HvJ EU 27 november 2025, C-137/24, ECLI:EU:C:2025:918

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

27 november 2025 ( *1 )

„Hogere voorziening – Openbare dienst – Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie – Precontentieuze procedure – Artikel 90 – Begrip ‚bezwarend besluit’ – Belasting ten bate van de Europese Unie – Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 – Artikel 3 – Belastingaftrek voor ten laste komende kinderen – Voorwaarden voor toekenning – Begrip ‚Ten laste komend kind’ – Bijlage VII bij het Statuut – Artikel 2 – Toelage voor ten laste komende kinderen”

In zaak C‑137/24 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 20 februari 2024,

Michael Heßler, wonende te Mannebach (Duitsland), vertegenwoordigd door I. Steuer-Lutz, Rechtsanwältin,

rekwirant,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. S. Bohr en M. Brauhoff als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele, A. Kumin (rapporteur) en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn hogere voorziening verzoekt Michael Heβler om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 20 december 2023, Heßler/Commissie (T‑369/22, EU:T:2023:855; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht zijn beroep heeft verworpen dat strekte tot, ten eerste, nietigverklaring van de besluiten van de Europese Commissie tot afwijzing van zijn aanvragen om belastingaftrek voor ten laste komende kinderen (hierna: „belastingaftrek”), ten tweede, veroordeling van de Commissie tot toekenning van die belastingaftrek met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2021 en zolang aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, en, ten derde, veroordeling van die instelling tot betaling van rente over de niet-betaalde bedragen.

Toepasselijke bepalingen

Statuut

2 Artikel 72, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, in de op het geding toepasselijke versie (hierna: „Statuut”), luidt als volgt: „Volgens een door de tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen van de Unie in onderlinge overeenstemming en na advies van het Comité voor het Statuut vastgestelde regeling zijn de kosten in geval van ziekte van de ambtenaar, zijn echtgenoot, wanneer deze niet onder toepassing van enig andere wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling prestaties van dezelfde aard of dezelfde hoogte kan verkrijgen, zijn kinderen en andere personen die in de zin van artikel 2 van bijlage VII te zijnen laste komen, tot ten hoogste 80 % gedekt. [...]”

3 Artikel 80, eerste alinea, van dat Statuut bepaalt: „Indien de ambtenaar of degene die recht op een ouderdoms‑ of invaliditeitsuitkering heeft, is overleden zonder een echtgenoot na te laten die recht heeft op overlevingspensioen, hebben de kinderen die op het ogenblik van het overlijden te zijnen laste zijn in de zin van artikel 2 van bijlage VII, recht op wezenpensioen [...].”

4 Artikel 90 van het Statuut bepaalt: „1. Iedere in dit Statuut bedoelde persoon kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag [(hierna: ‚TABG’)] een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen. Het [TABG] brengt zijn met redenen omklede besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van dit verzoek, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op het verzoek uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen een klacht in de zin van het volgende lid kan worden ingediend. 2. Iedere in dit Statuut bedoelde persoon kan bij het [TABG] een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het Statuut verplichte maatregel heeft genomen. De klacht moet binnen een termijn van drie maanden worden ingediend. [...] [...] Het [TABG] brengt zijn met redenen omklede besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van de klacht, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op de klacht uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen beroep in de zin van artikel 91 kan worden ingesteld.”

5 Artikel 91, lid 1, van dat Statuut bepaalt: „Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Unie en een van de in dit Statuut bedoelde personen, dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 90, lid 2. [...]”

6 Het Statuut bevat een bijlage VII die als opschrift „Nadere bepalingen betreffende bezoldiging en vergoeding van kosten” heeft en waarvan artikel 2 bepaalt: „1. De ambtenaar geniet onder de in de leden 2 en 3 vermelde voorwaarden voor ieder kind te zijnen laste een maandelijkse toelage [...]. 2. Als te zijnen laste komend kind wordt aangemerkt: een wettig, onwettig of geadopteerd kind van de ambtenaar of van diens echtgenoot, dat daadwerkelijk door hem wordt onderhouden. Dit geldt ook voor een kind waarvoor een adoptieaanvraag is ingediend en waarvoor de adoptieprocedure aanhangig is gemaakt. Een kind ten aanzien van wie de ambtenaar krachtens een rechterlijke beslissing op grond van de wetgeving inzake de bescherming van minderjarigen van een lidstaat een onderhoudsplicht heeft, wordt met een te zijnen laste komend kind gelijkgesteld. 3. De toelage wordt toegekend: a) ambtshalve, voor een kind dat de 18-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt; b) op een met redenen omkleed verzoek van de ambtenaar, voor een kind tussen de 18 en de 26 jaar, dat een school‑ of beroepsopleiding ontvangt. 4. In uitzonderlijke gevallen kan een persoon ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft welke hem zware lasten oplegt, bij bijzonder, met redenen omkleed besluit van het [TABG], genomen op grond van bewijsstukken, met een te zijnen laste komend kind worden gelijkgesteld. 5. De toelage wordt doorbetaald zonder inachtneming van enige leeftijdsgrens, indien het kind gebrekkig is of aan een ernstige ziekte lijdt waardoor het niet in zijn behoeften kan voorzien, en wel zolang die ziekte of dat gebrek duurt. 6. Voor een ten laste komend kind in de zin van dit artikel kan slechts één enkele kindertoelage worden genoten, ook indien de ouders tot twee verschillende instellingen van de Europese Unie behoren. 7. Wanneer het kind dat ten laste is in de zin van lid 2 en lid 3, op grond van wettelijke bepalingen dan wel een uitspraak van de rechter of van de bevoegde administratieve autoriteit aan een andere persoon is toevertrouwd, wordt de toelage aan deze persoon uitgekeerd voor rekening van en namens de ambtenaar.”

Verordening nr. 260/68

7 Artikel 3 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de [Unie] (PB 1968, L 56, blz. 8) bepaalt: „1. De belasting is maandelijks verschuldigd over de salarissen, lonen en emolumenten van welke aard ook, die door de [Unie] aan de belastingplichtige worden betaald. [...] 3. De hierna genoemde gezinsuitkeringen en -toelagen en uitkeringen en toelagen van sociale aard worden van de belastbare grondslag afgetrokken: a) gezinstoelage: [...] – de toelage voor ten laste komende kinderen, [...] [...] 4. Met inachtneming van het in artikel 5 bepaalde wordt van het volgens vorenstaande bepalingen berekende bedrag 10 % afgetrokken voor kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen. Bovendien wordt voor elk ten laste van de belastingplichtige komend kind, alsmede voor elke met een ten laste komend kind gelijkgestelde persoon in de zin van artikel 2, lid 4, van bijlage VII [bij het Statuut], een bedrag afgetrokken, gelijk aan tweemaal de kindertoelage. [...]”

Voorgeschiedenis van het geding

8 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 2 tot en met 11 van het bestreden arrest als volgt uiteengezet: „2 [Rekwirant] is ambtenaar bij de Commissie. Hij is vader van twee dochters, die in 1993 respectievelijk 1994 zijn geboren. 3 [Rekwirant] heeft voor elk van zijn dochters de toelage voor ten laste komende kinderen ontvangen totdat zij in 2019 respectievelijk 2020 de leeftijd van 26 jaar bereikten. 4 Naast de toelage voor ten laste komende kinderen genoot [rekwirant] voor elk van zijn twee dochters, die op dat tijdstip nog studeerden, tot en met 31 juli 2021 ook de belastingaftrek als bedoeld in artikel 3, lid 4, tweede alinea, van verordening [nr. 260/68]. 5 Op 28 juni 2021 heeft [rekwirant] het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO), om een verlenging van de toekenning van de belastingaftrek voor zijn oudste dochter te verkrijgen, een bewijs betreffende die dochter toegezonden waaruit blijkt dat zij studente is. 6 In een eerste e‑mail van 29 juni 2021 heeft een casemanager van de dienst ‚Rechten en plichten’ van het PMO [rekwirant] geïnformeerd dat ,op basis van het arrest [...] van 12 maart 2020[, XB/BCE (T‑484/18 [...] EU:T:2020:90) (hierna: ‚arrest XB/ECB’)], alle aanvragen om toekenning of verlenging van de belastingaftrek zonder dat de betrokkene krachtens artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut recht had op de toelage voor ten laste komende kinderen [werden] opgeschort”. In antwoord op een vraag die [rekwirant] naar aanleiding van die e‑mail had gesteld, heeft de casemanager vervolgens in een tweede e‑mail van dezelfde dag daaraan toegevoegd dat ,[d]e toekenning van de belastingaftrek [...] niet meer mogelijk [was] omdat deze op basis van het arrest [XB/ECB] nietig [was] verklaard’ (hierna samen: ‚e‑mails van 29 juni 2021’). Aan het einde van elk van deze e‑mails was onder de handtekening van de casemanager bovendien een opmerking opgenomen dat de betrokken e‑mail enkel ter informatie was verzonden en geen besluit van het ‚TABG/TAOBG’ vormde waartegen krachtens artikel 90 van het [Statuut] een klacht kon worden ingediend. 7 Op 15 juli 2021 heeft [rekwirant] een bericht ter betwisting van de in de e‑mails van 29 juni 2021 verstrekte informatie gestuurd aan het hoofd van de dienst ‚Rechten en plichten’ van het PMO en het PMO verzocht om hem de belastingaftrek voor zijn dochter toe te kennen. [Rekwirant] heeft op dit bericht nooit een uitdrukkelijk antwoord ontvangen. 8 Op 18 augustus 2021 heeft [rekwirant] het PMO verzocht om verlenging van de belastingaftrek voor zijn jongste dochter. 9 Per e‑mail van 27 augustus 2021 heeft de casemanager van de dienst ‚Rechten en plichten’ van het PMO [rekwirant] geantwoord dat zij tot hun spijt moesten ,meedelen dat op basis van punt 103 van het arrest [XB/ECB] geen aanvragen om toekenning of verlenging van de belastingaftrek meer [konden] worden ingewilligd als de betrokkene krachtens artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut geen recht [had] op de toelage voor ten laste komende kinderen, aangezien [de aftrek in dat geval] nietig [was] verklaard’ (hierna: ,e‑mail van 27 augustus 2021’). Net als de e‑mails van 29 juni 2021 bevatte ook deze e‑mail onder de handtekening van de casemanager de opmerking dat de betrokken e‑mail enkel ter informatie was verzonden en geen besluit van het ‚TABG/TAOBG’ vormde waartegen krachtens artikel 90 van het Statuut een klacht kon worden ingediend. 10 Op 24 november 2021 heeft [rekwirant] een klacht ingediend tegen de uit het ,uitblijven van een antwoord’ voortvloeiende weigering van het PMO om de gevraagde verlenging van de belastingaftrek voor zijn twee dochters toe te kennen (hierna: ‚klacht’). 11 Op 25 maart 2022 heeft de directeur van het directoraat Finance, Legal & Partnerships binnen het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid van de Commissie in zijn hoedanigheid van [TABG] de klacht van [rekwirant] afgewezen (hierna: ‚besluit tot afwijzing van de klacht’).”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

9 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 juni 2022, heeft rekwirant beroep ingesteld strekkende tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht, ten tweede, veroordeling van de Commissie tot toekenning van de belastingaftrek „met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2021 en zolang aan de voorwaarden daarvoor is voldaan”, en, ten derde, veroordeling van de Commissie tot betaling van rente over de niet-betaalde bedragen.

10 Wat de vordering tot nietigverklaring betreft, heeft het Gerecht in punt 24 van het bestreden arrest opgemerkt dat de klacht van rekwirant in casu betrekking had op het „uitblijven van een antwoord” van de Commissie op zijn aanvragen om toekenning of verlenging van de belastingaftrek. Bovendien gaf het besluit tot afwijzing van de klacht volgens het Gerecht niet nauwkeurig aan op welke datum de besluiten tot weigering van die aftrek waren vastgesteld en vermeldde het niet of die besluiten uitdrukkelijk in de e‑mails van 29 juni 2021 en de e‑mail van 27 augustus 2021 dan wel stilzwijgend waren vastgesteld. In die omstandigheden is het Gerecht, om het voorwerp van die vordering te bepalen, in de eerste plaats in de punten 25 tot en met 39 van dat arrest nagegaan tegen welk oorspronkelijk bezwarend besluit die vordering, voor zover zij betrekking had op het besluit tot afwijzing van de klacht, eventueel moest worden geacht te zijn gericht.

11 In dit verband heeft het Gerecht om te beginnen in punt 35 van dat arrest geoordeeld dat in de omstandigheden van het onderhavige geval de e‑mails van 29 juni 2021 en de e‑mail van 27 augustus 2021 niet konden worden beschouwd als definitieve besluiten van het TABG waarbij het had geweigerd om rekwirant de belastingaftrek toe te kennen. Volgens het Gerecht ging het hier dus niet om oorspronkelijke handelingen die bezwarend waren voor rekwirant.

12 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 37 van dat arrest opgemerkt dat, aangezien het TABG binnen een termijn van vier maanden geen antwoord had gegeven op de door rekwirant gedane aanvragen in zijn e‑mails van 28 juni en 18 augustus 2021, ervan moest worden uitgegaan dat op 28 oktober respectievelijk 18 december 2021 stilzwijgende besluiten tot afwijzing van die aanvragen waren vastgesteld (hierna: „stilzwijgende afwijzende besluiten”). In punt 39 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dan ook geoordeeld dat de stilzwijgende afwijzende besluiten de oorspronkelijke voor rekwirant bezwarende handelingen waren.

13 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 40 van dat arrest vastgesteld dat het besluit tot afwijzing van de klacht slechts de stilzwijgende afwijzende besluiten bevestigde en geen enkel heronderzoek van rekwirants situatie op basis van nieuwe juridische gegevens of feiten bevatte.

14 Het Gerecht heeft hieruit in punt 41 van dat arrest geconcludeerd dat in die omstandigheden het verzoek tot nietigverklaring, ook al is het formeel alleen gericht tegen het besluit tot afwijzing van de klacht, tot gevolg had dat het zich moest buigen over de stilzwijgende afwijzende besluiten, waarvan de rechtmatigheid moest worden onderzocht met inachtneming van de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht.

15 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 42 tot en met 45 van dat arrest uitspraak gedaan over de vraag of de termijnen van de precontentieuze procedure in casu in acht zijn genomen.

16 In dit verband heeft het erop gewezen dat de termijn van drie maanden om een klacht in te dienen tegen het eerste stilzwijgende afwijzende besluit, dat op 28 oktober 2021 was genomen, overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut was verstreken op 28 januari 2022. Aangezien rekwirant op 24 november 2021 zijn klacht tegen de „afwijzende besluiten” van de Commissie had ingediend, was de in die bepaling gestelde klachttermijn in acht genomen waar het ging om dat eerste besluit.

17 Volgens het Gerecht had rekwirant daarentegen vóór de datum waarop het tweede stilzwijgende afwijzende besluit was genomen, te weten 18 december 2021, een klacht ingediend tegen dat besluit. Bovendien heeft het vastgesteld dat rekwirant na die datum geen klacht had ingediend tegen dat stilzwijgende besluit, waarop het TABG zou hebben gereageerd in het besluit tot afwijzing van de klacht. Bijgevolg heeft het Gerecht geoordeeld dat de precontentieuze procedure niet correct was verlopen waar het ging om dat stilzwijgende besluit.

18 Het Gerecht heeft hieruit in punt 45 van het bestreden arrest geconcludeerd dat het verzoek tot nietigverklaring niet-ontvankelijk moest worden verklaard voor zover het in wezen betrekking had op het stilzwijgende afwijzende besluit van 18 december 2021.

19 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 46 tot en met 96 van dat arrest onderzocht of de twee door rekwirant aangevoerde middelen gegrond waren. Die middelen waren ontleend aan, ten eerste, de niet-nakoming van de motiveringsplicht en het ontbreken van een uitdrukkelijk besluit waarbij hij in kennis werd gesteld van zijn recht om een klacht in te dienen, en, ten tweede, schending van zijn recht op bezoldiging als bedoeld in artikel 62 van het Statuut. Het Gerecht heeft deze twee middelen deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

20 In de laatste plaats heeft het Gerecht in de punten 97 tot en met 105 van dat arrest de tweede en de derde vordering afgewezen, die er in wezen toe strekten de Commissie te veroordelen tot toekenning van de belastingaftrek aan rekwirant en tot betaling van rente over de niet-betaalde bedragen.

21 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep dus in zijn geheel verworpen.

Conclusies van partijen

22 Rekwirant verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, – het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – de Commissie te gelasten om de in artikel 3, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 260/68 neergelegde belastingaftrek, zoals die is vastgelegd in conclusie nr. 222/04 [SEC (2004)411] van de diensthoofden van 7 april 2004 (hierna: „conclusie nr. 222/04 van de diensthoofden”), met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2021 te betalen zolang aan de voorwaarden daarvoor is voldaan; – de verschuldigde bedragen te vermeerderen met rente overeenkomstig het Financieel Reglement in de versie die van toepassing was op de datum van de door rekwirant ingediende aanvragen om belastingaftrek, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.

23 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirant te verwijzen in alle kosten.

Hogere voorziening

24 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan, ontleend aan, ten eerste, schending van het begrip „bezwarend besluit” in de zin van artikel 90 van het Statuut, ten tweede, schending van de motiveringsplicht en van zijn recht om te worden gehoord, zoals gewaarborgd door artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), en, ten derde, schending van artikel 3 van verordening nr. 260/68, gelezen in samenhang met artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut, alsmede niet-inachtneming van het bindend karakter van interne handelingen van de Commissie.

Eerste middel

Argumenten van partijen

25 Met zijn eerste middel betoogt rekwirant dat het Gerecht in de punten 44 en 45 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek tot nietigverklaring niet-ontvankelijk was voor zover het betrekking had op zijn jongste dochter. Hij is van mening dat de uitdrukkelijke weigering van het PMO in de e‑mail van 27 augustus 2021 om alle aanvragen om toepassing van de belastingaftrek in vergelijkbare situaties als de zijne in te willigen, een voor hem bezwarend besluit vormt. Na die e‑mail waarin hem deze aftrek, die hij tot dan toe voor het onderhoud van zijn twee kinderen had genoten, de facto werd geweigerd, had rekwirant dus geen enkele reden om te verwachten dat er nog een stilzwijgende weigering van het TABG zou volgen. Bovendien is hij van mening dat die e‑mail aldus moest worden begrepen dat ook hij geen positief besluit van het TABG op zijn aanvraag om toekenning van die aftrek zou krijgen.

26 Rekwirant stelt derhalve dat hij het verstrijken van de in artikel 90, lid 1, van het Statuut gestelde termijn van vier maanden, waarna het uitblijven van een antwoord van de betrokken diensten geldt als stilzwijgend afwijzend besluit, niet hoefde af te wachten. De ontvangst van de e‑mail van 27 augustus 2021 heeft namelijk de in artikel 90, lid 2, van het Statuut genoemde termijn van drie maanden voor het indienen van een klacht doen ingaan. Bijgevolg heeft hij bij de indiening van zijn klacht op 24 november 2021 de termijnen van de precontentieuze procedure in acht genomen.

27 Volgens de Commissie betwist rekwirant de punten 33, 37 en 39 van het bestreden arrest, die betrekking hebben op de vraag welke handeling in casu de bezwarende handeling is, niet. Aangezien het antwoord op die vraag een essentiële voorwaarde vormt voor de vraag of de precontentieuze procedure correct is verlopen, moet het eerste middel als niet ter zake dienend worden afgewezen. De Commissie is hoe dan ook van mening dat rekwirants betoog ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

28 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat rekwirant met zijn eerste middel weliswaar opkomt tegen de punten 44 en 45 van het bestreden arrest waarin zijn verzoek tot nietigverklaring van het besluit om de belastingaftrek die hem voor zijn jongste dochter was toegekend niet te verlengen niet-ontvankelijk is verklaard, maar dat deze niet-ontvankelijkverklaring was gebaseerd op de in de punten 33 tot en met 39 van dat arrest opgenomen bevindingen van het Gerecht dat de e‑mail van 27 augustus 2021 geen besluit van het TABG was waarbij rekwirant de belastingaftrek werd geweigerd en dat het oorspronkelijke voor hem bezwarende besluit derhalve een stilzwijgend afwijzend besluit van 18 december 2021 was. Uit de argumenten die rekwirant ter ondersteuning van het eerste middel heeft aangevoerd en die in de punten 25 en 26 van het onderhavige arrest zijn samengevat, blijkt ondubbelzinnig dat hij uitsluitend opkomt tegen die bevindingen van het Gerecht met betrekking tot de vraag welke handeling de oorspronkelijke bezwarende handeling is, op welke bevindingen het Gerecht zijn niet-ontvankelijkverklaring heeft gebaseerd.

29 In die omstandigheden kan het eerste middel niet als niet ter zake dienend worden afgewezen. Derhalve moet de gegrondheid ervan worden onderzocht.

30 Volgens artikel 90, lid 2, van het Statuut kan iedere persoon op wie het Statuut van toepassing is bij het TABG een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht. In artikel 91, lid 1, van dat Statuut wordt aangegeven dat het Hof bevoegd is om uitspraak te doen in elk geschil tussen de Unie en een van die personen dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor die persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 90, lid 2. Deze bepalingen zijn volgens artikel 117 van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie van overeenkomstige toepassing op beroepen van andere personeelsleden (arrest van 12 december 2024, DD/FRA,C‑130/22 P, EU:C:2024:1018, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Zoals het Gerecht in punt 29 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, zijn volgens de rechtspraak van het Hof alleen handelingen of maatregelen die bindende rechtsgevolgen sorteren welke de belangen van de verzoeker rechtstreeks en onmiddellijk kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, bezwarende handelingen in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut (arrest van 12 december 2024, DD/FRA, C‑130/22 P, EU:C:2024:1018, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Ook heeft het Hof reeds geoordeeld dat het begrip „bezwarend besluit” in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut ruim moet worden uitgelegd en moet worden begrepen als elke handeling die een bepaalde juridische situatie rechtstreeks nadelig kan beïnvloeden (arrest van 12 december 2024, DD/FRA, C‑130/22 P, EU:C:2024:1018, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Zoals het Gerecht in punt 30 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, moet er, om vast te stellen of een handeling dergelijke rechtsgevolgen sorteert, worden gekeken naar de essentie van deze handeling en moeten de gevolgen ervan worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria, zoals de inhoud van die handeling, waarbij in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de context waarin deze is vastgesteld en met de bevoegdheden van de instelling die de handeling heeft vastgesteld (arrest van 12 december 2024, DD/FRA, C‑130/22 P, EU:C:2024:1018, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Of een handeling rechtstreeks gevolgen kan hebben voor de rechtspositie van een natuurlijke of rechtspersoon, kan dus niet uitsluitend worden beoordeeld op basis van het feit dat de handeling de vorm van een e‑mail heeft aangenomen, aangezien dit erop zou neerkomen dat de vorm van de handeling waartegen het beroep gericht is voorrang krijgt boven de inhoud van die handeling (arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie, C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Derhalve moet overeenkomstig de in punt 33 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak worden onderzocht of het Gerecht, gelet op de inhoud van de e‑mail van 27 augustus 2021, de context van die e‑mail en de bevoegdheden van de instelling waarvan deze afkomstig was, in de punten 33 en 35 van het bestreden arrest op goede gronden heeft kunnen oordelen dat die e‑mail niet kon worden aangemerkt als een „bezwarend besluit” in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut.

36 In dit verband zij eraan herinnerd dat rekwirant, zoals in punt 8 van het bestreden arrest is vermeld, bij de bevoegde dienst van het PMO op 18 augustus 2021 een aanvraag heeft ingediend om verlenging van de belastingaftrek voor zijn jongste dochter. In punt 9 van dat arrest staat dat de casemanager van de dienst „Rechten en plichten” van het PMO rekwirant bij e‑mail van 27 augustus 2021 heeft geantwoord dat zij tot hun spijt moesten „meedelen dat op basis van punt 103 van het arrest [XB/ECB] geen aanvragen om toekenning of verlenging van de belastingaftrek meer [konden] worden ingewilligd als de betrokkene krachtens artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut geen recht [had] op de toelage voor ten laste komende kinderen, aangezien [de aftrek in dat geval] nietig [was] verklaard”. Onder de handtekening van de casemanager stond in die e‑mail, net als in de e‑mails van 29 juni 2021, bovendien de opmerking dat de betrokken e‑mail enkel ter informatie was verzonden en geen besluit van het „TABG/TAOBG” vormde waartegen krachtens artikel 90 van het Statuut een klacht kon worden ingediend.

37 Hoewel de e‑mail van 27 augustus 2021 aanwijzingen bevat over de wil van de bevoegde dienst van het PMO om daaraan een puur informatief karakter toe te kennen, bevat deze e‑mail ook aanwijzingen die rekwirant kunnen doen geloven dat hij de belastingaftrek niet zou verkrijgen. Zoals blijkt uit het vorige punt, heeft de casemanager van de dienst „Rechten en plichten” van het PMO daarin immers in wezen aangegeven dat uit het arrest XB/ECB volgt dat aanvragen om toekenning of verlenging van de belastingaftrek niet meer kunnen worden ingewilligd als de betrokkene geen recht heeft op de toelage voor ten laste komende kinderen. Wat voorts de context betreft waarin die e‑mail aan rekwirant is gericht, moet worden benadrukt dat in deze e‑mail het standpunt werd herhaald dat in de e‑mails van 29 juni 2021 in antwoord op rekwirants aanvraag betreffende zijn recht op belastingaftrek voor zijn oudste dochter in dezelfde zin was uitgedrukt.

38 Doordat in de e‑mail van 27 augustus 2021 was aangegeven dat er „geen aanvragen” meer konden worden ingewilligd waarmee met name werd beoogd dat de belastingaftrek zou worden verlengd, omvatte de afwijzing van dergelijke aanvragen door het PMO dus noodzakelijkerwijs ook de afwijzing van rekwirants aanvraag. Deze e‑mail was derhalve niet puur informatief, maar bevatte voor rekwirant de aanwijzing dat hem op grond van punt 103 van het arrest XB/ECB geen verlenging van de belastingaftrek kon worden toegekend.

39 Zoals het Gerecht in punt 32 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, volgt bovendien uit de punten 100 tot en met 105 van het arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie (C‑366/21 P, EU:C:2022:984), dat een vermelding in e‑mails van het PMO, zoals de e‑mail van 27 augustus 2021, dat het door het PMO verstrekte antwoord puur informatief is en het niet gaat om een besluit van het „TABG/TAOBG” waartegen krachtens artikel 90 van het Statuut een klacht kan worden ingediend, er niet aan in de weg staat dat die e‑mails als „bezwarende besluiten” worden aangemerkt.

40 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat, aangezien het antwoord in de e‑mail van 27 augustus 2021 de belangen van rekwirant rechtstreeks en onmiddellijk kan aantasten doordat het zijn rechtspositie aanmerkelijk wijzigt wat de vaststelling van het bedrag van de over zijn maandelijkse bezoldiging verschuldigde belasting betreft, dit antwoord door het Gerecht had moeten worden aangemerkt als een „bezwarend besluit” in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut.

41 Hieruit volgt eveneens dat de termijn van drie maanden waarover rekwirant beschikte om overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in te dienen, is ingegaan op de dag van kennisgeving van het in de e‑mail van 27 augustus 2021 vervatte besluit waarbij het PMO heeft geweigerd om de belastingaftrek te verlengen waar rekwirant voor zijn jongste dochter om had verzocht. Door op 24 november 2021 zijn klacht in te dienen, heeft rekwirant dus de in artikel 90, lid 2, genoemde termijn van drie maanden in acht genomen.

42 Hieruit volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 33, 35, 37 en 39 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat de e‑mail van 27 augustus 2021 geen bezwarend besluit was en dat het stilzwijgende afwijzende besluit van 18 december 2021 het oorspronkelijke voor rekwirant bezwarende besluit was, waaruit het in punt 45 van dat arrest ten onrechte heeft afgeleid dat het verzoek tot nietigverklaring niet-ontvankelijk was voor zover het betrekking had op dat stilzwijgende besluit.

43 Het eerste middel moet dus worden toegewezen.

44 De in punt 42 van het onderhavige arrest genoemde onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht betreft het voorwerp en de ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring, die volgens het Gerecht door rekwirant is gericht tegen het stilzwijgende afwijzende besluit van 18 december 2021.

45 Het tweede en het derde middel van de hogere voorziening hebben echter betrekking op de inhoudelijke afwijzing van het door rekwirant bij het Gerecht ingestelde beroep voor zover dit beroep werd geacht te zijn gericht tegen het stilzwijgende afwijzende besluit van 28 oktober 2021. Deze middelen moeten dus worden onderzocht.

Tweede middel

46 Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen.

Eerste onderdeel van het tweede middel

– Argumenten van partijen

47 Met het eerste onderdeel van het tweede middel, dat is gericht tegen punt 50 van het bestreden arrest, betoogt rekwirant dat het Gerecht de krachtens artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest op de betrokken diensten rustende plicht om hun beslissingen met redenen te omkleden niet is nagekomen.

48 Volgens rekwirant volgt uit artikel 90 van het Statuut juncto artikel 41 van het Handvest dat de Commissie verplicht was om jegens hem een besluit te nemen. Hij betoogt dat het stilzitten van de betrokken diensten een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur vormt waarop hij zich kan beroepen.

49 Volgens de Commissie moet dit eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.

– Beoordeling door het Hof

50 Volgens vaste rechtspraak kunnen grieven tegen ten overvloede geformuleerde overwegingen van een arrest van het Gerecht in hogere voorziening niet tot vernietiging van dat arrest leiden en moeten zij dus als niet ter zake dienend worden afgewezen (arrest van 22 juni 2023, DI/ECB, C‑513/21 P, EU:C:2023:500, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 De betwiste overweging van het bestreden arrest, die is opgenomen in punt 50 van dat arrest, is ten overvloede geformuleerd. De argumenten van rekwirant dat de Commissie geen uitdrukkelijk afwijzend besluit heeft vastgesteld waarbij hij in kennis werd gesteld van zijn recht om een klacht in te dienen, zijn in punt 49 van het bestreden arrest namelijk als niet ter zake dienend afgewezen, waarna het Gerecht er ten overvloede, met name in punt 50, op heeft gewezen dat deze argumenten „hoe dan ook” ongegrond zijn.

52 Derhalve is het eerste onderdeel van het tweede middel niet ter zake dienend.

Tweede onderdeel van het tweede middel

– Argumenten van partijen

53 Met het tweede onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirant dat de Commissie zijn in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest neergelegde recht om te worden gehoord heeft geschonden, aangezien deze instelling zelfs in het stadium van de klachtprocedure volledig voorbij is gegaan aan het in punt 7 van het bestreden arrest vermelde bericht dat hij op 15 juli 2021 aan het hoofd van de dienst „Rechten en plichten” van het PMO had gezonden en waar hij geen antwoord op had gekregen.

54 Volgens de Commissie moet het tweede onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond worden verklaard.

– Beoordeling door het Hof

55 De argumenten van een hogere voorziening waarmee niet wordt opgekomen tegen het arrest dat het Gerecht naar aanleiding van een verzoek tot nietigverklaring van een besluit heeft gewezen, maar tegen het besluit waarvan nietigverklaring werd gevorderd voor het Gerecht, zijn niet ontvankelijk (arrest van 27 april 2023, PL/Commissie, C‑537/21 P, EU:C:2023:363, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 Met zijn betoog ter ondersteuning van het tweede onderdeel van het tweede middel komt rekwirant niet op tegen de motivering van het bestreden arrest, maar verwijt hij de Commissie onder verwijzing naar het in punt 7 van dat arrest vermelde bericht dat zij zijn in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest neergelegde recht om te worden gehoord heeft geschonden.

57 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel overeenkomstig de in punt 55 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

58 Het tweede middel moet dan ook ten dele niet ter zake dienend en ten dele niet-ontvankelijk worden verklaard.

Derde middel

59 Het derde middel bestaat uit vier onderdelen.

Eerste tot en met derde onderdeel van het derde middel

– Argumenten van partijen

60 Met het eerste tot en met het derde onderdeel van het derde middel, die samen moeten worden onderzocht, betoogt rekwirant in de eerste plaats dat het Gerecht, door in punt 93 van het bestreden arrest te oordelen dat de belastingaftrek van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 260/68 een aanvulling vormde op de toelage voor ten laste komende kinderen en dat alleen de daadwerkelijke betaling van deze toelage door de instellingen van de Unie recht op die aftrek kon doen ontstaan, artikel 3 onjuist heeft uitgelegd en voorbij is gegaan aan het werkelijke juridische karakter van die aftrek. Volgens rekwirant bestaat er geen verband tussen de toekenning van de belastingaftrek en het recht op de toelage voor ten laste komende kinderen.

61 Rekwirant betoogt dat uit de bewoordingen van artikel 3 van verordening nr. 260/68 en de historische context van dit artikel volgt dat de belastingaftrek niet boven op de toelage voor ten laste komende kinderen komt, maar een aanvulling is op de in artikel 3, lid 4, eerste alinea, van die verordening genoemde aftrek voor kosten van verwerving, zodat de toekenning van deze aftrek niet afhankelijk is van het recht op de toelage voor ten laste komende kinderen.

62 Volgens rekwirant vloeien de onjuiste bevindingen van het Gerecht met betrekking tot de uitlegging van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 260/68 met name voort uit het feit dat het Gerecht zijn rechtspraak toepast, in het bijzonder het in de punten 81 en 82 van het bestreden arrest genoemde arrest XB/ECB, terwijl die rechtspraak op haar beurt rechtens onjuist is.

63 In de tweede plaats is rekwirant van mening dat het Gerecht in de punten 74 en 93 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat aan alle criteria van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut moet zijn voldaan, met inbegrip van het in artikel 2, lid 3, neergelegde criterium betreffende de leeftijdsgrens van het betrokken kind, wil een kind als ten laste komend kunnen worden aangemerkt en recht geven op toekenning van de belastingaftrek.

64 In dit verband merkt rekwirant op dat uit het arrest van 14 december 1990, Brems/Raad (T‑75/89, EU:T:1990:88), aangehaald in dat punt 74, blijkt dat voor de definitie van het begrip „ten laste komend kind” uitsluitend moet worden gekeken naar artikel 2, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut. Die uitlegging vindt steun in conclusie nr. 222/04 van de diensthoofden, waarin alleen naar lid 2 wordt verwezen en niet naar andere bepalingen van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut.

65 Hieruit volgt volgens rekwirant ook dat het in punt 77 van het bestreden arrest geformuleerde oordeel van het Gerecht dat hij had moeten aanvoeren dat zijn dochters op grond van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut bij bijzonder besluit van het TABG met ten laste komende kinderen moesten worden gelijkgesteld, rechtens onjuist is. Dat oordeel verdraagt zich niet met de administratieve vereenvoudiging die met de vaststelling van conclusie nr. 222/04 van de diensthoofden wordt nagestreefd.

66 Bovendien voert rekwirant aan dat uit de praktijk die de Commissie gedurende ongeveer zestig jaar heeft gevolgd, blijkt dat het niet nodig was om een beroep te doen op artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, gelet op de voorwaarden die in die conclusie van de diensthoofden zijn vastgesteld. Daarnaast is het zo dat de Commissie zelf aan rekwirant heeft meegedeeld dat hij voor zijn beide kinderen geen recht meer had op de toelage voor ten laste komende kinderen, maar dat hij in aanmerking kon komen voor de belastingaftrek indien hij daar om verzocht. Het Gerecht had hem dus op grond van de regels van het gewoonterecht en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen die aftrek hoe dan ook moeten toekennen.

67 In de derde en laatste plaats is rekwirant van mening dat het Gerecht in punt 100 van het bestreden arrest voorbij is gegaan aan het werkelijke juridische karakter van een belastingaftrek. Rekwirant heeft dus niet gevraagd om „voortzetting van betaling van de belastingaftrek”, en ook niet om, anders dan in punt 100 is vermeld, „terugbetaling van de bedragen die volgens hem in mindering hadden moeten worden gebracht op de belastinggrondslag van zijn bezoldiging”.

68 In dit verband merkt rekwirant op dat een belastingaftrek geen betaling, maar een vermindering van het belastbaar inkomen inhoudt. Pas in een tweede fase wordt de belasting verminderd op basis van het toepasselijke belastingtarief. Rekwirant heeft derhalve om teruggaaf van belasting verzocht op basis van een nieuwe berekening van de te betalen belasting, na aftrek van de toepasselijke aftrekposten.

69 Voorts betoogt rekwirant dat hij, aangezien hij bijvoorbeeld na zijn overlijden geen bezoldiging meer ontvangt, dan evenmin belasting betaalt en dus evenmin recht heeft op belastingaftrek. Anders dan in de punten 72 en 73 van het bestreden arrest is aangegeven, bestaat er dan ook geen enkel risico dat rekwirants kinderen na zijn overlijden ten laste komen van de begroting van de Unie. De overwegingen van het Gerecht in de punten 72 en 73 zijn dus volstrekt irrelevant.

70 Ten slotte voert rekwirant aan dat hij geen toelage voor ten laste komende kinderen vordert, aangezien het vaststaat dat hij daar geen recht op heeft. Bovendien komt het onderhoud van zijn kinderen volledig ten laste van hem en niet ten laste van de begroting van de Unie. Het is echter ondenkbaar dat hij met zijn reeds belaste inkomsten in plaats van de overheid zou moeten opdraaien voor uitkeringen, zoals de huisvestingstoelage, de stookkostentoelage, bijstand of studiefinanciering, die normaal gesproken uit belastinginkomsten worden gefinancierd, zonder dat daar een belastingaftrek tegenover staat.

71 De Commissie is van mening dat het eerste tot en met het derde onderdeel van het derde middel ongegrond moeten worden verklaard.

– Beoordeling door het Hof

72 Er zij aan herinnerd dat overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 260/68 de belasting ten bate van de Unie maandelijks verschuldigd is over de salarissen, lonen en emolumenten van welke aard ook die door de Unie aan de belastingplichtige worden betaald.

73 In artikel 3, lid 3, van deze verordening worden de van de belastbare grondslag af te trekken gezinsuitkeringen en -toelagen en uitkeringen en toelagen van sociale aard opgesomd. Een van die uitkeringen en toelagen is de toelage voor ten laste komende kinderen. Zoals het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, volgt uit de bewoordingen van artikel 3, lid 3, dus dat bij de berekening van het bedrag aan belasting dat een ambtenaar, zoals rekwirant, over zijn maandelijkse bezoldiging moet betalen, met name deze toelage van de belastbare grondslag moet worden afgetrokken.

74 Bovendien wordt overeenkomstig artikel 3, lid 4, eerste alinea, van die verordening van het volgens vorenstaande bepalingen van artikel 3 berekende bedrag 10 % afgetrokken voor kosten van verwerving en persoonlijke verplichtingen.

75 Ten slotte bepaalt artikel 3, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 260/68 dat „voor elk ten laste van de belastingplichtige komend kind, alsmede voor elke met een ten laste komend kind gelijkgestelde persoon in de zin van artikel 2, lid 4, van bijlage VII [bij het Statuut], een bedrag wordt afgetrokken, gelijk aan tweemaal de kindertoelage”.

76 Uit de bewoordingen van artikel 3, lid 4, tweede alinea, blijkt dat de belastingplichtige, zoals het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest heeft aangegeven, om recht te hebben op de belastingaftrek waarin deze bepaling voorziet, een of meer kinderen te zijnen laste moet hebben of een of meer met een ten laste komend kind gelijkgestelde personen in de zin van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut.

77 Zoals de advocaat-generaal in punt 26 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, stelt artikel 3, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 260/68 daarentegen, anders dan het Gerecht in de punten 81 en 93 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, het recht op de belastingaftrek niet afhankelijk van de voorwaarde dat de toelage voor ten laste komende kinderen daadwerkelijk aan de betrokkene wordt uitgekeerd op grond van artikel 2, lid 3, van die bijlage.

78 Hoewel het recht op de belastingaftrek niet afhankelijk is van de daadwerkelijke uitkering van de toelage voor ten laste komende kinderen, kan echter niet worden gesteld, zoals rekwirant doet, dat er geen enkel verband bestaat tussen deze aftrek en die toelage.

79 Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat zowel de belastingaftrek als de toelage voor ten laste komende kinderen een sociaal doel dient en wordt gerechtvaardigd door uitgaven die voortvloeien uit een huidige en onbetwistbare behoefte die gerelateerd is aan het bestaan van een kind en het daadwerkelijke onderhoud van dit kind (zie arresten van 28 november 1991, Schwedler/Parlement, C‑132/90 P, EU:C:1991:452, punten 18 en 26; 7 mei 1992, Raad/Brems, C‑70/91 P, EU:C:1992:201, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 november 2023, MG/EIB, C‑173/22 P, EU:C:2023:932, punt 47).

80 Voorts zijn, zoals in punt 76 van het onderhavige arrest is opgemerkt, het recht op de belastingaftrek en dat op de toelage voor ten laste komende kinderen afhankelijk van het bestaan van een „ten laste komend kind” of een met een dergelijk kind gelijkgestelde persoon, zoals die begrippen zijn gedefinieerd in artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut.

81 Wat het begrip „ten laste komend kind” betreft, bepaalt artikel 2, lid 2, van deze bijlage dat „[a]ls te zijnen laste komend kind wordt aangemerkt: een wettig, onwettig of geadopteerd kind van de ambtenaar of van diens echtgenoot, dat daadwerkelijk door hem wordt onderhouden”.

82 Zoals het Gerecht in punt 71 van het bestreden arrest in wezen heeft opgemerkt, vermeldt deze bepaling weliswaar geen leeftijdsgrens bij het definiëren van het begrip „ten laste komend kind”, maar volgt uit een vergelijking van alle bepalingen van artikel 2 van die bijlage dat dit begrip niet slechts moet worden begrepen in de zin van artikel 2, lid 2, maar in bredere zin.

83 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 2, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut bepaalt dat „[d]e ambtenaar [...] onder de in de leden 2 en 3 vermelde voorwaarden voor ieder kind te zijnen laste een maandelijkse toelage [geniet]”. Uit deze bewoordingen volgt dat alleen personen die aan de in deze twee leden gestelde voorwaarden voldoen, voor de toepassing van artikel 2 als „ten laste komende kinderen” kunnen worden aangemerkt.

84 Deze uitlegging vindt steun in artikel 2, lid 6, van die bijlage, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar „een ten laste komend kind in de zin van dit artikel”, en artikel 2, lid 7, waarin wordt verwezen naar „het kind dat ten laste is in de zin van lid 2 en lid 3”.

85 Bovendien bepaalt artikel 2, lid 4, van bijlage VII dat „een persoon ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft welke hem zware lasten oplegt” in uitzonderlijke gevallen met een ten laste komend kind kan worden gelijkgesteld. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat deze bepaling juist ten doel heeft om te garanderen dat een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden van lid 3 van dat artikel doordat hij noch het minderjarige kind van de ambtenaar is, noch zijn meerderjarig kind dat een school‑ of beroepsopleiding volgt, met een ten laste komend kind kan worden gelijkgesteld wanneer de ambtenaar daadwerkelijk moet opkomen voor het onderhoud van deze persoon. In het bijzonder heeft het Hof erop gewezen dat het feit dat deze gelijkstelling uitzonderlijk is, niet betekent dat de kinderen van ambtenaren zonder meer van de werkingssfeer van artikel 2, lid 4, van die bijlage zijn uitgesloten (zie in die zin arrest van 7 mei 1992, Raad/Brems, C‑70/91 P, EU:C:1992:201, punten 7 en 10). De uit dat arrest voortvloeiende rechtspraak verzet zich er evenwel tegen dat elk door een ambtenaar onderhouden kind, ongeacht de in artikel 2, lid 3, van die bijlage gestelde voorwaarden, als een ten laste komend kind kan worden aangemerkt.

86 Voorts zij opgemerkt dat andere bepalingen van het Statuut, zoals artikel 72, dat ziet op de dekking van de ziektekosten, of artikel 80, dat ziet op het wezenpensioen, voor de definitie van het begrip „ten laste komend kind” verwijzen naar het gehele artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut, en niet alleen naar lid 2 van dat artikel. Om redenen die met name verband houden met de samenhang van de statutaire regeling, moet voor de definitie van dat begrip dus worden gekeken naar alle bepalingen van artikel 2.

87 Zo heeft het Hof dan ook in wezen reeds geoordeeld dat bij de uitlegging van het begrip „ten laste komend kind” rekening moet worden gehouden met artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut in zijn geheel bezien (arrest van 20 november 1980, Gerin/Commissie, 806/79, EU:C:1980:264, punt 15).

88 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 74, 75 en 93 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat bij de uitlegging van het begrip „ten laste komend kind” in de zin van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut rekening moest worden gehouden met de leeftijdsgrenzen van lid 3 van dat artikel.

89 Aangezien, zoals in punt 80 van het onderhavige arrest is opgemerkt, het recht op de belastingaftrek afhankelijk is van het bestaan van een „ten laste komend kind” in de zin van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut, moet worden geoordeeld dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 80 van het bestreden arrest te oordelen dat artikel 3, lid 4, van verordening nr. 260/68 alleen van toepassing was in gevallen waarin de betrokkene overeenkomstig artikel 2 van die bijlage bij het Statuut ook voldoet aan de voorwaarden voor het recht op de toelage voor ten laste komende kinderen.

90 De bovenstaande beoordeling vloeit reeds voort uit de bewoordingen van artikel 3, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 260/68 en artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut, zoals die worden uitgelegd door het Hof. Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de in de punten 64 en 65 van het onderhavige arrest genoemde argumenten die rekwirant ontleent aan rechtspraak van het Gerecht en aan conclusie nr. 222/04 van de diensthoofden, of door zijn in de punten 67 tot en met 70 van dit arrest vermelde argumenten die zijn gebaseerd op het vermeende juridische karakter van een belastingaftrek.

91 Met betrekking tot het in punt 66 van het onderhavige arrest vermelde argument van rekwirant dat het Gerecht hem op grond van de regels van het gewoonterecht en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen de belastingaftrek hoe dan ook had moeten toekennen, zij eraan herinnerd dat uit artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de middelen van de hogere voorziening gebaseerd moeten zijn op argumenten die aan de procedure voor het Gerecht zijn ontleend. Bovendien mag volgens artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in hogere voorziening het voorwerp van het geschil voor het Gerecht niet worden gewijzigd. De bevoegdheid van het Hof is in het kader van een hogere voorziening beperkt tot de beoordeling van de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen en argumenten die voor de rechter in eerste aanleg zijn behandeld (arrest van 19 september 2024, Coppo Gavazzi e.a./Parlement, C‑725/20 P, EU:C:2024:766, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92 Aangezien rekwirant het in het vorige punt van dit arrest genoemde argument niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, moet het niet-ontvankelijk worden verklaard.

93 Gelet op een en ander moeten het eerste tot en met het derde onderdeel van het derde middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Vierde onderdeel van het derde middel

– Argumenten van partijen

94 Met het vierde onderdeel van het derde middel stelt rekwirant dat het Gerecht in punt 94 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat conclusie nr. 222/04 van de diensthoofden, op grond waarvan hij recht had op de belastingaftrek, in casu niet van toepassing was.

95 Volgens rekwirant is interne richtlijn nr. 36‑2004 van de Commissie van 24 mei 2004 (hierna: „interne richtlijn”), waarbij conclusie nr. 222/04 van de diensthoofden is omgezet, geen op grond van het Statuut genomen intern besluit van algemene aard, maar een besluit dat op grond van artikel 10 van verordening nr. 260/68 is vastgesteld om ervoor te zorgen dat die verordening uniform wordt uitgelegd.

96 Voorts betoogt rekwirant dat de conclusie van de diensthoofden is aan te merken als een lex specialis, zodat de daarin opgenomen voorwaarden, waaronder de voorwaarde betreffende de leeftijdsgrens voor ten laste komende kinderen, van toepassing zijn.

97 Volgens de Commissie moet het vierde onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard.

– Beoordeling door het Hof

98 Zoals het Gerecht in punt 90 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, moet worden opgemerkt dat de interne richtlijn een omzetting is van conclusie nr. 222/04 van de diensthoofden. Volgens deze conclusie wordt de belastingaftrek van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 260/68 wanneer het gaat om ten laste komende kinderen die ouder zijn dan 26 jaar, slechts toegekend indien het kind vóór het bereiken van de leeftijd van 26 jaar aan een opleiding is begonnen op de voor deze opleiding normale leeftijd en die opleiding op reguliere wijze voortzet. In die conclusie staat ook dat de belastingaftrek in elk geval niet langer wordt toegekend vanaf de datum waarop het kind een inkomen geniet van meer dan 40 % van het salaris van een ambtenaar in rang 1, salaristrap 1, of wanneer het kind de leeftijd van 30 jaar bereikt.

99 Volgens de rechtspraak van het Hof moeten interne handelingen van een instelling van de Unie, zoals een interne richtlijn van de Commissie, worden geacht een gedragsregel te zijn die de betrokken diensten zichzelf opleggen en waarvan zij niet zonder vermelding van redenen kunnen afwijken (zie arrest van 1 december 1983, Blomefield/Commissie, 190/82, EU:C:1983:358, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100 Dergelijke interne handelingen kunnen echter in geen geval afwijken van bindende handelingen van hogere rang, zoals in casu de bepalingen van het Statuut of van verordening nr. 260/68 (zie in die zin arrest van 1 december 1983, Blomefield/Commissie, 190/82, EU:C:1983:358, punt 21).

101 Hieruit volgt dat het Gerecht in punt 92 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht dat een interne richtlijn van een instelling van de Unie een norm is die ondergeschikt is aan het Statuut en, meer in het algemeen, aan een verordening, alvorens te oordelen dat een dergelijke interne richtlijn niet rechtsgeldig regels kan vaststellen die afwijken van de bepalingen van het Statuut of van een verordening.

102 Uit de overwegingen betreffende het eerste tot en met het derde onderdeel van het derde middel volgt dat, onverminderd de gelijkstelling met ten laste komende kinderen die in uitzonderlijke gevallen plaats kan vinden op grond van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, de belastingaftrek van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 260/68 niet geldt voor de kinderen van een ambtenaar die ouder zijn dan 26 jaar, aangezien deze kinderen de in artikel 2, lid 3, van die bijlage bij het Statuut vastgestelde leeftijdsgrens overschrijden, boven welke grens een persoon niet langer als een „ten laste komend kind” in de zin van artikel 2 kan worden aangemerkt.

103 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 94 van het bestreden arrest te oordelen dat de interne richtlijn in casu niet kon worden toegepast, aangezien de toepassing van die richtlijn in strijd zou zijn geweest met artikel 3, lid 4, van verordening nr. 260/68, gelezen in samenhang met artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de in lid 4 van artikel 2 van die bijlage bij het Statuut genoemde gelijkstelling met ten laste komende kinderen die in uitzonderlijke gevallen plaats kan vinden, in de onderhavige zaak niet aan de orde is.

104 Wat het in punt 95 van het onderhavige arrest genoemde argument betreft, moet in navolging van de advocaat-generaal in punt 55 van haar conclusie worden opgemerkt dat uit het dossier waarover het Hof beschikt niet kan worden opgemaakt op welke rechtsgrondslag de Commissie de interne richtlijn heeft vastgesteld. Ongeacht op welke grondslag die instelling deze interne richtlijn heeft vastgesteld, is een dergelijke interne handeling overeenkomstig de in punt 100 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak echter hoe dan ook niet toepasselijk indien zij in strijd is met een door de Unie vastgestelde bindende handeling van hogere rang.

105 Gelet op een en ander moet het vierde onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard.

106 Derhalve moet het derde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.

107 Zoals blijkt uit punt 42 van het onderhavige arrest, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 45 van het bestreden arrest te oordelen dat het door rekwirant gedane verzoek tot nietigverklaring niet-ontvankelijk was voor zover het betrekking had op het stilzwijgende afwijzende besluit van 18 december 2021. Hieruit volgt dat het bestreden arrest in zoverre moet worden vernietigd. Aangezien het tweede en het derde middel van de hogere voorziening moeten worden afgewezen, moet de hogere voorziening voor het overige worden afgewezen.

Beroep bij het Gerecht

108 Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, ingeval het verzoek om hogere voorziening gegrond is en het de beslissing van het Gerecht vernietigt, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.

109 In casu blijft het beroep bij het Gerecht, gelet op de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest, slechts voortbestaan voor zover het strekt tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de door rekwirant op 18 augustus 2021 ingediende aanvraag om toekenning van de belastingaftrek.

110 Rekwirant heeft voor het Gerecht twee middelen aangevoerd.

111 Het eerste middel is ontleend aan het ontbreken van een uitdrukkelijk besluit waarbij hij in kennis werd gesteld van zijn recht om een klacht in te dienen, en aan een motiveringsgebrek. Volgens rekwirant hadden de in de e‑mails van 29 juni 2021 en de e‑mail van 27 augustus 2021 vervatte „besluiten” vergezeld moeten gaan van informatie over zijn recht om een klacht in te dienen en met redenen moeten worden omkleed. Het tweede middel is ontleend aan schending door de Commissie van het recht om zijn bezoldiging te ontvangen. Aangezien over deze twee middelen een debat op tegenspraak is gevoerd voor het Gerecht, moet het beroep worden geacht in staat van wijzen te zijn.

Tweede middel van het beroep voor het Gerecht

112 Wat het tweede middel betreft, dat als eerste moet worden onderzocht, volgt uit de beoordeling van het derde middel van de hogere voorziening in de punten 72 tot en met 93 en 98 tot en met 107 van het onderhavige arrest dat de Commissie terecht heeft geweigerd om de belastingaftrek toe te kennen.

113 Uit die beoordeling volgt namelijk dat, onverminderd de gelijkstelling met ten laste komende kinderen die in uitzonderlijke gevallen plaats kan vinden op grond van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, de belastingaftrek van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 260/68 niet geldt voor kinderen van een ambtenaar die ouder zijn dan 26 jaar, aangezien deze kinderen de in artikel 2, lid 3, van die bijlage bij het Statuut vastgestelde leeftijdsgrens overschrijden, boven welke grens een persoon niet langer als een „ten laste komend kind” in de zin van artikel 2 kan worden aangemerkt.

114 Bovendien volgt uit die beoordeling dat de interne richtlijn, die een omzetting is van conclusie nr. 222/04 van de diensthoofden en voorziet in de mogelijkheid om een belastingaftrek toe te kennen voor kinderen die mogelijkerwijs niet voldoen aan de criteria van het Statuut om te worden aangemerkt als kinderen die ten laste komen en dus een recht doen ontstaan op de toelage voor ten laste komende kinderen, niet kan worden toegepast wat rekwirant betreft, aangezien de toepassing van die richtlijn in strijd zou zijn met artikel 3, lid 4, van verordening nr. 260/68, gelezen in samenhang met artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de in lid 4 van artikel 2 van die bijlage bij het Statuut genoemde gelijkstelling met ten laste komende kinderen die in uitzonderlijke gevallen plaats kan vinden, in de onderhavige zaak niet aan de orde is.

115 Derhalve is het tweede middel van het beroep ongegrond.

Eerste middel van het beroep voor het Gerecht

116 Wat het eerste middel betreft, dat als tweede moet worden onderzocht, volgt uit de punten 30 tot en met 42 van het onderhavige arrest dat de e‑mail van 27 augustus 2021 moet worden aangemerkt als een „bezwarend besluit” in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut en dus als een „besluit” waartegen rekwirant overeenkomstig die bepaling binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving ervan een klacht kon indienen.

117 Zoals rekwirant betoogt, had de Commissie de e‑mail van 27 augustus 2021 inderdaad als „besluit” moeten kwalificeren en had zij hem moeten informeren over zijn recht om een klacht in te dienen, maar dat neemt niet weg dat rekwirant in de omstandigheden van het onderhavige geval op 24 november 2021 een klacht heeft kunnen indienen tegen onder meer dat besluit en hij de weigering van het PMO om hem voor zijn twee dochters de belastingaftrek toe te kennen heeft kunnen betwisten. Aan rekwirant is dus in ieder geval niet het recht ontzegd om tegen de voor hem bezwarende besluiten van de betrokken diensten een klacht in te dienen.

118 Wat het argument betreft dat het PMO het besluit om de belastingaftrek niet toe te kennen niet voldoende heeft onderbouwd, moet eraan worden herinnerd dat de door artikel 296 VWEU – en tevens door artikel 25, tweede alinea, van het Statuut – vereiste motivering van handelingen van de instellingen van de Europese Unie moet zijn aangepast aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet vereist dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

119 In casu is in de e‑mail van 27 augustus 2021 ondubbelzinnig uiteengezet waarom rekwirant geen recht had op de belastingaftrek. Het PMO heeft zich in dit verband gebaseerd op het arrest XB/ECB en heeft erop gewezen dat volgens dat arrest de belastingaftrek niet meer kon worden toegekend of verlengd als de betrokkene krachtens artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut geen recht had op de toelage voor ten laste komende kinderen. Verder is het ook zo dat de Commissie in het besluit tot afwijzing van de klacht gedetailleerd heeft uiteengezet waarom de door rekwirant gevraagde belastingaftrek niet is toegekend.

120 Rekwirant heeft dus kennis kunnen nemen van de redenen waarom de belastingaftrek niet is toegekend.

121 Bijgevolg moet het eerste middel van het beroep worden afgewezen.

122 Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen tegen het besluit tot afwijzing van de op 18 augustus 2021 gedane aanvraag om toekenning van de belastingaftrek moeten worden afgewezen.

Kosten

123 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer het Hof, bij gegrondheid ervan, de zaak zelf afdoet.

124 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, van het Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

125 Volgens artikel 138, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement eveneens van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt het Hof, indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten. Verder volgt uit artikel 138, lid 3, van het Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dat elke partij haar eigen kosten draagt indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.

126 Aangezien rekwirant en de Commissie elk hebben gevorderd dat de andere partij in de kosten wordt verwezen en zij elk in het ongelijk zijn gesteld wat een of meer van hun middelen betreft, dienen zij elk te worden verwezen in hun eigen kosten.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:

1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 20 december 2023, Heßler/Commissie (T‑369/22, EU:T:2023:855), wordt vernietigd voor zover daarbij het door Michael Heßler ingestelde verzoek tot nietigverklaring van het op 18 december 2021 genomen stilzwijgende besluit tot afwijzing van zijn aanvraag om verlenging van een belastingaftrek voor ten laste komende kinderen niet-ontvankelijk is verklaard.

2) De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.

3) De bij het Gerecht ingestelde vorderingen tegen het besluit tot afwijzing van de door Heßler op 18 augustus 2021 gedane aanvraag om toekenning van de belastingaftrek voor ten laste komende kinderen, worden afgewezen.

4) Heßler en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken