Art. 5
1. Deze richtlijn en de in artikel 1 genoemde richtlijnen zijn van toepassing op het grondgebied van de Gemeenschap.
2. Deze richtlijn en de in artikel 1 genoemde richtlijnen zijn niet van toepassing op de volgende gebieden die deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap:
a) de Canarische Eilanden;
b) de Franse overzeese departementen;
c) de Ålandseilanden;
d) de Kanaaleilanden.
3. Deze richtlijn en de in artikel 1 genoemde richtlijnen zijn niet van toepassing op de onder artikel 299, lid 4, van het Verdrag vallende grondgebieden noch op de volgende andere gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap:
a) het eiland Helgoland;
b) het gebied Büsingen;
c) Ceuta;
d) Melilla;
e) Livigno;
f) Campione d'Italia;
g) de Italiaanse wateren van het meer van Lugano.
4. Spanje kan er door een verklaring kennis van geven dat deze richtlijn en de in artikel 1 genoemde richtlijnen vanaf de eerste dag van de tweede maand volgende op de neerlegging van een dergelijke verklaring van toepassing zijn op de Canarische Eilanden — onder voorbehoud van maatregelen inzake aanpassing aan de ultraperifere ligging van deze gebieden — ter zake van alle of sommige van de in artikel 1 genoemde accijnsgoederen.
5. Frankrijk kan er door een verklaring kennis van geven dat deze richtlijn en de in artikel 1 genoemde richtlijnen vanaf de eerste dag van de tweede maand volgende op de neerlegging van een dergelijke verklaring van toepassing zijn op de Franse overzeese departementen — onder voorbehoud van maatregelen inzake aanpassing aan de ultraperifere ligging van deze gebieden — ter zake van alle of sommige van de in artikel 1 genoemde accijnsgoederen.
6. De bepalingen van deze richtlijn vormen geen beletsel om in Griekenland het aan de berg Athos verleende bijzondere statuut, zoals gewaarborgd bij artikel 105 van de Griekse grondwet, te handhaven.