Gerecht EU 30 april 2025, T-499/20, ECLI:EU:T:2025:429
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)
30 april 2025 ( *1 )
„Economische en monetaire unie – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) – Besluit van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) over de vooraf te betalen bijdragen voor 2016 – Uitsluiting van bepaalde passiva van de berekening van de vooraf te betalen bijdragen – Artikel 5, lid 1, onder a), b) en f) van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 – Exceptie van onwettigheid – Verbod van terugwerkende kracht – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent – Ongerechtvaardigde verrijking”
In zaak T‑499/20,
Banco Cooperativo Español, SA, gevestigd te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door D. Sarmiento Ramírez-Escudero en J. Beltrán de Lubiano Sáez de Urabain, advocaten,
verzoekster
tegen
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door C. De Falco als gemachtigde, bijgestaan door B. Meyring, F. Fernández de Trocóniz Robles, T. Klupsch en S. Ianc, advocaten,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou, A. Steiblytė en P. Němečková als gemachtigden,
interveniënte,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. Kornezov, president, D. Petrlík, K. Kecsmár (rapporteur), S. Kingston en L. Spangsberg Grønfeldt, rechters,
griffier: S. Jund, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 27 juni 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep vordert verzoekster, Banco Cooperativo Español, SA, ten eerste, krachtens artikel 263 VWEU, nietigverklaring van besluit SRB/ES/2022/79 van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van 7 december 2022 waarbij besluit SRB/ES/2020/16 van de GAR van 19 maart 2020 betreffende de berekening van de vooraf aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) te betalen bijdragen voor 2016 van Banco Cooperativo Español, SA, Hypo Vorarlberg Bank AG (voorheen Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank AG) en Portigon AG wordt ingetrokken, en hun voor 2016 vooraf aan het GAF te betalen bijdragen worden berekend (hierna: „bestreden besluit”), voor zover dit besluit betrekking heeft op verzoekster, en ten tweede, krachtens artikel 268 VWEU, vergoeding van de schade die zij door dit besluit zou hebben geleden.
Voorgeschiedenis van het geding
2 In Spanje zijn rurale banken coöperatieve kredietinstellingen die financiële diensten in plattelandsgebieden aanbieden.
3 Verzoekster is een kredietinstelling die in 1990 is opgericht door enkele rurale banken, die tevens haar aandeelhouders zijn. Verzoekster staat aan het hoofd van het netwerk dat door die banken wordt gevormd en biedt bancaire diensten aan particulieren en ondernemingen aan, waaronder met name de rurale banken zelf. Een van de voornaamste diensten die aan de rurale banken wordt geleverd is cash pooling (gecentraliseerd beheer van hun kasmiddelen).
4 Zo hebben verzoekster en de rurale banken op 25 januari 1994 een cashpoolovereenkomst (hierna: „cashpoolovereenkomst”) gesloten die tot doel heeft de belegging door verzoekster van de kasmiddelen van de rurale banken namens laatstgenoemden te regelen. Deze overeenkomst bepaalt dat de rurale banken middelen aan verzoekster overdragen met het oog op het beleggen ervan op de interbanken- of geldmarkt. Omdat verzoekster in eigen naam het tegenpartijrisico draagt voor alle belegde middelen, bevat clausule 4 van die overeenkomst een garantie waarbij de rurale banken gehouden zijn tot het dragen van elk verlies of elke verplichting die voortvloeit uit de activiteiten van verzoekster op de interbankenmarkt namens hen.
5 Verzoekster treedt ook op als tussenpersoon om haar leden toegang te verlenen tot financiering door de Europese Centrale Bank (ECB), door deze financiering rechtstreeks van de ECB te verkrijgen en onder dezelfde voorwaarden door te geleiden naar de rurale banken.
6 Ten slotte, om toegang te krijgen tot de langlopende herfinancieringstransacties die door de ECB worden aangeboden, hebben verzoekster en een aantal rurale banken een groep gevormd, namens welke verzoekster deelneemt aan de verschillende aanbestedingen die door de ECB worden gehouden. Verzoekster is verantwoordelijk voor deze groep en zorgt voor het beheer en de verdeling van de bedragen, rechten en verplichtingen die voortvloeien uit dergelijke aanbestedingen tussen de verschillende leden van de groep.
7 Vanwege de verschillende activiteiten die verzoekster voor rekening van de rurale banken verricht, omvat haar passief bepaalde uitstaande bedragen die ook in de passiva van de balans van die banken verschijnen, als onderdeel van de garantie die zij voor die activiteiten aan haar verstrekken.
8 Bij besluit SRB/ES/SRF/2016/06 van 15 april 2016 betreffende de vooraf aan het GAF te betalen bijdragen voor 2016 heeft de GAR, overeenkomstig artikel 70, lid 2, van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1), de vooraf aan het GAF te betalen bijdragen (hierna: „vooraf te betalen bijdragen”) voor het jaar 2016 (hierna: „bijdrageperiode 2016”) vastgesteld voor de onder artikel 2 juncto artikel 67, lid 4, van die verordening vallende instellingen (hierna: „instellingen”), waaronder verzoekster.
9 Bij besluit SRB/ES/SRF/2016/13 van 20 mei 2016 over de aanpassing van de vooraf aan het GAF te betalen bijdragen voor 2016, waarbij besluit SRB/ES/SRF/2016/06 is aangevuld, heeft de GAR de berekening van de vooraf te betalen bijdragen van instellingen voor bijdrageperiode 2016 gerectificeerd.
10 Op 19 maart 2020 heeft de GAR besluit SRB/ES/2020/16 betreffende de berekening van verzoeksters vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2016 (hierna: „besluit van 19 maart 2020”) vastgesteld, waarbij de in de punten 8 en 9 hierboven genoemde besluiten werden ingetrokken en vervangen (hierna: „oorspronkelijke besluiten”). Volgens de overwegingen 7 en 8 van het besluit van 19 maart 2020 had dit besluit tot doel de proceduregebreken en de ontoereikende motivering van de oorspronkelijke besluiten te verhelpen die het Gerecht had vastgesteld in de arresten van 28 november 2019, Banco Cooperativo Español/GAR (T‑323/16, EU:T:2019:822) van 28 november 2019, Hypo Vorarlberg Bank/GAR (T‑377/16, T‑645/16 en T‑809/16, EU:T:2019:823), en 28 november 2019, Portigon/GAR (T‑365/16, EU:T:2019:824).
11 Uit de punten 95 en 111 van het arrest van 28 november 2019, Banco Cooperativo Español/GAR (T‑323/16, EU:T:2019:822), blijkt met name dat het Gerecht het eerste van de oorspronkelijke besluiten nietig heeft verklaard voor zover het betrekking had op verzoekster, aangezien er niet was voldaan aan het vereiste van authenticatie van dat besluit en de procedure voor de vaststelling ervan kennelijk in strijd was met de procedurele vereisten die gelden voor zowel de goedkeuring ervan door de leden van de bestuursvergadering van de GAR als het verkrijgen van die goedkeuring, een middel dat het Gerecht ambtshalve had opgeworpen. Het Gerecht heeft zich daarentegen niet uitgesproken over de berekening van het bedrag van verzoeksters vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2016.
12 In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR (C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601), hebben de Europese Commissie en de GAR verzocht om het arrest van 23 september 2020, Landesbank Baden-Württemberg/GAR (T‑411/17, EU:T:2020:435), waarbij het Gerecht het besluit van de GAR betreffende de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor 2017 nietig had verklaard, te vernietigen voor zover het verzoekster betrof. In dat arrest heeft het Hof de hogere voorziening van de GAR en van de Commissie toegewezen met betrekking tot het vereiste dat het besluit was geauthenticeerd, maar heeft het vastgesteld dat dit besluit ontoereikend was gemotiveerd en dat het eerste door Landesbank Baden-Württemberg in eerste aanleg aangevoerde middel gegrond was (arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 171).
13 Op 7 december 2022 heeft de GAR het bestreden besluit vastgesteld, waarbij hij het besluit van 19 maart 2020 heeft ingetrokken en vervangen. Met het bestreden besluit werd blijkens de overwegingen 19 en 20 ervan beoogd de ontoereikende motivering te verhelpen, welk gebrek de GAR had geconstateerd naar aanleiding van het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR (C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601), en de beschikkingen van 3 maart 2022, GAR/Portigon en Commissie (C‑664/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:161), en 3 maart 2022, GAR/Hypo Vorarlberg Bank (C‑663/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:162).
14 Op 2 februari 2023 heeft de Autoridad de Resolución Ejecutiva (FROB, uitvoerende afwikkelingsautoriteit, Spanje), in haar hoedanigheid van nationale afwikkelingsautoriteit in de zin van artikel 3, lid 1, punt 3, van verordening nr. 806/2014, verzoekster kennisgegeven van het bestreden besluit.
Bestreden besluit
15 Het bestreden besluit omvat een kerntekst en, wat verzoekster betreft, vijf bijlagen.
16 De kerntekst van het bestreden besluit omschrijft, in de afdelingen 3 tot en met 10, het proces voor de vaststelling van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2016, dat voor alle instellingen gelijk is.
17 Meer in het bijzonder heeft de GAR in afdeling 6 van het bestreden besluit het jaarlijkse streefbedrag vastgesteld, als bedoeld in artikel 4 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 van de Raad van 19 december 2014 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de toepassing van [verordening nr. 806/2014] wat vooraf te betalen bijdragen aan het [GAF] betreft (PB 2015, L 15, blz. 1), voor bijdrageperiode 2016 (hierna: „jaarlijks streefbedrag”).
18 De GAR heeft toegelicht dat hij dit jaarlijkse streefbedrag had vastgesteld op een achtste van 1,05 % van het aan het eind van het jaar berekende bedrag aan gedekte deposito’s van alle instellingen in 2015, zoals verkregen uit de gegevens die de instellingen hadden verstrekt overeenkomstig artikel 14, lid 2, van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44).
19 In afdeling 7 van het bestreden besluit heeft de GAR de methode voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2016 beschreven. In dit verband wordt in overweging 95 van dat besluit gepreciseerd dat, voor die periode, 60 % van de vooraf te betalen bijdragen was berekend op basis van de „nationale grondslag”, dat wil zeggen op basis van de gegevens die waren verstrekt door de instellingen waaraan op het grondgebied van de betrokken deelnemende lidstaat vergunning is verleend (hierna: „nationale grondslag”), overeenkomstig artikel 103 van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190) en overeenkomstig artikel 4 van gedelegeerde verordening 2015/63. Het restant van de vooraf te betalen bijdragen (40 %) is berekend op basis van de „grondslag van de bankenunie”, dat wil zeggen op basis van gegevens die zijn verstrekt door alle instellingen waaraan op het grondgebied van alle lidstaten die deelnemen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) vergunning is verleend (hierna: „Uniegrondslag” en „deelnemende lidstaten”), overeenkomstig de artikelen 69 en 70 van verordening nr. 806/2014 en artikel 4 van uitvoeringsverordening 2015/81.
20 Bovendien heeft de GAR de vooraf te betalen bijdragen van de instellingen, zoals verzoekster, berekend door de volgende hoofdfasen te doorlopen.
21 In de eerste fase van de berekening van de vooraf te betalen bijdragen heeft de GAR overeenkomstig artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014, de jaarlijkse basisbijdrage van elke instelling berekend, die gelijk is aan het verhoudingsgetal tussen, enerzijds, het bedrag van de passiva van de betrokken instelling (exclusief eigen vermogen en gedekte deposito’s) en, anderzijds, het totaalbedrag van de passiva (exclusief eigen vermogen en gedekte deposito’s) van alle instellingen waaraan op de grondgebieden van de deelnemende lidstaten vergunning is verleend. Overeenkomstig artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft de GAR bepaalde soorten passiva afgetrokken van de voor de vaststelling van die bijdrage in aanmerking te nemen totale passiva van de instelling.
22 In de tweede fase van de berekening van de vooraf te betalen bijdragen heeft de GAR de jaarlijkse basisbijdrage overeenkomstig artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder b), van verordening nr. 806/2014 aangepast aan het risicoprofiel van de betrokken instelling. Hij heeft dit risicoprofiel beoordeeld aan de hand van de vier in artikel 6 van gedelegeerde verordening 2015/63 genoemde risicopijlers, die zijn samengesteld uit risico-indicatoren. Teneinde de instellingen naar risiconiveau in te delen heeft de GAR allereerst, overeenkomstig bijlage I, onder het opschrift „Stap 2”, punt 3, bij die gedelegeerde verordening, voor elke voor bijdrageperiode 2016 toegepaste risico-indicator „cellen” vastgesteld waaraan de instellingen zijn toegewezen. Aan instellingen die tot dezelfde cel behoren, is voor de betrokken risico-indicator een gemeenschappelijke waarde toegekend, de zogeheten gediscretiseerde waarde. De GAR heeft de „risicoaanpassingsmultiplicator” (hierna: „aanpassingsmultiplicator”) van de betrokken instelling berekend door de gediscretiseerde waarde van elke risico-indicator te combineren. De GAR heeft de „aan het risicoprofiel aangepaste jaarlijkse basisbijdrage” van deze instelling verkregen door de jaarlijkse basisbijdrage van die instelling te vermenigvuldigen met haar aanpassingsmultiplicator.
23 Vervolgens heeft de GAR alle aan de risicoprofielen aangepaste jaarlijkse basisbijdragen bij elkaar opgeteld om een „gemeenschappelijke noemer” te verkrijgen die werd gebruikt voor de berekening van het deel van het jaarlijkse streefbedrag dat elke instelling moest betalen.
24 Ten slotte heeft de GAR voor elke instelling de vooraf te betalen bijdrage berekend door het jaarlijkse streefbedrag over alle instellingen te verdelen op basis van de verhouding tussen, enerzijds, de aan het risicoprofiel aangepaste jaarlijkse basisbijdrage en, anderzijds, de gemeenschappelijke noemer.
25 Bijlage I bij het bestreden besluit bevat verzoeksters individuele overzicht, dat de resultaten van de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage weergeeft. Dit overzicht vermeldt het bedrag van de jaarlijkse basisbijdrage van verzoekster alsmede de waarde van haar aanpassingsmultiplicator, zowel op basis van de Uniegrondslag als op basis van de nationale grondslag, en geeft voor elke risico-indicator het nummer van de cel aan waarin verzoekster is ingedeeld. Daarnaast bevat voornoemd overzicht de gegevens die zijn gebruikt voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen van alle betrokken instellingen en die de GAR heeft vastgesteld door de individuele gegevens van elk van deze instellingen bij elkaar op te tellen of te combineren. Ten slotte bevat dit overzicht de gegevens die verzoekster in het aangifteformulier met betrekking tot haar vooraf te betalen bijdrage heeft opgegeven en die zijn gebruikt voor de berekening van die bijdrage.
26 Bijlage II bij het bestreden besluit bevat – in samengevatte en geaggregeerde vorm – statistische gegevens met betrekking tot de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor elke deelnemende lidstaat. In deze bijlage wordt met name voor elk van deze lidstaten het totale bedrag aan door de betrokken instellingen vooraf te betalen bijdragen vermeld. Verder vermeldt die bijlage voor elke risico-indicator het aantal cellen, het aantal instellingen dat tot elke cel behoort en de minimum‑ en maximumwaarden van deze cellen. In het geval van cellen met betrekking tot de nationale grondslag zijn deze waarden om redenen van vertrouwelijkheid met een willekeurig bedrag verminderd of vermeerderd, met behoud van de oorspronkelijke verdeling van de instellingen.
27 In bijlagen IIIa, IIIb en IVa van het bestreden besluit worden de opmerkingen onderzocht die andere instellingen dan verzoekster hebben ingediend tijdens de raadplegingsprocedure die de GAR heeft gevoerd voorafgaand aan de vaststelling van het bestreden besluit.
28 In bijlage IVb bij het bestreden besluit, met als opschrift „Beoordeling van de opmerkingen die [door verzoekster] zijn ingediend in het kader van de raadpleging over de vooraf aan het [GAF] te betalen bijdragen voor 2016 en die vertrouwelijke informatie bevatten”, worden de opmerkingen onderzocht die verzoekster tijdens de raadplegingsprocedure heeft ingediend.
Conclusies van partijen
29 Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen: – het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover het op haar betrekking heeft; – subsidiair, het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover het terugwerkende kracht heeft vanaf de datum van vaststelling van het besluit van 15 april 2016; – de GAR te gelasten verzoekster schadeloos te stellen voor: – het bedrag dat overeenkomt met de vertragingsrente over het bedrag van 9933563,47 EUR voor de periode tussen 23 juni 2016 en de datum waarop de GAR de verschuldigde bedragen betaalt, berekend op basis van de toepasselijke herfinancieringsrentevoet van de ECB, verhoogd met 3,5 procentpunten; – subsidiair, en alleen indien het Gerecht het bestreden besluit enkel nietig verklaart voor zover het terugwerkende kracht heeft, het bedrag van de vertragingsrente over het bedrag van 9933563,47 EUR voor de periode tussen 23 juni 2016 en de datum waarop het bestreden besluit van kracht werd, waarbij de rentevoet wordt berekend op basis van de toepasselijke herfinancieringsrentevoet van de ECB, verhoogd met 3,5 procentpunten; – meer subsidiair, het bedrag dat overeenkomt met het rendement dat zij zou hebben behaald indien zij in de veiling van 16 juni 2016 Spaanse staatsobligaties met een looptijd van tien jaar had gekocht voor het bedrag dat overeenkomt met de vooraf te betalen bijdrage voor 2016, berekend vanaf 23 juni 2016 tot de datum waarop de GAR de verschuldigde bedragen betaalt (of, indien het Gerecht van oordeel is dat het bestreden besluit in wezen rechtmatig is, maar geen terugwerkende kracht heeft, tot de datum van het bestreden besluit); – de GAR te verwijzen in de kosten.
30 De GAR verzoekt het Gerecht: – primair, het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten; – subsidiair, ingeval het Gerecht een of meerdere middelen toewijst, de gevolgen van het bestreden besluit te handhaven totdat het wordt vervangen of op zijn minst voor een periode van zes maanden vanaf de datum waarop het arrest houdende nietigverklaring van dat besluit onherroepelijk wordt.
31 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen, en – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Vordering tot nietigverklaring
32 Verzoekster voert drie middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63. Het tweede middel, dat wordt aangevoerd ingeval het Gerecht het eerste middel aanvaardt, is ontleend aan schending van artikel 103, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/59 en van artikel 70 van verordening nr. 806/2014. Het derde middel is ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
33 In de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift, neergelegd overeenkomstig artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, geeft verzoekster aan dat zij haar in het verzoekschrift uiteengezette betoog volledig handhaaft. Daarbij preciseert zij dat haar conclusies, ten gevolge van de intrekking en de vervanging van het besluit van 19 maart 2020 door het bestreden besluit, moeten worden geacht betrekking te hebben op het bestreden besluit, en niet op het besluit van 19 maart 2020.
34 De GAR betwist de gegrondheid van de drie aangevoerde middelen en trekt de ontvankelijkheid van de eerste twee middelen in twijfel.
Ontvankelijkheid van het eerste en het tweede middel
35 Met haar eerste middel betwist verzoekster de wettigheid van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63, met name voor zover deze bepaling bepaalde passiva die zijn ontstaan in het kader van de activiteiten die zij voor rekening van de rurale banken verricht, niet van de berekening van de vooraf te betalen bijdragen uitsluit, en met haar tweede middel stelt zij de rechtsgevolgen die aan een dergelijke onwettigheid moeten worden verbonden.
36 De GAR betoogt in essentie dat het eerste en het tweede middel onontvankelijk zijn wegens het ontbreken van procesbelang, op grond dat verzoekster het Gerecht verzoekt een bepaling buiten toepassing te verklaren die niet van toepassing was in het kader van de berekening van haar bijdrage vooraf voor bijdrageperiode 2016. Volgens de GAR volgt hieruit dat verzoekster geen belang heeft bij de vaststelling van de onwettigheid van de betrokken bepaling.
37 Verzoekster betwist de argumenten van de GAR.
38 Volgens vaste rechtspraak is een exceptie van onwettigheid die krachtens artikel 277 VWEU incidenteel wordt opgeworpen naar aanleiding van de primaire betwisting van de wettigheid van een andere handeling slechts ontvankelijk indien er een verband bestaat tussen deze handeling en de regel waartegen onwettigheid wordt aangevoerd. Aangezien artikel 277 VWEU niet tot doel heeft, het een partij mogelijk te maken bij de behandeling van ieder door haar ingesteld beroep de toepasselijkheid van welke handeling van algemene strekking dan ook te betwisten, moet de draagwijdte van een exceptie van onwettigheid worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil. Daaruit volgt dat de handeling van algemene strekking waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, direct of indirect moet kunnen worden toegepast op de in het beroep behandelde zaak en dat er een rechtstreeks juridisch verband moet bestaan tussen het bestreden individuele besluit en de betrokken algemene handeling (arresten van 30 april 2019, Wattiau/Parlement, T‑737/17, EU:T:2019:273, punt 56, en 16 juni 2021, Krajowa Izba Gospodarcza Chłodnictwa i Klimatyzacji/Commissie, T‑126/19, EU:T:2021:360, punt 33).
39 Een exceptie van onwettigheid is bovendien slechts ontvankelijk als het resultaat ervan in het voordeel kan zijn van de partij die deze exceptie heeft opgeworpen (zie arrest van 6 juli 2022, MZ/Commissie, T‑631/20, EU:T:2022:426, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Uit de rechtspraak volgt echter ook dat artikel 277 VWEU een ruime uitlegging moet krijgen, zodat een doelmatige wettigheidscontrole van handelingen van de instellingen van algemene strekking is verzekerd ten gunste van personen die geen rechtstreeks beroep tegen die handelingen kunnen instellen. De werkingssfeer van artikel 277 VWEU moet zich dus uitstrekken tot handelingen van de instellingen die relevant zijn geweest voor de vaststelling van het besluit waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld, in die zin dat het betrokken besluit wezenlijk op die handelingen berust, ook al hebben die handelingen formeel niet als rechtsgrondslag voor dat besluit gediend. Bovendien mogen de regels van een en dezelfde regeling niet kunstmatig worden gesplitst voor het onderzoek van een exceptie van onwettigheid (zie arrest van 16 juni 2021, Krajowa Izba Gospodarcza Chłodnictwa i Klimatyzacji/Commissie, T‑126/19, EU:T:2021:360, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 somt de omstandigheden op waaronder bepaalde passiva niet worden meegeteld bij de berekening van de vooraf te betalen bijdragen. In dat verband heeft de GAR in de punten 18 en 19 van bijlage IVb bij het bestreden besluit toegelicht waarom de passiva die voortvloeien uit de activiteiten die verzoekster voor rekening van de rurale banken verricht, niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten bij de berekening van verzoeksters vooraf te betalen bijdrage, zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63.
42 Met haar exceptie van onwettigheid betoogt verzoekster dat, als artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 zo moet worden uitgelegd dat het niet toelaat om passiva buiten beschouwing te laten zoals die welke zijn ontstaan in het kader van de activiteiten die zij voor de rurale banken verricht, deze bepaling in strijd is met artikel 103, lid 2, van richtlijn 2014/59, artikel 70, leden 2 en 6, van verordening nr. 806/2014, artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoekster verplichten die normen de Commissie namelijk om er bij de vaststelling van die gedelegeerde verordening voor te zorgen dat het in artikel 5, lid 1, van die gedelegeerde verordening neergelegde systeem voor de uitsluiting van passiva, ook ruimte laat om dergelijke passiva bij de berekening van de vooraf te betalen bijdragen buiten beschouwing te laten.
43 Indien de onderhavige exceptie van onwettigheid wordt aanvaard, dient de GAR zijn standpunt te heroverwegen over verzoeksters verzoek om de betrokken passiva van de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage uit te sluiten. Bovendien moet de Commissie dan maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat deze passiva worden behandeld in overeenstemming met de in punt 42 hierboven genoemde hogere rechtsnormen, in voorkomend geval door de draagwijdte van de uitsluitingen van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 uit te breiden.
44 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat er een rechtstreeks juridisch verband bestaat tussen het bestreden besluit en artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63, en dat verzoekster er belang bij heeft dat deze bepaling, zo nodig, onwettig wordt verklaard.
45 Dit geldt des te meer omdat de door de GAR verdedigde redenering, zoals uiteengezet in punt 36 hierboven, erop neerkomt dat de regels voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen zoals neergelegd in gedelegeerde verordening 2015/63 kunstmatig worden gesplitst, en dat artikel 277 VWEU zijn nuttige werking wordt ontnomen. Verzoekster zou immers niet in staat zijn om de wettigheid te betwisten van een bepaling die voorziet in de uitsluiting van bepaalde passiva van die berekening, wanneer de gestelde onwettigheid niet is gelegen in het bestaan van die uitsluiting zelf, maar in de voorwaarden waaronder zij plaatsvindt (zie naar analogie arrest van 16 juni 2021, Krajowa Izba Gospodarcza Chłodnictwa i Klimatyzacji/Commissie, T‑126/19, EU:T:2021:360, punt 42).
46 Gelet op een en ander moet de door de GAR opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.
Eerste middel: onwettigheid van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63
47 Het eerste middel, dat drie onderdelen omvat, is ontleend aan de onwettigheid van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 in het licht van, ten eerste, artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59, ten tweede, artikel 16 van het Handvest, en, ten derde, het evenredigheidsbeginsel.
– Eerste onderdeel: onwettigheid van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 in het licht van artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59
48 Verzoekster stelt dat de activiteiten die zij voor rekening van de rurale banken verricht slechts een laag risico inhouden, aangezien zij op grond van de cashpoolovereenkomst garanties van die banken geniet. De Commissie had de passiva die verband houden met deze activiteiten daarom moeten opnemen onder de passiva bedoeld in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63, op grond waarvan bepaalde passiva worden uitgesloten van de grondslag voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen. Door dit na te laten, heeft de Commissie artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 geschonden, waarin zij wordt verplicht een gedelegeerde handeling vast te stellen die verduidelijkt hoe de vooraf te betalen bijdragen moeten worden aangepast aan het risicoprofiel van de instellingen.
49 Door in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 de uitsluiting van passiva zoals beschreven in punt 48 hierboven niet op te nemen, heeft de Commissie een situatie van „dubbeltelling” van de passiva gecreëerd die verband houden met de activiteiten die verzoekster voor de rurale banken verricht. Die banken boeken namelijk zelf ook een passief voor de garantie die zij aan verzoekster verstrekken voor deze activiteiten.
50 De omstandigheid dat een dergelijke dubbeltelling van passiva aanleiding kan geven tot een schending van artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59, wordt geïllustreerd door het feit dat de Commissie in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft voorzien in verschillende vrijstellingen om een dergelijke dubbeltelling te voorkomen.
51 Dienaangaande baseert verzoekster zich op een „duidelijke parallel” tussen enerzijds bepaalde van haar passiva die zijn ontstaan in het kader van de activiteiten die zij voor rekening van de rurale banken verricht, en anderzijds, de passiva die worden uitgesloten, ten eerste, in artikel 5, lid 1, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63, betreffende intragroeppassiva, ten tweede, in artikel 5, lid 1, onder b), van deze verordening, betreffende passiva die zijn gecreëerd door een instelling die lid is van een institutioneel protectiestelsel (hierna: „IPS”), en ten derde, in artikel 5, lid 1, onder f), van die verordening, betreffende stimuleringsleningen.
52 Gevraagd naar de reikwijdte van haar betoog tijdens de zitting, heeft verzoekster benadrukt dat zij niet stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, maar enkel de incompatibiliteit van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 met artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 aan de orde stelt.
53 De GAR, ondersteund door de Commissie, betwist het betoog van verzoekster.
54 Opgemerkt zij dat artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 de Commissie machtigt om gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op de nadere omschrijving van het begrip „aanpassen van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de instellingen”.
55 De Commissie beschikt in de context van een gedelegeerde bevoegdheid in de zin van artikel 290 VWEU over een ruime beoordelingsbevoegdheid in de uitoefening van de haar opgedragen bevoegdheden wanneer zij onder meer ingewikkelde beoordelingen en evaluaties moet verrichten (zie in die zin arrest van 11 mei 2017, Dyson/Commissie, C‑44/16 P, EU:C:2017:357, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Dit is het geval voor de vaststelling van de criteria voor de aanpassing van vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel overeenkomstig artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 (arresten van 20 december 2023, Landesbank Baden-Württemberg/GAR, T‑389/21, EU:T:2023:827, punt 106, en 20 december 2023, Banque postale/GAR, T‑383/21, EU:T:2023:845, punt 153).
57 Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat, blijkens de overwegingen 105 tot en met 107 van richtlijn 2014/59 en overweging 41 van verordening nr. 806/2014, de specifieke aard van de vooraf te betalen bijdragen erin bestaat om op basis van een op de verzekeringsgedachte gebaseerde logica te waarborgen dat de financiële sector het GAM voldoende financiële middelen verschaft om de doelstellingen ervan te kunnen nastreven, terwijl de betrokken instellingen tegelijkertijd worden aangemoedigd om minder risicovolle werkwijzen toe te passen (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 113).
58 In deze context blijkt uit overweging 114 van richtlijn 2014/59 dat de Uniewetgever de Commissie heeft opgedragen om bij gedelegeerde handeling te specificeren op welke wijze de vooraf te betalen bijdragen van instellingen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen moeten worden aangepast in verhouding tot hun risicoprofiel.
59 In diezelfde optiek wordt in overweging 107 van richtlijn 2014/59 gepreciseerd dat, om een eerlijke berekening van vooraf te betalen bijdragen te waarborgen en het ontplooien van activiteiten volgens een minder riskant model aan te moedigen, bij de bepaling van de bijdragen aan de nationale financieringsregelingen rekening dient te worden gehouden met de mate waarin de instellingen krediet-, liquiditeits- of marktrisico lopen.
60 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie regels moest opstellen voor de aanpassing van vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van instellingen en daarbij twee met elkaar samenhangende doelstellingen moest nastreven, namelijk, ten eerste, ervoor zorgen dat rekening wordt gehouden met de verschillende risico’s die de activiteiten van bancaire, of in ruimere zin financiële instellingen met zich brengen, en, ten tweede, die instellingen aanmoedigen om minder riskante werkmethoden te volgen.
61 Zoals blijkt uit de documenten betreffende de vaststelling van gedelegeerde verordening 2015/63, met name de documenten „Technisch onderzoek van het JRC ter ondersteuning van de wetgeving van het tweede niveau van de Commissie over risicogebaseerde bijdragen aan het (gemeenschappelijk) afwikkelingsfonds” en „Werkdocument van de diensten van de Commissie: schattingen van de toepassing van de voorgestelde methode voor de berekening van bijdragen aan financieringsregelingen voor afwikkelingen”, moest de Commissie bij het opstellen van dergelijke regels voor de aanpassing van vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de instellingen ingewikkelde beoordelingen en evaluaties verrichten, aangezien zij de verschillende elementen moest onderzoeken in het licht waarvan de verschillende soorten risico’s in de bancaire en financiële sector werden beoordeeld.
62 Gelet op het voorgaande beschikte de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid om krachtens artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 regels vast te stellen tot nadere omschrijving van het begrip „aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de instellingen”.
63 In deze omstandigheden moet, met betrekking tot de methode voor de aanpassing van jaarlijkse basisbijdragen op grond van artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59, de toetsing door de Unierechter beperkt blijven tot de vraag of er bij de uitoefening van de aan de Commissie toegekende beoordelingsbevoegdheid sprake is geweest van een kennelijke dwaling of van misbruik van bevoegdheid, dan wel of zij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden (zie in die zin arrest van 21 juli 2011, Etimine, C‑15/10, EU:C:2011:504, punt 60).
64 Dientengevolge is het aan verzoekster om aan te tonen dat artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 dergelijke gebreken vertoont, voor zover deze bepaling passiva van het type dat is ontstaan in het kader van de activiteiten die zij voor rekening van de rurale banken verricht, niet uitsluit van de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage.
65 In de eerste plaats is elke instelling overeenkomstig artikel 103, lid 2, van richtlijn 2014/59 en artikel 70, lid 2, van verordening nr. 806/2014 dus in beginsel onderworpen aan de verplichting om vooraf bijdragen te betalen en worden bij de berekening van die bijdragen in beginsel alle passiva in aanmerking genomen, afgezien van het eigen vermogen en de gedekte deposito’s. Derhalve moet elke uitzondering op dit beginsel, zoals die waarin artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 voorziet, restrictief worden uitgelegd (zie in die zin en naar analogie arrest van 12 oktober 2017, Kamin und Grill Shop, C‑289/16, EU:C:2017:758, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 Een dergelijke benadering strookt met de op de verzekeringsgedachte gebaseerde logica van het stelsel van vooraf te betalen bijdragen, zoals in punt 57 hierboven in herinnering is gebracht. Volgens deze logica hebben alle instellingen – ook die waarvan de kans op afwikkeling, gezien de passiva die zij aanhouden, laag zou zijn – namelijk baat bij hun vooraf te betalen bijdragen via de door het GAF gewaarborgde stabiliteit van het financiële stelsel.
67 Bovendien worden de vooraf te betalen bijdragen overeenkomstig artikel 103, lid 2, van richtlijn 2014/59 en artikel 70, lid 2, van verordening nr. 806/2014 aangepast aan het risicoprofiel van de instellingen. Artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 noemt acht elementen waarmee de Commissie rekening moet houden bij het vaststellen van de daarin bedoelde gedelegeerde handeling, teneinde het begrip „aanpassen van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de instellingen” nader te omschrijven. Hoewel „de risicoblootstelling van de instelling” een van deze elementen is, en de Commissie daar dus rekening mee moest houden bij de vaststelling van gedelegeerde verordening 2015/63, vormt dit element slechts een van de acht criteria die de Commissie in aanmerking moet nemen bij het opstellen van een dergelijke handeling.
68 Daarentegen wijst niets in artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 erop dat de Commissie een doorslaggevend belang moet hechten aan een of meer van de in deze bepaling genoemde elementen, zoals de risicoblootstelling van de instelling. Bovendien wordt in deze bepaling niet gespecificeerd hoe de Commissie rekening moet houden met deze blootstelling.
69 Voorts bepaalt artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59 inderdaad dat de Commissie, met het oog op de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de betrokken instellingen, rekening moet houden met het feit dat een instelling deel uitmaakt van een IPS. Diezelfde bepaling maakt echter op geen enkel punt melding van andere categorieën van commerciële of contractuele banden die de Commissie in de door haar vast te stellen gedelegeerde handelingen in aanmerking zou moeten.
70 In de tweede plaats kan verzoekster niet stellen dat de activiteiten die zij voor rekening van de rurale banken verricht slechts een laag risico inhouden.
71 Wat betreft de analogie die verzoekster maakt met de uitsluiting bedoeld in artikel 5, lid 1, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63 voor bepaalde intragroeppassiva, moet om te beginnen worden opgemerkt dat uit de overwegingen 8 en 9 van die verordening blijkt dat bij groepen de berekening van bijdragen op individueel niveau zou leiden tot de dubbeltelling van bepaalde passiva bij de bepaling van de jaarlijkse basisbijdrage van de verschillende groepsentiteiten, aangezien de passiva die samenhangen met de overeenkomsten die de entiteiten van dezelfde groep met elkaar sluiten, deel zouden uitmaken van de totale passiva die in aanmerking moeten worden genomen om de jaarlijkse basisbijdrage van elke entiteit van de groep te bepalen. Daarom moet de bepaling van de jaarlijkse basisbijdrage bij groepen nader worden beschreven om de verwevenheid van de groepsentiteiten te weerspiegelen en te vermijden dat intragroepblootstellingen dubbel worden geteld. Om gelijke concurrentieverhoudingen te waarborgen tussen entiteiten die tot een groep behoren en instellingen die lid zijn van hetzelfde IPS of die blijvend bij hetzelfde centrale orgaan zijn aangesloten, geldt voor die instellingen dezelfde behandeling. Voor de berekening van de jaarlijkse basisbijdrage van een groepsentiteit omvatten de in aanmerking te nemen totale passiva niet de passiva die voortvloeien uit een overeenkomst die de betrokken groepsentiteit heeft gesloten met een andere entiteit die van dezelfde groep deel uitmaakt. Een dergelijke uitsluiting is echter alleen mogelijk wanneer elke groepsentiteit in de Unie is gevestigd, op volledige basis in dezelfde consolidatie is betrokken, aan passende gecentraliseerde procedures voor risicobeoordeling, risicometing en risicocontrole is onderworpen, en indien er geen praktische of juridische belemmering aanwezig of te voorzien is die een onmiddellijke terugbetaling van de desbetreffende passiva op de vervaldag kan verhinderen. Aldus wordt voorkomen dat passiva van de berekeningsgrondslag van de vooraf te betalen bijdragen worden uitgesloten indien er geen garanties zijn dat de intragroepblootstellingen uit hoofde van kredietverlening zouden worden gedekt ingeval de financiële gezondheid van de groep verslechtert.
72 Dienaangaande heeft het Hof benadrukt dat artikel 5, lid 1, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63 niet elke vorm van dubbeltelling van passiva volledig heeft willen uitbannen, maar enkel voor zover er voldoende garanties zijn dat de intragroepblootstellingen uit hoofde van kredietverlening worden gedekt ingeval de financiële gezondheid van de groep verslechtert (arrest van 3 december 2019, Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:1036, punt 94).
73 Derhalve is de vraag of er voldoende garanties in de zin van de rechtspraak bestaan dat de blootstellingen uit hoofde van kredietverlening worden gedekt ingeval de financiële gezondheid verslechtert van het netwerk dat in casu bestaat uit verzoekster en de aangesloten rurale banken als aandeelhouder. In dat verband verwijst verzoekster met name naar clausule 4 van de cashpoolovereenkomst, waarin wordt bepaald dat de rurale banken „gezamenlijk instaan voor eventuele wanbetalingen” van haar kant die het gevolg zijn van de investeringen op de interbancaire markt met de ontvangen middelen. Daarnaast benadrukt zij het „permanente en bindende” karakter van deze overeenkomst.
74 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het gestelde „permanente en bindende” karakter van de cashpoolovereenkomst niet kan worden vastgesteld op grond van de enkele omstandigheid dat die overeenkomst sinds 1994 niet meer is gewijzigd. Hoewel elke wijziging van de cashpoolovereenkomst door de Banco de España (Spaanse centrale bank) moet worden goedgekeurd, neemt dit niet weg dat elke rurale bank zich volgens clausule 5 van die overeenkomst eenzijdig uit die overeenkomst kan terugtrekken door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de raad van bestuur van verzoekster, met ingang van het einde van de tweede maand na ontvangst van de kennisgeving door de genoemde raad. Daarentegen legt artikel 113, lid 7, onder f), van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1) met name een verplichting op tot voorafgaande kennisgeving van ten minste 24 maanden voor de beëindiging van de overeenkomst tot oprichting van een IPS.
75 Verder heeft verzoekster ter terechtzitting bevestigd dat het netwerk dat zij vormde met de aandeelhouders van de rurale banken niet volledig in dezelfde consolidatie werd betrokken en niet was onderworpen aan passende gecentraliseerde procedures voor risicobeoordeling, risicometing en risicocontrole, zodat haar situatie verschilde van zowel die van groepen – zoals met name blijkt uit overweging 9 van gedelegeerde verordening 2015/63, vermeld in punt 71 hierboven – als die van het IPS (zie met name artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013 en punt 87 hieronder). Verzoekster heeft echter niet uitgelegd hoe, bij gebreke van een dergelijke consolidatie en gecentraliseerd toezicht, kan worden nagegaan en gewaarborgd dat de middelen waarover de rurale banken beschikken toereikend zijn om de schulden te dekken waarvoor volgens haar de cashpoolovereenkomst garanties biedt.
76 Hoe dan ook stelt de GAR terecht dat gedelegeerde verordening 2015/63 niet voorziet in de uitsluiting van passiva uit de berekening van de vooraf te betalen bijdrage van elke instelling op individuele basis, maar enkele volgens bepaalde categorieën van passiva, die op abstracte, objectieve en algemene wijze zijn gedefinieerd. Zoals de GAR heeft aangegeven, en door verzoekster niet is betwist, bestaan er weliswaar netwerken van rurale banken in verschillende lidstaten, maar kunnen de contractuele en wettelijke voorwaarden waaronder zij opereren aanzienlijk verschillen van geval tot geval. Het betoog van verzoekster, voor zover het met name is gestoeld op haar specifieke situatie, zoals die voortvloeit uit de cashpoolovereenkomst, kan dan ook niet leiden tot de onwettigheid van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63.
77 Derhalve heeft verzoekster niet aangetoond dat er, in de zin van de rechtspraak, voldoende garanties bestaan dat de blootstellingen uit hoofde van kredietverlening werden gedekt ingeval de financiële gezondheid verslechtert van het netwerk dat in casu gevormd wordt door verzoekster en de rurale banken die haar aandeelhouders zijn.
78 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat verzoeksters argumenten dat er een „duidelijk parallellisme” bestaat tussen haar situatie en die van het geval genoemd in artikel 5, lid 1, onder a), b) of f), van gedelegeerde verordening 2015/63, geen doel treffen.
79 Ten eerste blijkt uit artikel 5, lid 1, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63 en overweging 9 van die verordening, vermeld in punt 71 hierboven, dat de intragroeppassiva voortvloeiend uit transacties tussen een instelling en een andere instelling binnen dezelfde groep alleen kunnen worden uitgesloten van de berekening van de vooraf te betalen bijdragen als aan de voorwaarden van dat artikel wordt voldaan.
80 Het begrip „groep” wordt in artikel 2, lid 1, punt 26, van richtlijn 2014/59 gedefinieerd als „een moederonderneming en haar dochterondernemingen”. De begrippen „dochteronderneming” en „moederonderneming” worden dan weer gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punten 5 en 6, van deze richtlijn, met verwijzing naar artikel 4 van verordening nr. 575/2013, dat op zijn beurt verwijst naar de artikelen 1 en 2 van de Zevende richtlijn (83/349/EEG) van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PB 1983, L 193, blz. 1), waarmee artikel 22, leden 1 tot en met 5, van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB 2013, L 182, blz. 19) in wezen overeenstemt. Uit deze definities volgt dat de verhouding moeder-dochter een vorm van zeggenschap veronderstelt die impliceert dat de moederonderneming de meerderheid van de stemrechten, uitgeoefend door de aandeelhouders of vennoten binnen de dochteronderneming, bezit, het recht heeft om bepaalde leidinggevenden van de dochter te benoemen of te ontslaan, of een overheersende invloed op de dochter uitoefent (arrest van 3 december 2019, Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:1036, punten 85 en 86).
81 Onder deze omstandigheden kan een moeder-dochterverhouding niet worden vastgesteld op de loutere grond dat er economische banden bestaan op basis van een partnerschap tussen meerdere instellingen, zonder dat een van hen zeggenschap heeft over de andere leden van het netwerk dat zij met die instellingen vormt (zie in die zin arrest van 3 december 2019, Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:1036, punt 87).
82 In casu heeft verzoekster enerzijds erkend dat geen van de aandeelhouders van de rurale banken daadwerkelijk zeggenschap over haar uitoefende en geen van hen op dwingende wijze haar bedrijfsvoering of strategie kon bepalen, en anderzijds dat zij zelf geen zeggenschap had over de rurale banken. Bijgevolg heeft verzoekster niet aangetoond dat haar commerciële en contractuele banden met de rurale banken werden gekenmerkt door eenzelfde mate van zeggenschap als die binnen een groep in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63, zoals zij ter terechtzitting heeft erkend.
83 Wat betreft de door verzoeker bekritiseerde dubbeltelling van passiva, heeft het Hof reeds geoordeeld – zoals in punt 72 hierboven in herinnering is gebracht – dat artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 niet elke vorm van dubbeltelling van passiva volledig heeft willen uitbannen (zie in die zin arrest van 3 december 2019, Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:1036, punt 94). Verder heeft verzoekster, zoals in punt 74 hierboven is opgemerkt, niet aangetoond dat er voldoende garanties in de zin van de rechtspraak bestaan dat de blootstellingen uit hoofde van kredietverlening worden gedekt ingeval de financiële gezondheid verslechtert van het netwerk dat in casu bestaat uit verzoekster en de aangesloten rurale banken als aandeelhouder.
84 Bovendien kunnen de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en evenredigheid evenmin een andere uitkomst rechtvaardigen, aangezien gedelegeerde verordening 2015/63 situaties heeft onderscheiden met bijzondere kenmerken die rechtstreeks verband houden met de risico’s die de litigieuze passiva meebrengen (zie arrest van 3 december 2019, Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:1036, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85 Voorts heeft het Hof in het arrest van 3 december 2019, Iccrea Banca (C‑414/18, EU:C:2019:1036), geoordeeld dat artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 de bevoegde autoriteiten geen discretionaire bevoegdheid verleent om bepaalde passiva buiten beschouwing te laten uit hoofde van de aanpassing van de in artikel 103, lid 2, van richtlijn 2014/59 bedoelde bijdragen op basis van het risicoprofiel, maar integendeel een gedetailleerde opsomming geeft van de voorwaarden waaronder een verplichting buiten beschouwing mag worden gelaten.
86 Hoewel de prejudiciële vraag in het arrest van 3 december 2019, Iccrea Banca (C‑414/18, EU:C:2019:1036), niet de wettigheid van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 betrof, heeft het Hof, na bestudering van het wettelijke kader – dat onder meer richtlijn 2014/59 omvatte alsook de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en evenredigheid – geen enkele grond gevonden voor een ruimere uitlegging van de in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 genoemde uitzonderingen. Derhalve volgt uit dat arrest dat de wijze waarop de Commissie haar gedelegeerde bevoegdheden op dit punt heeft uitgeoefend, volgens het Hof in overeenstemming is met artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59.
87 Ten tweede heeft artikel 5, lid 1, onder b), van gedelegeerde verordening 2015/63 betrekking op instellingen die lid zijn van een IPS als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8, van richtlijn 2014/59, en die van de bevoegde autoriteit toestemming hebben gekregen om artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013 toe te passen via een overeenkomst die is aangegaan met een andere instelling die lid is van hetzelfde IPS.
88 Volgens artikel 2, lid 1, punt 8, van richtlijn 2014/59 is een IPS een institutioneel protectiestelsel dat voldoet aan de in artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013 vastgestelde vereisten. Artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013 definieert een IPS als een „contractuele of wettelijke aansprakelijkheidsregeling waardoor de instellingen beschermd worden en waardoor, zo nodig, met name hun liquiditeit en solventie beschermd worden om faillissement te voorkomen”. Deze aansprakelijkheidsregeling moet voldoen aan cumulatieve voorwaarden die in deze bepaling zijn opgesomd. Die betreffen onder meer een passende prudentiële toezichtsstructuur, de beschikbaarheid van systemen voor het monitoren, classificeren en beheersen van risico’s en de mogelijkheid om daadwerkelijk invloed uit te oefenen, de toegankelijkheid van middelen en de mogelijkheid tot vrije overdracht of terugbetaling van eigen vermogen tussen de betrokken partijen, de publicatie van bepaalde geconsolideerde of geaggregeerde rapporten, het vereiste dat de leden minstens 24 maanden vooraf kennis geven als zij een einde willen maken aan het institutioneel protectiestelsel, het uitsluiten van ongepaste creatie van eigen vermogen en een voldoende ruime en voornamelijk homogene deelneming.
89 In casu toont verzoekster niet aan dat er in het kader van de betrekkingen tussen haar en de rurale banken verplichtingen bestaan die gelijkwaardig zijn aan de cumulatieve verplichtingen die door artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013 worden opgelegd.
90 Ten derde geldt hetzelfde voor het gestelde parallellisme tussen de situatie van verzoekster en die van het geval genoemd in artikel 5, lid 1, onder f), van gedelegeerde verordening 2015/63, betreffende stimuleringsleningen die verstrekt worden door ontwikkelingsbanken.
91 Artikel 5, lid 1, onder f), van gedelegeerde verordening 2015/63 bepaalt dat „in geval van instellingen die stimuleringsleningen verstrekken, de verplichtingen van de bemiddelende instelling jegens de initiërende of een andere ontwikkelingsbank, dan wel een andere bemiddelende instelling, en de verplichtingen van de oorspronkelijke ontwikkelingsbank jegens de partijen die haar financieren [buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van vooraf te betalen bijdragen], voor zover tegenover het bedrag van die verplichtingen stimuleringsleningen van de instelling in kwestie staan.”
92 Volgens artikel 3, punt 28, van gedelegeerde verordening 2015/63 wordt onder „stimuleringslening” verstaan „een lening die door een ontwikkelingsbank, dan wel via een bemiddelende bank wordt verstrekt op een niet-concurrerende, non-profitbasis ter bevordering van de oogmerken van openbare orde van centrale of regionale overheden in een lidstaat”.
93 In casu heeft verzoekster niet aangetoond dat, in het kader van de bancaire diensten die zij met name aanbiedt aan rurale banken (zie de punten 5 en 6 hierboven), de leningen waarop deze diensten betrekking hebben, overeenstemmen of gelijkenis vertonen met leningen die door een ontwikkelingsbank, dan wel via een bemiddelende bank worden verstrekt op een niet-concurrerende, non-profitbasis ter bevordering van de oogmerken van openbare orde van centrale of regionale overheden in een lidstaat.
94 In de vierde plaats, voor zover verzoekster de Commissie verwijt dat zij de GAR geen beoordelingsmarge heeft gelaten om situaties die lijken op die genoemd in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 uit te sluiten, moet eraan worden herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 65 hierboven, de uitsluitingen in dat artikel uitzonderingen vormen op het beginsel dat alle passiva, met uitzondering van eigen vermogen en gedekte deposito’s, in aanmerking moeten worden genomen, en dat artikel 5, lid 1, van die gedelegeerde verordening daarom strikt moet worden uitgelegd. In die omstandigheden kan de Commissie niet worden verweten dat zij de GAR geen beoordelingsmarge heeft toegekend waarmee hij de werkingssfeer van de genoemde uitsluitingen zou kunnen uitbreiden.
95 In de vijfde plaats moet het argument van verzoekster dat netwerken van coöperaties, zoals het netwerk waartoe zij behoort, een erkende categorie vormen binnen de prudentiële bancaire regelgeving, met name gedelegeerde verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen (PB 2015, L 11, blz. 1), worden verworpen. Hoewel met de specifieke kenmerken van dergelijke netwerken rekening wordt gehouden bij prudentieel toezicht op kredietinstellingen, betekent dit niet dat er evenzeer rekening mee zou worden gehouden bij de financiering van het GAM, aangezien het hier gaat om regels die verschillende aspecten van de banksector regelen. De prudentiële regelgeving moet er onder meer voor zorgen dat financiële instellingen over voldoende middelen beschikken om de risico’s te dragen die inherent zijn aan hun financiële activiteiten, terwijl de bijdragen aan het GAF, op grond van verordening nr. 806/2014 en gedelegeerde verordening 2015/63, bedoeld zijn om een fonds te vormen dat in bepaalde omstandigheden bijstand kan verlenen in geval van afwikkeling. Dienaangaande heeft de Commissie ter terechtzitting uiteengezet, zonder op dit punt door verzoekster te zijn tegengesproken, dat de in het kader van de exploitatie van de coöperatieve netwerken ontstane passiva niet bij de berekening van bijdragen vooraf waren uitgesloten op grond van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63, omdat, bij gebreke van een vereiste van gecentraliseerd toezicht en van een toereikend niveau van transparantie en controle, de toezichthouders van dergelijke netwerken zich niet konden vergewissen van de financiële gezondheid van de betrokken entiteiten of van hun solvabiliteit op lange termijn, een situatie die contrasteert met die van het IPS en van de groepen, zoals in wezen blijkt uit overweging 9 van gedelegeerde verordening 2015/63, waarnaar wordt verwezen in punt 71 hierboven.
96 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
– Tweede onderdeel: onwettigheid van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 in het licht van artikel 16 van het Handvest
97 Verzoekster betoogt dat artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 in strijd is met artikel 16 van het Handvest, in die zin dat deze bepaling haar recht op vrijheid van ondernemerschap onevenredig beperkt door te verhinderen dat een aanzienlijk bedrag aan passiva op haar balans wordt uitgesloten van de basis voor de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage, zonder dat er enig verband bestaat met haar risicoprofiel.
98 De GAR, ondersteund door de Commissie, betwist verzoeksters betoog.
99 De bij artikel 16 van het Handvest verleende bescherming omvat de vrijheid om een economische activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen, de contractsvrijheid en de vrije mededinging (zie arrest van 21 december 2021, Bank Melli Iran, C‑124/20, EU:C:2021:1035, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100 De vrijheid van ondernemerschap heeft echter geen absolute gelding. Door de overheid kan op een groot aantal wijzen in deze vrijheid worden ingegrepen. Met dit overheidsingrijpen kunnen, in het algemeen belang, beperkingen aan de uitoefening van de economische activiteit worden gesteld (zie in die zin arresten van 22 januari 2013, Sky Österreich, C‑283/11, EU:C:2013:28, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 december 2021, Bank Melli Iran, C‑124/20, EU:C:2021:1035, punten 80 en 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
101 Deze omstandigheid vindt met name haar weerslag in de wijze waarop Uniehandelingen moeten worden getoetst aan artikel 52, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arresten van 22 januari 2013, Sky Österreich, C‑283/11, EU:C:2013:28, punt 47, en 21 december 2021, Bank Melli Iran, C‑124/20, EU:C:2021:1035, punt 82).
102 Overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest moet elke beperking op de uitoefening van de in het Handvest verankerde rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen, en moet zij met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (arrest van 22 januari 2013, Sky Österreich, C‑283/11, EU:C:2013:28, punt 48, en 21 december 2021, Bank Melli Iran, C‑124/20, EU:C:2021:1035, punt 83).
103 Gesteld al dat in casu de aan verzoekster opgelegde verplichting om vooraf bijdragen te betalen zonder te kunnen profiteren van de uitsluiting van bepaalde van haar passiva van de basis voor de berekening van de jaarlijkse basisbijdrage overeenkomstig artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63, een inmenging in haar vrijheid van ondernemerschap vormt, moet om te beginnen worden opgemerkt dat deze bepaling is vastgesteld op grond van de artikelen 69 en 70 van verordening nr. 806/2014 en de artikelen 102 en 103 van richtlijn 2014/59, zodat de onmogelijkheid om de betrokken passiva uit te sluiten bij wet is gesteld.
104 Wat voorts verzoeksters argument betreft dat de voorwaarde inzake de eerbiediging van de wezenlijke inhoud van de vrijheid van ondernemerschap niet is vervuld aangezien haar vooraf te betalen bijdrage ongeveer 20 % van het resultaat van het boekjaar bedraagt waarvoor die bijdrage wordt berekend, zij er op gewezen dat de aan verzoekster opgelegde verplichting om vooraf bijdragen te betalen voor haar, of meer in het algemeen, voor ondernemingen die commerciële activiteiten uitoefenen geen verbod inhoudt om dergelijke activiteiten uit te oefenen. Bovendien hebben de betrokken maatregelen een tijdelijk karakter, aangezien zij uitsluitend van toepassing zijn gedurende de initiële periode zoals bepaald in artikel 69, lid 1, van verordening nr. 806/2014. Zij eerbiedigen dus de wezenlijke inhoud van de vrijheid van ondernemerschap (zie naar analogie arrest van 12 juli 2018, Spika e.a., C‑540/16, EU:C:2018:565, punt 38).
105 Daarnaast streeft de verplichting van de betrokken instellingen om aan het GAF bij te dragen een doelstelling van algemeen belang na, zoals blijkt uit punt 57 hierboven, te weten, op basis van een op de verzekeringsgedachte gebaseerde logica te waarborgen dat de financiële sector het GAM voldoende financiële middelen verschaft om de doelstellingen ervan te kunnen nastreven, terwijl de betrokken instellingen tegelijkertijd worden aangemoedigd om minder risicovolle werkwijzen toe te passen.
106 Gelet op de in punt 105 hierboven genoemde doelstelling dient de GAR de bijdragen bij de betrokken instellingen te innen teneinde de implementatie van het GAM te financieren. Overeenkomstig overweging 12 van verordening nr. 806/2014 heeft het GAM tot doel de stabiliteit van de banken in de deelnemende lidstaten te vergroten en te voorkomen dat een eventuele crisis overslaat naar niet-deelnemende lidstaten, zodat het de werking van de interne markt in zijn geheel ten goede zal komen.
107 Met betrekking tot de evenredigheid, in het licht van de door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang, van de uitsluiting van verzoeksters situatie van de in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 genoemde gevallen, betoogt verzoekster dat deze bepaling geen rekening houdt met de door de Uniewetgever opgelegde specifieke en concrete doelstelling dat de berekeningsmethode het risicoprofiel van elke instelling moet weerspiegelen.
108 In dat verband moet worden verduidelijkt dat, zoals blijkt uit punt 105 hierboven, met de verplichting voor de betrokken instellingen om bij te dragen aan het GAF, een bredere doelstelling wordt nagestreefd dan die waarop verzoekster zich beroept. In het kader van deze doelstelling beoogt artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 te voorkomen dat passiva van de berekeningsgrondslag van de vooraf te betalen bijdragen worden uitgesloten indien er geen garanties zijn dat de betrokken blootstellingen uit hoofde van kredietverlening zouden worden gedekt ingeval de financiële gezondheid van de betrokken instelling of van de groep waartoe zij behoort verslechtert.
109 Verder houdt verzoeksters betoog geen rekening met het feit dat het risicoprofiel van een instelling niet enkel wordt beoordeeld op grond van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63, maar ook aan de hand van de in de artikelen 6 en 7 van die gedelegeerde verordening genoemde risico-indicatoren. Deze indicatoren maken het, in voorkomend geval, mogelijk om aspecten van de werking van de instelling in aanmerking te nemen die wijzen op een laag risicoprofiel.
110 Tot slot heeft verzoekster niet aangetoond dat er minder beperkende middelen bestonden om de nagestreefde doelstelling op een even doeltreffende wijze te bereiken. In het licht van de analyse in met name de punten 70 tot en met 93 hierboven kan verzoeksters stelling dat de Commissie ook had kunnen kiezen om passiva zoals die welke verband houden met de activiteiten die zij voor rekening van de rurale banken verricht, uit te sluiten omdat er voldoende garanties bestaan op grond van de in punt 4 hierboven genoemde cashpoolovereenkomst, niet standhouden, om de redenen die in de punten 74 tot en met 96 hierboven zijn uiteengezet. Hoe dan ook kan dit betoog in geen geval voldoende aantonen dat de betrokken instellingen door die overeenkomst worden aangemoedigd om minder risicovolle werkwijzen toe te passen.
111 In die omstandigheden heeft verzoekster niet aangetoond dat artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 in strijd is met artikel 16 van het Handvest.
112 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
– Derde onderdeel: wettigheid van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 in het licht van het evenredigheidsbeginsel.
113 Volgens verzoekster heeft de Commissie het evenredigheidsbeginsel geschonden door artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 vast te stellen.
114 De GAR, ondersteund door de Commissie, betwist verzoeksters betoog.
115 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie geschikt zijn om de legitieme doelstellingen die met de betreffende regeling worden nagestreefd te verwezenlijken en niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is, met dien verstande dat er, wanneer een keuze tussen meerdere passende maatregelen mogelijk is, gebruik moet worden gemaakt van de maatregel die het minst belastend is en de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn in het licht van de nagestreefde doelen (arresten van 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a., C‑547/14, EU:C:2016:325, punt 165, en 20 januari 2021, ABLV Bank/GAR, T‑758/18, EU:T:2021:28, punt 142; zie in die zin ook arrest van 8 juni 2010, Vodafone e.a., C‑58/08, EU:C:2010:321, punt 51).
116 Uit punt 62 hierboven blijkt dat de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikte om krachtens artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 regels vast te stellen tot nadere omschrijving van het begrip „aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de instellingen”.
117 In die omstandigheden, en overeenkomstig de rechtspraak (zie in die zin arresten van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C‑62/14, EU:C:2015:400, punten 80, 81 en 91, en 21 december 2022, Firearms United Network e.a./Commissie, T‑187/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:848, punten 122 en 123 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet de toetsing door het Gerecht van de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel beperkt blijven tot het onderzoek van de vraag of artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 kennelijk ongeschikt is om het door de Commissie nagestreefde doel te bereiken, of het niet kennelijk verder gaat dan noodzakelijk is om dit doel te bereiken, en of het geen nadelen met zich brengt die kennelijk niet in verhouding staan tot het nagestreefde doel.
118 In de eerste plaats, zoals blijkt uit punt 149 van het verzoekschrift, betwist verzoekster niet dat artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 geschikt is om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in punt 57 hierboven genoemde doelstelling.
119 In de tweede plaats, wat betreft de noodzaak van de in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 opgenomen maatregel, moet eraan worden herinnerd dat deze bepaling bedragen op de passiefzijde van instellingen die om verschillende redenen weinig risico vormen, uitsluit van de basis voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen.
120 Dienaangaande blijkt uit de punten 54 tot en met 96 hierboven dat verzoeksters grief, namelijk dat de Commissie passiva in verband met de activiteiten die zij voor de rurale banken verricht ten onrechte van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft uitgesloten, moet worden verworpen.
121 In die omstandigheden en gezien de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie beschikt, kon de Commissie oordelen dat het, om de in punt 57 hierboven vermelde doelstelling te bereiken, niet wenselijk was de passiva die verband houden met de activiteiten die verzoekster voor de rurale banken verricht, uit te sluiten van de berekeningsbasis van de vooraf te betalen bijdragen op grond van artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63, met als reden dat er in wezen onvoldoende garanties waren dat verzoeksters blootstellingen uit hoofde van kredietverlening in verband met de activiteiten die zij voor rekening van die banken verricht, zouden worden gedekt in geval van een verslechtering van haar financiële gezondheid. Gelet hierop gaat die bepaling niet kennelijk verder dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
122 In de derde plaats, zoals ook blijkt uit punt 110 hierboven, heeft verzoekster niet aangetoond dat het in punt 57 hierboven genoemde doel op een even doeltreffende wijze kan worden bereikt met een minder dwingende maatregel, te weten, in casu, de opname van de passiva die verband houden met de activiteiten die zij voor de rurale banken verricht, in artikel 5, lid 1 van gedelegeerde verordening 2015/63.
123 Wat voorts het bestaan betreft van eventuele nadelen die kennelijk onevenredig zijn aan de in punt 57 hierboven genoemde doelstelling, moet worden vastgesteld dat de enkele bewering dat artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 verzoeksters opdracht tegenover de rurale banken in gevaar brengt en haar economische bestaansreden ontneemt, niet voldoende is om het bestaan van dergelijke nadelen aan te tonen. Niets in het dossier wijst er namelijk op dat verzoeksters opdracht in gevaar is gebracht door het feit dat haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2016 is berekend zonder dat de betrokken passiva daarbij werden uitgesloten, overeenkomstig met name artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63.
124 In dat opzicht kan uit verzoeksters betoog niet worden opgemaakt waarom het, zoals zij stelt, noodzakelijk zou zijn geweest te streven naar een grotere samenhang tussen het gebied van prudentieel toezicht en dat van afwikkeling. Verzoekster legt met name geen enkel verband tussen het met het stelsel van vooraf te betalen bijdragen nagestreefde doel en de bepalingen van de regelgeving inzake prudentieel toezicht.
125 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard en moet dit middel bijgevolg in zijn geheel worden afgewezen.
Tweede middel: schending van artikel 103, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/59 en van artikel 70 van verordening nr. 806/2014.
126 Met het tweede middel vraagt verzoekster het Gerecht – voor het geval het eerste middel gegrond wordt bevonden – het bestreden besluit te beoordelen zonder rekening te houden met het bepaalde in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63. Zij stelt in het bijzonder dat die beoordeling uitsluitend moet gebeuren aan de hand van de criteria die zijn opgenomen in de relevante bepalingen van richtlijn 2014/59 en verordening nr. 806/2014.
127 Aangezien het eerste middel is afgewezen moet bijgevolg ook het tweede middel worden afgewezen.
Derde middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel
128 Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit het rechtszekerheidsbeginsel schendt voor zover in het dispositief is bepaald dat het in werking treedt op 15 april 2016, te weten op het tijdstip waarop het eerste van de oorspronkelijke besluiten in werking is getreden. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich ertegen dat de aanvangsdatum van de geldigheidsduur van een handeling wordt vastgesteld op een tijdstip vóór de bekendmaking ervan. Uitzonderlijk kan een Uniehandeling terugwerkende kracht hebben wanneer het te bereiken doel dit vereist, het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen en de terugwerkende kracht duidelijk uit de betrokken regel blijkt. In casu is niet aan deze voorwaarden voldaan.
129 De GAR betwist verzoeksters betoog.
130 Het bestreden besluit is vastgesteld op 7 december 2022, en is overeenkomstig artikel 4 van het dispositief in werking getreden op 15 april 2016, namelijk op het tijdstip waarop het eerste van de oorspronkelijke besluiten in werking is getreden. De oorspronkelijke besluiten zijn vervolgens met ingang van 15 april 2016 vervangen door het besluit van 19 maart 2020, zoals blijkt uit de punten 10 en 13 hierboven. Ook dat laatste besluit is, overeenkomstig artikel 3 van het dispositief ervan, in werking getreden op 15 april 2016.
131 Volgens de overwegingen 19 tot en met 22 van het bestreden besluit beoogde dit besluit tegemoet te komen aan de ontoereikende motivering van het besluit van 19 maart 2020 dat de GAR had vastgesteld naar aanleiding van het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR (C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601), en de beschikkingen van 3 maart 2022, GAR/Portigon en Commissie (C‑664/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:161), en 3 maart 2022, GAR/Hypo Vorarlberg Bank (C‑663/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:162), die betrekking hadden op de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2017.
132 Bovendien blijkt uit de overwegingen 6 tot en met 8 van het besluit van 19 maart 2020 dat dit besluit werd aangenomen om tegemoet te komen aan de procedurele gebreken en de ontoereikende motivering van de oorspronkelijke besluiten, zoals het Gerecht had vastgesteld in de arresten van 28 november 2019, Banco Cooperativo Español/GAR (T‑323/16, EU:T:2019:822), van 28 november 2019, Hypo Vorarlberg Bank/GAR (T‑377/16, T‑645/16 en T‑809/16, EU:T:2019:823), en 28 november 2019, Portigon/GAR (T‑365/16, EU:T:2019:824).
133 Bijgevolg hebben het bestreden besluit en voornoemde arresten en beschikkingen geen wijziging gebracht in de omvang van verzoeksters verplichting tot voldoening van een vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2016, zoals deze was vastgesteld in het tweede van de oorspronkelijke besluiten en zoals deze bestond voor die bijdrageperiode.
134 Het tweede van die oorspronkelijke besluiten, het besluit van 19 maart 2020 en het bestreden besluit bevatten immers dezelfde berekening van verzoeksters vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2016 en stelden voor die bijdrage hetzelfde bedrag vast. Dienaangaande bestonden de enige nieuwe elementen die bij het bestreden besluit werden ingevoerd uit een uitgebreidere motivering van de berekening van verzoeksters vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2016.
135 De GAR heeft in de overwegingen 188 tot en met 194 van het bestreden besluit uiteengezet waarom hij de werking in de tijd van dat besluit heeft vastgesteld op de in punt 130 hierboven beschreven wijze. Hij heeft met name gepreciseerd dat de reden hiervoor was om de rechtstitel te handhaven op grond waarvan de vooraf te betalen bijdragen van de betrokken instellingen tijdens bijdrageperiode 2016 waren geïnd en om de geldigheid van de betaling van die bijdragen te handhaven.
136 Volgens de rechtspraak verzet het rechtzekerheidsbeginsel zich ertegen dat een Uniehandeling reeds vóór de vaststelling ervan van kracht is, behoudens wanneer dit bij uitzondering noodzakelijk is voor het te bereiken doel en het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen (zie in die zin arresten van 13 november 1990, Fedesa e.a., C‑331/88, EU:C:1990:391, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 5 september 2014, Éditions Odile Jacob/Commissie, T‑471/11, EU:T:2014:739, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
137 Wat ten eerste de vraag betreft of de door het bestreden besluit te bereiken doelstellingen vereisten dat deze van kracht werd vóór de datum van vaststelling ervan, moet acht worden geslagen op de context waarin dit besluit is genomen.
138 In dat verband blijkt uit de punten 10 tot en met 13 hierboven dat het arrest waarbij het eerste van de oorspronkelijke besluiten nietig is verklaard, evenals de arresten die tot de intrekking van het besluit van 19 maart 2020 hebben geleid, verzoeksters verplichting tot betaling van haar bijdrage vooraf voor bijdrageperiode 2016 overeenkomstig het toepasselijke rechtskader niet hebben opgeheven en evenmin het bedrag van die bijdrage naar beneden hebben bijgesteld, hetgeen door verzoekster niet wordt betwist.
139 In deze bijzondere omstandigheden had het bestreden besluit, indien de GAR het niet in werking had doen treden op de datum waarop het eerste van de oorspronkelijke besluiten van kracht werd, geen effect kunnen sorteren in de periode van 15 april 2016 tot en met 7 december 2022, waarin verzoekster dan zou zijn vrijgesteld van haar verplichting om voor bijdrageperiode 2016 een vooraf te betalen bijdrage te betalen, ondanks dat zij krachtens artikel 2, artikel 67, lid 4, en de artikelen 69 en 70 van verordening nr. 806/2014 aan deze verplichting was onderworpen. Ook zou de GAR tijdens deze periode in strijd met diezelfde bepalingen worden beroofd van de middelen afkomstig uit verzoeksters vooraf te betalen bijdragen, waardoor de tenuitvoerlegging van richtlijn 2014/59, verordening nr. 806/2014 en gedelegeerde verordening 2015/63 zou worden ondermijnd (zie naar analogie arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punten 176 en 177).
140 Bijgevolg werd met de vaststelling van het bestreden besluit met ingang van 15 april 2016 beoogd om te verzekeren dat de toepasselijkheid van dit besluit samenviel met het moment waarop de verplichting van verzoekster ontstond om een vooraf te betalen bijdrage voor 2016 te betalen, en dus om een met de toepasselijke regelgeving strijdig resultaat te vermijden. Om dit legitieme en maatschappelijk noodzakelijke doel te bereiken moest dat besluit in werking treden op een datum vóór de vaststelling ervan, namelijk op dezelfde datum als het besluit van 19 maart 2020 dat het verving.
141 Ten tweede wijst niets erop dat het gewettigd vertrouwen van verzoekster of van derden in de omstandigheden van het onderhavige geval niet naar behoren in acht is genomen. Verzoekster kan niet stellen dat het arrest van 28 november 2019, Banco Cooperativo Español/GAR (T‑323/16, EU:T:2019:822), een gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat het bestreden besluit niet vóór de datum van vaststelling ervan in werking zou treden, of dat de arresten waarbij het eerste van de oorspronkelijke besluiten nietig is verklaard en die tot de intrekking van het besluit van 19 maart 2020 hebben geleid, een gewettigd vertrouwen konden wekken dat zij pas vanaf een latere datum gehouden zou zijn haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2016 te voldoen, zodra een nieuw besluit zou zijn vastgesteld. In tegenstelling tot wat vereist wordt door de rechtspraak (zie in die zin arrest van 16 september 2021, FVE Holýšov I e.a./Commissie, C‑850/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:740, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak), heeft geen enkele instelling verzoekster nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende inlichtingen in die zin verstrekt (zie punten 133 en 134 hierboven).
142 Verder geldt de verplichting van artikel 266 VWEU voor de instelling waarvan de nietig verklaarde handeling uitgaat slechts binnen de grenzen van wat noodzakelijk is om de uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring te verzekeren. In die zin houdt deze bepaling voor de betrokken instelling de verplichting in ervoor te zorgen dat een handeling die zij vaststelt ter vervanging van de nietig verklaarde handeling, niet dezelfde onregelmatigheden vertoont als die welke in dat arrest zijn vastgesteld (zie arrest van 11 december 2017, Léon Van Parys/Commissie, T‑125/16, EU:T:2017:884, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Om zich te voegen naar een arrest houdende nietigverklaring en hieraan volledige uitvoering te geven, moeten de instellingen niet alleen het dictum van het arrest naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden, daar zij onontbeerlijk zijn om de nauwkeurige betekenis van het dictum te bepalen (zie in die zin arrest van 29 november 2007, Italië/Commissie, C‑417/06 P, niet gepubliceerd, EU:C:2007:733, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
143 Hieruit volgt dat, om een nieuw besluit vast te stellen overeenkomstig de rechtsoverwegingen die de noodzakelijke steun bieden aan het dictum van het arrest van 28 november 2019, Banco Cooperativo Español/GAR (T‑323/16, EU:T:2019:822), de GAR de vormvoorschriften in acht moest nemen die tijdens de procedure tot vaststelling van het litigieuze besluit waren geschonden. Deze omstandigheid kon bij verzoekster geen verwachting hebben gewekt dat het bestreden besluit niet vóór de datum van het besluit dat het verving in werking zou treden, of dat verzoekster pas vanaf een latere datum gehouden zou zijn de vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2016 te voldoen, nadat een nieuw besluit zou zijn vastgesteld (zie naar analogie arrest van 11 januari 2024, Eurobolt e.a./Commissie en Stafa Group, C‑517/22 P, EU:C:2024:9, punten 55 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
144 Derhalve moet worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster beweert, het bestreden besluit geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel inhoudt, aangezien de voorwaarden vermeld in punt 136 hierboven zijn vervuld en de GAR in casu gerechtigd was het startpunt van het bestreden besluit vast te stellen op een datum die voorafgaat aan de datum van de vaststelling van het besluit, te weten 15 april 2016, zijnde de datum van het eerste van de oorspronkelijke besluiten. Hetzelfde geldt overigens voor het besluit van 19 maart 2020.
145 Gelet op het voorgaande moet het derde middel ongegrond worden verklaard en moet bijgevolg de door verzoekster ingestelde vordering tot nietigverklaring worden afgewezen.
Schadevorderingen
146 Verzoekster roept de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in om vertragingsrente te vorderen die laatstgenoemde haar verschuldigd zou zijn sinds 23 juni 2016, de datum waarop zij haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2016 heeft voldaan op basis van het eerste van de oorspronkelijke besluiten, dat door het Gerecht nietig is verklaard voor zover het haar betrof, bij arrest van 28 november 2019, Banco Cooperativo Español/GAR (T‑323/16, EU:T:2019:822). In het bijzonder is de GAR haar die rente verschuldigd omdat hij na die nietigverklaring haar bijdrage vooraf niet heeft terugbetaald. Met andere woorden, de GAR zou zich ongerechtvaardigd hebben verrijkt. Onder die omstandigheden baseert verzoekster haar vorderingen zowel op ongerechtvaardigde verrijking als op de artikelen 268 en 340 VWEU.
147 De GAR betwist verzoeksters betoog.
148 Wat om te beginnen verzoeksters recht betreft om een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking in te stellen, hoeft er slechts aan te worden herinnerd dat het beroep wegens ongerechtvaardigde verrijking strikt genomen niet valt onder de regeling van de niet-contractuele aansprakelijkheid, voor het ontstaan waarvan moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden ter zake van de onrechtmatigheid van het aan de Unie verweten gedrag, de realiteit van de schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen dat gedrag en de gestelde schade. Dit beroep onderscheidt zich in zoverre van de op grond van voornoemde regeling ingestelde beroepen dat geen onrechtmatige gedraging van de verwerende partij hoeft te worden bewezen en dat zelfs niet eens sprake van een gedraging hoeft te zijn, maar alleen moet worden bewezen dat de verwerende partij zonder geldige rechtsgrondslag is verrijkt en de verzoekende partij in verband met die verrijking is verarmd (zie arrest van 23 november 2022, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie, T‑275/20, EU:T:2022:723, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
149 Een dergelijke vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking kan in de onderhavige zaak niet slagen, aangezien, zoals in de punten 139 tot en met 144 hierboven is uiteengezet, verzoekster vanaf 15 april 2016 gehouden was haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2016 te voldoen krachtens artikel 2, artikel 67, lid 4, en de artikelen 69 en 70 van verordening nr. 806/2014, en deze verplichting is blijven bestaan na het arrest van 28 november 2019, Banco Cooperativo Español/GAR (T‑323/16, EU:T:2019:822), daar dit arrest niet tot gevolg had dat haar verplichting om voor bijdrageperiode 2016 aan het GAF bij te dragen overeenkomstig bovengenoemde bepalingen werd opgeheven. In casu was de GAR, gelet op de datum van inwerkingtreden van zowel het besluit van 19 maart 2020 als het bestreden besluit, te weten 15 april 2016, niet verplicht om, ter voorkoming van een ongerechtvaardigde verrijking, verzoeksters vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2016 geheel of gedeeltelijk terug te betalen.
150 Bovendien zij eraan herinnerd dat artikel 340, tweede alinea, VWEU bepaalt dat de Unie, inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade moet vergoeden die is veroorzaakt door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies.
151 Volgens de rechtspraak moet voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie op grond van artikel 340, tweede alinea, VWEU zijn voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, dat er werkelijk schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de schending van de op de auteur van de handeling rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (zie arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
152 Wanneer aan een van de in punt 151 hierboven genoemde voorwaarden niet is voldaan, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat hoeft te worden onderzocht of de overige voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie zijn vervuld (zie arresten van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 165 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 december 2023, United Parcel Service/Commissie, C‑297/22 P, EU:C:2023:1027, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
153 In casu heeft verzoekster, zoals blijkt uit de beoordeling van de ter onderbouwing van haar vordering tot nietigverklaring aangevoerde middelen, niet aangetoond dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt rechten aan particulieren toe te kennen. Derhalve moeten ook de onderhavige schadevorderingen, voor zover zij zijn gebaseerd op de artikelen 268 en 340 VWEU, worden afgewezen.
154 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de arresten van 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39), en 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), waarop verzoekster zich respectievelijk in haar memories en ter terechtzitting heeft beroepen.
155 In punt 56 van het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), heeft het Hof in herinnering gebracht dat uit de rechtspraak volgt dat bedragen die in strijd met het Unierecht zijn geïnd – ongeacht of dit is geschied door een nationale autoriteit dan wel door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie – moeten worden terugbetaald, vermeerderd met rente voor de gehele periode vanaf de datum van betaling van die bedragen tot aan de datum van terugbetaling. Dit vormt de uitdrukking van een algemeen beginsel van teruggave van hetgeen onverschuldigd is betaald.
156 Bovendien heeft het Hof in punt 62 van het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), en zoals in essentie blijkt uit de punten 103 en 104 van het arrest van 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39), geoordeeld dat instellingen, organen of instanties van de Unie die krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU verplicht zijn om een bepaald bedrag terug te betalen en daarnaast ook rente te betalen, over geen enkele beoordelingsmarge beschikken met betrekking tot de vraag of die rente moet worden betaald, zodat de enkele inbreuk op het Unierecht, bestaande in de weigering om de rente te betalen, voldoende is om aan te tonen dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van dat recht, die tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan leiden.
157 Anders dan de rekwirante in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39), en 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), waarin het Hof definitief heeft vastgesteld dat de daar aan de orde zijnde geldboeten onverschuldigd waren betaald, bleef verzoekster vanaf 15 april 2016 gehouden de voor bijdrageperiode 2016 opgelegde vooraf te betalen bijdrage te voldoen krachtens artikel 2, artikel 67, lid 4, en de artikelen 69 en 70 van verordening nr. 806/2014, waarvan het bedrag niet naar beneden is bijgesteld (zie punten 138 en 139 hierboven).
158 Bovendien, en in tegenstelling tot de besluiten in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39), en 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), zijn zowel het bestreden besluit als het besluit van 19 maart 2020 in werking getreden op een datum die voorafgaat aan die van hun vaststelling, te weten 15 april 2016, zonder dat daarbij het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden (zie punt 144 hierboven), zodat over de periode van 23 juni 2016 – de datum waarop verzoekster haar bijdrage vooraf voor de bijdrageperiode 2016 heeft betaald – tot aan de vaststelling van een van deze besluiten, geen vertragingsrente verschuldigd is.
159 Derhalve was de GAR niet verplicht de bijdragen vooraf vermeerderd met rente terug te betalen.
160 Gelet op een en ander moeten de schadevorderingen van verzoekster worden afgewezen.
Kosten
161 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de GAR worden verwezen in haar eigen kosten alsook in die van de GAR.
162 Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering draagt de Commissie haar eigen kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Banco Cooperativo Español, SA wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in die van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR).
3) De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.
Kornezov Petrlík Kecsmár Kingston Spangsberg Grønfeldt Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 30 april 2025. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 11 juni 2024, C-221/22, ECLI:EU:C:2024:488
- HvJ EU 5 maart 2024, C-755/21, ECLI:EU:C:2024:202
- HvJ EU 11 januari 2024, C-517/22, ECLI:EU:C:2024:9
- HvJ EU 21 december 2023, C-297/22, ECLI:EU:C:2023:1027
- Gerecht EU 20 december 2023, T-389/21, ECLI:EU:T:2023:827
- Gerecht EU 20 december 2023, T-383/21, ECLI:EU:T:2023:845
- Gerecht EU 23 november 2022, T-275/20, ECLI:EU:T:2022:723
- Gerecht EU 6 juli 2022, T-631/20, ECLI:EU:T:2022:426
- HvJ EU 21 december 2021, C-124/20, ECLI:EU:C:2021:1035
- HvJ EU 15 juli 2021, C-584/20, ECLI:EU:C:2021:601
- Gerecht EU 16 juni 2021, T-126/19, ECLI:EU:T:2021:360
- HvJ EU 20 januari 2021, C-301/19, ECLI:EU:C:2021:39
- Gerecht EU 20 januari 2021, T-758/18, ECLI:EU:T:2021:28
- Gerecht EU 23 september 2020, T-411/17, ECLI:EU:T:2020:435
- HvJ EU 3 december 2019, C-414/18, ECLI:EU:C:2019:1036
- Gerecht EU 28 november 2019, T-323/16, ECLI:EU:T:2019:822
- Gerecht EU 28 november 2019, T-377/16, ECLI:EU:T:2019:823
- Gerecht EU 28 november 2019, T-365/16, ECLI:EU:T:2019:824
- Gerecht EU 30 april 2019, T-737/17, ECLI:EU:T:2019:273
- HvJ EU 12 juli 2018, C-540/16, ECLI:EU:C:2018:565