HvJ EU 17 oktober 2024, C-701/22, ECLI:EU:C:2024:891
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
17 oktober 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) – Verordening (EG) nr. 1083/2006 – Artikel 60 – Beginsel van goed financieel beheer – Artikel 80 – Recht van begunstigden om betalingen zo spoedig mogelijk en volledig te ontvangen – Recht om rente te ontvangen bij te late betaling – Doeltreffendheidsbeginsel en gelijkwaardigheidsbeginsel – Opzegging van een EFRO-financieringsovereenkomst wegens onregelmatigheden bij de uitvoering ervan – Nietigverklaring van die opzegging – Correctie van de onregelmatigheden – Bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties – Richtlijn 2011/7/EU – Werkingssfeer”
In zaak C‑701/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) bij beslissing van 15 december 2021, ingekomen bij het Hof op 15 november 2022, in de procedure
SC AA SRL
tegen
Ministerul Fondurilor Europene,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, president van de Tweede kamer, waarnemend president van de Derde kamer, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Jääskinen, M. Gavalec en N. Piçarra (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Ministerul Fondurilor Europene, vertegenwoordigd door M. I. Boloş als gemachtigde,
– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane en O.‑C. Ichim als gemachtigden,
– de Portugese regering, vertegenwoordigd door H. Almeida, P. Barros da Costa, H. Oliveira en A. Pimenta als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Ehrbar, G. Gattinara en T. Isacu de Groot als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 maart 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het beginsel van goed financieel beheer dat is neergelegd in artikel 60 van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB 2006, L 210, blz. 25, met rectificatie in PB 2008, L 301, blz. 40), gelezen in samenhang met het gelijkwaardigheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 288, derde alinea, VWEU, en van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2011, L 48, blz. 1).
2 Het verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SC AA SRL (hierna: „AA”) en Ministerul Fondurilor Europene (MFE) (ministerie van Europese Fondsen; hierna: „ministerie”) met betrekking tot de betaling van door AA gevorderde vertragingsrente wegens de te late betaling door het ministerie van subsidiabele uitgaven in het kader van een financieringsovereenkomst tussen die twee partijen ter uitvoering van een door het Fonds voor Europese regionale ontwikkeling (EFRO) medegefinancierd programma (hierna: „financieringsovereenkomst”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1080/2006
3 Artikel 7, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Fonds voor Europese regionale ontwikkeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1783/1999 (PB 2006, L 210, blz. 1), bepaalde: „De volgende uitgaven komen niet voor steun uit het EFRO in aanmerking: a) debetrente;”
Verordening nr. 1083/2006
4 Verordening nr. 1083/2006 is ingetrokken bij verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening nr. 1083/2006 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 320), maar blijft ratione temporis van toepassing op het hoofdgeding. Artikel 2, punt 7, van die verordening definieerde het begrip „onregelmatigheid” als „elke inbreuk op een bepaling van het gemeenschapsrecht als gevolg van een handeling of nalatigheid van een marktdeelnemer waarbij de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld”.
5 Artikel 60 („Functies van de beheersautoriteit”) van verordening nr. 1083/2006, bepaalde: „De beheersautoriteit is ervoor verantwoordelijk dat het operationele programma overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer wordt beheerd en uitgevoerd, en moet met name: a) erop toezien dat de concrete acties voor financiering worden geselecteerd met inachtneming van de voor het operationele programma geldende criteria en gedurende de hele uitvoeringsperiode in overeenstemming zijn met de geldende communautaire en nationale voorschriften; […]”
6 Artikel 80 („Volledigheid van de betalingen aan de begunstigden”) van die verordening luidde als volgt: „De lidstaten vergewissen zich ervan dat de voor het verrichten van de betalingen verantwoordelijke instanties ervoor zorgen dat de begunstigden het volledige bedrag van de overheidsbijdrage zo spoedig mogelijk en volledig ontvangen. Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of worden ingehouden, noch specifieke extra heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast die het totale bedrag voor de begunstigden verminderen.”
7 In artikel 98 van die verordening, met als opschrift „Financiële correcties door de lidstaten”, werd in de leden 1 en 2 bepaald: „1. In eerste instantie is het aan de lidstaten om onregelmatigheden te onderzoeken, op te treden wanneer een belangrijke wijziging wordt geconstateerd die de aard of de voorwaarden van de uitvoering of de controle van concrete acties of operationele programma’s beïnvloedt, en de nodige financiële correcties te verrichten. 2. De lidstaat past de financiële correcties toe die noodzakelijk zijn in verband met eenmalige of systematische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma’s zijn geconstateerd. De door de lidstaat verrichte correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan het operationele programma. De lidstaat houdt rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de fondsen. […]”
Verordening 2018/1046
8 Artikel 2, punt 59, van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1) definieert het begrip „goed financieel beheer” als „de uitvoering van de begroting met inachtneming van de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid”.
Richtlijn 2011/7
9 Artikel 1 van richtlijn 2011/7, met als opschrift „Voorwerp en toepassingsgebied”, bepaalt: „1. Deze richtlijn heeft ten doel betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen en met name van [kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s)] te versterken. 2. Deze richtlijn is van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties. […]”
10 Artikel 2, punt 1, van die richtlijn definieert voor de toepassing van de richtlijn het begrip „handelstransacties” als „transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”.
Roemeens recht
Burgerlijk wetboek
11 Artikel 1535 van lege nr. 287/2009 privind Codul civil al României (wet nr. 287/2009 houdende het Roemeens burgerlijk wetboek) van 17 juli 2009 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 511 van 24 juli 2009; hierna: „burgerlijk wetboek”), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, met als opschrift „Vertragingsrente bij geldelijke verplichtingen”, bepaalt: „(1) Wanneer een geldsom op de vervaldag niet is betaald, heeft de schuldeiser recht op vertragingsrente vanaf de vervaldag tot de datum van betaling, tegen de door partijen overeengekomen rentevoet of, bij gebreke daarvan, tegen de wettelijke rentevoet, zonder dat hij enige schade hoeft aan te tonen. In een dergelijk geval heeft de schuldenaar niet het recht om te bewijzen dat de door de schuldeiser als gevolg van de betalingsachterstand geleden schade geringer zou zijn. […] (3) Indien de rentevoet van de verschuldigde vertragingsrente niet hoger is dan de wettelijke rentevoet, heeft de schuldeiser, naast de wettelijke rente, recht op volledige vergoeding van de geleden schade.”
OG nr. 13/2011
12 Artikel 1 van Ordonanție Guvernului nr. 13 privind dobânda legală remuneratorie și penalizatoare pentru obligații bănești, precum și pentru reglementarea unor măsuri financiar-fiscale în domeniul bancar (regeringsbesluit nr. 13 betreffende de wettelijke vergoedings‑ en boeterente voor geldelijke verplichtingen, alsmede tot regeling van bepaalde financiële en fiscale maatregelen in de banksector) van 24 augustus 2011 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 607 van 29 augustus 2011; hierna: „OG nr. 13/2011”), bepaalt: „(1) Het staat partijen vrij om bij overeenkomst een rentevoet vast te stellen, zowel voor de terugbetaling van een krediet als voor betalingsachterstand bij een geldelijke verplichting. […] (3) Rente die verschuldigd is door de schuldenaar van een geldelijke verplichting wegens niet-nakoming van de betrokken verbintenis op de vervaldag wordt boeterente genoemd. […]”
13 Volgens artikel 10 OG nr. 13/2011 zijn „artikel 1535 en de artikelen 1538 tot en met 1543 van het [burgerlijk wetboek] […] van toepassing op de boeterente”.
OUG nr. 66/2011
14 Artikel 42, leden 1 en 2, van Ordonanție de urgență a Guvernului nr. 66/2011 privind prevenirea, constatarea și sancționarea neregulilor apărute în obținerea și utilizarea fondurilor europene și/sau a fondurilor publice naționale aferente acestora (spoedbesluit nr. 66/2011 van de regering betreffende de preventie, de vaststelling en de bestraffing van onregelmatigheden bij de verwerving en het gebruik van Europese fondsen en/of daarmee verband houdende nationale overheidsfondsen) van 29 juni 2011 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 461 van 30 juni 2011; hierna: „OUG nr. 66/2011”), bepaalde, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding: „(1) Begrotingsvorderingen die voortvloeien uit onregelmatigheden zijn verschuldigd bij het verstrijken van de in de schuldvordering vastgestelde betalingstermijn of binnen 30 dagen na de datum van kennisgeving van die vordering. (2) Wanneer de schuldenaar zijn verplichtingen uit hoofde van de schuldvordering niet binnen de gestelde termijn nakomt, is hij rente verschuldigd op basis van de rentevoet die geldt voor het uitstaande saldo van het in [Roemeense leu (RON)] uitgedrukte bedrag van de begrotingsvordering, vanaf de eerste dag na het verstrijken van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde betalingstermijn tot de datum van delging van de schuld, tenzij de regels van de Europese Unie of van de internationale publieke donateur anders bepalen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15 Op 22 april 2015 hebben het ministerie, de beheersautoriteit van het sectorale operationele programma „Boosting Economic Competitiveness 2007‑2013” van het EFRO, en AA, een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Roemeens recht, een financieringsovereenkomst gesloten ter uitvoering van dat programma voor de tenuitvoerlegging van het project „Aankoop van apparatuur ter versterking van de productiecapaciteit van AA”.
16 Daartoe heeft het ministerie zich ertoe verbonden aan AA een financiering van maximaal 3334257,20 RON (ongeveer 671000 EUR) toe te kennen. AA heeft zich ertoe verbonden om het project mede te financieren door een bijdrage in de subsidiabele uitgaven van het project ten belope van dit laatste bedrag en door een bijdrage in de niet-subsidiabele uitgaven van dat project ten belope van 2385556,64 RON (ongeveer 479780 EUR), inclusief belasting op de toegevoegde waarde (btw). Om de medefinanciering van de subsidiabele uitgaven overeenkomstig de financieringsovereenkomst te dekken, heeft AA met een bank een kredietovereenkomst afgesloten voor een totaalbedrag van 3334257,20 RON (ongeveer 671000 EUR).
17 Op 22 september 2015, na de voltooiing van dat project, heeft AA bij het ministerie een verzoek ingediend tot terugbetaling van de met die subsidiabele uitgaven overeenstemmende som, en bij brieven van 2 en 22 oktober 2015 heeft zij dat verzoek aangevuld. Vervolgens heeft AA bij de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië), de verwijzende rechter, beroep ingesteld strekkende tot, ten eerste, de afgifte van een bevel aan het ministerie om dat verzoek in te willigen, ten tweede, de veroordeling van dat ministerie tot de terugbetaling van het bedrag van de subsidiabele uitgaven, ten derde, de veroordeling van dat ministerie tot de betaling van vertragingsrente over dat bedrag vanaf de datum van instelling van dat beroep en, ten vierde, subsidiair, de veroordeling van dat ministerie tot de betaling van een schadevergoeding voor de geleden materiële schade.
18 Op 29 augustus 2016 heeft het ministerie de financieringsovereenkomst opgezegd op grond dat AA niet had voldaan aan de in die overeenkomst opgenomen verplichting om een aanbesteding of een aankondiging van de opdracht bekend te maken.
19 Naar aanleiding daarvan heeft AA zich op 27 april 2017 opnieuw tot de Curte de Apel Cluj gewend met een tweede beroep tegen het ministerie strekkende tot de nietigverklaring van de handeling waarbij de financieringsovereenkomst werd opgezegd. Bij een arrest dat op 10 maart 2021 onherroepelijk is geworden, heeft die rechter het beroep toegewezen op grond van de overweging dat, ondanks de niet-nakoming door AA van de transparantieverplichting bij de uitvoering van de financieringsovereenkomst, de opzegging van die overeenkomst onevenredig was. Volgens de Curte de Apel Cluj had het ministerie, gelet op de geringe ernst van de vastgestelde onregelmatigheden, minder strenge maatregelen zoals financiële correcties kunnen toepassen.
20 Na de volledige betaling door het ministerie van het bedrag van de subsidiabele uitgaven uit hoofde van de bijdrage van het EFRO, namelijk 3320502,41 RON (ongeveer 667370 EUR), zonder financiële correcties, blijven bij de verwijzende rechter, in het kader van het in punt 17 van het onderhavige arrest bedoelde beroep, alleen de vorderingen aanhangig die betrekking hebben op de betaling van vertragingsrente over dat bedrag en de schadevergoeding voor de vergoeding van de geleden materiële schade. Dienaangaande voert AA aan dat zij als gevolg van de niet-betaling van de door het ministerie verschuldigde bedragen gedwongen was om tussen de oorspronkelijke vervaldatum van het krediet en de instelling van dat beroep tot april 2016 een totaalbedrag van 23225,46 RON (ongeveer 4671 EUR) aan rente te betalen.
21 De verwijzende rechter vraagt zich ten eerste af of, bij gebreke van een specifieke regeling van de Unie op dit gebied, op grond van het in artikel 60 van verordening nr. 1083/2006 neergelegde beginsel van goed financieel beheer, gelezen in samenhang met het gelijkwaardigheidsbeginsel, op een financieringsovereenkomst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is toepassing mogelijk is van artikel 1535 van het burgerlijk wetboek en de artikelen 1 en 10 OG nr. 13/2011, die voorzien in de betaling van vertragingsrente bij de niet-nakoming van een geldelijke verplichting of, naar analogie, artikel 42 OUG nr. 66/2011, dat met betrekking tot de uitvoering van Europese fondsen of daarmee verband houdende nationale overheidsfondsen de intrekking van een ten onrechte betaald financieel voordeel regelt, en slechts voorziet in de betaling van vertragingsrente door de begunstigde van dat voordeel indien de terugbetaling niet plaatsvindt binnen een termijn van 30 dagen.
22 Ten tweede vraagt die verwijzende rechter zich af of hij, wanneer een begunstigde onregelmatigheden heeft begaan bij de uitvoering van een financieringsovereenkomst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, om rekening te houden met die onregelmatigheden, het bedrag van de vertragingsrente – gesteld al dat deze door de beheersautoriteit verschuldigd zou zijn – kan beperken, ook wanneer die autoriteit geen financiële correctie bij die begunstigde heeft toegepast.
23 Ten derde vraagt die rechter zich af of een financieringsovereenkomst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2011/7 valt, en of die richtlijn het mogelijk maakt om op die overeenkomst de in die richtlijn vastgestelde rentevoet toe te passen voor te late betaling van de subsidiabele uitgaven.
24 Tegen deze achtergrond heeft de Curte de Apel Cluj de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet het beginsel van goed financieel beheer aldus worden uitgelegd dat het, gelezen in samenhang met het gelijkwaardigheidsbeginsel, zich ertegen verzet dat een rechtspersoon die een onderneming met winstoogmerk drijft en niet-terugvorderbare financiering uit het EFRO heeft ontvangen, van de beheersautoriteit van de lidstaat vertragingsrente (boeterente) over de te late betaling van de subsidiabele uitgaven kan verkrijgen voor een periode waarin een bestuurshandeling van kracht was die de terugbetaling uitsloot en die later bij rechterlijke beslissing nietig is verklaard? 2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is de schuld van de begunstigde van de financiering, vastgesteld bij diezelfde rechterlijke beslissing, dan relevant voor de hoogte van de vertragingsrente, indien die beheersautoriteit alle uitgaven als subsidiabel heeft aangemerkt nadat de betreffende rechterlijke beslissing is uitgesproken? 3) Is het bij de uitlegging van het gelijkwaardigheidsbeginsel ter zake van het tijdstip waarop vertragingsrente wordt toegekend aan de begunstigde niet-terugvorderbare financiering uit het EFRO, relevant dat een nationale rechtsregel bepaalt dat de constatering van een onregelmatigheid als enige gevolg heeft dat het financiële voordeel niet wordt toegekend of in voorkomend geval wordt ingetrokken (door terugbetaling van de onverschuldigde bedragen), tot de hoogte van het toegekende bedrag zonder berekening van rente, hoewel de begunstigde het voordeel van het gebruik ervan heeft genoten tot het moment van terugbetaling, en dat uitsluitend indien het bedrag na het verstrijken van de wettelijke termijn van 30 dagen na kennisgeving van de schuldvordering niet is terugbetaald, rente kan worden geheven op grond van artikel 42, leden 1 en 2, [OUG nr. 66/2011]? 4) Staat artikel 288, derde alinea, VWEU eraan in de weg dat, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, de toepassing van richtlijn [2011/7] door een nationale regel wordt uitgebreid tot een financieringsovereenkomst tot toekenning van subsidie uit het EFRO tussen de beheersautoriteit en een rechtspersoon die een onderneming met winstoogmerk drijft?”
Verzoek om de toepassing van de versnelde procedure
25 De verwijzende rechter heeft verzocht om in de onderhavige zaak de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof toe te passen, waarbij hij erop heeft gewezen dat het geding al sinds 18 april 2016 aanhangig is bij de nationale rechterlijke instanties.
26 Artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, kan beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure.
27 De toepassing van die procedure hangt vooral af van de uitzonderlijke omstandigheden in het hoofdgeding, waaruit moet blijken dat op de prejudiciële vragen met buitengewone spoed dient te worden beslist [zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Wederzijds vertrouwen in geval van overdracht), C‑392/22, EU:C:2024:195, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
28 In dit verband verduidelijkt punt 37 van de aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1) dat het verzoek, om het Hof in staat te stellen snel te beslissen of de versnelde procedure moet worden toegepast, nauwkeurig de juridische en feitelijke omstandigheden moet uiteenzetten die spoedeisendheid aantonen, en in het bijzonder de risico’s die worden gelopen indien de zaak volgens de normale procedure wordt behandeld.
29 In casu wijst niets in de door de verwijzende rechter verschafte gegevens erop dat hij binnen een bepaalde termijn uitspraak moet doen of dat het beroep in rechte dat AA sinds 18 april 2016 bij hem heeft ingesteld, spoedeisend is behandeld. In dat verband moet worden opgemerkt dat die rechter op 15 december 2021 heeft beslist om het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof toe te zenden, maar het pas op 15 november 2022 heeft ingediend [zie in die zin arrest van 13 juni 2024, C (Bewindvoerders en curatoren), C‑696/22, EU:C:2024:499, punten 42 en 43].
30 Bovendien brengt noch het belang van de justitiabelen – hoe belangrijk en legitiem ook – bij een zo snel mogelijke vaststelling van de omvang van de rechten die zij aan het Unierecht ontlenen, noch het economisch of sociaal gevoelige karakter van het hoofdgeding met zich mee dat „behandeling binnen korte termijnen vereist is” in de zin van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering (arrest van 20 oktober 2022, Curtea de Apel Alba Iulia e.a., C‑301/21, EU:C:2022:811, punt 39).
31 In die omstandigheden heeft de president van het Hof op 20 december 2022, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslist om het door de verwijzende rechter ingediende verzoek om toepassing van de versnelde procedure niet in te willigen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en derde vraag
32 Met zijn eerste en derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het in artikel 60 van verordening nr. 1083/2006 bedoelde beginsel van goed financieel beheer, gelezen in samenhang met het gelijkwaardigheidsbeginsel, zich verzet tegen de betaling van vertragingsrente door de beheersautoriteit wegens de te late betaling van geldsommen die overeenstemmen met de krachtens het EFRO subsidiabele uitgaven en, in geval van een ontkennend antwoord, tegen de uitsluiting van de betaling van die rente op grond van bepalingen van nationaal recht die slechts voorzien in betaling van vertragingsrente vanaf het verstrijken van de termijn voor de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde geldsom.
33 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de Commissie krachtens artikel 317 VWEU de begroting van de Unie uitvoert in samenwerking met de lidstaten, onder meer overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer dat in artikel 2, punt 59, van verordening nr. 2018/1046 wordt gedefinieerd als de uitvoering van de begroting met inachtneming van de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid. Het beginsel van goed financieel beheer vereist met name dat de Europese structuur‑ en investeringsfondsen door de lidstaten worden gebruikt in overeenstemming met de beginselen en wettelijke vereisten die ten grondslag liggen aan de sectorale regelgeving van de Unie.
34 Volgens artikel 60, onder a), van verordening nr. 1083/2006 moet de beheersautoriteit er ter uitvoering van het beginsel van goed financieel beheer op toezien dat de concrete acties voor financiering worden geselecteerd met inachtneming van de voor het operationele programma geldende criteria en gedurende de hele uitvoeringsperiode in overeenstemming zijn met de geldende Unieregels en nationale voorschriften.
35 Bovendien bepaalt artikel 7 van verordening nr. 1080/2006 dat de door de bevoegde nationale autoriteiten betaalde debetrente niet in aanmerking komt voor een bijdrage van het EFRO.
36 Hieruit volgt dat de betaling van vertragingsrente wegens te late betaling door de beheersautoriteit van geldsommen die overeenstemmen met subsidiabele uitgaven uit hoofde van met name het EFRO, geen afbreuk doet aan de door verordening nr. 1083/2006 nagestreefde doelstelling van goed financieel beheer. Aangezien dergelijke vertragingsrente niet ten laste van de begroting van de Unie kan worden gebracht, blijven de financiële belangen van de Unie immers gevrijwaard.
37 In de tweede plaats volgt uit vaste rechtspraak dat iedere justitiabele aan wie een nationale autoriteit in strijd met het Unierecht de betaling van belastingen, rechten of andere heffingen heeft opgelegd, krachtens dat recht niet alleen de terugbetaling van het onterecht geïnde bedrag kan vorderen van die autoriteit, maar ook de betaling van rente ter compensatie van de niet-beschikbaarheid van dat bedrag (arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Bijgevolg moeten door een nationale autoriteit in strijd met het Unierecht geïnde geldsommen worden terugbetaald en moet die terugbetaling worden vermeerderd met rente voor de gehele periode vanaf de betaling van die geldsommen tot de datum van terugbetaling. Dit vormt de uitdrukking van een algemeen beginsel van teruggave van het onverschuldigd betaalde (arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Voorts heeft het Hof geoordeeld dat dit beginsel van toepassing is ingeval de geldsommen in kwestie overeenstemmen met tardief aan een justitiabele verleende uitvoerrestituties die hem eerder in strijd met het Unierecht zijn geweigerd (zie in die zin arrest van 28 april 2022, Gräfendorfer Geflügel‑ und Tiefkühlfeinkost Produktions e.a., C‑415/20, C‑419/20 en C‑427/20, EU:C:2022:306, punt 59). Een dergelijke situatie is vergelijkbaar met die van de begunstigde van EFRO-financiering die gedurende een bepaalde periode niet heeft kunnen beschikken over geldsommen die overeenstemmen met subsidiabele uitgaven waarop hij recht had wegens de vertraging waarmee deze geldsommen in strijd met het Unierecht zijn betaald.
40 Bovendien moet worden benadrukt dat artikel 80 van verordening nr. 1083/2006 ten eerste de lidstaten verplicht om zich ervan te vergewissen dat de beheersautoriteiten ervoor zorgen dat de begunstigden het volledige bedrag van de overheidsbijdrage zo spoedig mogelijk en volledig ontvangen. Ten tweede mogen de lidstaten volgens dat artikel geen bedragen in mindering brengen of inhouden, noch specifieke extra heffingen of andere heffingen met gelijke werking toepassen die het totale bedrag voor de begunstigden verminderen.
41 Uit het voorgaande volgt dat in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de begunstigde van een overheidsbijdrage uit het EFRO ten onrechte niet heeft kunnen beschikken over een hem verschuldigde geldsom, die begunstigde recht heeft op betaling van vertragingsrente vanaf de datum waarop de beheersautoriteit hem die som had moeten betalen en in plaats van die som te betalen de financieringsovereenkomst heeft opgezegd, welke opzegging vervolgens ex tunc nietig is verklaard bij een definitief geworden rechterlijke beslissing (zie in die zin arresten van 28 april 2022, Gräfendorfer Geflügel‑ und Tiefkühlfeinkost Produktions e.a., C‑415/20, C‑419/20 en C‑427/20, EU:C:2022:306, punt 75, en 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 61).
42 Zoals in punt 37 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft dit recht op rentebetaling tot doel de niet-beschikbaarheid te compenseren van de geldsom die de betrokken begunstigde ten onrechte was ontzegd. Die compensatie kan naargelang van het geval geschieden volgens de regels die zijn vastgesteld in de toepasselijke Unieregeling of – bij gebreke van een dergelijke regeling – volgens de regels die op grond van het nationale recht van toepassing zijn (zie in die zin arrest van 28 april 2022, Gräfendorfer Geflügel‑ und Tiefkühlfeinkost Produktions e.a., C‑415/20, C‑419/20 en C‑427/20, EU:C:2022:306, punten 70 en 71).
43 In casu staat het aan de verwijzende rechter om, bij afwezigheid van nationaalrechtelijke bepalingen die in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding de betaling van vertragingsrente voorschrijven, aan de hand van zowel het voorwerp als de belangrijkste elementen van de nationale bepalingen inzake vertragingsrente waarnaar hij in het verzoek om een prejudiciële beslissing verwijst, te bepalen welke bepalingen het meest geschikt zijn om de doeltreffendheid te waarborgen van het in de punten 37 tot en met 39 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte algemeen beginsel van teruggave van het onverschuldigd betaalde. De procedureregels voor vorderingen tot rentebetaling mogen niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van het door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde recht op rentebetaling in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arresten van 16 december 1976,Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral, 33/76, EU:C:1976:188, punt 6; 6 oktober 2015, Târșia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punten 26 en 27, en 28 april 2022, Gräfendorfer Geflügel‑ und Tiefkühlfeinkost Produktions e.a., C‑415/20, C‑419/20 en C‑427/20, EU:C:2022:306, punt 74).
44 Wat betreft de vraag of het op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel relevant zou zijn om in casu artikel 42 OUG nr. 66/2011 toe te passen, moet, gelet op de gegevens in het verzoek om een prejudiciële beslissing, worden opgemerkt dat artikel 42 de intrekking regelt van een financieel voordeel dat ten onrechte is betaald wegens onregelmatigheden bij de verkrijging en het gebruik van Europese fondsen of daarmee verband houdende nationale overheidsfondsen.
45 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in de onderhavige zaak in herinnering heeft gebracht, veronderstelt een beroep op het gelijkwaardigheidsbeginsel dat de betrokken regel gelijkelijk van toepassing is op beroepen die zijn gebaseerd op een schending van het Unierecht en op beroepen die zijn gebaseerd op een schending van het nationale recht die een vergelijkbaar voorwerp en een soortgelijke oorzaak hebben. Bijgevolg kan een nationale regel die enkel de schending van het Unierecht beoogt te bestraffen, niet de geschikte vergelijkingsmaatstaf zijn waaraan de eerbiediging van dat beginsel kan worden afgemeten (zie in die zin arresten van 1 december 1998, Levez, C‑326/96, EU:C:1998:577, punten 41 en 48, en 16 mei 2000, Preston e.a., C‑78/98, EU:C:2000:247, punten 52 en 55).
46 Bovendien volgt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat artikel 42 OUG nr. 66/2011 voorziet in de betaling van rente ingeval het financiële voordeel niet wordt terugbetaald binnen de wettelijke termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de schuldvordering. In dergelijke omstandigheden zou de toepassing van dat artikel in het hoofdgeding, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, afbreuk kunnen doen aan het recht van de betrokken begunstigde op terugbetaling van geldsommen die overeenstemmen met subsidiabele uitgaven, en op betaling van de door het Unierecht gewaarborgde rente. De toepassing van dat artikel zou er immers toe kunnen leiden dat die periode van 30 dagen niet als relevante periode in rekening wordt gebracht bij de berekening van de rente (zie naar analogie arrest van 28 april 2022, Gräfendorfer Geflügel‑ und Tiefkühlfeinkost Produktions e.a., C‑415/20, C‑419/20 en C‑427/20, EU:C:2022:306, punten 75 en 76).
47 Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat het in artikel 60 van verordening nr. 1083/2006 bedoelde beginsel van goed financieel beheer aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de betaling door de beheersautoriteit van vertragingsrente wegens de te late betaling van bedragen die overeenstemmen met de krachtens het EFRO subsidiabele uitgaven. Het doeltreffendheidsbeginsel moet echter aldus worden uitgelegd dat het zich er, in het licht van artikel 80 van verordening nr. 1083/2006, tegen verzet dat de betaling van die rente wordt uitgesloten door bepalingen van het nationale recht die de betaling van rente pas opleggen vanaf het einde van de termijn voor de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde som.
Tweede vraag
48 Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in wezen wenst te vernemen of de gecombineerde bepalingen van artikel 2, punt 7, en artikel 98, leden 1 en 2, van verordening nr. 1083/2006 aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een nationale rechter naar aanleiding van tijdens de uitvoering van een financieringsovereenkomst ontdekte „onregelmatigheden” in de zin van dat artikel 2, punt 7, het bedrag van de vertragingsrente die wegens te late betaling door de beheersautoriteit van de uit hoofde van die financiering subsidiabele uitgaven aan de begunstigde van EFRO-financiering verschuldigd is, vermindert in een geval waarin die beheersautoriteit geen financiële correctie heeft toegepast.
49 In de eerste plaats definieert artikel 2, punt 7, van verordening nr. 1083/2006 het begrip „onregelmatigheid” als elke inbreuk op een bepaling van het Unierecht als gevolg van een handeling of nalatigheid van een marktdeelnemer waarbij de algemene begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld. Uit de bewoordingen van dat artikel 2, punt 7, volgt dat alleen een inbreuk waarbij die begroting „wordt of zou kunnen worden benadeeld”, als „onregelmatigheid” kan worden aangemerkt.
50 In de tweede plaats volgt uit artikel 98, leden 1 en 2, van verordening nr. 1083/2006 dat het in de eerste plaats aan de lidstaten staat om eenmalige en systematische onregelmatigheden te onderzoeken en financiële correcties toe te passen in verband met onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma’s zijn ontdekt. Die correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan het operationele programma waarbij criteria worden toegepast die zien op de aard en de ernst van de onregelmatigheden en het financiële verlies voor het betrokken fonds. Die criteria geven uitdrukking aan het evenredigheidsbeginsel dat deel uitmaakt van de algemene Unierechtelijke beginselen (zie in die zin arrest van 8 juni 2023, ANAS, C‑545/21, EU:C:2023:451, punten 42 en 43).
51 Hieruit volgt dat artikel 98, leden 1 en 2, van verordening nr. 1083/2006 aldus moet worden uitgelegd dat in geval van een „onregelmatigheid” als gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van die verordening, de lidstaten voor het bepalen van de toepasselijke financiële correctie een beoordeling per geval dienen te verrichten, waarbij zij het evenredigheidsbeginsel in acht nemen en daarbij rekening houden met de hierboven genoemde criteria (zie in die zin arrest van 8 juni 2023, ANAS, C‑545/21, EU:C:2023:451, punt 49).
52 In de rechtsorde van de Unie geldt de op de lidstaten krachtens artikel 4, lid 3, tweede alinea, VEU, rustende verplichting om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van Unierechtelijke verplichtingen te verzekeren, voor alle autoriteiten van de lidstaten, en, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties (zie in die zin arresten van 26 september 2000, Engelbrecht, C‑262/97, EU:C:2000:492, punt 38, en 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punt 60).
53 In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of, op grond van het in de punten 37 tot en met 39 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginsel van de terugvordering van het onverschuldigd betaalde, een vermindering van de aan de begunstigde van de financiering verschuldigde vertragingsrente in geval van onregelmatigheden in de zin van artikel 2, punt 7, van verordening nr. 1083/2006, in overeenstemming zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, zoals het is verduidelijkt in artikel 98, leden 1 en 2, van die verordening.
54 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de gecombineerde bepalingen van artikel 2, punt 7, en artikel 98, leden 1 en 2, van verordening nr. 1083/2006 aldus moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een nationale rechter naar aanleiding van tijdens de uitvoering van een financieringsovereenkomst ontdekte „onregelmatigheden” in de zin van dat artikel 2, punt 7, het bedrag van de vertragingsrente die wegens te late betaling door de beheersautoriteit van de uit hoofde van die financiering subsidiabele uitgaven aan de begunstigde van financiering krachtens het EFRO verschuldigd is, vermindert in een geval waarin die beheersautoriteit geen enkele financiële correctie heeft toegepast.
Vierde vraag
55 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat die van toepassing is op een tussen een beheersautoriteit van een lidstaat en een onderneming gesloten financieringsovereenkomst betreffende de medefinanciering door het EFRO van een project voor de aankoop door die onderneming van apparatuur bij een derde.
56 Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 2011/7 volgens artikel 1, lid 1, ervan tot doel heeft om betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen en met name van kmo’s te versterken. Artikel 1, lid 2, van richtlijn 2011/7 bepaalt dat die richtlijn van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van „handelstransacties”.
57 Het begrip „handelstransacties” wordt in artikel 2, punt 1, van die richtlijn gedefinieerd als „transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”.
58 Volgens die bepalingen gelden voor een transactie dus twee voorwaarden om onder het begrip „handelstransacties” te vallen. Ten eerste moet de transactie worden verricht tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties, en ten tweede moet de transactie leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding [arresten van 9 juli 2020, RL (Richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand), C‑199/19, EU:C:2020:548, punt 24, en 13 januari 2022, New Media Development & Hotel Services, C‑327/20, EU:C:2022:23, punt 32].
59 De werkingssfeer van richtlijn 2011/7 wordt inderdaad zeer ruim omschreven en kan een handelstransactie omvatten die geheel of gedeeltelijk met middelen uit de structuurfondsen en uit het Cohesiefonds van de Unie wordt gefinancierd (zie in die zin arrest van 28 november 2019, KROL, C‑722/18, EU:C:2019:1028, punt 32). Dat neemt niet echter weg dat, om onder het begrip „handelstransacties” in de zin van artikel 2, punt 1, van deze richtlijn te vallen, een transactie daadwerkelijk moet leiden tot een levering van goederen of tot een dienstverrichting, ook al is die niet gericht op een dergelijke levering of dienst (zie in die zin arrest van 18 november 2020, Techbau, C‑299/19, EU:C:2020:937, punt 44).
60 Aangezien in casu de betrokken financieringsovereenkomst betrekking heeft op de medefinanciering door het EFRO van een project voor de aankoop van apparatuur bij een derde en niet impliceert dat AA ten behoeve van de betrokken beheersautoriteit een goed levert of een dienst verricht, is die overeenkomst uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 2011/7.
61 Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat die niet van toepassing is op een tussen een beheersautoriteit van een lidstaat en een onderneming gesloten financieringsovereenkomst met betrekking tot de medefinanciering door het EFRO van een project voor de aankoop door die onderneming van apparatuur bij een derde.
Kosten
62 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) Het beginsel van goed financieel beheer, dat is neergelegd in artikel 60 van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de betaling door de beheersautoriteit van vertragingsrente wegens de te late betaling van bedragen die overeenstemmen met de krachtens het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling subsidiabele uitgaven. Het doeltreffendheidsbeginsel moet echter aldus worden uitgelegd dat het zich er, in het licht van artikel 80 van verordening nr. 1083/2006, tegen verzet dat de betaling van die rente wordt uitgesloten door bepalingen van het nationale recht die de betaling van rente pas opleggen vanaf het einde van de termijn voor de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde som.
2) De gecombineerde bepalingen van artikel 2, punt 7, en artikel 98, leden 1 en 2, van verordening nr. 1083/2006 moeten in die zin worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een nationale rechter naar aanleiding van tijdens de uitvoering van een financieringsovereenkomst ontdekte „onregelmatigheden” in de zin van dat artikel 2, punt 7, het bedrag van de vertragingsrente die wegens te late betaling door de beheersautoriteit van de uit hoofde van die financiering subsidiabele uitgaven aan de begunstigde van financiering krachtens het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling verschuldigd is, vermindert in een geval waarin die beheersautoriteit geen enkele financiële correctie heeft toegepast.
3) Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties moet aldus worden uitgelegd dat die niet van toepassing is op een tussen een beheersautoriteit van een lidstaat en een onderneming gesloten financieringsovereenkomst met betrekking tot de medefinanciering door het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling van een project voor de aankoop door die onderneming van apparatuur bij een derde.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Roemeens.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 13 juni 2024, C-696/22, ECLI:EU:C:2024:499
- HvJ EU 11 juni 2024, C-221/22, ECLI:EU:C:2024:488
- HvJ EU 29 februari 2024, C-392/22, ECLI:EU:C:2024:195
- HvJ EU 8 juni 2023, C-545/21, ECLI:EU:C:2023:451
- HvJ EU 20 oktober 2022, C-301/21, ECLI:EU:C:2022:811
- HvJ EU 28 april 2022, C-415/20, ECLI:EU:C:2022:306
- HvJ EU 13 januari 2022, C-327/20, ECLI:EU:C:2022:23
- HvJ EU 18 november 2020, C-299/19, ECLI:EU:C:2020:937
- HvJ EU 9 juli 2020, C-199/19, ECLI:EU:C:2020:548
- HvJ EU 28 november 2019, C-722/18, ECLI:EU:C:2019:1028
- HvJ EU 17 oktober 2019, C-31/18, ECLI:EU:C:2019:868
- HvJ EU 6 oktober 2015, C-69/14, ECLI:EU:C:2015:662
- HvJ EU 26 september 2000, C-262/97, ECLI:EU:C:2000:492
- HvJ EU 16 mei 2000, C-78/98, ECLI:EU:C:2000:247
- HvJ EU 1 december 1998, C-326/96, ECLI:EU:C:1998:577