HvJ EU 3 juli 2025, C-646/23, ECLI:EU:C:2025:519
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
3 juli 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Rechtsstaat – Onafhankelijkheid van de rechterlijke macht – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden – Beginsel van onafzetbaarheid van rechters – Militaire rechter die ongeschikt is verklaard voor de dienst in het beroepsleger – Nationale regeling die de vervroegde pensionering van deze rechter voorschrijft”
In de gevoegde zaken C‑646/23 [Lita] en C‑661/23 [Jeszek] ( i ),
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Wojskowy Sąd Okręgowy w Warszawie (militaire rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) bij beslissingen van respectievelijk 25 oktober 2023 en 9 november 2023, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 27 oktober 2023 en 9 november 2023, in de strafprocedures tegen
P. B. (C‑646/23),
R. S. (C‑661/23),
in tegenwoordigheid van:
Prokuratura Rejonowa w Lublinie (C‑646/23),
Prokuratura Rejonowa Warszawa-Ursynów w Warszawie (C‑661/23),
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), kamerpresident, N. Jääskinen, A. Arabadjiev, M. Condinanzi en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann, P. Stancanelli en P. J. O. Van Nuffel als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 2, artikel 4, leden 2 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met de bepalingen van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), van artikel 267 VWEU en van de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht en scheiding der machten.
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van strafzaken tegen P. B. wegens diefstal van brandstof (zaak C‑646/23) en tegen R. S. wegens niet-nakoming van zijn verplichting om aanwezig te zijn in zijn militaire eenheid (zaak C‑661/23).
Pools recht
Grondwet
3 Artikel 175, lid 1, van de Konstytucja Rzeczypospolitej Polskiej (grondwet van de Republiek Polen; hierna: „grondwet”) bepaalt: „In de Republiek Polen wordt recht gesproken door [de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen)], de gewone rechterlijke instanties, de administratieve rechterlijke instanties en de militaire rechterlijke instanties. [...]”
4 Artikel 176, lid 2, van de grondwet luidt als volgt: „De organisatie en de bevoegdheid van de rechterlijke instanties en de gerechtelijke procedure worden bij wet vastgesteld.”
5 Artikel 179 van de grondwet bepaalt: „Rechters worden voor onbepaalde tijd benoemd door de president van de Republiek Polen op voordracht van de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen; hierna: ‚KRS’).”
6 Artikel 180 van de grondwet bepaalt: „1. Rechters kunnen niet uit hun ambt worden ontzet. 2. Een rechter kan alleen krachtens een rechterlijke beslissing en in de gevallen waarin de wet voorziet, tegen zijn wil worden ontslagen, uit zijn ambt worden ontheven of naar een ander rechtsgebied of een andere functie worden overgeplaatst. 3. Een rechter kan op pensioen worden gesteld wanneer hij als gevolg van ziekte of een lichamelijk gebrek ongeschikt is om de taken van zijn ambt te vervullen. De procedure en de wijze waarop beroep in rechte kan worden ingesteld, worden bij wet vastgesteld. [...]”
Wet betreffende de gewone rechterlijke instanties
7 Artikel 70, leden 1 en 2, van de ustawa – Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. 2001, nr. 98, volgnr. 1070), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: „wet betreffende de gewone rechterlijke instanties”), bepaalt: „1. Een rechter wordt op zijn verzoek of verzoek van het bevoegde college van de rechterlijke instantie op pensioen gesteld wanneer hij als gevolg van ziekte of een lichamelijk gebrek [...] definitief ongeschikt is verklaard om de taken van zijn ambt te vervullen. 2. Zowel de betrokken rechter als het bevoegde college van de rechterlijke instantie kan een verzoek indienen tot pensionering of tot onderzoek van de ongeschiktheid van de rechter om de taken van zijn ambt te vervullen en recht te spreken. [...]”
8 In artikel 71, leden 2 en 3, van deze wet is bepaald: „2. Een rechter kan op pensioen worden gesteld wanneer hij zich zonder geldige reden niet heeft onderworpen aan het in artikel 70, lid 2, bedoelde onderzoek indien om dat onderzoek is gevraagd door het college van de rechterlijke instantie of door de minister van Justitie. 3. Een rechter kan tevens op verzoek van de minister van Justitie op pensioen worden gesteld indien hij in geval van wijziging van de organisatie van de rechterlijke instanties of van de grenzen van de gerechtelijke arrondissementen niet is overgeplaatst naar een andere rechterlijke instantie.”
9 Artikel 73, leden 1 tot en met 3, van die wet luidt als volgt: „1. In de gevallen genoemd in de artikelen 70 en 71 waarin een rechter op pensioen wordt gesteld, wordt het besluit door de [KRS] genomen op verzoek van de rechter, van het college van de bevoegde rechterlijke instantie of van de minister van Justitie. 2. Tegen de besluiten die de [KRS] neemt in de gevallen genoemd in de artikelen 70 en 71 kan beroep worden ingesteld bij [de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken)]. 3. Het beroep moet via de [KRS] worden ingesteld [...]. Het beroep staat open voor de rechter, de president van de bevoegde rechterlijke instantie en de minister van Justitie [...].”
Wet betreffende de militaire rechterlijke instanties
10 Artikel 22, lid 1, van de ustawa – Prawo o ustroju sądów wojskowych (wet inzake de organisatie van de militaire rechterlijke instanties) van 21 augustus 1997 (Dz. U. 2001, nr. 117, volgnr. 753), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: „wet betreffende de militaire rechterlijke instanties”), bepaalt: „Een rechter van een militaire rechterlijke instantie [...] kan een officier van het beroepsleger zijn [...].”
11 Artikel 23, lid 1, van deze wet bepaalt: „Een rechter van een militaire rechterlijke instantie is een persoon die in dat ambt is benoemd door de president van de Republiek Polen en die ten overstaan van hem de ambtseed heeft afgelegd. [...]”
12 In artikel 35, leden 1 en 4, van die wet wordt bepaald: „1. Een rechter kan niet uit het beroepsleger worden ontslagen voordat van rechtswege een einde komt aan zijn dienst, hij zijn functie verliest of hij op pensioen is gesteld. [...] 4. Wanneer een rechter bij besluit van de militaire medische commissie definitief ongeschikt wordt verklaard voor de militaire dienst, stelt de [KRS] zonder raadpleging van de bevoegde vergadering van rechters aan de president van de Republiek Polen voor de rechter van de militaire rechterlijke instantie te benoemen als rechter van een gewone rechterlijke instantie.”
13 Artikel 70 van deze wet bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De bepalingen van de [...] artikelen 70, 71 [en] 73 [...] van de [wet betreffende de gewone rechterlijke instanties] zijn van overeenkomstige toepassing op de militaire rechterlijke instanties [...]. 2. In aangelegenheden die niet door de [onderhavige] wet worden geregeld, worden de rechten en de plichten van de rechters van de militaire rechterlijke instanties bepaald door de bepalingen betreffende de militaire dienst van beroepsmilitairen.”
Wet betreffende de defensie van het vaderland
14 Artikel 226, punt 3, van de ustawa o obronie Ojczyzny (wet inzake de defensie van het vaderland) van 11 maart 2022 (Dz. U. 2022, volgnr. 655), in de versie die op 23 maart 2022 in werking is getreden (hierna: „wet inzake de defensie van het vaderland”), luidt als volgt: „Een beroepsmilitair wordt uit het beroepsleger ontslagen wegens: [...] vaststelling van zijn definitieve ongeschiktheid voor de dienst door de militaire medische commissie. [...]”
15 Artikel 229, lid 2, van deze wet bepaalt: „Het ontslag uit het beroepsleger gaat in [het] in artikel 226, [punt 3, genoemde geval] van rechtswege in op de datum waarop de desbetreffende rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, op de datum waarop het besluit definitief is geworden of op de datum waarop de omstandigheden die tot ontslag uit het beroepsleger hebben geleid, zich hebben voorgedaan, onverminderd artikel 233. [...]”
16 In artikel 233 van die wet staat te lezen: „Wanneer een rechter van een militaire rechterlijke instantie of een openbaar aanklager bevoegd voor militaire aangelegenheden die beroepsmilitair is, uit het beroepsleger wordt ontslagen, blijft hij in dienst als rechter of als openbaar aanklager in de betreffende organisatorische entiteit van die rechterlijke instantie of dat openbaar ministerie, ongeacht het aantal ambten in die entiteiten. [...]”
Wijzigingswet
17 Bij artikel 10 van de ustawa o zmianie ustawy – Kodeks cywilny oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van het burgerlijk wetboek en bepaalde andere wetten) van 28 juli 2023 (Dz. U. 2023, volgnr. 1615; hierna: „wijzigingswet”) is artikel 233 van de wet inzake de defensie van het vaderland gewijzigd als volgt: „Wanneer een openbaar aanklager die bevoegd is voor militaire aangelegenheden en die beroepsmilitair is, uit het beroepsleger wordt ontslagen, blijft hij in dienst als openbaar aanklager in de betreffende organisatorische entiteit van dat openbaar ministerie, ongeacht het aantal ambten in die entiteit.”
18 Artikel 13 van deze wet luidt als volgt: „Een rechter van een militaire rechterlijke instantie die uit het beroepsleger is ontslagen en die op de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wet nog rechter is, wordt met ingang van die datum op pensioen gesteld.”
19 De artikelen 10 en 13 van die wet zijn overeenkomstig artikel 14 ervan op 15 november 2023 in werking getreden.
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
20 P. B. en R. S., beroepsmilitairen, worden in de hoofdgedingen strafrechtelijk vervolgd, de eerste wegens diefstal van brandstof en de tweede wegens niet-nakoming van zijn verplichting om aanwezig te zijn in zijn militaire eenheid. De Wojskowy Sąd Garnizonowy w Warszawie (militaire rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) heeft P. B. en R. S. bij twee afzonderlijke vonnissen schuldig bevonden aan die strafbare feiten. P. B is veroordeeld tot betaling van „dagboeten” en R. S. is voorwaardelijk veroordeeld met een proeftijd van een jaar.
21 P. B. en R. S hebben tegen deze vonnissen hoger beroep ingesteld bij de Wojskowy Sąd Okręgowy w Warszawie (militaire rechter in tweede aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechterlijke instantie. Beide zaken zijn toegewezen aan een alleensprekende rechter van deze rechterlijke instantie, namelijk rechter P. R., die op 25 oktober 2023 een terechtzitting heeft gehouden in de zaak van P. B. en op 9 november 2023 in de zaak van R. S.
22 In zijn verzoeken om een prejudiciële beslissing geeft de verwijzende rechterlijke instantie aan dat rechter P. R. op 29 januari 2013 in deze rechterlijke instantie is benoemd en in juli 2017 om gezondheidsredenen ongeschikt is verklaard voor de dienst in het beroepsleger, waarbij hij wel geschikt is verklaard om zijn ambt van rechter te blijven vervullen. Hij heeft dan ook overeenkomstig artikel 35, lid 4, van de wet betreffende de militaire rechterlijke instanties om overplaatsing naar een gelijkwaardig ambt van rechter in een gewone rechterlijke instantie verzocht.
23 De KRS heeft op 25 juli 2017 aan de president van de Republiek Polen voorgesteld om dit verzoek in te willigen. Op 27 december 2021, meer dan vier jaar later, heeft de president echter geweigerd om P. R. in het gevraagde ambt te benoemen.
24 Daarnaast had de minister van Justitie in december 2019 een voorstel tot pensionering van rechter P. R. aan de KRS voorgelegd. Deze had geweigerd daar gevolg aan te geven op grond dat P. R. niet ongeschikt was verklaard om zijn ambt van rechter te vervullen. Op 12 juni 2023 heeft de KRS een gelijkaardig verzoek van de minister van Defensie van januari 2022 afgewezen omdat op 24 april 2022 artikel 233 van de wet inzake de defensie van het vaderland in werking is getreden, dat bepaalt dat een militaire rechter die uit het beroepsleger is ontslagen zijn ambt mag blijven vervullen.
25 Om dezelfde reden heeft de president van de Wojskowy Sąd Okręgowy w Warszawie rechter P. R. uit het beroepsleger ontslagen en beslist dat hij in dienst zou blijven in de verwijzende rechterlijke instantie, waarin hij sinds maart 2023 opnieuw zitting heeft.
26 De Sejm Rzeczypospolitej Polskiej (een van de kamers van het parlement van de Republiek Polen) heeft bij de wijzigingswet echter bepaald dat artikel 233 van de wet inzake de defensie van het vaderland aldus zou worden gewijzigd dat de mogelijkheid om na ontslag uit het beroepsleger als magistraat in dienst te blijven alleen nog openstond voor militaire openbaar aanklagers, en dat rechters die uit het beroepsleger waren ontslagen en die op de datum van inwerkingtreding van de wijzigingswet nog rechter waren, op die datum van rechtswege op pensioen zouden worden gesteld.
27 De verwijzende rechterlijke instantie is niet zeker of zij na deze wetswijziging nog voldoet aan de criteria van een „onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld” in de zin van het Unierecht.
28 In dit verband geeft zij aan dat de bepaling waarbij de mogelijkheid voor een rechter van een militaire rechterlijke instantie om in dienst te blijven nadat hij uit het beroepsleger is ontslagen, is afgeschaft terwijl deze voor militaire openbaar aanklagers – die nochtans in een soortgelijke situatie verkeren – is behouden, is vastgesteld zonder dwingende redenen van algemeen belang en zelfs zonder enige rechtvaardiging, en inbreuk maakt op artikel 180, lid 3, van de grondwet, volgens hetwelk een rechter alleen vervroegd op pensioen kan worden gesteld wanneer hij als gevolg van ziekte of een lichamelijk gebrek ongeschikt is om zijn ambt te vervullen.
29 De vervroegde pensionering van rechter P. R. als gevolg van de wijzigingswet heeft volgens de verwijzende rechterlijke instantie gevolgen voor haar onafhankelijkheid en haar onpartijdigheid en, bijgevolg, voor de wettigheid van de strafrechtelijke vervolging, alsook voor de inachtneming van het vermoeden van onschuld dat richtlijn 2016/343 beoogt te waarborgen.
30 De verwijzende rechterlijke instantie vermeldt tevens dat de artikelen 10 en 13 van de wijzigingswet geen verband houden met het oorspronkelijke doel van deze wet, dat niets van doen had met de rechterlijke organisatie.
31 Zij voegt daaraan toe dat de grondwettigheid van die bepalingen, gelet op de huidige samenstelling en rechtspraak van de Trybunał Konstytucyjny (grondwettelijk hof, Polen), niet kan worden getoetst en dat er geen rechterlijke toetsing van de pensionering van rechtswege van rechter P. R. mogelijk is.
32 Ten slotte licht zij toe dat de artikelen 10 en 13 van de wijzigingswet in werkelijkheid bepalingen ad hominem zijn die uitsluitend rechter P. R. betreffen. De invoering van deze bepalingen laat zich volgens haar verklaren door het feit dat de Poolse regering deze rechter wilde verwijderen vanwege zijn publieke standpunten ter verdediging van de rechtsstaat en zijn eerdere werkzaamheden als vicepresident van de KRS, in de oude samenstelling daarvan. Zo is rechter P. R. slachtoffer geweest van intimidatie door de publieke overheden en de regeringsgezinde media. Er is onjuiste informatie over zijn privéleven verspreid en er zijn zonder enige grond strafrechtelijke vervolgingen tegen hem ingesteld. Daarenboven is hij zonder reden ontslagen als president van de Wojskowy Sąd Garnizonowy w Warszawie en is hij meermaals onder druk gezet om vervroegd pensioen te nemen.
33 In die omstandigheden stelt de verwijzende rechterlijke instantie zich in de eerste plaats de vraag of het Unierecht niet in de weg staat aan de pensionering waarin de wijzigingswet voorziet. Om te beginnen raakt deze maatregel slechts één enkele rechter en geldt deze niet voor militaire openbaar aanklagers die nochtans in een gelijkaardige situatie verkeren als die rechter, en is de betrokken bepaling opgenomen in een wet die niet ziet op de rechterlijke organisatie. Voorts wordt deze maatregel door geen enkele reden van algemeen belang gerechtvaardigd maar gaat het integendeel om een punitieve maatregel tegen de betrokken rechter, die wegens zijn activiteiten ter verdediging van de onafhankelijkheid van de rechters blootstaat aan vervolging door de uitvoerende macht. Ten slotte beschikt die rechter niet over een mogelijkheid om zijn vervroegde pensionering aan te vechten.
34 In de tweede plaats wenst deze verwijzende rechterlijke instantie te vernemen of het Unierecht haar de mogelijkheid biedt de toepassing van de artikelen 10 en 13 van de wijzigingswet op te schorten totdat het Hof haar prejudiciële vragen heeft beantwoord. Die rechterlijke instantie legt in dit verband uit dat het Poolse recht niet voorziet in een mechanisme dat de mogelijkheid biedt die bepalingen op te schorten, en zij is van oordeel dat een dergelijke maatregel, waardoor rechter P. R. zijn ambt van rechter in afwachting van het arrest van het Hof zou kunnen blijven uitoefenen, de enige is die de doeltreffendheid van het Unierecht ten volle kan waarborgen.
35 In de derde en laatste plaats wenst deze rechterlijke instantie te vernemen of zij, indien het Hof van oordeel is dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU in de weg staat aan de toepassing van artikel 13 van de wijzigingswet, verplicht is deze bepaling buiten toepassing te laten, en of dat dan betekent dat rechter P. R. niet op pensioen wordt gesteld.
36 Daarop heeft de Wojskowy Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof in zaak C‑646/23 verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, [VEU] en artikel 47 van het [Handvest], gelezen in samenhang met de bepalingen van [richtlijn 2016/343], aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen [nationale bepalingen als] artikel 13 of artikel 10 van de [wijzigingswet], die erin [voorzien] dat een rechter, bij wie hoger beroep is ingesteld in een zaak die wordt beheerst door de bepalingen van [richtlijn 2016/343], van rechtswege op pensioen wordt gesteld, in een situatie waarin (I) deze bepaling aldus is opgesteld dat zij slechts betrekking heeft op één enkele rechter in actieve dienst, (II) deze bepaling niet geldt voor openbaar aanklagers in een soortgelijke situatie, hoewel openbaar aanklagers en rechters in een situatie verkeren die vergelijkbaar is met die van de rechter bij wie hoger beroep is ingesteld, volgens de eerdere stand van het recht op voet van gelijkheid werden behandeld, (III) de wet waarin deze bepalingen zijn opgenomen, geen betrekking heeft op de organisatie van de rechterlijke instanties maar op een geheel andere aangelegenheid en de motivering ervan op geen enkele wijze aangeeft waarom deze bepalingen zijn ingevoerd, niet wijst op een zwaarwegend algemeen belang bij de invoering ervan en niet rechtvaardigt waarom de invoering ervan evenredig is aan de ermee nagestreefde doelstellingen en (IV) noch deze bepalingen noch andere bepalingen van nationaal recht voorzien in de mogelijkheid voor een rechterlijke instantie of een ander orgaan om een beroep of een andere voorziening van de rechter op wie die bepaling ziet, te behandelen teneinde te toetsen of zijn pensionering gegrond is en of de betreffende [bepalingen] verenigbaar [zijn] met de nationale bepalingen van hogere rang of met die van het Unierecht of het internationale recht? 2) Is het voor de beantwoording van de eerste vraag van belang dat de rechter op wie [artikel 13 van de wijzigingswet] van toepassing is in het verleden, gelet op zijn inzet ter bescherming van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters, is onderworpen aan repressieve maatregelen door de uitvoerende macht, die heeft geprobeerd om hem krachtens de eerder geldende regeling op pensioen te stellen, en dat de genoemde nationaalrechtelijke bepaling is vastgesteld omdat die pogingen zijn mislukt? Is het voor de beantwoording van de vraag van belang dat deze bepaling volgens de verwijzende rechter geen zwaarwegend algemeen belang nastreeft maar een repressief karakter heeft? 3) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, [VEU], artikel 47 van het Handvest, artikel 2 en artikel 4, lid 3, VEU en de beginselen van voorrang van het Unierecht en van effectieve rechterlijke toetsing, in het licht van het arrest van 13 maart 2007, Unibet (C‑432/05, EU:C:2007:163), aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie waarvan de rechtsprekende formatie bestaat uit een rechter als bedoeld in de eerste en de tweede vraag, bevoegd is om de toepassing van de in de eerste vraag bedoelde nationaalrechtelijke bepaling, die erin voorziet dat hij op pensioen wordt gesteld, ambtshalve op te schorten en om zowel in de onderhavige zaak als in andere zaken uitspraak te blijven doen totdat het Hof de gestelde vraag heeft beantwoord, indien deze rechterlijke instantie dit nodig acht om de bij haar aanhangige zaak te beslechten in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het Unierecht? 4) Moeten de in de derde vraag genoemde bepalingen en beginselen aldus worden uitgelegd dat wanneer het Hof de eerste vraag, gelet op de in de tweede vraag uiteengezette omstandigheden, bevestigend beantwoordt, de in de eerste vraag bedoelde nationale bepaling, die erin voorziet dat de betrokken rechter op pensioen wordt gesteld, niet kan worden toegepast en dat deze rechter niet op pensioen wordt gesteld, tenzij daarvoor een andere rechtsgrond bestaat?”
37 Ook in zaak C‑661/23 heeft deze rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing, namelijk over de volgende vragen: „1) Moet het Unierecht, waaronder artikel 2 [VEU] en de daarin verankerde waarde van de rechtsstaat alsmede artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen zoals: a) artikel 233 van de [wet inzake de defensie van het vaderland], zoals gewijzigd bij de [wijzigingswet], waarin is bepaald dat een nationale militaire rechter niet bij de betreffende rechterlijke instantie in dienst kan blijven wanneer hij uit het beroepsleger is ontslagen (daaronder begrepen wegens blijvende ongeschiktheid voor de militaire dienst) en dat een dergelijke rechter in een dergelijk geval evenmin zitting kan nemen in de rechtsprekende formaties van een dergelijke rechterlijke instantie in zaken die, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de genoemde bepalingen, aan hem waren toegewezen; b) artikel 13 van de [wijzigingswet], waarin is bepaald dat een nationale militaire rechter die in de hierboven beschreven omstandigheden uit het beroepsleger is ontslagen, van rechtswege op pensioen wordt gesteld op de datum van inwerkingtreding van de onder a) genoemde bepalingen? Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang dat de in de eerste vraag onder b) genoemde bepaling zich uitsluitend richt en zal richten tot de alleensprekende rechter die zitting heeft in de verwijzende rechterlijke instantie (zogeheten recht ad hominem) en dat tegelijkertijd niet is geraakt aan het analoge recht van de openbaar aanklagers op grond waarvan zij als openbaar aanklager in militaire aangelegenheden in dienst kunnen blijven hoewel zij uit het beroepsleger zijn ontslagen? 2) Moet het Unierecht, met inbegrip van de in de eerste vraag genoemde bepalingen, aldus worden uitgelegd dat de pensionering van rechtswege van een nationale militaire rechter in de in de eerste vraag bedoelde omstandigheden geen uitwerking kan hebben, zodat deze rechter zitting kan blijven nemen in de rechtsprekende formatie van de verwijzende rechterlijke instantie, en dat alle autoriteiten van de staat, met inbegrip van de rechterlijke autoriteiten, gehouden zijn om hem in staat te stellen om dat te doen volgens de voordien geldende regels? 3) Moet het Unierecht, met inbegrip van, enerzijds, artikel 2 VEU en de daarin verankerde waarde van de rechtsstaat, artikel 4, lid 3, VEU en het daarin neergelegde beginsel van loyale samenwerking, artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 267 VWEU en de beginselen van doeltreffendheid en voorrang [van het Unierecht] en, anderzijds, artikel 2 VEU en de daarin verankerde waarde van de democratie, artikel 4, lid 2, VEU en het beginsel van scheiding der machten, aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheid of de verplichting van de nationale rechter om geen toepassing te geven aan de nationale bepalingen waarop de gestelde prejudiciële vragen betrekking hebben, met inbegrip van die met de rang van wet, rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht? Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang dat het nationale recht niet voorziet in de mogelijkheid voor de verwijzende rechter om de toepassing van nationale bepalingen op te schorten en dat het in de omstandigheden van de zaak in het hoofdgeding noodzakelijk is dat een dergelijke opschorting wordt gelast zodat de betreffende bepalingen buiten toepassing kunnen worden gelaten totdat de verwijzende rechter in staat is om rekening te houden met de in het antwoord op zijn vragen vervatte aspecten van de uitlegging van het Unierecht?”
Procedure bij het Hof
Voeging van de zaken
38 Bij beslissing van 6 december 2023 heeft de president van het Hof de zaken C‑646/23 en C‑661/23 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.
Verzoeken om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure
39 De verwijzende rechterlijke instantie heeft het Hof verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzingen overeenkomstig artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgens een versnelde procedure te behandelen.
40 Ter ondersteuning van die verzoeken betoogt zij in essentie dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op het grondrecht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming voor een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht en dat zulke essentiële overwegingen een spoedig antwoord van het Hof rechtvaardigen.
41 Luidens artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure die afwijkt van de bepalingen van dat Reglement.
42 Bij beschikking van 30 januari 2024, Lita (C‑646/23 en C‑661/23, EU:C:2024:107), heeft de president van het Hof, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, de verzoeken om de onderhavige verwijzingen volgens een versnelde procedure te behandelen afgewezen op grond dat, ten eerste, de nationale regeling die voorziet in de pensionering van rechtswege op 15 november 2023 van een rechter van een militaire rechterlijke instantie die ongeschikt is verklaard voor de dienst in het beroepsleger slechts één enkele militaire rechter en niet een groot aantal magistraten raakte, zodat de toepassing van die regeling de werking van de Poolse rechterlijke orde niet op systematische wijze in gevaar bracht, en, ten tweede, het gebruik van een versnelde procedure het Hof niet in staat zou hebben gesteld een beslissing te geven binnen een zodanige termijn dat de verwijzende rechterlijke instantie de hoofdgedingen zou kunnen beslechten voordat die regeling in werking trad.
Ontwikkelingen na de indiening van de verzoeken om een prejudiciële beslissing
43 Bij brief van 19 april 2024 heeft de verwijzende rechterlijke instantie gemeld dat rechter P. R. bij de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Śródmieścia w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau-Centrum, Polen) een verklaring had gevorderd dat hij een dienstbetrekking had, en dat de president van de Wojskowy Sąd Okręgowy w Warszawie hem ingevolge de bewarende maatregelen die de Sąd Rejonowy had vastgesteld, tijdelijk in zijn ambt van rechter had hersteld.
44 In antwoord op een verzoek om inlichtingen van het Hof heeft de verwijzende rechtelijke instantie evenwel verduidelijkt dat de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Śródmieścia w Warszawie in het kader van de procedure betreffende de beoordeling of rechter P. R. een dienstbetrekking had, geen uitspraak kan doen over de geldigheid van de artikelen 10 en 13 van de wijzigingswet noch afbreuk kon doen aan de reeds ontstane gevolgen van die bepalingen.
45 Op 29 januari 2025 heeft de verwijzende rechterlijke instantie het Hof een beschikking van 7 januari 2025 toegezonden waarbij de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Śródmieścia w Warszawie de bij hem aanhangige procedure heeft geschorst in afwachting van de beslissing van het Hof.
Bevoegdheid van het Hof
46 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak ter toetsing van zijn bevoegdheid of de ontvankelijkheid van het verzoek een onderzoek dient in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 De prejudiciële vragen betreffen de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 4 VEU en met richtlijn 2016/343, alsook de uitlegging van artikel 47 van het Handvest.
48 In de eerste plaats vindt artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, vanuit materieel opzicht, toepassing ten aanzien van iedere nationale rechter of nationale rechterlijke instantie die kan worden aangezocht om te oordelen over vraagstukken die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen en dus behoren tot onder dat recht vallende gebieden in de zin van deze bepaling (zie in die zin arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punten 32‑40; 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 34, en 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Uit de aanwijzingen in de verzoeken om een prejudiciële beslissing, die zijn bevestigd door de toelichting die de Poolse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft verstrekt, blijkt dat dit in casu het geval is voor de verwijzende rechterlijke instantie, die zich als militaire rechterlijke instantie moet uitspreken over vraagstukken die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen.
50 Wat in de tweede plaats artikel 47 van het Handvest betreft, volgt uit vaste rechtspraak dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van de hem toegekende bevoegdheden kan uitleggen [arrest van 6 maart 2025, D. K. e.a. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
51 Artikel 51, lid 1, van het Handvest bepaalt dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Die bepaling bevestigt de vaste rechtspraak volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten [arrest van 14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C‑197/23, EU:C:2024:956, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
52 In het onderhavige geval heeft de verwijzende rechterlijke instantie geen informatie aangedragen waaruit blijkt dat de hoofdgedingen betrekking hebben op de uitlegging of de toepassing van een Unierechtelijke regel die op nationaal niveau ten uitvoer wordt gebracht. Hoewel de eerste prejudiciële vraag in zaak C‑646/23 verwijst naar richtlijn 2016/343, is deze vraag namelijk niet gesteld in het licht van de bepalingen van deze richtlijn, en de verwijzende rechterlijke instantie geeft geen enkele uitleg over het verband tussen die richtlijn en deze zaak [zie naar analogie arrest van 6 maart 2025, D. K. e.a. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 39].
53 Bijgevolg is artikel 47 van het Handvest, overeenkomstig artikel 51, lid 1, daarvan, als zodanig niet van toepassing in die zaken.
54 Aangezien artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU alle lidstaten verplicht te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om op de onder het Unierecht vallende gebieden daadwerkelijke rechtsbescherming in de zin van met name artikel 47 van het Handvest te verzekeren, dient dat artikel niettemin naar behoren in aanmerking te worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU [zie in die zin arresten van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 143, en 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
55 Het Hof is dus bevoegd om de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste twee vragen in zaak C-646/23 en eerste vraag in zaak C-661/23
56 Met zijn eerste twee vragen in zaak C-646/23 en zijn eerste vraag in zaak C-661/23, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in essentie te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die bepaalt dat een militaire rechter die ongeschikt is verklaard voor de dienst in het beroepsleger, vanaf de inwerkingtreding van deze regeling van rechtswege vervroegd op pensioen wordt gesteld wanneer deze regeling om te beginnen niet toelicht waarom de bepalingen ervan zijn ingevoerd noch wijst op een algemeen belang bij de invoering ervan, deze regeling voorts niet geldt voor militaire openbaar aanklagers – hoewel voorheen dezelfde regels golden voor beide categorieën magistraten – en in feite slechts één enkele rechter raakt en past in een reeks punitieve maatregelen die jegens die rechter zijn genomen, en er ten slotte voor die rechter geen beroep in rechte openstaat om de vervroegde pensionering van rechtswege die hem aldus wordt opgelegd aan te vechten.
57 Voor de beantwoording van deze vragen moet eraan worden herinnerd dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU bepaalt dat de lidstaten moeten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om voor de justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren.
58 Het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming waarnaar dat artikel verwijst, is een algemeen beginsel van Unierecht dat is neergelegd in met name artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarmee artikel 47, tweede alinea, van het Handvest overeenstemt.
59 Voorts beoogt artikel 52, lid 3, van het Handvest, voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die worden gewaarborgd door het EVRM, te zorgen voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte en de daarmee corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten, zonder de autonomie van het Unierecht aan te tasten. Volgens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM. Derhalve dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het in de onderhavige zaken geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet onderdoet voor het niveau dat wordt geboden door artikel 6, lid 1, EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) [zie naar analogie arresten van 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punten 47 en 77; 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 46, en 6 maart 2025, D. K. e.a. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
60 In de tweede plaats is het volgens vaste rechtspraak cruciaal dat de onafhankelijkheid van deze instanties wordt beschermd om te waarborgen dat instanties die mogelijk moeten oordelen over vragen die verband houden met de toepassing of de uitlegging van het Unierecht in staat zijn de door artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU vereiste daadwerkelijke rechtsbescherming te bieden, zoals wordt bevestigd door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, dat de toegang tot een „onafhankelijk” gerecht vermeldt als een van de vereisten voor het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte (zie in die zin arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 41, en 7 september 2023, Asociaţia Forumul Judecătorilor din România, C‑216/21, EU:C:2023:628, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Dit vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak om recht te spreken, behoort tot de kern van het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en het grondrecht op een eerlijk proces, die van het grootste belang zijn als waarborg dat alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten worden beschermd en de in artikel 2 VEU verankerde waarden die de lidstaten gemeen hebben, met name de rechtsstaat, worden behouden [zie in die zin arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 48 en 63, en 6 maart 2025, D. K. e.a. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
62 Zo heeft het Hof geoordeeld dat voor deze waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid regels nodig zijn, onder andere met betrekking tot de samenstelling van het orgaan, de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van zijn leden, die geschikt zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen dat deze instantie zich niet laat beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen [arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 66, en 13 januari 2022, Minister Sprawiedliwości, C‑55/20, EU:C:2022:6, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
63 Voorts volgt uit vaste rechtspraak dat voor deze onontbeerlijke vrijheid van de rechters ten opzichte van elk extern ingrijpen of elke externe druk bepaalde waarborgen nodig zijn ter bescherming van degenen die tot taak hebben recht te spreken, zoals hun onafzetbaarheid [arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 64, en 13 januari 2022, Minister Sprawiedliwości, C‑55/20, EU:C:2022:6, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
64 Het beginsel van onafzetbaarheid, waarvan het cruciale belang meermaals door het Hof is benadrukt, vereist in het bijzonder dat rechters kunnen aanblijven zolang zij de verplichte pensioenleeftijd nog niet hebben bereikt of, indien hun mandaat aan een bepaalde termijn is gebonden, tot hun mandaat is verstreken. Zonder van een absoluut beginsel te spreken, kunnen hierop slechts uitzonderingen worden gemaakt indien er daarvoor legitieme en dwingende gronden zijn en het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen. Aldus wordt doorgaans erkend dat rechters uit hun ambt kunnen worden ontzet indien zij ongeschikt zijn om dat ambt te blijven vervullen wegens onbekwaamheid of een ernstig verzuim, wanneer daarbij de toepasselijke procedures in acht worden genomen [arresten van 24 juni 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy), C‑619/18, EU:C:2019:531, punt 76; 5 november 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de gewone rechterlijke instanties), C‑192/18, EU:C:2019:924, punt 113, en 17 mei 2024, NADA e.a., C‑115/22, EU:C:2024:384, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
65 De waarborg van onafzetbaarheid van de leden van een rechterlijke instantie vereist aldus dat de gevallen waarin haar leden kunnen worden afgezet, worden neergelegd in uitdrukkelijke wetsbepalingen van een bijzondere regeling die garanties biedt die verder gaan dan de garanties die overeenkomstig de algemene regels van het bestuursrecht en het arbeidsrecht bij onrechtmatige afzetting van toepassing zijn (zie in die zin arrest van 17 mei 2024, NADA e.a., C‑115/22, EU:C:2024:384, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 In de derde plaats volgt uit de rechtspraak dat een lidstaat zijn wettelijke regeling niet zodanig mag wijzigen dat afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van de waarde van de rechtsstaat, welke waarde met name is geconcretiseerd in artikel 19 VEU. De lidstaten dienen er dus voor te zorgen dat zij wat deze waarde betreft elke teruggang in hun wettelijke regeling van de rechterlijke organisatie vermijden, door geen regels vast te stellen die de onafhankelijkheid van de rechters zouden ondermijnen (zie in die zin arresten van 20 april 2021, Repubblika, C‑896/19, EU:C:2021:311, punten 63 en 64, en 7 september 2023, Asociaţia Forumul Judecătorilor din România, C‑216/21, EU:C:2023:628, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 In deze context heeft het Hof in wezen reeds geoordeeld dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale bepalingen betreffende de rechterlijke organisatie die in de betrokken lidstaat een teruggang kunnen betekenen voor de bescherming van de waarde van de rechtsstaat, in het bijzonder van de waarborgen voor de onafhankelijkheid van rechters (arrest van 20 april 2021, Repubblika, C‑896/19, EU:C:2021:311, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 In het onderhavige geval blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechterlijke instantie dat de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, die de situatie regelt van een militaire rechter die ongeschikt is verklaard voor de dienst in het beroepsleger, verschillende keren na elkaar is gewijzigd.
69 Aanvankelijk, toen artikel 35, lid 4, van de wet betreffende de militaire rechterlijke instanties van toepassing was, kon een militaire rechter die in een dergelijke situatie verkeerde de KRS verzoeken aan de president van de Republiek Polen voor te stellen om hem te benoemen in een gelijkwaardig ambt in een gewone rechterlijke instantie. De president beschikte toen over een discretionaire bevoegdheid voor een dergelijke benoeming.
70 Daarna heeft de Poolse wetgever in artikel 233 van de wet inzake de defensie van het vaderland, die op 23 maart 2022 in werking is getreden, de regel ingevoerd dat een militaire rechter of een militaire openbaar aanklager die uit het beroepsleger wordt ontslagen, van rechtswege zijn ambt blijft vervullen.
71 Uiteindelijk is artikel 233 van de wet inzake de defensie van het vaderland gewijzigd bij artikel 10 van de wijzigingswet, waardoor de regel dat een ontslagen militair zijn ambt als rechter of aanklager blijft vervullen, voor militaire rechters is afgeschaft. Uit de toelichting die de Poolse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft verstrekt, blijkt dat die wijziging heeft geleid tot een terugkeer naar de stand van het recht van vóór de inwerkingtreding van de wet inzake de defensie van het vaderland, zodat militaire rechters die uit het beroepsleger worden ontslagen in beginsel opnieuw kunnen verzoeken om overeenkomstig artikel 35, lid 4, van de wet betreffende de militaire rechterlijke instanties door de president van de Republiek Polen, op voorstel van de KRS, te worden benoemd in een gelijkwaardig ambt in een gewone rechterlijke instantie. Niettemin wordt er krachtens artikel 13 van de wijzigingswet een uitzondering gemaakt op dat beginsel voor militairen die vóór de inwerkingtreding van die wet op 15 november 2023 uit het beroepsleger zijn ontslagen maar overeenkomstig artikel 233 van de wet inzake de defensie van het vaderland in dienst zijn gebleven als militair rechter. De betrokken rechters worden krachtens artikel 13 van de wijzigingswet op de datum van inwerkingtreding van deze wet van rechtswege op pensioen gesteld.
72 Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie om te beoordelen of deze nationale regeling – waarbij in de in het vorige punt genoemde omstandigheden een maatregel is ingevoerd die inhoudt dat militaire rechters die uit het beroepsleger zijn ontslagen, vervroegd op pensioen worden gesteld – in strijd is met de vereisten van het uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU voortvloeiende beginsel van onafhankelijkheid van de rechters. Artikel 267 VWEU verleent het Hof namelijk niet de bevoegdheid om de bepalingen van Unierecht op een concreet geval toe te passen, maar enkel om uitspraak te doen over de uitlegging van de verdragen en de handelingen van de instellingen van de Unie. Volgens vaste rechtspraak kan het Hof evenwel in het kader van de gerechtelijke samenwerking waarin artikel 267 VWEU voorziet, op grond van de gegevens van het dossier waarover het beschikt de nationale rechter de elementen met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht verschaffen die voor deze rechter van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van het effect van deze of gene bepaling van dat recht (arrest van 17 oktober 2024, NFŠ, C‑28/23, EU:C:2024:893, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Ten eerste blijkt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing en de opmerkingen van de Poolse regering dat er met name in de voorbereidende werkzaamheden van de wijzigingswet geen enkele rechtvaardiging te vinden is voor de nationale regeling die bepaalde dat militaire rechters die op 15 november 2023 nog in dienst waren als militair rechter hoewel zij uit het beroepsleger waren ontslagen, van rechtswege op pensioen zouden worden gesteld. Deze wet blijkt bovendien slechts te gelden voor militaire rechters en niet voor militaire openbaar aanklagers, hoewel voorheen voor beide categorieën magistraten dezelfde regels golden inzake het in dienst blijven na ontslag uit het beroepsleger. Tevens blijkt daaruit dat de Poolse wetgever dat verschil in behandeling niet heeft gerechtvaardigd met een objectief verschil tussen de situaties van beide categorieën magistraten dat verband houdt met het doel van die regeling. Derhalve, en onder voorbehoud van de door de nationale rechterlijke instantie te verrichten verificaties, is een nationale regeling als die in het hoofdgeding in strijd met het in punt 64 van het onderhavige arrest genoemde vereiste dat er legitieme en dwingende gronden moeten zijn om uitzonderingen te maken op het beginsel van onafzetbaarheid van de rechters.
74 Ten tweede is de wijzigingswet volgens de aanwijzingen in de verzoeken om een prejudiciële beslissing, die de Poolse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft bevestigd, het resultaat van een amendement van het parlement en is er geen enkel aantoonbaar verband tussen dit amendement betreffende de militaire rechterlijke instanties en het doel van het oorspronkelijke wetsontwerp. Bovendien wordt in feite enkel rechter P. R. door artikel 13 van deze wet geraakt. Alleen hij verkeerde immers in de situatie van een militaire rechter die op 15 november 2023 nog in dienst was als rechter in een militaire rechterlijke instantie nadat hij uit het beroepsleger was ontslagen. In dat geval moet die regeling, hoewel zij de vorm aanneemt van een bepaling van algemene strekking, worden geacht in werkelijkheid een individuele maatregel te zijn.
75 Zo heeft het EHRM overeenkomstig zijn vaste rechtspraak onder meer in de punten 59 en 115 tot en met 117 van het arrest van 23 juni 2016, Baka tegen Hongarije (CE:ECHR:2016:0623JUD002026112), in essentie benadrukt dat een inmenging in de uitoefening van een recht in beginsel gebaseerd moet zijn op een algemeen toepasselijk instrument.
76 Ten derde blijkt zowel uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing als uit de schriftelijke opmerkingen van de Poolse regering dat rechter P. R. niet vervroegd op pensioen is gesteld omdat hij ongeschikt was om zijn ambt te blijven vervullen wegens onbekwaamheid of een ernstige niet-nakoming van zijn verplichtingen, maar omdat hij publiekelijk kritiek had geuit op de hervorming van de rechterlijke macht in Polen. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen opmerkt, duiden de ontwikkelingen van de loopbaan van deze rechter en zijn statuut, die in de punten 22 tot en met 26 van het onderhavige arrest zijn samengevat, er bovendien op dat er sprake is van een causaal verband tussen het feit dat hij zijn vrijheid van meningsuiting heeft uitgeoefend in verband met de hervormingen van het Poolse gerechtelijke systeem en zijn vervroegde pensionering krachtens artikel 13 van de wijzigingswet. Bijgevolg, en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten verificaties, lijkt deze maatregel te passen in een reeks punitieve maatregelen die jegens deze rechter zijn genomen.
77 Ten vierde blijkt uit de aanwijzingen in de verzoeken om een prejudiciële beslissing dat artikel 73, leden 2 en 3, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties voorziet in de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het besluit waarbij een rechter ambtshalve op pensioen wordt gesteld wegens ongeschiktheid om zijn ambt te vervullen, maar dat de wijzigingswet niet voorziet in een beroepsweg voor magistraten die krachtens artikel 13 van deze wet vervroegd op pensioen worden gesteld, niet wegens ongeschiktheid voor het ambt van rechter maar wegens ongeschiktheid voor de dienst in het beroepsleger. Deze vaststelling wordt, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten verificaties, niet tegengesproken door de omstandigheid dat rechter P. R. bij de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Śródmieścia w Warszawie een verklaring heeft kunnen vorderen dat hij een dienstbetrekking had. Zoals blijkt uit punt 44 van het onderhavige arrest, heeft de verwijzende rechterlijk instantie in antwoord op het verzoek om inlichtingen van het Hof toegelicht dat een besluit houdende vaststelling dat de dienstbetrekking van rechter P. R. niet was verbroken slechts een beperkte draagwijdte zou hebben, aangezien dit de reeds ontstane gevolgen van de vervroegde pensionering krachtens artikel 13 van de wijzigingswet niet teniet zou doen en er evenmin toe zou leiden dat deze rechter zou worden hersteld in zijn ambt in de rechterlijke instantie waar hij zijn functie uitoefende.
78 Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat magistraten recht hebben op bescherming tegen willekeur en dat alleen de toetsing van de rechtmatigheid van een afzettingsbesluit door een onafhankelijke rechterlijke instantie dit recht effectief kan maken (zie in die zin EHRM, 24 oktober 2023, Pająk e.a. tegen Polen, CE:ECHR:2023:1024JUD002522618, § 194 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Ten vijfde kunnen de artikelen 10 en 13 van de wijzigingswet, waarbij het recht van militaire rechters die uit het beroepsleger zijn ontslagen om in dienst te blijven in de rechterlijke instantie waarin zij zijn benoemd, wordt afgeschaft, en die de vervroegde pensionering, op 15 november 2023, voorschrijven van militaire rechter die aldus krachtens de wet in dienst waren gebleven, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten verificaties, tot een teruggang in de Poolse wettelijke regeling van de rechterlijke organisatie leiden, wat indruist tegen het in de punten 66 en 67 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginsel dat een dergelijke teruggang moet worden vermeden.
80 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de eerste twee vragen in zaak C‑646/23 en de eerste vraag in zaak C‑661/23 worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die bepaalt dat een militaire rechter die ongeschikt is verklaard voor de dienst in het beroepsleger, vanaf de inwerkingtreding van deze regeling van rechtswege vervroegd op pensioen wordt gesteld, wanneer deze regeling om te beginnen niet toelicht waarom de bepalingen ervan zijn ingevoerd noch wijst op een algemeen belang bij de invoering ervan, deze regeling voorts niet geldt voor militaire openbaar aanklagers – hoewel voorheen dezelfde regels golden voor beide categorieën magistraten – en in feite slechts één enkele rechter raakt en past in een reeks punitieve maatregelen die jegens die rechter zijn genomen, en er ten slotte voor die rechter geen beroep in rechte openstaat om de vervroegde pensionering van rechtswege die hem aldus wordt opgelegd aan te vechten.
Tweede vraag in zaak C-661/23 en vierde vraag in zaak C-646/23
81 Met zijn tweede vraag in zaak C-661/23 en zijn vierde vraag in zaak C-646/23 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat zij een nationale rechterlijke instantie en elke andere autoriteit van de betrokken lidstaat verplichten om een nationale regeling die de vervroegde pensionering van een rechter voorschrijft, buiten toepassing te laten wanneer die regeling in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is vastgesteld, en of daaruit volgt dat de krachtens die regeling op pensioen gestelde rechter in zijn ambt moet worden hersteld.
82 Voor de beantwoording van deze vragen zij in herinnering gebracht dat het beginsel van voorrang van het Unierecht volgens vaste rechtspraak inhoudt dat dit recht primeert op het recht van de lidstaten. Dit beginsel verplicht dus alle instanties van de lidstaten om volle werking te verlenen aan de verschillende normen van de Unie, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van die staten aan deze normen is verleend [arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punten 157 en 158, en 6 maart 2025, D. K. e.a. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
83 Iedere nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid de bepalingen van het Unierecht moet toepassen, is volgens dat beginsel derhalve verplicht om de volle werking van de vereisten van het Unierecht te verzekeren in het geschil dat hem is voorgelegd, en dient daarbij zo nodig op eigen gezag elke nationale regeling of praktijk die in strijd is met een Unierechtelijke bepaling met rechtstreekse werking buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing van deze nationale regeling of praktijk via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten [arresten van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, EU:C:1978:49, punt 24; 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 58, en 6 maart 2025, D. K. e.a. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
84 Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest, welke bepaling de lidstaten een duidelijke en nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen enkele voorwaarde is verbonden, met name met betrekking tot de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke instanties die gehouden zijn het Unierecht uit te leggen en toe te passen en met betrekking tot het vereiste dat die instanties vooraf bij wet zijn ingesteld, heeft rechtstreekse werking, waardoor elke bepaling, rechtspraak of nationale praktijk die in strijd is met die bepalingen van het Unierecht, zoals deze worden uitgelegd door het Hof, buiten toepassing moet worden gelaten [arrest van 6 maart 2025, D. K. e.a. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
85 Het Hof heeft in verband met een in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU door een tuchtrechtelijke instantie genomen maatregel tot schorsing van een rechter geoordeeld dat de nationale rechter, teneinde met name de in de punten 82 tot en met 84 van het onderhavige arrest genoemde verplichtingen na te komen, deze maatregel buiten toepassing moet laten wanneer dit in het licht van de betrokken procedurele situatie onontbeerlijk is om de voorrang van het Unierecht te waarborgen [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
86 Deze uitlegging geldt ook in de vergelijkbare context van de hoofdgedingen, waarin een regeling is vastgesteld die in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU de vervroegde pensionering van een rechter voorschrijft.
87 Aangezien het enkel aan de verwijzende rechter staat om de feiten en de toepassing en uitlegging van het nationale recht in het kader van een in artikel 267 VWEU bedoelde procedure definitief te beoordelen, komt het die rechter toe om vast te stellen welke concrete gevolgen het in het vorige punt aangehaalde beginsel meebrengt in de hoofdgedingen. Zoals in punt 72 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, kan het Hof op grond van de gegevens van het dossier waarover het beschikt die rechter de elementen met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht verschaffen, die daartoe voor deze rechter van waarde kunnen zijn.
88 Zo volgt uit het antwoord op de eerste twee vragen in zaak C‑646/23 en uit de eerste vraag in zaak C‑661/23 dat de voorrang en de rechtstreekse werking van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU vereisen dat de verwijzende rechterlijke instantie een nationale regeling die in strijd met die bepaling de vervroegde pensionering voorschrijft van de alleensprekende rechter die de verwijzende rechter is, buiten toepassing laat. Deze rechterlijke instantie moet daarnaast de behandeling van de procedures die op de datum van de pensionering van die rechter bij haar aanhangig waren, in dezelfde samenstelling kunnen voortzetten. Die rechter dient dan ook in zijn ambt te worden hersteld, en de rechterlijke organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties van de nationale rechterlijke instantie zijn verplicht ervoor te zorgen dat dat gebeurt [zie naar analogie arresten van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 72, en 6 maart 2025, D. K. e.a. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
89 Derhalve dient op de tweede vraag in zaak C‑661/23 en op de vierde vraag in zaak C‑646/23 te worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat zij een nationale rechterlijke instantie en elke andere autoriteit van de betrokken lidstaat verplichten om een nationale regeling die de vervroegde pensionering van een rechter voorschrijft, buiten toepassing te laten wanneer die regeling in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is vastgesteld, wat met zich meebrengt dat de rechter die krachtens die regeling vervroegd op pensioen is gesteld, in zijn ambt moet worden hersteld. De gerechtelijke organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties zijn verplicht ervoor te zorgen dat dat gebeurt.
Derde vraag in de zaken C-646/23 en C-661/23
90 Met zijn derde vraag in de zaken C‑646/23 en C‑661/23 wenst de verwijzende rechterlijke instantie in essentie te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter die beslist de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing, gerechtigd is de toepassing van een nationale regeling die voorziet in de vervroegde pensionering van rechtswege van de alleensprekende rechter die de verwijzende rechterlijke instantie is, op te schorten totdat hij uitspraak heeft gedaan naar aanleiding van het antwoord van het Hof, zelfs als hij krachtens het nationale recht niet de bevoegdheid heeft om een dergelijke opschorting te gelasten. De verwijzende rechterlijke instantie wenst tevens te vernemen of een dergelijke opschorting in voorkomend geval inhoudt dat het die rechter moet worden toegestaan de behandeling van de andere zaken die op de datum van inwerkingtreding van de hem opgelegde maatregel van vervroegde pensionering van rechtswege bij hem aanhangig waren, voort te zetten.
91 Volgens vaste rechtspraak vereist de volle werking van het Unierecht dat een rechter bij wie een door het dit recht beheerst geding aanhangig is, voorlopige maatregelen kan gelasten ter verzekering van de volle werking van de uitspraak die moet worden gedaan over het bestaan van de rechten waarop krachtens het Unierecht een beroep wordt gedaan. De nuttige werking van het stelsel van artikel 267 VWEU zou namelijk worden verzwakt indien de nationale rechter die in afwachting van de uitspraak van het Hof op zijn prejudiciële vraag de behandeling van een zaak schorst, tot zijn eigen uitspraak naar aanleiding van het antwoord van het Hof geen voorlopige maatregelen zou kunnen gelasten. De doeltreffendheid van dit stelsel zou ook in gevaar worden gebracht indien het gezag van dergelijke voorlopige maatregelen zou kunnen worden geschonden door een overheidsinstantie van de lidstaat waar die maatregelen zijn genomen [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
92 Het Hof heeft voorts gepreciseerd dat de nationale rechter in voorkomend geval regels van intern recht die aan deze bevoegdheid om voorlopige maatregelen te gelasten in de weg staan, buiten toepassing moet laten (zie in die zin arrest van 19 juni 1990, Factortame e.a., C‑213/89, EU:C:1990:257, punt 21, en beschikking van de president van het Hof van 25 februari 2021, Sea Watch, C‑14/21 en C‑15/21, EU:C:2021:149, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93 Hieruit volgt dat de verwijzende rechter de toepassing van de bepalingen van de wijzigingswet die tot gevolg hebben dat hij van rechtswege op pensioen wordt gesteld, moet kunnen opschorten tot zijn uitspraak in de strafprocedures in de hoofdgedingen naar aanleiding van het antwoord van het Hof. Deze opschorting van de toepassing van die regeling en, bijgevolg, van de vervroegde pensionering van de alleensprekende rechter die de verwijzende rechterlijke instantie is, brengt ook met zich dat de andere zaken die op de datum van de inwerkingtreding van die maatregel van vervroegde pensionering bij die rechter aanhangig waren, niet aan hem kunnen worden onttrokken om redenen die verband houden met de toepassing van die maatregel, zodat hij de behandeling van die zaken ten minste gedurende die opschorting moet kunnen voortzetten.
94 Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de derde vraag in de zaken C‑646/23 en C‑661/23 te worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter die beslist de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing gerechtigd is de toepassing van een nationale regeling die voorziet in de vervroegde pensionering van rechtswege van de alleensprekende rechter die de verwijzende rechterlijke instantie is, op te schorten totdat hij uitspraak heeft gedaan naar aanleiding van het antwoord van het Hof, zelfs als hij krachtens het nationale recht niet de bevoegdheid heeft om een dergelijke opschorting te gelasten. Die opschorting brengt met zich mee dat de rechter jegens wie de maatregel van pensionering van rechtswege is vastgesteld, de behandeling van de andere zaken die op de datum van de inwerkingtreding van die maatregel bij hem aanhangig waren, moet kunnen voortzetten.
Kosten
95 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die bepaalt dat een militaire rechter die ongeschikt is verklaard voor de dienst in het beroepsleger, vanaf de inwerkingtreding van deze regeling van rechtswege vervroegd op pensioen wordt gesteld, wanneer deze regeling om te beginnen niet toelicht waarom de bepalingen ervan zijn ingevoerd noch wijst op een algemeen belang bij de invoering ervan, deze regeling voorts niet geldt voor militaire openbaar aanklagers – hoewel voorheen dezelfde regels golden voor beide categorieën magistraten – en in feite slechts één enkele rechter raakt en past in een reeks punitieve maatregelen die jegens die rechter zijn genomen, en er ten slotte voor die rechter geen beroep in rechte openstaat om de vervroegde pensionering van rechtswege die hem aldus wordt opgelegd aan te vechten.
2) Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht moeten aldus worden uitgelegd dat zij een nationale rechterlijke instantie en elke andere autoriteit van de betrokken lidstaat verplichten om een nationale regeling die de vervroegde pensionering van een rechter voorschrijft, buiten toepassing te laten wanneer die regeling in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is vastgesteld, wat met zich meebrengt dat de rechter die krachtens die regeling vervroegd op pensioen is gesteld, in zijn ambt moet worden hersteld. De gerechtelijke organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties zijn verplicht ervoor te zorgen dat dat gebeurt.
3) Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter die beslist de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing, gerechtigd is de toepassing van een nationale regeling die voorziet in de vervroegde pensionering van rechtswege van de alleensprekende rechter die de verwijzende rechterlijke instantie is, op te schorten totdat hij uitspraak heeft gedaan naar aanleiding van het antwoord van het Hof, zelfs als hij krachtens het nationale recht niet de bevoegdheid heeft om een dergelijke opschorting te gelasten. Die opschorting brengt met zich mee dat de rechter jegens wie de maatregel van pensionering van rechtswege is vastgesteld, de behandeling van de andere zaken die op de datum van de inwerkingtreding van die maatregel bij hem aanhangig waren, moet kunnen voortzetten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
( i ) Dit zijn fictieve namen, die niet overeenkomen met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 6 maart 2025, C-647/21, ECLI:EU:C:2025:143
- HvJ EU 25 februari 2025, C-146/23, ECLI:EU:C:2025:109
- HvJ EU 14 november 2024, C-197/23, ECLI:EU:C:2024:956
- HvJ EU 17 oktober 2024, C-28/23, ECLI:EU:C:2024:893
- HvJ EU 11 juli 2024, C-554/21, ECLI:EU:C:2024:594
- HvJ EU 7 mei 2024, C-115/22, ECLI:EU:C:2024:384
- HvJ EU 7 september 2023, C-216/21, ECLI:EU:C:2023:628
- HvJ EU 13 juli 2023, C-615/20, ECLI:EU:C:2023:562
- HvJ EU 13 januari 2022, C-55/20, ECLI:EU:C:2022:6
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-487/19, ECLI:EU:C:2021:798
- HvJ EU 20 april 2021, C-896/19, ECLI:EU:C:2021:311
- HvJ EU 2 maart 2021, C-824/18, ECLI:EU:C:2021:153
- HvJ EU 26 maart 2020, C-558/18, ECLI:EU:C:2020:234
- HvJ EU 19 november 2019, C-585/18, ECLI:EU:C:2019:982
- HvJ EU 5 november 2019, C-192/18, ECLI:EU:C:2019:924
- HvJ EU 24 juni 2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530
- HvJ EU 24 juni 2019, C-619/18, ECLI:EU:C:2019:531
- HvJ EU 25 juli 2018, C-216/18, ECLI:EU:C:2018:586
- HvJ EU 27 februari 2018, C-64/16, ECLI:EU:C:2018:117
- HvJ EU 15 februari 2016, C-601/15, ECLI:EU:C:2016:84