HvJ EU 16 april 2026, C-343/23, ECLI:EU:C:2026:294

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

16 april 2026 ( *1 )

„Hogere voorziening – Openbare dienst – Ambtenaren – Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie – Artikel 24 – Verzoek om bijstand – Artikel 12 bis – Begrip ,psychisch geweld’ – Passief of collectief geweld – Afwijzing van een verzoek om bijstand – Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding”

In zaak C‑343/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 31 mei 2023,

Jean-Marc Colombani, wonende te Oudergem (België), vertegenwoordigd door N. de Montigny, advocate,

rekwirant,

andere partij in de procedure:

Europese dienst voor extern optreden (EDEO), vertegenwoordigd door A. Ireland en R. Spáč als gemachtigden, bijgestaan door L. Lence de Frutos, abogada, en M. Troncoso Ferrer, avocat,

verweerder in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin, M. Gavalec en Z. Csehi (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: R. Norkus,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 april 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn hogere voorziening verzoekt Jean-Marc Colombani om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 22 maart 2023Colombani/EDEO (T‑113/22, EU:T:2023:154; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht zijn op artikel 270 VWEU gebaseerde beroep heeft verworpen dat strekte tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van 15 juni 2021 waarbij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) het verzoek om bijstand dat hij op 18 februari 2021 krachtens artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) had ingediend, gedeeltelijk heeft afgewezen (hierna: „besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand”), alsook nietigverklaring van de minnelijke schikking tussen partijen van 9 februari 2021 (hierna: „minnelijke schikking”) en van het vermeende impliciete besluit om hem met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018 te bevorderen naar rang AD 14, zoals dat hem was meegedeeld door toezending van zijn salarisafrekening van mei 2021, en, ten tweede, vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij stelt te hebben geleden door de gedragingen van EDEO.

Toepasselijke bepalingen

2 Artikel 12 bis van het Statuut luidt als volgt: „1. De ambtenaar onthoudt zich van iedere vorm van psychisch geweld of seksuele intimidatie. 2. De ambtenaar die het slachtoffer is geweest van psychisch geweld of seksuele intimidatie mag daarvan van de kant van de instelling geen nadelige effecten ondervinden. De ambtenaar die in een dergelijke aangelegenheid een getuigenis heeft afgelegd, mag daarvan van de kant van de instelling geen nadelige effecten ondervinden, mits de ambtenaar te goeder trouw heeft gehandeld. 3. Onder ‚psychisch geweld’ wordt iedere vorm van opzettelijk onbehoorlijk gedrag verstaan dat zich gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch voordoet in de vorm van gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften die de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van de betrokkene kunnen aantasten. […]”

3 Artikel 24 van het Statuut bepaalt: „De [Europese] Unie verleent bijstand aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie blootstaan. Voor zover de schade die de ambtenaar door deze feiten heeft geleden, niet uit diens opzet of grove nalatigheid is voortgevloeid en hij geen vergoeding heeft kunnen verkrijgen van degenen die de schade hebben veroorzaakt, wordt zij door de Unie gezamenlijk vergoed.”

Voorgeschiedenis van het geding

4 De voorgeschiedenis van het geding wordt in de punten 2 tot en met 20 van het bestreden arrest als volgt uiteengezet: „2 [Rekwirant] is een ambtenaar van EDEO. 3 Hij begon zijn carrière bij de Franse diplomatieke dienst. Op 1 mei 1990 trad hij in dienst bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen. In september 2010 is hij in dienst genomen bij EDEO, waar hij tot februari 2015 assistent van uitvoerend secretaris-generaal A was. Tussen maart 2015 en augustus 2016 was [rekwirant] eerst assistent en later adviseur bij uitvoerend secretaris-generaal B. Op 1 juni 2016 is [rekwirant] benoemd tot adviseur bij uitvoerend secretaris-generaal C. Vanaf 1 januari 2017 vervulde hij de functie van adviseur bij de adjunct-secretaris-generaal belast met het gemeenschappelijk veiligheids‑ en defensiebeleid (GVDB) en de crisisrespons, te weten eerst D en, vanaf 1 mei 2020, E. 4 Aangezien zijn naam niet was opgenomen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2017 zijn voorgedragen voor bevordering naar rang AD 14, heeft [rekwirant] bij het Gerecht beroep ingesteld tegen het besluit van EDEO van 9 november 2017 om hem niet te bevorderen. Bij arrest van 10 oktober 2019, Colombani/EDEO (T‑372/18, […] EU:T:2019:734), heeft het Gerecht dat besluit nietig verklaard op grond dat de door EDEO voor de bevorderingsronde 2017 toegepaste algemene uitvoeringsbepalingen onregelmatig waren, aangezien zij geen vergelijkend en objectief onderzoek van de verdiensten van de ambtenaren mogelijk maakten. 5 Op 6 augustus 2020 heeft [rekwirant] bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van het vermeende besluit van EDEO om het arrest van 10 oktober 2019, Colombani/EDEO (T‑372/18, […] EU:T:2019:734), niet uit te voeren, en van de besluiten tot afwijzing van zijn sollicitaties voor de functies van hoofd van de delegatie van de Europese Unie in Korea, Oezbekistan en Noord-Macedonië. Hij heeft tevens verzocht om nietigverklaring van het besluit van EDEO om hem geen toegang te verlenen tot de documenten in verband met die procedures, met name tot de vergelijkende gegevens van de kandidaten die tijdens de preselectieprocedure zijn gekozen. Bij beschikking van 12 februari 2021, Colombani/EDEO (T‑507/20, […] EU:T:2021:95), is deze zaak na [minnelijke schikking] doorgehaald in het register van het Gerecht. 6 Volgens de bewoordingen van de minnelijke schikking heeft EDEO zich ertoe verbonden [rekwirant] met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018 te bevorderen naar rang AD 14, salaristrap 1 (punt 1 van de minnelijke schikking). EDEO heeft zich er bovendien toe verbonden om [rekwirant], met inachtneming van de toepasselijke rechtsregels en, wat meer in het bijzonder de regels inzake gegevensbescherming betreft, in overeenstemming met het advies van de functionaris voor gegevensbescherming van EDEO, gegevens te verstrekken over de kwalificaties en werkervaring van de kandidaten die volgens het panel het best voldeden aan de preselectiecriteria die vervolgens in aanmerking waren genomen bij de vergelijking van de kwalificaties en verdiensten van de kandidaten die waren gekozen in de preselectieprocedures voor de functies van hoofd van de delegatie van de Europese Unie in Noord-Macedonië, Algerije, Azerbeidzjan en Noorwegen en voor de functie van directeur Noord-Afrika en Midden-Oosten bij EDEO (punt 2 van de minnelijke schikking). 7 Op 18 februari 2021 heeft [rekwirant] krachtens artikel 24 van het Statuut een verzoek om bijstand ingediend, dat betrekking had op de voormalige uitvoerend secretaris-generaal van EDEO, C, een van de voormalige adjunct-secretarissen-generaal van EDEO, D, en een van de huidige adjunct-secretarissen-generaal van EDEO, E, alsmede de directeur-generaal voor begroting en administratie, F, allen in hun hoedanigheid van opeenvolgende hiërarchische meerderen. 8 Bij e‑mail van 22 februari 2021 heeft [rekwirant] F verzocht om te bevestigen dat EDEO geen bezwaar had tegen de openbaarmaking van de stukken bij [dit] verzoek om bijstand […] aan de Belgische gerechtelijke en administratieve instanties in het kader van een klachtprocedure bij het arbeidsauditoraat te Brussel (België). Bovendien heeft [rekwirant] in die e‑mail aangegeven dat hij zich ervan wilde vergewissen dat EDEO geen principiële bezwaren had tegen het feit dat hij de in het verzoek samengevatte feiten aan een of meer leden van het Europees Parlement zou voorleggen. In antwoord daarop verzocht F bij e‑mail van 23 februari 2021 [rekwirant] om een verzoek krachtens artikel 19 van het Statuut in te dienen en de documenten, de adressaten en het doel van de voorgenomen toezending van de documenten te identificeren. Wat het voornemen van [rekwirant] betrof om de tussenkomst van bepaalde leden van het Parlement te vragen, heeft F erop gewezen dat een dergelijke handelwijze niet onder de procedure van artikel 19 van het Statuut valt. In een e‑mail van 24 februari 2021 aan F heeft [rekwirant] EDEO verzocht hem mee te delen of bepaalde documenten bij zijn verzoek om bijstand ‚niet aan het arbeidsauditoraat te Brussel [mochten] worden meegedeeld’. 9 Op 1 maart 2021 heeft [rekwirant] bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van de besluiten tot afwijzing van de sollicitaties die hij had ingediend voor de functie van directeur Noord-Afrika en Midden-Oosten en voor de functie van hoofd van de delegatie van de Unie in Canada. Bij arrest van 6 juli 2022, Colombani/EDEO (T‑129/21, […] EU:T:2022:424), heeft het Gerecht dit beroep verworpen. [(Rekwirant) heeft tegen dit arrest van het Gerecht hogere voorziening ingesteld, die het Hof bij arrest van 16 november 2023, Colombani/EDEO (C‑595/22 P, EU:C:2023:884), heeft afgewezen]. 10 Bij e‑mail van 28 april 2021 heeft de directeur personeelszaken, G, [rekwirant] een voorlopige analyse van zijn verzoek om bijstand gestuurd, waarin werd aangegeven dat het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: ‚TABG’) voornemens was een administratief onderzoek in te stellen met betrekking tot C en E. Wat daarentegen de beweringen inzake psychisch geweld als gevolg van de handelingen van D en F betreft, werd in [deze] voorlopige analyse gesteld dat deze niet door een begin van bewijs werden gestaafd. 11 Bij e‑mail van 7 mei 2021 heeft [rekwirant] de directeur personeelszaken zijn opmerkingen over [die] voorlopige analyse gestuurd. 12 In de salarisafrekening van mei 2021 van [rekwirant] werd voor het eerst vermeld dat hij was ingedeeld in rang AD 14, salaristrap 2. Bovendien is de bezoldiging van [rekwirant] met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018 aangepast naar rang AD 14. 13 Bij het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand, ondertekend door de directeur personeelszaken, heeft het TABG het verzoek om bijstand afgewezen met betrekking tot de beweringen van [rekwirant] inzake psychisch geweld waarvan hij stelde het slachtoffer te zijn als gevolg van de handelingen van D en F, op grond dat zij niet door een begin van bewijs werden gestaafd. 14 Op 1 augustus 2021 heeft [rekwirant] een klacht ingediend, ingeschreven onder nummer R/412/21, betreffende het vermeende stilzwijgende besluit tot gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek om bijstand, dat voortvloeide uit de voorlopige analyse die hem op 28 april 2021 was meegedeeld, en een klacht, ingeschreven onder nummer R/413/21, betreffende het vermeende stilzwijgend besluit om hem met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018 te bevorderen naar rang AD 14, welk besluit hem ter kennis was gebracht door de toezending van zijn salarisafrekening van mei 2021. 15 Op 25 augustus 2021 heeft [rekwirant] kennisgenomen van het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van [het] verzoek om bijstand. 16 Op 13 september 2021 heeft [rekwirant] tegen [dat besluit] een klacht ingediend, ingeschreven onder nummer R/460/21. 17 Bij nota van 25 november 2021, ondertekend door […] F, heeft EDEO [rekwirant], overeenkomstig artikel 266, lid 1, VWEU en ter uitvoering van de beschikking van 12 februari 2021, Colombani/EDEO (T‑507/20, […] EU:T:2021:95), alsmede overeenkomstig de minnelijke schikking, formeel in kennis gesteld van het besluit van het TABG om hem met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018 te bevorderen naar rang AD 14, salaristrap 1. Daarbij gaf EDEO aan dat dit bevorderingsbesluit ten uitvoer was gelegd en sinds 30 maart 2021 was opgenomen in het dossier van [rekwirant] in de personeelsbeheersoftware van de Commissie en dat de automatische overgang naar een hogere salaristrap op 1 januari 2020 had plaatsgevonden. 18 Bij besluit van 26 november 2021 heeft de uitvoerend secretaris-generaal van EDEO, L, als TABG, de klachten R/412/21 en R/460/21 afgewezen. 19 Op 29 november 2021 heeft [rekwirant] een klacht ingediend, ingeschreven onder nummer R/618/21, over de niet-uitvoering van de minnelijke schikking door EDEO wat met name punt 2 van die schikking betreft. 20 Bij besluit van 30 november 2021 heeft het TABG klacht R/413/21 afgewezen.”

Beroep voor het Gerecht en bestreden arrest

5 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 maart 2022, heeft rekwirant beroep ingesteld strekkende tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand, alsmede van de minnelijke schikking en het vermeende stilzwijgende besluit om hem met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018 te bevorderen naar rang AD 14, zoals dat hem ter kennis is gebracht door de toezending van zijn salarisafrekening van mei 2021, en, ten tweede, vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij door het gedrag van EDEO heeft geleden.

6 Ter ondersteuning van zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit waarbij het verzoek om bijstand gedeeltelijk werd afgewezen, heeft rekwirant vijf middelen aangevoerd. Het vijfde middel is niet relevant voor de onderhavige hogere voorziening, aangezien rekwirant de beoordeling daarvan door het Gerecht in zijn hogere voorziening niet ter discussie stelt. Het eerste tot en met het vierde middel waren ontleend aan, ten eerste, een dienstfout, niet-nakoming van de zorgplicht en schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en het Statuut, ten tweede, het bestaan van een begin van bewijs van het psychisch geweld dat rekwirant heeft ondergaan, ten derde, misbruik van bevoegdheid en schending van artikel 47 van het Handvest, en, ten vierde, misbruik van bevoegdheid alsmede schending van artikel 227 VWEU en artikel 44 van het Handvest.

7 In de punten 54 en 65 van het bestreden arrest heeft het Gerecht respectievelijk het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel, ontleend aan onjuiste beoordeling van de respectievelijk aan D en F toerekenbare feiten, afgewezen op grond dat er geen sprake was van een onjuiste beoordeling. Het heeft in dit verband opgemerkt dat het TABG op goede gronden had kunnen oordelen dat rekwirant geen begin van bewijs had geleverd dat deze twee personen psychisch geweld jegens hem hebben gepleegd.

8 In de punten 70 en 72 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste onderdeel van het eerste middel, waarmee werd aangevoerd dat er ten aanzien van rekwirant geen voorlopige beschermingsmaatregelen waren genomen, afgewezen door vast te stellen dat EDEO niet verplicht was om een administratief onderzoek in te stellen tegen D en F, noch om meer voorlopige beschermingsmaatregelen in de vorm van informele beschermingsmaatregelen of financiële steun vast te stellen.

9 In punt 75 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het tweede onderdeel van het eerste middel, ontleend aan de onrechtmatigheid van de jegens rekwirant geuite bedreigingen, als niet ter zake dienend afgewezen. Het heeft geoordeeld dat de gestelde bedreigingen, die betrekking hadden op de openbaarmaking van informatie aan de Belgische gerechtelijke autoriteiten en de leden van het Parlement, gesteld al dat zij bewezen zouden zijn, geen invloed hadden op het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand voor zover het D en F betrof.

10 In de punten 89, 92 en 93 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het derde onderdeel van het eerste middel, dat was ontleend aan een gebrek aan onpartijdigheid en een belangenconflict van de auteur van het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand, afgewezen. In dit verband heeft het Gerecht geoordeeld dat, ook al kon er twijfel bestaan over de objectieve onpartijdigheid van de auteur van dat besluit, de herziening van dat besluit door de uitvoerend secretaris-generaal van EDEO het mogelijk had gemaakt om die onregelmatigheid te corrigeren. Zelfs indien dat besluit was ondertekend door een persoon die geen hiërarchische band met F had, was het bovendien uitgesloten dat de behandeling van het verzoek om bijstand tot een ander resultaat had geleid dan de afwijzing ervan voor zover het tegen F was gericht.

11 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 107 van het bestreden arrest het derde en het vierde middel, betreffende misbruik van bevoegdheid, afgewezen omdat zij niet ter zake dienend en hoe dan ook ongegrond waren.

12 Aangezien alle middelen van rekwirant tot staving van zijn verzoek tot nietigverklaring van het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand waren afgewezen, heeft het Gerecht dit verzoek en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

13 Rekwirant verzoekt het Hof: – de hogere voorziening toe te wijzen en het bestreden arrest te vernietigen; – de zaak zelf af te doen en het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand nietig te verklaren; – EDEO te veroordelen tot betaling van het symbolische bedrag van één euro als vergoeding van de door rekwirant geleden immateriële schade, en – EDEO te verwijzen in de kosten die rekwirant heeft moeten maken in het kader van de onderhavige procedure en de procedure in eerste aanleg.

14 EDEO verzoekt het Hof: – de hogere voorziening niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren; – het bestreden arrest in zijn geheel te bevestigen, en – rekwirant te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van de procedure in eerste aanleg.

15 De hogere voorziening van rekwirant betreft zowel de beslissing waarbij het Gerecht zijn vordering tot nietigverklaring heeft afgewezen als die waarbij het zijn vordering tot schadevergoeding heeft afgewezen.

Hogere voorziening

16 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant vier middelen aan: ten eerste, onjuiste rechtsopvatting bij het onderzoek van het voorwerp van zijn verzoek om bijstand en schending van het begrip „psychisch geweld”, ten tweede, onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de aan D en F toe te rekenen feiten, ten derde, schending van artikel 24 van het Statuut en, ten vierde, niet-inaanmerkingneming van het bestaan van een besluit tot afwijzing van het ingediende verzoek en een onjuiste rechtsopvatting bij de analyse van de artikelen 17 en 19 van het Statuut.

17 EDEO voert vooraf aan dat de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk is en stelt dat rekwirant het Hof verzoekt om een nieuwe beoordeling van de feiten, zonder echte juridische kritiek op het bestreden arrest te leveren.

18 Elk van deze aangevoerde specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid moet echter worden beoordeeld in het kader van de beoordeling van de middelen en grieven waarop zij betrekking hebben.

Eerste middel

Argumenten van partijen

19 Met zijn eerste middel betoogt rekwirant in essentie dat de redenering van het Gerecht in het kader van het onderzoek van het tweede in eerste aanleg aangevoerde middel, waarmee wordt gesteld dat er een begin van bewijs bestaat van de feiten van psychisch geweld die rekwirant zou hebben ondergaan, berust op een onjuiste premisse en derhalve blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

20 Volgens rekwirant heeft het Gerecht bij de beoordeling of er een begin van bewijs bestaat van het aan D en F toe te rekenen psychisch geweld in de punten 31, 34, 38 en 39 van het bestreden arrest namelijk niet in aanmerking genomen dat ook collectieve en passieve gedragingen dergelijk geweld kunnen vormen, waardoor de draagwijdte van artikel 24 van het Statuut wordt beperkt tot geweld stricto sensu. Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 47, 53, 59, 60 en 61 van dat arrest ten onrechte geoordeeld dat dit geweld slechts kon worden aangemerkt als individueel, persoonlijk en actief gedrag van de vermeende geweldpleger.

21 In dit verband voegt rekwirant daaraan toe dat het Gerecht heeft aangegeven dat EDEO zijn verzoek om bijstand had afgewezen omdat D en F. zich niet schuldig hadden gemaakt aan psychisch geweld. Rekwirant benadrukt echter dat dit verzoek om bijstand ook betrekking had op de passiviteit van F, die tolereerde dat C de kennelijk onrechtmatige intentie had om te discrimineren. Deze passiviteit van F heeft er de facto toe bijgedragen dat het gestelde geweld bleef voortduren en verergerde. Gelet op het feit dat er meerdere personen betrokken zijn en dat zij ondergeschikt zijn aan de aanstichtster van dat geweld, C, stelt rekwirant in essentie dat dit geweld een collectief karakter had.

22 In die omstandigheden verwijt rekwirant het Gerecht, onder verwijzing naar de punten 126 en 127 van het arrest van 30 maart 2022, KF/EIB (T‑299/20, EU:T:2022:171), geen rekening te hebben gehouden met het feit dat er sprake kan zijn van een praktijk van geweld „door verschillende personen die tot dezelfde instelling behoren en die gecoördineerd of op zijn minst op dezelfde wijze handelen”. Een dergelijke uitlegging van het begrip „geweld” vooronderstelde dat EDEO „een algehele analyse had moeten maken van de verschillende gedragingen” van de betrokken personen van wie rekwirant „stelde dat zij het bestaan van geweld konden aantonen”, omdat anders het voorwerp van de klacht zou worden gewijzigd. Volgens rekwirant kon het Gerecht zich dus evenmin beperken tot een individuele analyse van de gedragingen zonder rekening te houden met de context.

23 Voorts verwijt rekwirant het Gerecht, onder verwijzing naar verschillende passieve gedragingen van respectievelijk D en F, in essentie dat het het begrip „geweld” onjuist heeft uitgelegd door het te beperken tot een actieve gedraging, en dat het van rekwirant heeft verlangd dat hij actief bewijs levert van een nochtans passief gedrag. Rekwirant betoogt dat het, anders dan het Gerecht in de punten 47 en 60 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, niet aan hem stond om actieve, rechtstreekse, concrete en individuele gedragingen van zijn meerderen aan te tonen waarbij hij terzijde werd geschoven.

24 EDEO voert aan dat het eerste middel niet-ontvankelijk is omdat rekwirant geen enkel juridisch betoog aanvoert tot staving van zijn stelling dat het Gerecht de draagwijdte van artikel 24 van het Statuut heeft beperkt, en dat het hoe dan ook ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

25 Wat in de eerste plaats de ontvankelijkheid betreft van het betoog van rekwirant ter ondersteuning van zijn eerste middel, moet worden vastgesteld dat rekwirant met dit betoog het Hof verzoekt om zich met name uit te spreken over het begrip „psychisch geweld”, wat een rechtsvraag is. Het eerste middel is dan ook ontvankelijk.

26 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het Gerecht zich heeft moeten uitspreken over het begrip „geweld” in de zin van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut naar aanleiding van een verzoek tot nietigverklaring van het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand krachtens artikel 24 van het Statuut.

27 In dit verband moet worden benadrukt dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de administratie een administratief onderzoek moet instellen om de feiten op te helderen en vervolgens in voorkomend geval passende bijstandsmaatregelen kan nemen wanneer er voldoende bewijs is van de in een verzoek om bijstand geformuleerde beweringen (zie in die zin arrest van 7 december 2023, HV en HW/ECDC, C‑615/22 P, EU:C:2023:961, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Hieruit volgt dat wanneer de beweringen in een verzoek om bijstand psychisch geweld betreffen, het aan de persoon die om bijstand verzoekt staat om een begin van bewijs te leveren in het licht van de definitie van het begrip „psychisch geweld” in artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut.

29 In dit verband zij eraan herinnerd dat dit begrip in de zin van deze bepaling wordt gedefinieerd als „onbehoorlijk gedrag” dat zich ten eerste voordoet in de vorm van gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften die „gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch” tot uitdrukking komen, wat impliceert dat psychisch geweld moet worden opgevat als een proces dat noodzakelijkerwijs een zekere duur heeft en het bestaan veronderstelt van een herhaalde of voortdurende handelwijze die „opzettelijk” is in tegenstelling tot „onbewust”. Ten tweede moeten deze gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften, om onder dat begrip te vallen, tot gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychologische integriteit van de betrokkene wordt aangetast (arresten van 12 november 2020, Pethke/EUIPO,C‑382/19 P, EU:C:2020:917, punt 96, en 2 juni 2022, EM/Parlement,C‑299/21 P, EU:C:2022:429, punt 102).

30 Uit de bewoordingen van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut blijkt dus dat het begrip „psychisch geweld” ruim en algemeen is gedefinieerd, zoals de advocaat-generaal in punt 20 van zijn conclusie heeft opgemerkt. In die omstandigheden kan het elke vorm van gedraging of handeling omvatten die voldoet aan de twee in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden.

31 Zo kan ten eerste niet worden uitgesloten dat meerdere personen gezamenlijk „psychisch geweld” in de zin van deze bepaling kunnen plegen wanneer hun handelingen onder dezelfde gedraging van psychisch geweld vallen en elk van hen daartoe bijdraagt door zijn individuele en persoonlijke gedrag. Zoals blijkt uit de punten 27 en 28 van het onderhavige arrest, moet de persoon die meent het slachtoffer te zijn van collectief psychisch geweld echter niet alleen een begin van bewijs leveren van individueel en persoonlijk gedrag van elk van de vermeende geweldplegers, maar ook het bewijs dat er sprake is van een zekere onderlinge afstemming tussen hen. Bij gebreke van gecoördineerd gedrag tussen de vermeende geweldplegers is er in beginsel geen sprake van psychisch geweld wanneer iemand niet ingrijpt om misbruik door anderen, waarvan hij op de hoogte is, te voorkomen.

32 Ten tweede moet worden geoordeeld dat het begrip „gedraging” in de zin van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut niet alleen een actieve, maar ook een passieve gedraging kan omvatten, zoals het marginaliseren of uitsluiten van een ambtenaar of functionaris op zijn werkplek en in arbeidsverhoudingen, of zelfs een verzuim om te handelen. In dit verband moet, zoals de advocaat-generaal in punt 31 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, „passief” psychisch geweld „onbehoorlijk gedrag” vormen en als zodanig een component hebben die een tussenkomst van de dader ervan vereist, zoals weigeren om met iemand te communiceren, of iemand negeren of isoleren. Een „passieve” gedraging kan dus „psychisch geweld” vormen, mits het een opzettelijke individuele gedraging weerspiegelt – in tegenstelling tot een „toevallige” gedraging – die een zekere duur heeft en tot gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychologische integriteit van de betrokkene wordt aangetast.

33 In casu is rekwirant van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het begrip „geweld” te beperken tot gedragingen die, ten eerste, „individueel” en „persoonlijk” zijn en, ten tweede, „actief” zijn.

34 Dit betoog kan niet slagen.

35 Opgemerkt zij immers dat het Gerecht in de punten 47, 53 en 59 tot en met 61 van het bestreden arrest in essentie heeft geoordeeld dat rekwirant ter ondersteuning van zijn verzoek om bijstand een begin van bewijs moest leveren waaruit blijkt dat de persoon op wie dat verzoek betrekking had, een individuele en persoonlijke gedraging had gesteld. Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 en 47 van zijn conclusie opmerkt, heeft het Gerecht daarmee de mogelijkheid van passief en/of collectief geweld als zodanig niet uitgesloten. Het heeft enkel vastgesteld dat er in casu geen begin van bewijs van dergelijk geweld was geleverd, aangezien niet was aangetoond dat D en F individueel en persoonlijk bij de gedraging betrokken waren.

36 Hieruit volgt dat het Gerecht, anders dan rekwirant stelt, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging, noch bij de toepassing van het begrip „psychisch geweld” en bijgevolg ook niet bij het onderzoek van het voorwerp van het door rekwirant krachtens artikel 24 van het Statuut ingediende verzoek om bijstand.

37 Bovendien treffen ook de argumenten van rekwirant met betrekking tot de bewijslast geen doel. Uit de punten 27 en 28 van het onderhavige arrest blijkt immers dat het aan de persoon die om bijstand verzoekt staat om een begin van bewijs te leveren. In casu heeft het Gerecht in de punten 46 tot en met 53 van het bestreden arrest aangegeven dat de door rekwirant aangevoerde elementen niet konden afdoen aan de geloofwaardigheid van de beoordelingen van de administratie en dat rekwirant geen begin van bewijs had geleverd om aan te tonen dat hij het slachtoffer was geweest van psychisch geweld. Derhalve kan het Gerecht niet worden verweten dat het de bewijslast heeft omgekeerd en evenmin dat het rekwirant een onevenredige bewijslast heeft opgelegd.

38 Meer in het bijzonder volgt uit punt 45 van het bestreden arrest dat het Gerecht van rekwirant niet een negatief bewijs, maar ten minste een begin van bewijs heeft verlangd. Bij gebreke van enig begin van bewijs kan rekwirant zich echter niet uitsluitend baseren op het nalaten van de administratie en zo een omkering van de bewijslast eisen.

39 Derhalve moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.

Tweede middel

40 Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen.

Eerste onderdeel van het tweede middel

– Argumenten van partijen

41 Met het eerste onderdeel van zijn tweede middel verwijt rekwirant het Gerecht in essentie dat het het eerste onderdeel van het tweede middel van zijn beroep, dat is ontleend aan een onjuiste beoordeling van de aan D toe te rekenen feiten, heeft afgewezen. Hij voert aan dat het Gerecht, ten eerste, het begrip „psychisch geweld” te restrictief heeft uitgelegd, zoals blijkt uit het eerste middel van de hogere voorziening, en, ten tweede, blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van die feiten.

42 Wat dit laatste betreft, betoogt rekwirant ten eerste dat het Gerecht de inhoud van de in punt 47 van het bestreden arrest genoemde getuigenis van I onjuist heeft opgevat, volgens welke D tijdens een gesprek in 2017 „enkele positieve opmerkingen heeft gemaakt over de kwaliteit van het werk [van rekwirant]” en heeft verklaard dat rekwirant „normaal werd behandeld”, maar dat hij „moeilijk een functie zou krijgen zolang hij [daarop] zou blijven aandringen”. In dit verband voert rekwirant aan dat de toevoeging van het voorzetselvoorwerp „daarop” aan het werkwoord „aandringen” de betekenis van de getuigenis van I verandert. Volgens rekwirant getuigt I namelijk van vergeldingsmaatregelen die zijn getroffen nadat C het initiatief had genomen om rekwirant terzijde te schuiven omdat hij het had aangedurfd om tegen EDEO op te treden, en die vervolgens door de hoogste hiërarchieke meerderen zijn getolereerd.

43 Ten tweede verwijt rekwirant het Gerecht dat het geen rekening heeft gehouden met zijn nauwe professionele relatie met C in het kader van de analyse van het argument dat D rekwirant de functie had voorgesteld van adjunct-hoofd van de delegatie van de Unie in Wenen (Oostenrijk), belast met de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). In dit verband betoogt rekwirant dat in de omstandigheden van het onderhavige geval elke objectieve persoon dit voorstel als bijzonder kwetsend zou hebben beschouwd. Het Gerecht heeft echter ten onrechte geëist dat werd aangetoond dat er een rechtstreekse en nauwe hiërarchische band bestond tussen rekwirant en C om te bewijzen dat C zich jegens rekwirant ongepast had gedragen. Bovendien heeft het Gerecht de bewijzen onjuist opgevat door te oordelen dat D rekwirant had meegedeeld dat hij niet op de hoogte was van diens „administratieve moeilijkheden”.

44 Ten derde wijst rekwirant op een vermeende tegenstrijdigheid van de feitelijke vaststellingen in punt 49 van het bestreden arrest. Hoewel het Gerecht heeft aangegeven dat rekwirant een voorstel van D voor een functie heeft afgewezen, erkent het dus niet dat D een aanwervingsprocedure voor een dergelijke functie had kunnen beïnvloeden.

45 Ten vierde benadrukt rekwirant met betrekking tot de beschuldigende bewoordingen in de oorspronkelijke versie van het beoordelingsrapport, die het Gerecht in de punten 50 en 51 van het bestreden arrest heeft onderzocht, dat het verwijderen van een denigrerend element niet gelijkstaat aan het ontbreken ervan. In dit verband wijst rekwirant op een tegenstrijdigheid tussen deze bewoordingen en de positieve beoordelingselementen in die oorspronkelijke versie.

46 EDEO betoogt dat het eerste onderdeel van het tweede middel kennelijk niet-ontvankelijk is, aangezien rekwirant enkel de argumenten herhaalt die hij voor het Gerecht heeft aangevoerd, zonder kritiek te uiten op de redenering die het Gerecht in het bestreden arrest heeft gevolgd, en hij opkomt tegen de wijze waarop het Gerecht de hem voorgelegde bewijzen heeft beoordeeld, wat in het kader van een hogere voorziening buiten de bevoegdheid van het Hof valt. Dit eerste onderdeel is hoe dan ook ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

47 Wat ten eerste de in punt 47 van het bestreden arrest vermelde onjuiste opvatting van de inhoud van de getuigenis van I betreft, moet worden opgemerkt dat een onjuiste opvatting van de bewijzen weliswaar kan bestaan in een interpretatie van een document die in strijd is met de inhoud ervan, maar dat het voor de vaststelling van een onjuiste opvatting van de bewijzen niet volstaat dat wordt aangetoond dat het betreffende document anders kon worden geïnterpreteerd dan het Gerecht heeft gedaan. Daartoe moet namelijk worden aangetoond dat het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van dit document kennelijk heeft overschreden, met name door een lezing van dat document die in strijd is met de bewoordingen ervan (arresten van 25 februari 2021, Dalli/Commissie,C‑615/19 P, EU:C:2021:133, punt 139; 23 maart 2023, PV/Commissie,C‑640/20 P, EU:C:2023:232, punt 134, en 12 december 2024, DD/FRA,C‑130/22 P, EU:C:2024:1018, punt 48).

48 Door in casu enkel te stellen dat het Gerecht de betekenis van de getuigenis van I heeft gewijzigd door het voorzetselvoorwerp „daarop” toe te voegen aan het werkwoord „aandringen”, toont rekwirant niet aan dat het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van die getuigenis kennelijk heeft overschreden.

49 Bijgevolg moet het argument inzake een onjuiste opvatting van de inhoud van deze getuigenis ongegrond worden verklaard.

50 Wat ten tweede rekwirants argument betreft dat het Gerecht het voorstel voor de functie van adjunct-hoofd van de delegatie van de Unie in Wenen belast met de OVSE onjuist heeft opgevat, moet worden opgemerkt dat rekwirant geen enkel argument aanvoert op grond waarvan kan worden aangetoond dat het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van de bewijzen uit de stukken van het dossier kennelijk heeft overschreden. Hij beperkt zich er namelijk toe een andere mogelijke uitlegging van de aan het Gerecht overgelegde feiten en bewijzen uiteen te zetten. Onder het mom van een onjuiste opvatting van het bewijs tracht rekwirant dus in werkelijkheid een nieuwe beoordeling van de in eerste aanleg aangevoerde feiten en bewijzen te verkrijgen.

51 Uit artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt echter dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is dan ook als enige bevoegd om de relevante feiten en het aan hem voorgelegde bewijs vast te stellen en te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (arresten van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 157, en 18 december 2025, Hamoudi/Frontex,C‑136/24 P, EU:C:2025:977, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Bijgevolg moet het in punt 50 van het onderhavige arrest bedoelde betoog niet-ontvankelijk worden verklaard.

53 Wat ten derde de argumenten betreft dat de feitelijke vaststellingen in punt 49 van het bestreden arrest in tegenstrijd zijn met de beschuldigende bewoordingen in de oorspronkelijke versie van het beoordelingsrapport die het Gerecht in de punten 50 en 51 van dat arrest heeft geanalyseerd, moet worden vastgesteld dat rekwirant met deze argumenten in werkelijkheid, onder het mom van tegenstrijdigheden, de feitelijke beoordelingen en vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot de voor hem aangevoerde bewijzen tracht te betwisten. In het kader van zijn betoog heeft rekwirant echter niet gesteld, laat staan aangetoond, dat deze bewijzen onjuist zijn opgevat.

54 Bijgevolg moet dit betoog in het licht van de in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

55 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.

Tweede onderdeel van het tweede middel

– Argumenten van partijen

56 Met het tweede onderdeel van zijn tweede middel verwijt rekwirant het Gerecht in essentie dat het het tweede onderdeel van het tweede middel van zijn beroep, dat was ontleend aan een onjuiste beoordeling van de aan F toe te rekenen feiten, heeft afgewezen. Hij voert aan dat het Gerecht, ten eerste, het begrip „psychisch geweld” te restrictief heeft uitgelegd, zoals blijkt uit het eerste middel van de hogere voorziening, en, ten tweede, blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van die feiten.

57 In de eerste plaats bekritiseert rekwirant de beoordeling in punt 57 van het bestreden arrest en voert hij aan dat uit de gegevens van het dossier bleek dat EDEO er een praktijk op nahield die erin bestond om een negatief en onjuist beeld van rekwirant en zijn administratieve loopbaan te schetsen en al zijn handelingen in diskrediet te brengen. Volgens hem had het Gerecht deze elementen van het dossier voldoende moeten achten om een administratief onderzoek in te stellen.

58 In de tweede plaats verwijt rekwirant het Gerecht dat het in punt 62 van het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met de rol en de functie van F, die belast was met de administratie, met name de middelen, alsmede met de aanwervings‑ en selectieprocedures.

59 In de derde plaats betoogt rekwirant dat het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest de inhoud van zijn verzoekschrift met betrekking tot het argument dat F hem had gedwongen van werkplek te veranderen, onjuist heeft opgevat.

60 In de vierde plaats verwijt rekwirant het Gerecht in essentie dat het in punt 64 van het bestreden arrest de nota aan de vertegenwoordiger van rekwirant van 23 maart 2020 afzonderlijk heeft onderzocht en niet in de algemene context van de zaak.

61 EDEO is van mening dat het tweede onderdeel van het tweede middel kennelijk niet-ontvankelijk en hoe dan ook kennelijk ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

62 Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, moet worden vastgesteld dat rekwirant daarmee in werkelijkheid een nieuwe beoordeling van de feiten tracht te verkrijgen, zonder aan te tonen of zelfs maar te stellen dat deze feiten onjuist zijn weergegeven, wat volgens de in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak buiten de bevoegdheid van het Hof in het kader van een hogere voorziening valt.

63 Derhalve is het tweede onderdeel van het tweede middel niet ter zake dienend en moet het tweede middel dus in zijn geheel worden afgewezen.

Derde middel

64 Het derde middel bestaat uit drie onderdelen.

Eerste onderdeel van het derde middel

– Argumenten van partijen

65 Met het eerste onderdeel van zijn derde middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het het eerste onderdeel van het eerste middel van zijn beroep, waarmee hij aanvoert dat er ten aanzien van hem geen voorlopige beschermingsmaatregelen zijn genomen, heeft afgewezen. Zo voert rekwirant in essentie aan dat het Gerecht, ten eerste, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat EDEO zijn zorgplicht jegens hem niet had geschonden en, ten tweede, afbreuk heeft gedaan aan de eenheid van de rechtspraak inzake het vermoeden van onschuld. In dit verband voert rekwirant aan dat het Gerecht in de punten 37 en 69 tot en met 72 van het bestreden arrest de strekking van zijn klacht, die niet uitsluitend betrekking had op D en F, heeft beperkt.

66 Meer in het bijzonder voert rekwirant aan dat het Gerecht, door te oordelen dat EDEO terecht geen voorlopige maatregelen ten aanzien van rekwirant had genomen, heeft vooruitgelopen op de resultaten en de gevolgen van het onderzoek voor de betrokkenen. Hij wijst erop dat de overweging dat het opleggen van een voorlopige maatregel in strijd zou zijn geweest met het vermoeden van onschuld ten aanzien van deze personen, afbreuk doet aan het eigenlijke doel van de regel, namelijk het toestaan van voorlopige maatregelen, zelfs wanneer deze worden opgelegd aan de klager of de persoon tegen wie een onderzoek loopt, juist om niet vooruit te lopen op de uitkomst van dat onderzoek en om te voorkomen dat de nuttige sturende functie ervan wordt aangetast. Volgens rekwirant is de rechtspraak echter unaniem dat een dergelijke maatregel op zich niet in strijd is met het vermoeden van onschuld en evenmin een sanctie vormt.

67 Volgens EDEO is het eerste onderdeel van het derde middel ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

68 Voor zover rekwirant het Gerecht verwijt dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat EDEO zijn zorgplicht niet had geschonden, moet worden opgemerkt dat de zorgplicht volgens vaste rechtspraak een begrip is dat het in het Statuut vastgelegde evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen de administratie en de personeelsleden van de openbare dienst weerspiegelt, met dien verstande dat dit evenwicht met name inhoudt dat de betrokken administratie bij haar beslissing over de situatie van een personeelslid alle elementen in aanmerking moet nemen die haar besluit kunnen beïnvloeden, en dat zij daarbij niet alleen rekening houdt met het belang van de dienst, maar ook met dat van de betrokken ambtenaar (arresten van 12 november 2020, Fleig/EDEO, C‑446/19 P, EU:C:2020:918, punt 67, en 15 april 2021, FV/Raad,C‑875/19 P, EU:C:2021:283, punt 98).

69 Gelet op het vereiste om een dergelijk evenwicht te vinden, heeft het Gerecht in de punten 69 en 70 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat EDEO, bij gebreke van een begin van bewijs voor het bestaan van de feiten van psychisch geweld die door D en F zouden zijn gepleegd, niet verplicht was om een administratief onderzoek in te stellen naar deze personen, noch om voorlopige beschermingsmaatregelen in de vorm van informele beschermingsmaatregelen of financiële steun vast te stellen. Zoals in punt 27 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet de administratie immers slechts passende maatregelen nemen wanneer er sprake is van een begin van bewijs.

70 Wat voorts het argument van rekwirant betreft dat het Gerecht heeft vooruitgelopen op de resultaten en de gevolgen van het onderzoek voor de betrokken personen, moet worden gepreciseerd dat dit argument berust op een onjuiste lezing van punt 71 van het bestreden arrest. Meer in het bijzonder heeft het Gerecht in dat punt ten eerste vastgesteld dat het argument dat rekwirant ontleent aan besluit C(2006) 1624/3 van de Commissie van 26 april 2006 betreffende de bescherming van de waardigheid van de persoon en de strijd tegen psychisch geweld en seksuele intimidatie bij de Europese Commissie, niet ter zake dienend was, aangezien de daarin genoemde beschermingsmaatregelen geen invloed hadden op het besluit om al dan niet een administratief onderzoek in te stellen naar aanleiding van een verzoek om bijstand. Ten tweede heeft het Gerecht tevens gepreciseerd dat besluit C(2006) 1624/3 als zodanig niet afdoet aan de vereisten die in de rechtspraak zijn vastgesteld met betrekking tot de behandeling van een verzoek om bijstand, met name wat betreft het vereiste van een begin van bewijs en de eerbiediging van het vermoeden van onschuld van de daders van vermeend psychisch geweld.

71 Wat het verwijt van rekwirant betreft dat het Gerecht inbreuk heeft gemaakt op de eenheid van de rechtspraak inzake het vermoeden van onschuld, moet worden vastgesteld dat rekwirant niet verwijst naar enige rechtspraak die door het Gerecht zou zijn geschonden, en voorts dat uit de punten 70 en 71 van het bestreden arrest geenszins blijkt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat een voorlopige maatregel op zich het vermoeden van onschuld schendt of een sanctie vormt.

72 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard.

Tweede onderdeel van het derde middel

– Argumenten van partijen

73 Met het tweede onderdeel van zijn derde middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het het tweede onderdeel van het eerste middel van zijn beroep, ontleend aan de onrechtmatigheid van de tegen rekwirant geuite bedreigingen, heeft afgewezen.

74 In dit verband verduidelijkt rekwirant dat het Gerecht in punt 75 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat zijn argumenten betreffende de onrechtmatigheid van de door EDEO geuite bedreigingen niet ter zake dienend waren. Aangezien het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand is vastgesteld op grond van artikel 24 van het Statuut, betoogt rekwirant dat zijn verzoek om bijstand voldoende ernstig is geacht om een langdurig administratief onderzoek naar C en E te rechtvaardigen. In die omstandigheden is rekwirant van mening dat het dus bijzonder ongepast was hem eraan te herinneren dat hij aan een tuchtprocedure zou kunnen worden onderworpen omdat hij zijn loyaliteitsplicht kon schenden door vermeend werkgerelateerde informatie door te geven. Bovendien heeft het Gerecht het begrip „bedreiging” onjuist opgevat door in punt 76 van het bestreden arrest te oordelen dat de door rekwirant aangevoerde elementen in het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand geen bedreiging vormden.

75 Volgens EDEO is het tweede onderdeel van het derde middel ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

76 Wat het tweede onderdeel van het derde middel betreft, moet worden vastgesteld dat het onduidelijk is geformuleerd en geen coherente structuur heeft, zodat de inhoud ervan het onmogelijk maakt om de juridische argumentatie van rekwirant in het kader van dit tweede onderdeel te volgen.

77 Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsook uit artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of het betrokken middel (arresten van 15 april 2021, FV/Raad,C‑875/19 P, EU:C:2021:283, punt 26, en 25 januari 2022, Commissie/European Food e.a.,C‑638/19 P, EU:C:2022:50, punt 75).

78 Een middel voldoet met name niet aan die vereisten en moet niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer het betoog ervan niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn rechtmatigheidstoezicht uit te oefenen, in het bijzonder omdat uit de tekst van het verzoekschrift in hogere voorziening, die in zoverre onduidelijk en dubbelzinnig is geformuleerd, niet op voldoende samenhangende en begrijpelijke wijze blijkt welke de belangrijkste gegevens zijn waarop het middel steunt. Tevens heeft het Hof geoordeeld dat een hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard wanneer zij een coherente structuur mist, slechts algemene beweringen bevat en geen precieze aanwijzingen verstrekt over de punten van de bestreden beslissing waaruit mogelijkerwijs een onjuiste rechtsopvatting blijkt (arresten van 4 oktober 2018, Staelen/Ombudsman, C‑45/18 P, EU:C:2018:814, punt 15, en 15 april 2021, FV/Raad,C‑875/19 P, EU:C:2021:283, punt 27).

79 In het licht van de in de punten 77 en 78 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet het tweede onderdeel van het derde middel dus niet-ontvankelijk worden verklaard.

Derde onderdeel van het derde middel

– Argumenten van partijen

80 Met het derde onderdeel van zijn derde middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het het derde onderdeel van het eerste middel van zijn beroep, ontleend aan een gebrek aan onpartijdigheid en een belangenconflict van de auteur van het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand, heeft afgewezen. In dit verband betoogt rekwirant in essentie dat, aangezien zijn recht om te worden gehoord niet in acht is genomen tijdens de klachtprocedure, die overigens vier maanden na de indiening van zijn klacht is afgesloten, het verloop van die procedure het niet mogelijk heeft gemaakt om het definitieve verlies van zijn recht op een voorafgaande analyse van zijn verzoek om bijstand door een TABG op een passend tijdstip te regulariseren.

81 In die omstandigheden verwijt rekwirant het Gerecht dat het in de punten 85 tot en met 89 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat die klachtenprocedure de onregelmatigheid in verband met dat gebrek aan onpartijdigheid en dat belangenconflict had kunnen corrigeren. Voorts voegt rekwirant daaraan toe dat de secretaris-generaal van EDEO, handelend als TABG, nooit de tijd heeft genomen om hem te antwoorden, omdat hij zich niet verantwoordelijk achtte voor de behandeling van zijn klacht.

82 EDEO is met name van mening dat rekwirant in eerste aanleg niet heeft aangevoerd dat hem het recht om tijdig door het TABG te worden gehoord, is ontnomen. Het derde onderdeel van het derde middel is derhalve niet-ontvankelijk omdat het een nieuw middel betreft, dat voor het eerst in hogere voorziening is aangevoerd en hoe dan ook ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

83 Vastgesteld moet worden dat rekwirant voor het Gerecht niet heeft aangevoerd dat zijn recht om te worden gehoord is geschonden. Een argument dat voor het eerst in hogere voorziening wordt aangevoerd, moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

84 Volgens artikel 170, lid 1, tweede volzin, van het Reglement voor de procesvoering mag het voorwerp van het geschil voor het Gerecht immers niet worden gewijzigd in hogere voorziening.

85 Bovendien blijkt uit vaste rechtspraak dat indien het een partij wordt toegestaan om middelen en argumenten die zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, haar in feite zou worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid inzake hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen en argumenten die voor de rechters in eerste aanleg zijn aangevoerd (zie arresten van 1 juni 1994,Commissie/Brazzelli Lualdi e.a.,C‑136/92 P, EU:C:1994:211, punt 59; 11 september 2019, HX/Raad,C‑540/18 P, EU:C:2019:707, punt 37, en 27 februari 2025, OA/Parlement,C‑32/24 P, EU:C:2025:118, punt 22).

86 Hieruit volgt dat het derde onderdeel van het derde middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

87 Bijgevolg moet het derde middel in zijn geheel worden afgewezen.

Vierde middel

Argumenten van partijen

88 Met zijn vierde middel verwijt rekwirant het Gerecht, dat het het derde en het vierde middel van zijn beroep, betreffende misbruik van bevoegdheid, heeft afgewezen. Hij betwist in essentie de beoordelingen van het Gerecht die zijn opgenomen in de punten 99 tot en met 103 van het bestreden arrest. Wat in het bijzonder het verbod betreft om zich tot de Belgische gerechtelijke autoriteiten te wenden of het verbod om de bijstand van een lid van het Parlement te vragen, welke verboden volgens hem voortvloeien uit het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bijstand, betoogt rekwirant in essentie dat deze verboden weliswaar niet uitdrukkelijk, maar in ieder geval stilzwijgend golden vanwege het ontbreken van stilzwijgende toestemming.

89 EDEO betwist de ontvankelijkheid van dit middel op grond dat het betoog ter ondersteuning ervan uiterst verwarrend is, zodat het niet te begrijpen valt wat het Gerecht wordt verweten.

Beoordeling door het Hof

90 Vastgesteld moet worden dat het betoog van rekwirant ter ondersteuning van zijn vierde middel niet voldoet aan de in de punten 77 en 78 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten. Dit middel is immers onduidelijk en dubbelzinnig geformuleerd en de inhoud ervan maakt het niet mogelijk de juridische redenering van rekwirant te volgen om het Hof in staat te stellen op die grondslag zijn rechtmatigheidstoezicht uit te oefenen. Bovendien heeft dit betoog grotendeels betrekking op de beoordeling van de feiten, waarbij moet worden opgemerkt dat deze beoordeling – tenzij die feiten onjuist zijn opgevat – niet kan vallen onder het toezicht dat het Hof in hogere voorziening dient uit te oefenen.

91 Bijgevolg dient het vierde middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

92 Aangezien geen van de vier door rekwirant aangevoerde middelen is aanvaard, dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.

Kosten

93 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.

94 Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van EDEO worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Jean-Marc Colombani wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken