aangevoerde omstandigheid – die deze rechter tevens dient te verifiëren – dat de regeling die van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten niet alleen voorziet in de mogelijkheid om de bestuurder persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de aan de staat berokkende financiële schade, maar ook in de weigering om aan die bestuurder een prestatiebonus toe te kennen en/of in het feit dat bij de verlenging van de overeenkomst van die bestuurder met die aansprakelijkheid rekening wordt gehouden. Dergelijke maatregelen vormen immers bijkomende maatregelen die een aanzienlijk afschrikkend effect kunnen hebben wegens de negatieve gevolgen die zij in geval van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen hebben voor de beroepsloopbaan en, in voorkomend geval, voor het persoonlijke vermogen van de bestuurder die verantwoordelijk is voor een dergelijk misbruik.
69 Ten slotte moet worden opgemerkt dat, ingeval de verwijzende rechter van oordeel zou zijn dat de maatregelen ter bestraffing van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd waarin is voorzien in de regeling die van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten, zoals uitgelegd door de Corte suprema di cassazione, niet kunnen worden aangemerkt als doeltreffende maatregelen in de zin van de in punt 54 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, deze rechter ervoor moet zorgen dat hij het nationale recht zoveel mogelijk uitlegt op een wijze die de volle werking van richtlijn 1999/70 verzekert en dat hij tot een oplossing komt die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling.
70 In dit verband zij eraan herinnerd dat clausule 5 van de raamovereenkomst niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om rechtstreekse werking te hebben. Een dergelijke bepaling zonder deze werking kan niet als zodanig in het kader van een onder het Unierecht vallend geding door een particulier voor een nationale rechter worden ingeroepen met het doel een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten (zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Instituto Madrileño de Investigación y Desarrollo Rural, Agrario y Alimentario, C‑726/19, EU:C:2021:439, punten 79 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 Uit vaste rechtspraak blijkt evenwel dat de nationale rechter, bij de toepassing van het nationale recht, dit zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Het is juist dat de verplichting voor de nationale rechter om bij de uitlegging en toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht uit te gaan van de inhoud van een richtlijn, wordt begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, en niet kan dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (zie in die zin arrest van 13 juni 2024, DG de la Función Pública, Generalitat de Catalunya en Departamento de Justicia de la Generalitat de Catalunya, C‑331/22 en C‑332/22, EU:C:2024:496, punten 102 tot en met 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72 Na deze precisering dient de nationale rechter in een dergelijk geval binnen zijn bevoegdheden al het mogelijke te doen om, het gehele nationale recht in beschouwing nemend en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, aan de relevante bepalingen van dat nationale recht zoveel mogelijk een uitlegging te geven die in overeenstemming is met clausule 5 van de raamovereenkomst en aan dat recht een toepassing te geven waarmee misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd naar behoren kan worden bestraft en de gevolgen van de schending van het Unierecht ongedaan kunnen worden gemaakt, zodat de volle werking van richtlijn 1999/70 kan worden gewaarborgd en tot een oplossing kan worden gekomen die strookt met de daarmee nagestreefde doelstelling (zie in die zin arrest van 13 juni 2024, DG de la Función Pública, Generalitat de Catalunya en Departamento de Justicia de la Generalitat de Catalunya, C‑331/22 en C‑332/22, EU:C:2024:496, punten 105 en 107).
73 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat clausule 5 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door een hoogste nationale rechterlijke instantie, volgens welke de op arbeidsverhoudingen betrekking hebbende algemene regels die bedoeld zijn om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen door die overeenkomsten automatisch om te zetten in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, niet van toepassing zijn op de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten, en die als sanctiemaatregel voor misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in deze sector, ten eerste bepaalt dat – onverminderd de mogelijkheid om schadevergoeding te verkrijgen voor grotere schade – een minimumbedrag kan worden toegekend als vergoeding van de geleden schade, waarvan het bewijs op basis van een vermoeden kan worden geleverd, en ten tweede voorziet in de mogelijkheid dat de bestuurders van deze stichtingen aansprakelijk worden gesteld in geval van grove schuld of opzettelijke schending van de nationale regeling inzake die overeenkomsten, voor zover deze maatregelen het mogelijk maken het vastgestelde misbruik doeltreffend te bestraffen, hetgeen aan de nationale rechter staat om te beoordelen. Indien die rechter van oordeel is dat misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten op grond van deze maatregelen niet doeltreffend kan worden bestraft, dient hij zijn nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met die clausule uit te leggen teneinde de volle werking van richtlijn 1999/70 te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling.
Kosten
74 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Clausule 5 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd,
moet aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzet tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door een hoogste nationale rechterlijke instantie, volgens welke de op arbeidsverhoudingen betrekking hebbende algemene regels die bedoeld zijn om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen door die overeenkomsten automatisch om te zetten in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, niet van toepassing zijn op de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten, en die als sanctiemaatregel voor misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in deze sector, ten eerste bepaalt dat – onverminderd de mogelijkheid om schadevergoeding te verkrijgen voor grotere schade – een minimumbedrag kan worden toegekend als vergoeding van de geleden schade, waarvan het bewijs op basis van een vermoeden kan worden geleverd, en ten tweede voorziet in de mogelijkheid dat de bestuurders van deze stichtingen aansprakelijk worden gesteld in geval van grove schuld of opzettelijke schending van de nationale regeling inzake die overeenkomsten, voor zover deze maatregelen het mogelijk maken het vastgestelde misbruik doeltreffend te bestraffen, hetgeen aan de nationale rechter staat om te beoordelen. Indien die rechter van oordeel is dat misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten op grond van deze maatregelen niet doeltreffend kan worden bestraft, dient hij zijn nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met die clausule uit te leggen teneinde de volle werking van richtlijn 1999/70 te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 1 augustus 2025, C-758/24, ECLI:EU:C:2025:591
- HvJ EU 19 juni 2025, C-785/23, ECLI:EU:C:2025:462
- HvJ EU 28 januari 2025, C-253/23, ECLI:EU:C:2025:40
- HvJ EU 14 november 2024, C-197/23, ECLI:EU:C:2024:956
- HvJ EU 13 juni 2024, C-331/22, ECLI:EU:C:2024:496
- HvJ EU 22 februari 2024, C-59/22, ECLI:EU:C:2024:149
- HvJ EU 13 januari 2022, C-282/19, ECLI:EU:C:2022:3
- HvJ EU 3 juni 2021, C-726/19, ECLI:EU:C:2021:439
- HvJ EU 8 mei 2019, C-494/17, ECLI:EU:C:2019:387
- HvJ EU 25 oktober 2018, C-331/17, ECLI:EU:C:2018:859
- HvJ EU 7 maart 2018, C-494/16, ECLI:EU:C:2018:166
- HvJ EU 15 mei 2003, C-300/01, ECLI:EU:C:2003:283