HvJ EU 15 oktober 2002, C-238/99, ECLI:EU:C:2002:582

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Trefwoorden

1. Gerecht - Organisatie - Samenstelling van kamers - Afwezigheid of verhindering van rechter - Definitief of tijdelijk - Geen invloed

(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 15; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 10, lid 1, en 32, lid 1)

2. Procedure - Gezag van gewijsde - Arrest op hogere voorziening gewezen, waarbij Hof zaak zelf afdoet - Draagwijdte

[EG-Verdrag, art. 176 (thans artikel 233 EG); Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 54, eerste alinea]

3. Mededinging - Administratieve procedure - Beschikking van Commissie houdende vaststelling van inbreuk, welke is gegeven nadat eerste beschikking nietig is verklaard wegens procedurefout - Beginsel ne bis in idem - Schending - Geen

4. Beroep tot nietigverklaring - Arrest houdende nietigverklaring - Draagwijdte - Inaanmerkingneming van zowel rechtsoverwegingen als dictum van arrest - Vaststelling van nieuwe handeling op basis van geldige eerdere voorstukken - Toelaatbaarheid

5. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Rechten van verdediging - Werkingssfeer - Mededinging - Administratieve procedure - Draagwijdte van beginsel na nietigverklaring van eerste beschikking van Commissie - Horen van ondernemingen - Raadpleging van Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities - Raadadviseur-auditeur

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 10, lid 3, en 19, lid 1; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 1 en 4)

6. Beroep tot nietigverklaring - Arrest houdende nietigverklaring - Gevolgen - Nietigverklaring van beschikking van Commissie houdende vaststelling van inbreuk op mededingingsregels - Gevolgen ten aanzien van adressaten die geen beroep hebben ingesteld - Geen

[EG-Verdrag, art. 85 en 189 (thans art. 81 en 249 EG) en art. 173 (thans, na wijziging, art. 230 EG)]

7. Mededinging - Administratieve procedure - Verjaring van recht van vervolging - Schorsing - Beschikking van Commissie waartegen beroep bij Hof van Justitie is ingesteld - Draagwijdte

(Verordening nr. 2988/74 van de Raad, art. 2 en 3)

8. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Inachtneming van redelijke termijn - Werkingssfeer - Mededinging - Administratieve procedure - Gerechtelijke procedure - Beoordelingscriteria

(Verordening nr. 17 van de Raad)

9. Hogere voorziening - Middelen - Niet-nakoming van verplichting tot inachtneming van redelijke termijn in administratieve procedures op gebied van mededinging - Beoordeling behorend tot bevoegdheid van Gerecht - Beoordeling die in concreto moet worden verricht - Toezicht door Hof - Grenzen

(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea)

10. Mededinging - Administratieve procedure - Verificatiebevoegdheden van Commissie - Verificatie op schriftelijke opdracht - Vrijwillige medewerking van onderneming - Gevolgen voor mogelijkheid om onredelijk ingrijpen van openbaar gezag aan te voeren

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 14, lid 2)

11. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Rechten van verdediging - Eerbiediging in administratieve procedures - Mededinging - Tot onderneming gerichte beschikking houdende verzoek om inlichtingen - Schending van recht om niet mee te werken aan eigen veroordeling - Beoordeling die door Gerecht in concreto moet worden uitgevoerd - Toezicht door Hof - Grenzen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 11, leden 2 en 5)

12. Mededinging - Administratieve procedure - Verificatiebevoegdheden van Commissie - Gebruik van bij verificatie in kader van andere procedure verkregen inlichtingen - Grenzen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 14, leden 2 en 3, en art. 20, lid 1)

13. Mededinging - Administratieve procedure - Toegang tot dossier - Doel - Eerbiediging van rechten van verdediging - Schending - Gevolgen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 3 en 7-9)

14. Hogere voorziening - Middelen - Schending van rechten van verdediging door weigering van inzage van stukken aan onderneming in administratieve procedure houdende toepassing van mededingingsregels - Middel waarvoor feitelijke beoordeling noodzakelijk is, waartoe uitsluitend Gerecht bevoegd is en die niet aan toezicht van Hof is onderworpen, behoudens verkeerde voorstelling van feiten

(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)

15. Procedure - Maatregelen tot organisatie van procesgang - Mondelinge behandeling - Verzoek om gemeenschappelijke middelen gezamenlijk voor te dragen - Toelaatbaarheid

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 64, lid 2)

16. Procedure - Voordragen van nieuwe middelen in loop van geding - Middel gebaseerd op gegevens waarvan in loop van behandeling is gebleken - Gegevens waarvan is gebleken na maatregel tot organisatie van procesgang waarbij toegang tot dossier van Commissie werd verleend - Toelaatbaarheid

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 2, eerste alinea)

17. Procedure - Repliek - Vormvereisten - Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen - Verwijzing naar tijdens mondelinge behandeling gevoerd betoog in verband met middelen die in verzoekschrift zijn aangevoerd - Ontvankelijkheid

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c, en 48, lid 2)

18. Hogere voorziening - Middelen - Middel inhoudende dat Gerecht niet heeft geantwoord op middel - Wijze waarop middel moet worden voorgedragen

(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, eerste alinea, sub c)

19. Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Omvang - Beschikking houdende toepassing van mededingingsregels - Beschikking houdende oplegging van sancties, gegeven na nietigverklaring van eerdere beschikking met zelfde strekking

[EG-Verdrag, art. 85, lid 1, en 190 (thans art. 81, lid 1, EG en 253 EG) en art. 89 (thans, na wijziging, art. 85 EG)]

20. Mededinging - Geldboeten - Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd - Motiveringsplicht - Omvang - Vermelding van factoren op basis waarvan Commissie zwaarte en duur van inbreuk heeft beoordeeld

[EG-Verdrag, art. 190 (thans art. 253 EG); verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2, tweede alinea]

21. Mededinging - Mededingingsregelingen - Aantasting van mededinging - Beoordelingscriteria - Mededingingbeperkend doel - Toereikende vaststelling

[EG-Verdrag, art. 85, lid 1 (thans art. 81, lid 1, EG)]

22. Hogere voorziening - Bevoegdheid van Hof - Uit billijkheidsoverwegingen weer in geding brengen van beoordeling door Gerecht van bedrag van geldboeten opgelegd aan ondernemingen die mededingingsregels van Verdrag hebben overtreden - Daarvan uitgesloten - Weer in geding brengen van die beoordeling wegens schending van non-discriminatiebeginsel - Toelaatbaarheid

[EG-Verdrag, art. 85, lid 1 (thans art. 81, lid 1, EG)]

23. Beroep tot nietigverklaring - Bevoegdheid van gemeenschapsrechter - Geschillen inzake sancties opgelegd aan ondernemingen die mededingingsregels van Verdrag hebben overtreden - Volledige rechtsmacht - Arrest houdende nietigverklaring zonder uitoefening van die bevoegdheid - Gevolg

[EG-Verdrag, art. 172 (thans art. 229 EG); verordening nr. 17 van de Raad, art. 17]

Samenvatting

1. Voor de toepassing van de in artikel 15 van het Statuut van het Hof van Justitie, artikel 10, lid 1, en artikel 32, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geformuleerde regels voor de samenstelling van de kamers van het Gerecht, is niet relevant of de verhindering van een rechter blijvend of tijdelijk van aard is. Indien een tijdelijke afwezigheid of verhindering een wijziging van de samenstelling rechtvaardigt opdat de rechters oneven in getal blijven, geldt dit a fortiori in geval van blijvende verhindering, bijvoorbeeld als gevolg van het verstrijken van de ambtstermijn van een rechter.

( cf. punten 35-38 )

2. Wanneer het Hof krachtens artikel 54 van zijn Statuut de zaak zelf afdoet door een of meer van de door de verzoeker aangevoerde middelen te aanvaarden, beslecht het niet ipso iure alle door deze voorgedragen feitelijke en juridische punten.

Het gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing, die zelf de verplichtingen afbakent welke op grond van artikel 176 van het Verdrag (thans artikel 233 EG) rusten op de instelling waarvan een handeling nietig is verklaard, geldt enkel voor de punten, feitelijk en rechtens, die door de beslissing daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht.

( cf. punten 44, 47-48 )

3. Het beginsel ne bis in idem, een van de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht, dat voorts is bevestigd in artikel 4, lid 1, van protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, verbiedt op het gebied van de mededinging dat een onderneming opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd wegens een met de mededinging strijdige gedraging waarvoor zij is bestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beslissing, waartegen geen beroep meer openstaat.

Wil dit beginsel toepassing vinden, moet er dus uitspraak zijn gedaan over de vraag of de inbreuk inderdaad is gepleegd, dan wel de wettigheid van de beoordeling van die inbreuk zijn getoetst.

Het beginsel ne bis in idem verbiedt derhalve uitsluitend dat opnieuw ten gronde wordt beoordeeld of de inbreuk inderdaad is gepleegd, hetgeen hetzij tot oplegging van een tweede sanctie bovenop de eerste zou leiden wanneer de onderneming daarvoor opnieuw aansprakelijk zou worden gesteld, hetzij tot oplegging van een eerste sanctie wanneer de onderneming bij de eerste beslissing niet en bij de tweede wel aansprakelijk zou worden geacht.

Daarentegen staat het beginsel er op zich niet aan in de weg dat de vervolging ten aanzien van dezelfde met de mededinging strijdige gedraging wordt hervat wanneer een eerste beslissing op formele gronden nietig is verklaard zonder dat ten gronde uitspraak is gedaan over de ten laste gelegde feiten. De nietigverklaring staat dan niet gelijk aan vrijspraak" in de zin die daaraan in het strafrecht wordt gegeven. In een dergelijk geval komen de bij de nieuwe beschikking opgelegde sancties niet bovenop de sancties die bij de nietig verklaarde beschikking zijn opgelegd, maar komen zij daarvoor in de plaats.

( cf. punten 59-62 )

4. De nietigverklaring van een gemeenschapshandeling is niet noodzakelijkerwijs van invloed op de voorbereidende handelingen daarvan, aangezien de procedure ter vervanging van de nietig verklaarde handeling weer mag worden opgenomen op het precieze punt waarop de gewraakte onwettigheid is ontstaan.

( cf. punt 73 )

5. De eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke procedure die tot de oplegging van sancties, met name geldboeten of dwangsommen, kan leiden, is een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht, dat zelfs in een administratieve procedure in acht moet worden genomen.

Artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 en artikel 4 van verordening nr. 99/63, waarin dit beginsel wordt uitgewerkt, bepalen dat de Commissie in haar eindbeschikking slechts die punten van bezwaar in aanmerking mag nemen waaromtrent de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen in de gelegenheid zijn geweest hun standpunt kenbaar te maken.

De eerbiediging van de rechten van de verdediging eist derhalve dat elke belanghebbende onderneming of ondernemersvereniging de mogelijkheid krijgt te worden gehoord over de punten van bezwaar die de Commissie tegen ieder van hen in aanmerking wil nemen in haar eindbeschikking houdende vaststelling van de inbreuk op de mededingingsregels.

Wanneer de Commissie na de nietigverklaring van een beschikking waarbij ondernemingen worden beboet wegens schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG), wegens een procedurefout die enkel betrekking had op de wijze waarop deze beschikking door de leden van de Commissie definitief was vastgesteld, een nieuwe beschikking geeft met in wezen dezelfde inhoud gebaseerd op dezelfde bezwaren, is zij niet verplicht de betrokken ondernemingen opnieuw te horen en dus ook niet om het adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities opnieuw te raadplegen of nogmaals de raadadviseur-auditeur in te schakelen.

( cf. punten 85-87, 114, 118, 122, 126 )

6. Een beschikking op het gebied van de mededinging die is gegeven jegens meerdere ondernemingen, wordt weliswaar opgesteld en bekendgemaakt als één beschikking, maar moet worden gezien als een bundel individuele beschikkingen waarbij met betrekking tot elk van de adressaten de haar verweten inbreuk of inbreuken geconstateerd worden en eventueel een boete wordt opgelegd. Zij kan alleen nietig worden verklaard met betrekking tot adressaten die door de gemeenschapsrechter in het gelijk zijn gesteld, en blijft bindend ten opzichte van adressaten die geen beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld.

( cf. punten 99-100 )

7. Artikel 3 van verordening nr. 2988/74 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers- en het mededingingsrecht, beschermt de Commissie tegen de werking van de verjaring in situaties waarin zij de beslissing van de gemeenschapsrechter moet afwachten in procedures waarvan zij het verloop niet in de hand heeft, voordat zij weet of de bestreden handeling al dan niet onwettig is. Artikel 3 heeft dus betrekking op gevallen waarin het stilzitten van de instelling niet het gevolg is van een gebrek aan voortvarendheid.

Dergelijke gevallen doen zich zowel voor bij beroepen tegen de in artikel 2 van verordening nr. 2988/74 genoemde stuitingshandelingen die kunnen worden aangevochten, als bij beroepen tegen een beschikking waarbij een geldboete of sanctie wordt opgelegd.

Zowel de bewoordingen als het doel van artikel 3 dekken dus beroepen tegen de in artikel 2 bedoelde handelingen die voor beroep vatbaar zijn, en tegelijkertijd beroepen tegen de definitieve beschikking van de Commissie.

Een beroep tegen een definitieve beschikking waarbij sancties worden opgelegd, schorst dus de verjaring inzake vervolging totdat de communautaire rechter op dat beroep definitief heeft beslist.

( cf. punten 144-147 )

8. De eerbiediging van het algemene beginsel van de redelijke termijn geldt op mededingingsgebied zowel voor de administratieve procedures die zijn ingeleid op grond van verordening nr. 17 en die kunnen uitmonden in de sancties waarin die verordening voorziet, als voor het beroep in rechte tegen de beschikking van de Commissie. Om na te gaan of het beginsel is geëerbiedigd in het stadium van de administratieve procedure, mag worden onderscheiden tussen twee achtereenvolgende perioden. De eerste periode loopt vanaf de maatregelen van de Commissie die impliceren dat een inbreuk ten laste wordt gelegd, en die belangrijke consequenties hebben voor de situatie van de verdachte ondernemingen, en de tweede periode loopt van de mededeling van de punten van bezwaar tot aan de vaststelling van de definitieve beschikking.

De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde autoriteiten.

De lijst van deze criteria is echter niet uitputtend en de beoordeling van de redelijkheid van de termijn eist niet dat de zaak stelselmatig tegen het licht van al deze criteria wordt gehouden, wanneer de duur van de procedure volgens een van de criteria gerechtvaardigd lijkt. De functie van deze criteria is, te bepalen of de duur van de behandeling van een zaak al dan niet gerechtvaardigd is. Zo kan de complexiteit van de zaak of vertragingsgedrag van de verzoeker worden gezien als rechtvaardiging van een termijn die op het eerste gezicht te lang is. Omgekeerd kan een termijn ook onredelijk lang worden bevonden in het licht van één enkel criterium, in het bijzonder wanneer de duur het gevolg is van het gedrag van de bevoegde autoriteiten. Eventueel kan de duur van een fase van de procedure bij voorbaat als redelijk worden aangemerkt wanneer zij in overeenstemming lijkt met de gemiddelde behandelingsduur van een zaak van dat type.

( cf. punten 179, 181-183, 187-188, 207, 210 )

9. De redelijkheid van een termijn in een administratieve periode kan niet worden bepaald aan de hand van een in abstracto vastgesteld nauwkeurig maximum, maar moet per geval worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van de zaak.

Een eerste algemeen onderzoek moet uitwijzen of de in geding zijnde periode voor de betrokken procedure te lang lijkt. Zo ja, dan moet in concreto worden nagegaan of er vertragingen kunnen worden geconstateerd die niet kunnen worden gerechtvaardigd door de omstandigheden van de zaak.

Wat een administratieve procedure op het gebied van de mededinging betreft, is het Gerecht soeverein in zijn vaststelling en beoordeling van de relevante feiten, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van die feiten, en verbindt het vervolgens met inachtneming van het beginsel van de redelijke termijn de juridische consequenties daaraan, onder toezicht van het Hof.

( cf. punten 192-194 )

10. Uit artikel 14, lid 2, van verordening nr. 17 volgt dat, anders dan de bij wege van een beschikking ingevolge artikel 14, lid 3, van deze verordening gelaste verificaties, de op basis van een gewone schriftelijke opdracht verrichte verificaties op de vrijwillige medewerking van de ondernemingen berusten. Wanneer een onderneming heeft meegewerkt aan een op een gewone schriftelijke opdracht verrichte verificatie, is het bezwaar van een onredelijk ingrijpen van het openbaar gezag in de privé-werkzaamheden van de onderneming ongegrond indien het niet wordt onderbouwd met elementen waaruit kan blijken dat de Commissie verder is gegaan dan de door de onderneming aangeboden medewerking.

( cf. punten 252-254 )

11. Voor een schending van het recht om niet aan zijn eigen veroordeling mee te werken, is in de eerste plaats noodzakelijk dat op de vermeende inbreukmaker dwang is uitgeoefend om bepaalde informatie van hem los te krijgen, en in de tweede plaats dat er inderdaad sprake is van schending van dit recht.

Op verzoeken om inlichtingen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 17 is een onderneming niet verplicht te antwoorden.

Met betrekking tot beschikkingen waarbij om inlichtingen wordt verzocht conform artikel 11, lid 5, van verordening nr. 17, is voor de beoordeling of inbreuk is gemaakt op het recht om niet aan zijn eigen veroordeling mee te werken, een beoordeling van de feiten noodzakelijk, zowel wat de inhoud van de verzoeken betreft als die van de daarop gegeven antwoorden; deze beoordeling van de feiten levert, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de voorgelegde bewijsstukken, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof.

( cf. punten 275-285 )

12. Blijkens de artikelen 20, lid 1, en 14, leden 2 en 3, van verordening nr. 17 mogen inlichtingen die tijdens verificaties zijn ingewonnen, slechts worden gebruikt voor het doel dat is vermeld in de verificatieopdracht of de verificatiebeschikking.

Dit vereiste strekt er niet alleen toe, het in artikel 20 van verordening nr. 17 uitdrukkelijk genoemde zakengeheim veilig te stellen, maar ook de rechten van de verdediging van de ondernemingen te beschermen. Deze rechten behoren tot de grondbeginselen van gemeenschapsrecht en worden tegelijkertijd gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waarvan de uitlegging door het Europees Hof voor de rechten van de mens door de gemeenschapsrechter in zijn beoordeling moet worden betrokken.

Die rechten zouden ernstig worden aangetast indien de Commissie tegen ondernemingen bewijsmateriaal kon aanvoeren dat tijdens een verificatie is verkregen, maar dat geen verband houdt met het voorwerp en het doel van die verificatie.

Dit betekent echter niet dat het de Commissie verboden zou zijn, een onderzoeksprocedure in te leiden teneinde gegevens waarvan zij tijdens een eerdere verificatie toevallig kennis heeft gekregen, op hun juistheid te controleren of aan te vullen, zo die gegevens mochten wijzen op het bestaan van met de mededingingsregels van het Verdrag strijdige gedragingen.

De ondernemingen wordt immers niet de bescherming van artikel 20 van verordening nr. 17 onthouden wanneer de Commissie opnieuw een document opvraagt. Wat de verdediging van hun rechten betreft, verkeren zij dan in dezelfde situatie als wanneer de Commissie nog niet over dit document beschikte, aangezien het rechtstreekse gebruik als bewijsmiddel in een tweede procedure van een in een eerdere procedure verkregen document haar verboden is. Verder verleent het feit dat de Commissie documenten voor het eerst in een bepaalde zaak heeft verkregen, geen bescherming die zo absoluut is dat die documenten in een andere zaak niet wettig kunnen worden opgevraagd en als bewijs kunnen worden gebruikt.

( cf. punten 274, 298-301, 305-306 )

13. In mededingingszaken heeft de toegang tot het dossier met name tot doel, de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen kennis te nemen van het bewijsmateriaal in het dossier van de Commissie, zodat zij op grond daarvan hun standpunt over de conclusies van de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar behoorlijk kenbaar kunnen maken. Het recht van toegang tot het dossier van de Commissie beoogt dus een daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen, welke rechten tegelijkertijd behoren tot de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht en worden gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Schending van het recht van toegang tot het dossier van de Commissie in de procedure voorafgaand aan de vaststelling van de beschikking, kan in beginsel tot nietigverklaring van die beschikking leiden wanneer de rechten van de verdediging van de betrokken onderneming zijn geschonden.

Die schending wordt in een dergelijk geval niet reeds gedekt door het enkele feit dat de toegang tijdens de gerechtelijke procedure betreffende een eventueel beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking mogelijk is geworden. Wanneer de toegang in dit stadium wordt gegeven, behoeft de betrokken onderneming niet aan te tonen dat, indien zij toegang tot de niet-overgelegde documenten had gehad, de beschikking van de Commissie anders zou hebben geluid, doch enkel dat zij die stukken voor haar verweer had kunnen gebruiken.

( cf. punten 315-318 )

14. De beoordeling door het Gerecht van de vraag of stukken waartoe een onderneming die schending van de mededingingsregels van het Verdrag wordt verweten, tijdens de administratieve procedure geen toegang heeft gehad, door haar hadden kunnen worden gebruikt voor haar verdediging, is een feitelijke kwestie. Deze beoordeling levert dus, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de voorgelegde bewijsstukken, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof.

( cf. punten 330-331 )

15. Ingevolge artikel 64, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hebben de maatregelen tot organisatie van de procesgang onder meer tot doel, het goede verloop van de mondelinge behandeling te verzekeren.

Met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor en van de rechten van de verdediging, die eveneens gewaarborgd worden door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, kan het Gerecht partijen dus verzoeken de gemeenschappelijke middelen collectief voor te dragen, om herhaling van identieke uiteenzettingen te voorkomen, waarbij alle partijen de mogelijkheid behouden om daarnaast ook eigen argumenten naar voren te brengen.

( cf. punten 348-349 )

16. Luidens artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is het voordragen van nieuwe middelen in de loop van het geding verboden tenzij deze steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.

Deze bepaling sluit niet uit dat gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, kunnen worden ontdekt naar aanleiding van een maatregel tot organisatie van de procesgang waarbij, wanneer er meerdere verzoekers zijn, aan hen allen toegang is verleend tot het dossier van de Commissie, ook aan degenen die geen middel inzake schending van hun recht op toegang tot dit dossier hadden voorgedragen.

Voorts laat deze bepaling alle nieuwe middelen toe die op dergelijke gegevens berusten. In omstandigheden als bedoeld in het vorige punt, kan dus niet worden uitgesloten dat een verzoeker het middel van schending van zijn recht van toegang tot het dossier voordraagt als nieuw middel.

( cf. punten 369-371 )

17. Het is niet vereist dat een argumentatie die eerder tijdens een mondelinge behandeling naar voren is gebracht in verband met middelen die in het verzoekschrift staan, in extenso of althans summier wordt herhaald of ten minste wordt samengevat in een repliek, opdat het Gerecht deze argumentatie zou onderzoeken. Vanaf de mondelinge behandeling maakt deze argumentatie immers deel uit van de zaak en is zij ter kennis van de behandelende rechter gebracht. Zij moet dus door die rechter worden onderzocht, aangezien zij, mits zij relevant is en verband houdt met middelen die reeds zijn voorgedragen, geen nieuw middel is in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

( cf. punt 385 )

18. Wanneer een rekwirant in hogere voorziening stelt dat het Gerecht niet is ingegaan op een middel, kan hem voor de ontvankelijkheid van het middel van de hogere voorziening niet worden verweten dat hij geen passage of gedeelte van het bestreden arrest aanhaalt waarop zijn bezwaar precies betrekking heeft, aangezien juist wordt gesteld dat daarop niet is ingegaan. Om dezelfde reden kan hem niet worden tegengeworpen dat hij slechts het in eerste aanleg voorgedragen middel herhaalt of overneemt.

( cf. punt 423 )

19. Door uitsluitend het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te noemen heeft de Commissie voldoende motivering gegeven van haar keuze om, na de nietigverklaring van een eerdere beschikking wegens een procedurefout die enkel betrekking had op de wijze waarop deze beschikking door de leden van de Commissie definitief was vastgesteld, een nieuwe beschikking te geven waarin ondernemingen die inbreuk hadden gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) worden beboet. Bij de vervulling van de opdracht die de Commissie in artikel 89 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 85 EG) is verleend, beschikt zij immers over een discretionaire bevoegdheid tot het instellen van vervolging in het kader van het algemene beleid dat zij op het gebied van de mededinging voert.

( cf. punten 447-449 )

20. In het kader van de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) moet de draagwijdte van de verplichting tot motivering van de wijze van berekening van de opgelegde boete, een verplichting die op de Commissie rust krachtens artikel 190 van het Verdrag (thans artikel 253 EG), worden bepaald in het licht van artikel 15, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 17, volgens hetwelk niet alleen rekening [wordt] gehouden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk".

Aan de eisen van het wezenlijke vormvoorschrift van motivering wordt voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking de factoren aangeeft op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft beoordeeld.

Deze eisen betekenen niet dat de Commissie in haar beschikking de cijfermatige gegevens betreffende de berekening van de geldboeten moet vermelden, waarbij wordt aangetekend dat de Commissie hoe dan ook geen afstand kan doen van haar beoordelingsvrijheid door uitsluitend en mechanisch wiskundige formules toe te passen.

Met betrekking tot een beschikking waarbij aan verschillende ondernemingen geldboeten worden opgelegd, moet de omvang van de motiveringsplicht met name worden beoordeeld tegen de achtergrond van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden bepaald met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.

( cf. punten 462-465 )

21. Voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) volstaat dat een overeenkomst tot doel had de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verhinderen, te beperken of te vervalsen, ongeacht de concrete gevolgen ervan.

Dit betekent dat in geval van overeenkomsten waarvan blijkt tijdens bijeenkomsten van concurrerende ondernemingen, er sprake is van een inbreuk op deze bepaling wanneer die bijeenkomsten dat doel hebben en aldus een kunstmatige regulering van de werking van de markt beogen. De aansprakelijkheid van een bepaalde onderneming voor de inbreuk mag worden aangenomen wanneer zij aan die bijeenkomsten heeft deelgenomen terwijl het doel ervan haar bekend was, ook al heeft zij vervolgens een of meer van de aldaar overeengekomen maatregelen niet uitgevoerd.

De frequentie waarmee de onderneming aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen, en de al dan niet volledige uitvoering van de overeengekomen maatregelen zijn wel van invloed op de omvang van de aansprakelijkheid en dus op de hoogte van de boete, maar niet op de aansprakelijkheid zelf.

( cf. punten 508-510 )

22. Het is niet aan het Hof om, wanneer het zich in het kader van een hogere voorziening uitspreekt over rechtsvragen, uit billijkheidsoverwegingen zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van het Gerecht, dat zich in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht heeft uitgesproken over het bedrag van de geldboeten die aan ondernemingen wegens schending van het gemeenschapsrecht zijn opgelegd. De uitoefening van die rechtsmacht mag er echter niet toe leiden dat bij de bepaling van de hoogte van de opgelegde geldboeten wordt gediscrimineerd tussen ondernemingen die aan een met artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) strijdige overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging hebben deelgenomen.

( cf. punten 614, 617 )

23. Artikel 172 van het Verdrag (thans artikel 229 EG) en artikel 17 van verordening nr. 17, gelezen in samenhang met artikel 87, lid 2, sub d, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 83, lid 2, sub d, EG), die aan de gemeenschapsrechter volledige rechtsmacht verlenen met betrekking tot handelingen van de Commissie waarbij geldboeten worden opgelegd op het gebied van de mededinging, hebben enkel betrekking op de mate van toezicht door de gemeenschapsrechter op beschikkingen van de Commissie op mededingingsgebied. Naast de eenvoudige wettigheidstoetsing, waarbij het beroep tot nietigverklaring slechts kan worden verworpen of de bestreden handeling nietig kan worden verklaard, is de gemeenschapsrechter op basis van zijn volledige rechtsmacht bevoegd om de bestreden handeling te wijzigen, zelfs als deze niet nietig wordt verklaard, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden, bijvoorbeeld om de hoogte van de opgelegde boete te wijzigen.

Het enkele instellen van een beroep in rechte betekent echter niet dat daardoor de bevoegdheid tot het opleggen van sancties definitief op de gemeenschapsrechter overgaat. De Commissie verliest haar bevoegdheid definitief wanneer de rechter zijn volledige rechtsmacht inderdaad heeft uitgeoefend. Wanneer hij zich er echter toe beperkt, een beschikking wegens onwettigheid nietig te verklaren, zonder zelf uitspraak te doen over het bestaan van de inbreuk en over de sanctie, kan de instelling waarvan de nietig verklaarde handeling uitgaat, de procedure hervatten in het stadium van de geconstateerde onwettigheid en haar sanctiebevoegdheid opnieuw uitoefenen.

( cf. punten 692-693 )

Partijen

In de gevoegde zaken C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P tot en met C-252/99 P en C-254/99 P,

Limburgse Vinyl Maatschappij NV (LVM), gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door I. G. F. Cath, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg (C-238/99 P),

DSM NV en DSM Kunststoffen BV, gevestigd te Heerlen (Nederland), vertegenwoordigd door I. G. F. Cath, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg (C-244/99 P),

Montedison SpA, gevestigd te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door G. Celona en P. A. M. Ferrari, avvocati, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg (C-245/99 P),

Elf Atochem SA, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door X. de Roux, avocat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg (C-247/99 P),

Degussa AG, voorheen Degussa-Hüls AG en voordien Hüls AG, gevestigd te Marl (Duitsland), vertegenwoordigd door F. Montag, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg (C-250/99 P),

Enichem SpA, gevestigd te Milaan, vertegenwoordigd door M. Siragusa en F. M. Moretti, avvocati, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg (C-251/99 P),

Wacker-Chemie GmbH, gevestigd te München (Duitsland),

Hoechst AG, gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

vertegenwoordigd door H. Hellmann, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg (C-252/99 P),

Imperial Chemical Industries plc (ICI), gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door D. Vaughan en D. Anderson, QC, K. Bacon, barrister, en R. J. Coles en S. Turner, solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg (C-254/99 P),

rekwiranten,

betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer - uitgebreid) van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (T-305/94-T-307/94, T-313/94-T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, Jurispr. blz. II-931), strekkende tot vernietiging van dat arrest,

andere partij bij de procedure:

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall en W. Wils als gemachtigden, bijgestaan door M. H. van der Woude, advocaat (C-238/99 P en C-244/99 P), R. M. Morresi, avvocato (C-245/99 P en C-251/99 P), E. Morgan de Rivery, avocat (C-247/99 P), A. Böhlke, Rechtsanwalt (C-250/99 P en C-252/99 P), en M. D. Lloyd-Jones, QC (C-254/99 P), domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J.-P. Puissochet, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur), D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann, F. Macken, N. Colneric en S. von Bahr, rechters,

advocaat-generaal: J. Mischo,

griffier: D. Louterman-Hubeau, afdelingshoofd, en L. Hewlett, administrateur,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 13 juni 2001, waar Limburgse Vinyl Maatschappij NV (LVM), DSM NV en DSM Kunststoffen BV werden vertegenwoordigd door I. G. F. Cath (C-238/99 P en C-244/99 P), Montedison SpA door G. Celona en P. A. M. Ferrari (C-245/99 P), Elf Atochem SA door C.-H. Léger, avocat (C-247/99 P), Degussa AG door F. Montag (C-250/99 P), Enichem SpA door M. Siragusa en F. M. Moretti (C-251/99 P), Wacker-Chemie GmbH en Hoechst AG door H. Hellmann en H.-J. Hellmann, Rechtsanwalt (C-252/99 P), Imperial Chemical Industries plc (ICI) door D. Vaughan, D. Anderson, R. J. Coles, S. Turner en S. C. Berwick, solicitor (C-254/99 P), en de Commissie door J. Currall en W. Wils, bijgestaan door M. H. van der Woude (C-238/99 P en C-244/99 P), R. M. Morresi (C-245/99 P en C-251/99 P), E. Morgan de Rivery (C-247/99 P) en A. Böhlke (C-250/99 P en C-252/99 P) alsmede door M. D. Lloyd-Jones (C-254/99 P),

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 oktober 2001,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof tussen 24 juni en 8 juli 1999, hebben Limburgse Vinyl Maatschappij NV (hierna: LVM"), DSM NV en DSM Kunststoffen BV, Montedison SpA (hierna: Montedison"), Elf Atochem SA (hierna: Elf Atochem"), Degussa AG (hierna: Degussa"), voorheen Degussa-Hüls AG, daarvóór Hüls AG (hierna: Hüls"), Enichem SpA (hierna: Enichem"), Wacker-Chemie GmbH (hierna: Wacker-Chemie"), Hoechst AG (hierna: Hoechst") en Imperial Chemical Industries plc (hierna: ICI") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (T-305/94-T-307/94, T-313/94-T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, Jurispr. blz. II-931; hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht met name de boete heeft verlaagd welke aan Elf Atochem en aan ICI was opgelegd bij beschikking 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/31.865 - PVC) (PB L 239, blz. 14; hierna: beschikking PVC II") en de door hen tegen deze beschikking ingestelde beroepen tot nietigverklaring voor het overige heeft verworpen.

I - De feiten welke aan het geschil ten grondslag liggen

2 Naar aanleiding van verificaties bij ondernemingen uit de polypropyleensector op 13 en 14 oktober 1983, die waren verricht krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), is de Commissie van de Europese Gemeenschappen een onderzoek begonnen met betrekking tot polyvinylchloride (hierna: PVC"). In dat verband heeft zij verschillende verificaties verricht bij de betrokken ondernemingen en hun herhaalde malen om inlichtingen verzocht.

3 Op 24 maart 1988 heeft zij op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 besloten ambtshalve een procedure in te leiden tegen veertien PVC-producenten. Op 5 april 1988 heeft zij ieder van hen een mededeling van punten van bezwaar gezonden als bedoeld in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 (PB 1963, 127, blz. 2268). Alle adressaten van die mededeling van de punten van bezwaar hebben in de loop van juni 1988 hun standpunt kenbaar gemaakt. In de loop van september 1988 zijn allen gehoord, met uitzondering van Shell International Chemical Company Ltd (hierna: Shell"), die daar niet om had gevraagd.

4 Op 1 december 1988 heeft het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities (hierna: Adviescomité") advies uitgebracht over de ontwerp-beschikking van de Commissie.

5 Aan het einde van de procedure heeft de Commissie beschikking 89/190/EEG van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.865, PVC) (PB 1989, L 74, blz. 1; hierna: beschikking PVC I") gegeven. Bij deze beschikking heeft zij wegens schending van artikel 85, lid 1, van EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) een geldboete opgelegd aan de navolgende PVC-producenten: Atochem SA, BASF AG (hierna: BASF"), DSM NV, Enichem, Hoechst, Hüls, ICI, LVM, Montedison, Norsk Hydro A/S (hierna: Norsk Hydro"), Société artésienne de vinyle SA (hierna: Société artésienne de vinyle"), Shell, Solvay & Cie (hierna: Solvay") en Wacker-Chemie.

6 Met uitzondering van Solvay hebben al deze ondernemingen bij de gemeenschapsrechter beroep tot nietigverklaring van die beschikking ingesteld.

7 Bij beschikking van 19 juni 1990, Norsk Hydro/Commissie (T-106/89, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft het Gerecht het beroep van Norsk Hydro niet-ontvankelijk verklaard.

8 De andere zaken zijn gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.

9 Bij arrest van 27 februari 1992, BASF e.a./Commissie (T-79/89, T-84/89-T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, Jurispr. blz. II-315; hierna: arrest van het Gerecht van 27 februari 1992"), heeft het Gerecht beschikking PVC I non-existent verklaard.

10 Op hogere voorziening van de Commissie heeft het Hof bij arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555; hierna: arrest van het Hof van 15 juni 1994"), het arrest van het Gerecht van 27 februari 1992 vernietigd en beschikking PVC I nietig verklaard.

11 Op 27 juli 1994 heeft de Commissie jegens de producenten tot wie beschikking PVC I was gericht, met uitzondering van Solvay en Norsk Hydro, beschikking PVC II gegeven. Bij deze beschikking zijn aan de ondernemingen tot wie zij was gericht, geldboeten opgelegd die even hoog waren als die welke hun bij beschikking PVC I waren opgelegd.

12 Beschikking PVC II bepaalt hetgeen volgt:

Artikel 1

BASF AG, DSM NV, Elf Atochem SA, Enichem SpA, Hoechst AG, [Hüls] AG, Imperial Chemical Industries plc, Limburgse Vinyl Maatschappij NV, Montedison SpA, Société [a]rtésienne de [vinyle] SA, Shell International Chemical Co. Ltd en Wacker-Chemie GmbH hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag door (tezamen met Norsk Hydro [A/S] en Solvay & Cie) gedurende de in deze beschikking aangegeven periodes deel te nemen aan een rond augustus 1980 tot stand gekomen overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke de producenten die in de Gemeenschap PVC verkopen geregelde bijeenkomsten bijwoonden met het doel richtprijzen en richtquota vast te stellen, gezamenlijke initiatieven te plannen om het prijsniveau te verhogen en toezicht te houden op de toepassing van de genoemde heimelijke afspraken.

Artikel 2

De in artikel 1 genoemde ondernemingen die nog steeds actief zijn in de PVC-sector in de Gemeenschap (behalve Norsk Hydro [A/S] en Solvay & Cie, tot wie reeds een geldige aanmaning tot beëindiging is gericht), moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen (voorzover zij dit niet reeds hebben gedaan) en zich voortaan met betrekking tot hun PVC-activiteiten onthouden van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kunnen hebben, met inbegrip van enigerlei uitwisseling van informatie van het type dat normaal onder het zakengeheim valt en waardoor de deelnemers rechtstreeks of zijdelings in kennis worden gesteld van de productie, leveranties, voorraden, verkoopprijzen, kosten of investeringsplannen van andere individuele producenten of op grond waarvan zij de naleving van elke uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met betrekking tot prijzen of het verdelen van de markten in de Gemeenschap zouden kunnen controleren. Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie betreffende de PVC-sector, waaraan de producenten deelnemen, dient op zodanige wijze te worden toegepast dat elke informatie waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid, uitgesloten is; de ondernemingen onthouden zich meer in het bijzonder van de onderlinge uitwisseling van enigerlei aanvullende informatie die voor de mededinging relevant is en niet onder een dergelijke regeling valt.

Artikel 3

Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:

i) BASF AG: een boete van 1 500 000 ECU;

ii) DSM NV: een boete van 600 000 ECU;

iii) Elf Atochem SA: een boete van 3 200 000 ECU;

iv) Enichem SpA: een boete van 2 500 000 ECU;

v) Hoechst AG: een boete van 1 500 000 ECU;

vi) [Hüls] AG: een boete van 2 200 000 ECU;

vii) Imperial Chemical Industries plc: een boete van 2 500 000 ECU;

viii) Limburgse Vinyl Maatschappij NV: een boete van 750 000 ECU;

ix) Montedison SpA: een boete van 1 750 000 ECU;

x) Société [a]rtésienne de [vinyle] SA: een boete van 400 000 ECU;

xi) Shell International Chemical Company Ltd: een boete van 850 000 ECU;

xii) Wacker-Chemie GmbH: een boete van 1 500 000 ECU."

II - De bij het Gerecht ingestelde beroepen en het bestreden arrest

13 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 5 en 14 oktober 1994, hebben LVM, Elf Atochem, BASF, Shell, DSM NV en DSM Kunststoffen BV (hierna tezamen: DSM"), Wacker-Chemie, Hoechst, Société artésienne de vinyle, Montedison, ICI, Hüls en Enichem beroep bij het Gerecht ingesteld.

14 Alle verzoeksters hebben gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking PVC II gevorderd en subsidiair nietigverklaring of verlaging van de hun opgelegde boete. Montedison heeft verder veroordeling van de Commissie tot betaling van schadevergoeding gevorderd.

15 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht:

- de zaken gevoegd voor het arrest;

- artikel 1 van beschikking PVC II nietig verklaard voorzover daarin werd aangenomen dat Société artésienne de vinyle na het eerste halfjaar van 1981 aan de ten laste gelegde inbreuk had deelgenomen;

- de aan Elf Atochem, Société artésienne de vinyle en ICI opgelegde geldboeten verlaagd tot respectievelijk 2 600 000 euro, 135 000 euro en 1 550 000 euro;

- de beroepen verworpen voor het overige;

- uitspraak gedaan over de kosten.

III - De vorderingen in hogere voorziening

16 LVM en DSM vorderen dat het Hof:

- het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk vernietigt en de zaak afdoet of, subsidiair, verwijst naar het Gerecht voor heropening van de procedure;

- beschikking PVC II geheel of gedeeltelijk nietig verklaart;

- de aan rekwiranten opgelegde geldboeten nietig verklaart dan wel vermindert;

- de Commissie verwijst in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hogere voorziening.

17 Montedison vordert dat het Hof:

- het bestreden arrest vernietigt;

- beschikking PVC II nietig verklaart;

- de zaak verwijst naar het Gerecht;

- de boete verlaagt tot een verwaarloosbaar bedrag;

- de Commissie verwijst in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hogere voorziening.

18 Elf Atochem vordert dat het Hof:

- het bestreden arrest vernietigt en de zaak afdoet;

- de Commissie verwijst in de kosten.

19 Degussa vordert dat het Hof:

- het bestreden arrest vernietigt voorzover daarbij haar beroep is verworpen en zij is verwezen in de kosten;

- de artikelen 1, 2 en 3 van beschikking PVC II nietig verklaart voorzover deze op haar betrekking hebben;

- de Commissie verwijst in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hogere voorziening.

20 Enichem vordert dat het Hof:

- de door haar aangevochten onderdelen van het bestreden arrest vernietigt en dienovereenkomstig beschikking PVC II nietig verklaart;

- subsidiair, de haar rakende onderdelen van het bestreden arrest vernietigt en dienovereenkomstig de boete nietig verklaart of verlaagt;

- de Commissie verwijst in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hogere voorziening.

21 Wacker-Chemie en Hoechst vorderen dat het Hof:

- de punten 4 en 5 van het dictum van het bestreden arrest vernietigt voorzover deze hen betreffen;

- beschikking PVC II nietig verklaart voorzover deze hen betreft;

- subsidiair, de aan hen opgelegde geldboeten verlaagt;

- meer subsidiair, de zaak voor afdoening naar het Gerecht verwijst;

- de Commissie verwijst in de kosten, dan wel in geval van verwijzing naar het Gerecht, de beslissing omtrent de kosten overlaat aan het Gerecht.

22 ICI vordert dat het Hof:

- het bestreden arrest vernietigt voorzover het haar betreft;

- beschikking PVC II nietig verklaart voorzover deze haar betreft, of anders de zaak verwijst naar het Gerecht;

- de boete, die door het Gerecht is verlaagd tot 1 550 000 euro, nietig verklaart, dan wel het bedrag nogmaals verlaagt;

- de Commissie verwijst in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hogere voorziening.

23 De Commissie vordert dat het Hof:

- de hogere voorzieningen afwijst;

- rekwiranten verwijst in de kosten.

IV - De middelen strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest

24 LVM en DSM formuleren negen, in wezen identieke, middelen tot vernietiging van het bestreden arrest:

- schending van het gezag van gewijsde;

- schending van het beginsel ne bis in idem;

- schending van het beginsel van de redelijke termijn;

- ongeldigheid van de aan beschikking PVC I voorafgegane procedurehandelingen;

- het feit dat na de nietigverklaring van beschikking PVC I in de administratieve procedure nieuwe handelingen hadden moeten worden gesteld;

- ontoereikende motivering van de afwijzing van een middel inzake schending van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) doordat de Commissie na de nietigverklaring van beschikking PVC I heeft besloten beschikking PVC II vast te stellen;

- schending van het recht om niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling;

- schending van de rechten van de verdediging als gevolg van onvoldoende toegang tot het dossier van de Commissie;

- verjaring van de vervolging.

25 DSM draagt daarnaast nog twee middelen voor:

- schending van het beginsel van onschendbaarheid van de woning;

- schending van het zakengeheim en de rechten van de verdediging.

26 Montedison formuleert in wezen elf nietigheidsmiddelen:

- het feit dat het Gerecht niet is ingegaan op haar middel dat de bevoegdheid tot de oplegging van sancties na de beschikking van de Commissie definitief op de communautaire rechter is overgegaan;

- het feit dat na de nietigverklaring van beschikking PVC I in de administratieve procedure nieuwe handelingen hadden moeten worden gesteld;

- het feit dat het Gerecht niet is ingegaan op de economische context;

- verjaring van de vervolging;

- schending van het recht op een eerlijk proces, de artikelen 48, lid 2, en 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid, door de wijze waarop de mondelinge behandeling was georganiseerd;

- schending van het recht op een eerlijk proces en artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bij het onderzoek van de bewijsstukken;

- schending van de artikelen 10, lid 1, en 32, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht;

- verkeerde beoordeling van de draagwijdte van de motiveringsplicht van de Commissie bij de berekening van de boete;

- onevenredigheid en onbillijkheid van de boete gelet op de zwaarte en de duur van de inbreuk;

- schending van het beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van de hoogte van de boete;

- het feit dat haar vordering om de Commissie tot schadevergoeding te veroordelen, ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

27 Elf Atochem formuleert in wezen vier nietigheidsmiddelen:

- het feit dat niet is ingegaan op haar middel inzake verschillen tussen beschikking PVC I en beschikking PVC II;

- ongeldigheid van de aan beschikking PVC I voorafgegane procedurehandelingen;

- het feit dat na de nietigverklaring van beschikking PVC I in de administratieve procedure nieuwe handelingen hadden moeten worden gesteld;

- schending van de rechten van de verdediging wegens onvoldoende toegang tot het dossier van de Commissie.

28 Degussa formuleert in wezen zes nietigheidsmiddelen:

- schending van het beginsel van de redelijke termijn;

- ongeldigheid van de aan beschikking PVC I voorafgegane procedurehandelingen;

- het feit dat na de nietigverklaring van beschikking PVC I in de administratieve procedure nieuwe handelingen hadden moeten worden gesteld;

- het feit dat niet is ingegaan op haar middel dat vóór de vaststelling van beschikking PVC II de raadadviseur-auditeur niet is ingeschakeld;

- schending van de rechten van de verdediging wegens onvoldoende toegang tot het dossier van de Commissie;

- onjuiste opvatting van de draagwijdte van de verplichting van de Commissie om de wijze van berekening van de boete te motiveren.

29 Enichem formuleert dertien nietigheidsmiddelen:

- schending van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht;

- schending van het gezag van gewijsde;

- ongeldigheid van de aan beschikking PVC I voorafgegane procedurehandelingen;

- het feit dat na de nietigverklaring van beschikking PVC I in de administratieve procedure nieuwe handelingen hadden moeten worden gesteld;

- onjuiste motivering van de afwijzing van een middel inzake schending van artikel 190 van het Verdrag, doordat de Commissie na de nietigverklaring van beschikking PVC I heeft besloten PVC II vast te stellen;

- onjuiste toepassing van het recht door het Gerecht ten aanzien van de consequenties van zijn vaststelling dat er geen verband bestond tussen twee documenten waarop de beschuldiging van de Commissie gebaseerd was;

- toerekening van collectieve aansprakelijkheid;

- schending van de rechten van de verdediging wegens onvoldoende toegang tot het dossier van de Commissie;

- het feit dat de inbreuk ten onrechte aan rekwirante is toegerekend, die is beschouwd als holding van een concern, en het feit dat het Gerecht de omzet van de holding bij de vaststelling van de boete ten onrechte als niet relevant heeft beschouwd;

- schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 doordat het Gerecht het verband tussen de omzet van het aan beschikking PVC II voorafgaande boekjaar en de hoogte van de boete verkeerd heeft ingeschat;

- onjuiste opvatting van de draagwijdte van de verplichting van de Commissie om de wijze van berekening van de boete te motiveren;

- onjuiste uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht, alsmede onvoldoende weging van het bewijsmateriaal aangaande het verband tussen de aan rekwirante opgelegde geldboete en haar marktaandeel;

- schending van het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van de hoogte van de boete.

30 Wacker-Chemie en Hoechst formuleren zes nietigheidsmiddelen:

- schending van de artikelen 10, lid 1, en 32, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht;

- onvolledig onderzoek van de feiten;

- tegenstrijdigheid en ontoereikende motivering van het bestreden arrest ten aanzien van het onderzoek van de bewijsstukken;

- verkeerde voorstelling van bewijsstukken;

- het feit dat na de nietigverklaring van beschikking PVC I in de administratieve procedure nieuwe handelingen hadden moeten worden gesteld;

- schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag en artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.

31 ICI formuleert in wezen negen nietigheidsmiddelen:

- schending van het gezag van gewijsde;

- schending van het beginsel ne bis in idem;

- schending van het beginsel van de redelijke termijn;

- ongeldigheid van de aan beschikking PVC I voorafgegane procedurehandelingen;

- het feit dat na de nietigverklaring van beschikking PVC I in de administratieve procedure nieuwe handelingen hadden moeten worden gesteld, en onvolledigheid van het dossier dat bij de vaststelling van beschikking PVC II aan het college van leden van de Commissie is voorgelegd;

- onjuiste motivering van de afwijzing van een middel inzake schending van artikel 190 van het Verdrag, doordat de Commissie na de nietigverklaring van beschikking PVC I heeft besloten beschikking PVC II vast te stellen;

- schending van het zakengeheim en van de rechten van de verdediging;

- verjaring van de vervolging;

- het feit dat het Gerecht de boete niet nietig heeft verklaard of verlaagd als consequentie van de schending van het beginsel van de redelijke termijn.

V - De hogere voorzieningen

32 Partijen en de advocaat-generaal op dit punt gehoord, dienen de zaken wegens verknochtheid te worden gevoegd voor het arrest overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

A - De middelen inzake de procedure en de vormvereisten

1. Het middel van Montedison, Wacker-Chemie en Hoechst inzake schending van de artikelen 10, lid 1, en 32, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht

33 Montedison, Wacker-Chemie en Hoechst wijzen erop dat de uitgebreide Derde kamer van het Gerecht, die het bestreden arrest heeft gewezen, slechts bestond uit drie rechters, terwijl bij de mondelinge behandeling vijf rechters aanwezig waren.

34 Zij verwijten het Gerecht dat het aldus is afgeweken van de normale samenstelling van een uitgebreide kamer, en daarmee een verkeerde toepassing heeft gegeven aan artikel 32, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering. Het Gerecht heeft volgens hen een van de leden van de kamer, die wegens het verstrijken van zijn ambtstermijn op 17 september 1998, na de mondelinge behandeling, zijn functie had neergelegd, als afwezig of verhinderd in de zin van deze bepaling beschouwd. Het verstrijken van de ambtstermijn van een rechter valt echter niet onder de toegepaste bepaling. Het bestreden arrest is dus gewezen door een kamer die niet volgens de regels was samengesteld, in strijd met de artikelen 10, lid 1, en 32, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

35 Er zij aan herinnerd dat het Gerecht ingevolge artikel 10, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering uit zijn midden kamers vormt, bestaande uit drie of vijf rechters.

36 Overeenkomstig artikel 15 van 's Hofs Statuut-EG, dat krachtens artikel 44 van dit Statuut van toepassing is op het Gerecht, kan het Gerecht slechts in oneven getal op geldige wijze beslissen en zijn beslissingen van uit drie of vijf rechters bestaande kamers slechts geldig wanneer zij door drie rechters zijn genomen.

37 Artikel 32, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt dat, wanneer wegens afwezigheid of verhindering de rechters even in aantal zijn, de jongste rechter niet aan de beraadslaging deelneemt, tenzij het de rechter-rapporteur betreft, in welk geval de rechter met de onmiddellijk hogere anciënniteit niet aan de beraadslaging deelneemt.

38 Dit artikel bepaalt aldus de wijze van uitvoering van de in artikel 15 van 's Hofs Statuut-EG geformuleerde regels. Voor de toepassing van die regels is niet relevant of de verhindering blijvend of tijdelijk van aard is. Indien een tijdelijke afwezigheid of verhindering een wijziging van de samenstelling rechtvaardigt opdat de rechters oneven in getal blijven, geldt dit a fortiori in geval van blijvende verhindering, bijvoorbeeld als gevolg van het verstrijken van de ambtstermijn van een rechter.

39 In casu heeft de uitgebreide Derde kamer van het Gerecht dus rechtsgeldig beraadslaagd in een samenstelling van slechts drie rechters, na het verstrijken van de ambtstermijn van een van de vijf rechters waaruit de kamer aanvankelijk bestond, na de mondelinge behandeling.

40 Derhalve dient het onderzochte middel te worden afgewezen.

2. Het middel van LVM, DSM, Enichem en ICI inzake schending van het gezag van gewijsde

41 LVM, DSM, Enichem en ICI hebben voor het Gerecht gesteld dat de Commissie beschikking PVC II niet kon geven zonder voorbij te gaan aan het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van 15 juni 1994.

42 Zij verwijten het Gerecht dat het in de punten 77 en volgende van het bestreden arrest het beginsel van het gezag van gewijsde heeft geschonden door hun op dit beginsel gebaseerde middel af te wijzen.

43 Volgens hen heeft het Hof met zijn beslechting van het geschil krachtens artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG, na het arrest van het Gerecht van 27 februari 1992 te hebben vernietigd, in zijn arrest van 15 juni 1994 definitief beslist op alle door de betrokken ondernemingen aangevoerde middelen.

44 Het Gerecht heeft er in punt 77 van het bestreden arrest terecht aan herinnerd dat het gezag van gewijsde enkel geldt voor de punten, feitelijk en rechtens, die door de rechter daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht (arrest van 19 februari 1991, Italië/Commissie, C-281/89, Jurispr. blz. I-347, punt 14, en beschikking van 28 november 1996, Lenz/Commissie, C-277/95 P, Jurispr. blz. I-6109, punt 50).

45 Vervolgens heeft het in punt 78 van het bestreden arrest geconstateerd dat het Hof in zijn arrest van 15 juni 1994 had geoordeeld dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door beschikking PVC I non-existent te verklaren en dat het arrest van het Gerecht van 27 februari 1992 dus moest worden vernietigd. In de punten 78 en 81 van het bestreden arrest heeft het voorts opgemerkt dat het Hof, met toepassing van artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG de zaak zelf heeft afgedaan en beschikking PVC I nietig heeft verklaard wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften, op grond dat de Commissie artikel 12, eerste alinea, van haar reglement van orde had geschonden door beschikking PVC I niet te authentiseren op de wijze die in die bepaling is voorgeschreven.

46 Terecht heeft het Gerecht dus in punt 82 van het bestreden arrest daaruit afgeleid dat in het arrest van het Hof van 15 juni 1994, waarin uitdrukkelijk was verklaard dat het niet nodig was de andere door verzoeksters aangevoerde middelen te onderzoeken, deze middelen niet waren beslecht.

47 Het Gerecht heeft daaraan in punt 84 van het bestreden arrest terecht toegevoegd, dat wanneer het Hof krachtens artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG de zaak zelf afdoet door een of meer van de door verzoeksters aangevoerde middelen te aanvaarden, het niet ipso iure alle door hen voorgedragen feitelijke en juridische punten beslecht.

48 De enige verplichting die het arrest van het Hof van 15 juni 1994 derhalve voor de Commissie meebracht op grond van artikel 176 EG-Verdrag (thans artikel 233 EG), dat de instelling waarvan een handeling nietig is verklaard verplicht om de maatregelen ter uitvoering van het arrest van het Hof te nemen, is om in de handeling die voor de nietig verklaarde handeling in de plaats moet komen, de daadwerkelijk geconstateerde onwettigheid op te heffen (zie in die zin arrest van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie, 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, Jurispr. blz. 2181, punt 28).

49 LVM en DSM kunnen niet volhouden dat ook artikel 174, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 231, tweede alinea, EG) aan een nieuwe beschikking van de Commissie in de weg stond. Deze bepaling is in casu immers niet relevant. Zij heeft uitsluitend betrekking op de mogelijkheid die het Hof heeft om bepaalde gevolgen van een handeling die het nietig verklaart, uitdrukkelijk te handhaven, terwijl het geval dat thans aan de orde is, onder artikel 176 van het Verdrag valt.

50 LVM en DSM kunnen zich evenmin beroepen op het arrest van 23 oktober 1974, Transocean Marine Paint/Commissie (17/74, Jurispr. blz. 1063), waarin het Hof na gedeeltelijke nietigverklaring van een beschikking van de Commissie de zaak terugverwees naar de Commissie. Dit arrest kan niet a contrario aldus worden uitgelegd dat wanneer geen uitdrukkelijke terugverwijzing plaatsvindt, de instelling niet de mogelijkheid heeft om de geconstateerde onwettigheid uit de weg te ruimen of in geval van algehele nietigverklaring een nieuwe beschikking in de plaats te stellen van de nietig verklaarde handeling. Of de communautaire rechter de zaak al dan niet terugverwijst naar de betrokken instelling, verandert niets aan de draagwijdte van de verplichting die de instelling op grond van artikel 176 van het Verdrag heeft.

51 Enichem stelt dat haar zienswijze wordt gestaafd door artikel 17 van verordening nr. 17, dat het Hof volledige rechtsmacht verleent om kennis te nemen van beroepen tegen beschikkingen waarbij de Commissie een geldboete vaststelt. In een dergelijk geval beoordeelt het Hof de aan hem voorgelegde zaak in zijn geheel. Dat heeft het in casu ook gedaan, zoals blijkt uit de opsomming van de voor het Hof aangevoerde formele en materiële middelen in punt 56 van het arrest van 15 juni 1994. Aangezien het Hof zich niet heeft uitgelaten over het vervolg van de zaak, bijvoorbeeld door deze naar het Gerecht te verwijzen, omvat dat arrest alle aspecten die daarin aan de orde zijn gekomen.

52 Dit betoog kan niet worden aanvaard. Artikel 17 van verordening nr. 17 regelt slechts de intensiteit van het toezicht door de gemeenschapsrechter op de sancties die op mededingingsgebied worden opgelegd en die hij kan intrekken, verlagen of verhogen. De op dit ene punt verleende bevoegdheid impliceert niet dat de verdere wettigheidstoetsing alle voorgedragen middelen omvat, wanneer de communautaire rechter zich slechts over enkele daarvan heeft uitgesproken.

53 Het onderzochte middel van de hogere voorziening moet derhalve worden afgewezen.

3. Het middel van LVM, DSM en ICI inzake schending van het beginsel ne bis in idem

54 Voor het Gerecht hebben LVM, DSM en ICI betoogd dat de Commissie het beginsel ne bis in idem had geschonden door een nieuwe beschikking te geven nadat het Hof beschikking PVC I nietig had verklaard.

55 Zij wijzen erop dat het Gerecht in punt 96 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie een onderneming niet op grond van de verordeningen nr. 17 en nr. 99/63 wegens schending van de communautaire mededingingsregels kan vervolgen of beboeten voor een gedraging die de mededinging beperkt, waarvan het Gerecht dan wel het Hof reeds heeft vastgesteld, of de Commissie het bewijs daarvan had geleverd. Zij verwijten het Gerecht echter dat het vervolgens in de punten 97 en 98 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat, nu beschikking PVC I nietig was verklaard, verzoeksters bij beschikking PVC II niet tweemaal waren beboet voor een en dezelfde inbreuk en dat de Commissie verzoeksters niet tweemaal had vervolgd voor een en hetzelfde feitencomplex, aangezien in het arrest van het Hof van 15 juni 1994 op geen van de door hen geformuleerde middelen ten gronde was beslist.

56 Volgens LVM en DSM geldt het beginsel ne bis in idem in geval van nietigverklaring van een eerste beschikking, ongeacht of de nietigverklaring is uitgesproken wegens gebrek aan bewijs dan wel wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften. Het beginsel beoogt namelijk de vervolgde onderneming bescherming te bieden tegen dubbele vervolging of dubbele bestraffing, ongeacht de reden waarom de eerste vervolging niet tot een veroordeling heeft geleid. Deze uitleg wordt volgens hen bevestigd door artikel 4, lid 1, van protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: EVRM"), dat inmiddels in werking is getreden. Volgens deze bepaling wordt [n]iemand [...] opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat". In het arrest van het Hof van 15 juni 1994 zijn rekwiranten vrijgesproken" in de zin van deze bepaling.

57 Ook ICI stelt dat het beginsel ne bis in idem, een grondbeginsel van gemeenschapsrecht dat in het mededingingsrecht van toepassing is (arrest van 14 december 1972, Boehringer Mannheim/Commissie, 7/72, Jurispr. blz. 1281), is bevestigd door artikel 4, lid 1, van protocol nr. 7 bij het EVRM. Zij verwijt het Gerecht, het op dit beginsel gebaseerde middel te hebben afgewezen op grond van de gedachte dat zij de bij beschikking PVC I opgelegde boete niet had moeten betalen nadat die beschikking nietig was verklaard. Dit is volgens ICI echter niet relevant. Beslissend was, of beschikking PVC II gebaseerd was op dezelfde gedraging als die welke in het arrest van het Hof van 15 juni 1994 in het geding was [Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM"), arrest Gradinger van 23 oktober 1995, Series A, nr. 328 C, § 55]. Dit was volgens ICI in casu inderdaad het geval.

58 Voorts stelt ICI dat artikel 4 van protocol nr. 7 bij het EVRM geldt in geval van definitieve veroordeling, dat wil zeggen wanneer er geen gewone beroepsmogelijkheden meer zijn of partijen deze hebben uitgeput of de termijnen daarvoor hebben laten verstrijken. Dit was in casu het geval, aangezien rekwirante na het arrest van het Hof van 15 juni 1994 geen enkele beroepsmogelijkheid meer had.

59 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest, het beginsel ne bis in idem, een van de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht, dat voorts is bevestigd in artikel 4, lid 1, van protocol nr. 7 bij het EVRM, op het gebied van de mededinging verbiedt dat een onderneming opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd wegens een met de mededinging strijdige gedraging waarvoor zij is bestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beslissing, waartegen geen beroep meer openstaat.

60 Wil dit beginsel toepassing vinden, moet er dus uitspraak zijn gedaan over de vraag of de inbreuk inderdaad is gepleegd, dan wel de wettigheid van de beoordeling van die inbreuk zijn getoetst.

61 Het beginsel ne bis in idem verbiedt derhalve uitsluitend dat opnieuw ten gronde wordt beoordeeld of de inbreuk inderdaad is gepleegd, hetgeen hetzij tot oplegging van een tweede sanctie bovenop de eerste zou leiden wanneer de onderneming daarvoor opnieuw aansprakelijk zou worden gesteld, hetzij tot oplegging van een eerste sanctie wanneer de onderneming bij de eerste beslissing niet en bij de tweede wel aansprakelijk zou worden geacht.

62 Daarentegen staat het beginsel er op zich niet aan in de weg dat de vervolging ten aanzien van dezelfde met de mededinging strijdige gedraging wordt hervat wanneer een eerste beslissing op formele gronden nietig is verklaard zonder dat ten gronde uitspraak is gedaan over de ten laste gelegde feiten. De nietigverklaring staat dan niet gelijk aan vrijspraak" in de zin die daaraan in het strafrecht wordt gegeven. In een dergelijk geval komen de bij de nieuwe beschikking opgelegde sancties niet bovenop de sancties die bij de nietig verklaarde beschikking zijn opgelegd, maar komen zij daarvoor in de plaats.

63 Aangezien het Hof in zijn arrest van 15 juni 1994 beschikking PVC I, met inbegrip van de daarbij opgelegde sancties, nietig heeft verklaard zonder zich te hebben uitgesproken over enig door verzoeksters aangevoerd middel ten gronde, heeft het Gerecht derhalve terecht geoordeeld dat de Commissie door beschikking PVC II vast te stellen na herstel van de gewraakte vormfout, de ondernemingen niet tweemaal voor dezelfde feiten heeft gestraft of vervolgd.

64 LVM en DSM stellen ook dat het Gerecht door in het kader van het middel inzake schending van het beginsel ne bis in idem te verklaren dat beschikking PVC I geacht werd nooit te hebben bestaan nadat zij nietig was verklaard, een redenering heeft gevolgd die strijdig is met die in punt 1100 van het bestreden arrest betreffende een middel inzake verjaring.

65 Dit bezwaar is ongegrond. De door het Gerecht in punt 1100 van het bestreden arrest besliste rechtsvraag betrof de voorwaarden voor schorsing van de verjaring, neergelegd in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 2988/74 van de Raad van 26 november 1974 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers- en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 319, blz. 1), dat luidt: De verjaring van het recht van vervolging wordt geschorst zolang de beschikking van de Commissie het onderwerp vormt van een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen."

66 In punt 1098 van het bestreden arrest heeft het Gerecht benadrukt dat dit artikel eigenlijk tot doel heeft, schorsing van de verjaring mogelijk te maken wanneer de Commissie niet kan handelen om een objectieve reden die haar niet kan worden toegerekend en die verband houdt met het feit zelf dat een beroep aanhangig is.

67 Met zijn overweging in punt 1100 van het bestreden arrest, dat het feit zelf dat bij het Gerecht of het Hof een beroep aanhangig is, de schorsing rechtvaardigt, en niet de slotsom waartoe die rechterlijke instanties in hun arrest komen", heeft het Gerecht slechts geconstateerd dat de in verordening nr. 2988/74 bedoelde schorsing losstaat van de werking van een arrest waarbij de beschikking nietig wordt verklaard. Wat meer is, in hetzelfde punt van het bestreden arrest heeft het Gerecht in wezen verklaard dat de schorsing alleen zin heeft wanneer de beschikking van de Commissie inderdaad nietig wordt verklaard, dat wil zeggen wanneer die beschikking vervolgens wordt geacht nooit te hebben bestaan.

68 Het Gerecht heeft dus zonder zichzelf tegen te spreken, met betrekking tot twee verschillende vragen, enerzijds rekening gehouden met de werking van het arrest houdende nietigverklaring van beschikking PVC I, in verband met het beginsel ne bis in idem, en anderzijds het feit meegewogen dat bij de gemeenschapsrechter een procedure aanhangig was, ongeacht de inhoud van het arrest houdende nietigverklaring en het effect daarvan op beschikking PVC I, in verband met de schorsing van de verjaring.

69 Het onderzochte middel moet derhalve worden afgewezen.

4. Het middel van LVM, DSM, Elf Atochem, Degussa, Enichem en ICI inzake ongeldigheid van de aan de vaststelling van beschikking PVC I voorafgegane procedurehandelingen

70 Voor het Gerecht hebben LVM, DSM, Elf Atochem, Degussa, Enichem en ICI gesteld dat de nietigverklaring van beschikking PVC I ook alle voorbereidende handelingen trof. Deze handelingen konden dus niet dienen als geldige voorbereidende handelingen voor beschikking PVC II.

71 Zij verwijten het Gerecht dat het in de punten 183 tot en met 193 van het bestreden arrest het desbetreffende middel heeft afgewezen op grond dat de voorbereidende handelingen van beschikking PVC I niet door de nietigverklaring van de beschikking werden geraakt.

72 Het Gerecht heeft op basis van vaste rechtspraak, volgens welke het de rechtsoverwegingen zijn die aangeven welke bepaling precies als onwettig wordt beschouwd en wat precies de redenen zijn van de in het dictum vastgestelde onwettigheid (arrest Asteris e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 27, en arrest van 12 november 1998, Spanje/Commissie, C-415/96, Jurispr. blz. I-6993, punt 31), in punt 184 van het bestreden arrest terecht verklaard dat om de draagwijdte van het arrest van het Hof van 15 juni 1994 te bepalen, te rade moet worden gegaan met de rechtsoverwegingen van dat arrest.

73 De nietigverklaring van een gemeenschapshandeling is immers niet noodzakelijkerwijs van invloed op de voorbereidende handelingen (arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald, punt 32), aangezien de procedure ter vervanging van de nietig verklaarde handeling weer mag worden opgenomen op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan (arrest Spanje/Commissie, punt 31).

74 In punt 189 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel opgemerkt dat het Hof in zijn arrest van 15 juni 1994 beschikking PVC I nietig had verklaard wegens een procedurefout die enkel betrekking had op de wijze waarop deze beschikking door de Commissie definitief was vastgesteld.

75 Daaruit heeft het Gerecht dus terecht afgeleid, dat aangezien de vastgestelde procedurefout in de laatste fase van de vaststelling van beschikking PVC I was gemaakt, de nietigverklaring de geldigheid van de maatregelen ter voorbereiding van die beschikking die waren getroffen vóór de fase waarin de procedurefout was vastgesteld, niet had aangetast (zie, in verband met een richtlijn, arrest van 13 november 1990, Fedesa e.a., C-331/88, Jurispr. blz. I-4023, punt 34).

76 Het onderzochte middel moet derhalve worden afgewezen.

5. De middelen van alle rekwiranten dat na de nietigverklaring van beschikking PVC I in de administratieve procedure nieuwe handelingen hadden moeten worden gesteld, en het middel van ICI inzake de onvolledigheid van het dossier dat bij de vaststelling van beschikking PVC II aan het college van leden van de Commissie is voorgelegd

77 Voor het Gerecht hebben rekwiranten in wezen betoogd, dat ook al is de bij het arrest van het Hof van 15 juni 1994 vastgestelde fout in de laatste fase van de vaststelling van beschikking PVC I gemaakt, de Commissie bij het wegwerken van die fout bepaalde processuele waarborgen in acht had moeten nemen alvorens beschikking PVC II te geven, aangezien dit een nieuwe beschikking was. Voor het Gerecht is aldus betoogd dat hetzij de administratieve procedure vanaf de mededeling van de punten van bezwaar integraal had moeten worden overgedaan, hetzij een nieuwe hoorzitting van de belanghebbende ondernemingen had moeten worden gehouden, het Adviescomité opnieuw had moeten worden geraadpleegd en de raadadviseur-auditeur opnieuw had moeten worden ingeschakeld. ICI heeft bovendien gesteld dat in die omstandigheden in het aan het college van leden van de Commissie voorgelegde dossier documenten ontbraken, die, indien zij er wel waren geweest, de vaststelling van een beschikking met volledige kennis van de juridische en feitelijke vragen die dan zeker zouden zijn gerezen, mogelijk zouden hebben gemaakt.

78 In het kader van hun hogere voorziening verwijten rekwiranten het Gerecht dat het hun middelen op deze punten niet heeft aanvaard; deze zullen een voor een worden besproken.

a) Het feit dat niet opnieuw een mededeling van punten van bezwaar is uitgegaan

79 Montedison stelt dat de Commissie uit hoofde van de verordeningen nr. 17 en nr. 99/63 een nieuwe administratieve procedure had moeten inleiden, beginnend met een nieuwe mededeling van punten van bezwaar, alvorens beschikking PVC II vast te stellen, die een nieuwe beschikking is, al had zij dezelfde inhoud als beschikking PVC I.

80 Uit het onderzoek van het middel inzake schending van het gezag van gewijsde, in de punten 41 tot en met 53 van het onderhavige arrest, blijkt dat de nietigverklaring van beschikking PVC I bij het arrest van het Hof van 15 juni 1994 niet van invloed is geweest op de geldigheid van de daaraan voorafgegane procedurehandelingen, in het bijzonder de mededeling van de punten van bezwaar.

81 De Commissie was dan ook niet verplicht, alleen vanwege deze nietigverklaring, de betrokken ondernemingen een nieuwe mededeling van punten van bezwaar te sturen.

82 Het bezwaar van Montedison kan dan ook niet worden aanvaard.

b) Het feit dat de belanghebbende ondernemingen niet opnieuw zijn gehoord

83 Alle rekwiranten stellen dat de nietigverklaring van beschikking PVC I impliceerde dat voor de vaststelling van beschikking PVC II de ondernemingen opnieuw moesten worden gehoord ingevolge artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17. Volgens LVM en DSM vloeit deze noodzaak voort uit het grondbeginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, dat niet kan worden afgebakend, laat staan ingeperkt, door afgeleid recht vanwege de voorrang van grondbeginselen van gemeenschapsrecht boven afgeleide regelgeving.

84 Rekwiranten verwijten het Gerecht dan ook dat het in de punten 251 en 252 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat een nieuwe hoorzitting niet vereist was omdat er geen nieuwe punten van bezwaar waren.

85 Zoals het Gerecht in punt 246 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht, is de eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke procedure die tot de oplegging van sancties, met name geldboeten of dwangsommen, kan leiden, een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht, dat zelfs in een administratieve procedure in acht moet worden genomen (arrest van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, Jurispr. blz. 461, punt 9).

86 Verder heeft het in punt 247 van het bestreden arrest terecht benadrukt dat artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 en artikel 4 van verordening nr. 99/63, waarin dit beginsel wordt uitgewerkt, bepalen dat de Commissie in haar eindbeschikking slechts die punten van bezwaar in aanmerking mag nemen waaromtrent de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen in de gelegenheid zijn geweest hun standpunt kenbaar te maken.

87 Het kon daaruit derhalve in punt 249 van het bestreden arrest afleiden dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging eist dat elke belanghebbende onderneming of ondernemersvereniging de mogelijkheid krijgt te worden gehoord over de punten van bezwaar die de Commissie tegen ieder van hen in aanmerking wil nemen in haar eindbeschikking houdende vaststelling van de inbreuk op de mededingingsregels. Het heeft daarmee geen beperking van het grondbeginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging door de bepalingen van afgeleid recht van de verordeningen nr. 17 en nr. 99/63 aanvaard, maar de inhoud van dit beginsel op het gebied van de mededinging precies weergegeven.

88 Door vervolgens te constateren dat beschikking PVC II geen enkel punt van bezwaar bevatte dat niet voorkwam in beschikking PVC I, heeft het Gerecht geen rechtens onjuiste beoordeling gegeven, toen het in punt 252 van het bestreden arrest oordeelde dat voor de vaststelling van beschikking PVC II geen nieuwe hoorzitting vereist was.

89 Drie groepen argumenten zijn, zij het tevergeefs, tegen deze constatering ingebracht.

90 In de eerste plaats stellen LVM, DSM, Elf Atochem, Degussa, Enichem en ICI dat een nieuwe hoorzitting zinvol zou zijn geweest omdat zij dan opmerkingen hadden kunnen maken over de uit de nietigverklaring van beschikking PVC I te trekken consequenties. Zij hadden zich dan kunnen uitspreken over de noodzaak en het nut van het geven van beschikking PVC II zelf, over kwesties als het tijdsverloop, het gezag van gewijsde, het beginsel ne bis in idem, de ontwikkeling van de rechtspraak sinds de vaststelling van beschikking PVC I en de noodzakelijke toegang tot het dossier die inherent was aan de heropening van de procedure, de verplichting om bepaalde vragen voor te leggen aan de raadadviseur-auditeur, de verplichting om het Adviescomité te raadplegen, de implicaties van artikel 20 van verordening nr. 17 en de ontwikkeling van de PVC-markt sinds 1988.

91 Wat de noodzaak en het nut van het geven van een nieuwe beschikking na de nietigverklaring van beschikking PVC I betreft, moet worden opgemerkt dat het claimen van een recht om daarover opmerkingen in te dienen, buiten het kader treedt van de uitoefening van de rechten van de verdediging, dat wordt uitgewerkt in de verordeningen nr. 17 en nr. 99/63 en zich beperkt tot zaken als de juistheid en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het mededingingsrecht heeft gestaafd (arrest Hoffmann-La Roche/Commissie, reeds aangehaald, punt 11). Voorafgaand aan de vaststelling van beschikking PVC I zijn de rechten van de verdediging geëerbiedigd. Bij de eerste hoorzittingen hebben de belanghebbende ondernemingen immers hun opmerkingen kunnen maken over de door de Commissie geformuleerde bezwaren, en deze hebben vervolgens als beoordelingsbasis gediend voor de vaststelling van beschikking PVC II.

92 Wat de eventuele ontwikkelingen in de rechtspraak of de economische context betreft, deze kunnen op zich niet nopen tot een nieuwe hoorzitting, net zomin als het geval zou zijn wanneer deze zich zouden voordoen tijdens een aan een definitieve beschikking voorafgaande administratieve procedure.

93 Ook de rechtsvragen die in het kader van de toepassing van artikel 176 van het Verdrag zouden kunnen rijzen, zoals die inzake het tijdsverloop, de mogelijkheid van hervatting van de vervolging, de toegang tot het dossier die inherent zou zijn aan de heropening van de procedure, de inschakeling van de raadadviseur-auditeur en het Adviescomité, en de eventuele implicaties van artikel 20 van verordening nr. 17, noodzaakten niet tot een nieuwe hoorzitting, aangezien deze vragen de inhoud van de punten van bezwaar niet wijzigen, de enige die eventueel in aanmerking komen voor toetsing achteraf door de rechter.

94 In de tweede plaats betwisten LVM en DSM de opvatting van het Gerecht dat beschikking PVC II ten opzichte van beschikking PVC I geen nieuwe punten van bezwaar bevatte. Zij stellen in dit verband dat in beschikking PVC II belangrijke wijzigingen" zijn aangebracht ten opzichte van beschikking PVC I, te weten een nieuw dispositief, wijzigingen in de feitelijke en juridische motivering en een nieuw hoofdstuk over de verjaring. Meer in het algemeen zijn LVM en DSM van mening dat de rechtens relevante maatstaf niet is of nieuwe feiten en omstandigheden als punten van bezwaar" kunnen worden aangemerkt, maar alleen of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn waarover de ondernemingen zich nog niet hebben uitgelaten. Nieuwe punten zijn in casu de in punt 90 van het onderhavige arrest genoemde zaken waarover rekwiranten zich hadden willen uitspreken, en de in beschikking PVC II aangebrachte wijzigingen.

95 Elf Atochem betoogt dat de Commissie alleen al nieuwe hoorzittingen had moeten houden omdat beschikking PVC II ten opzichte van beschikking PVC I nieuwe punten" bevat. In de eerste plaats zijn in beschikking PVC II Norsk Hydro en Solvay uitgezonderd, die niet meer veroordeeld worden. In de tweede plaats worden deze twee ondernemingen nog steeds door de beschikking geraakt op grond van de collectieve gedragingen die aan de adressaten van beschikking PVC II worden verweten, zodat de twee successieve beschikkingen van de Commissie beide betrekking hebben op overeenkomsten of onderling afgestemde collectieve gedragingen waarvan de in 1994 vervolgde deelnemers niet dezelfde zijn als die van 1988. In de derde plaats bevat beschikking PVC II overwegingen betreffende de verjaring, ter rechtvaardiging van het recht om een nieuwe beschikking te geven. Hoe dan ook is het volgens Elf Atochem niet van belang of de nieuwe beschikking nieuwe punten van bezwaar bevat. Een nieuwe hoorzitting is steeds noodzakelijk. De Commissie kan niet gewoon de punten van bezwaar uit een eerdere, nietig verklaarde beschikking overnemen. Elke beschikking van de Commissie bevat eigen punten van bezwaar.

96 In dit verband moet worden opgemerkt dat, anders dan LVM en DSM stellen, de verschillen tussen het dispositief van beschikking PVC I en dat van beschikking PVC II, alsmede de uiteenzetting over de verjaring, geen nieuw punt van bezwaar inhouden dat door de Commissie aan beschikking PVC II is toegevoegd. Betreffende de feitelijke en juridische wijzigingen die zouden zijn aangebracht, geven rekwiranten niet aan welke daarvan volgens hen nieuwe punten van bezwaar inhouden, en evenmin tonen zij aan in welk opzicht deze wijzigingen inderdaad verband houden met dergelijke punten van bezwaar.

97 Overigens is, anders dan zowel LVM en DSM als Elf Atochem stellen, het feit dat er verschillen zijn tussen de twee beschikkingen van de Commissie, op zich geen reden voor een nieuwe hoorzitting, aangezien die verschillen niet impliceren dat nieuwe punten van bezwaar in aanmerking zijn genomen.

98 Wanneer de Commissie na de nietigverklaring van een beschikking op het gebied van de mededinging besluit, de vastgestelde onwettigheid of onwettigheden weg te werken en een identieke beschikking te geven die deze onwettigheden niet bevat, betreft deze beschikking dezelfde punten van bezwaar, waarover de ondernemingen zich reeds hebben uitgelaten. Elf Atochem kan dus niet stellen dat beschikking PVC I en beschikking PVC II elk eigen punten van bezwaar bevatten.

99 Vervolgens moet worden vastgesteld dat de verschillen tussen beschikking PVC I en beschikking PVC II met betrekking tot Norsk Hydro en Solvay slechts het logisch gevolg zijn van de regeling van de beroepswegen welke openstaan tegen een beschikking op het gebied van de mededinging die is gegeven jegens meerdere ondernemingen.

100 Een dergelijke beschikking wordt weliswaar opgesteld en bekendgemaakt als één beschikking, maar moet worden gezien als een bundel individuele beschikkingen waarbij met betrekking tot elk van de adressaten de haar verweten inbreuk of inbreuken geconstateerd worden en eventueel een boete wordt opgelegd. Zij kan alleen nietig worden verklaard met betrekking tot adressaten die door de gemeenschapsrechter in het gelijk zijn gesteld, en blijft bindend ten opzichte van adressaten die geen beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld (zie in die zin arrest van 14 september 1999, Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., C-310/97 P, Jurispr. blz. I-5356, punten 49 e.v.).

101 In het onderhavige geval heeft Solvay geen beroep tegen beschikking PVC I ingesteld en is het beroep van Norsk Hydro niet-ontvankelijk verklaard bij de beschikking Norsk Hydro/Commissie, reeds aangehaald.

102 Beschikking PVC I was dus ten aanzien van deze twee ondernemingen onherroepelijk geworden en dezen konden geen adressaat meer zijn van beschikking PVC II. Aangezien de punten van bezwaar die ten aanzien van alle oorspronkelijk aangeklaagde ondernemingen waren geformuleerd, echter mede op hen betrekking hadden, kon hun respectieve rol door de Commissie in beschikking PVC II wel worden meegewogen voorzover deze verband hield met de tegen de adressaten van deze tweede beschikking gerichte punten van bezwaar, voor de vaststelling van de aan die adressaten verweten inbreuken, elk tot zover hun eigen aansprakelijkheid reikte. Beschikking PVC I en beschikking PVC II betreffen dus niet overeenkomsten of onderling afgestemde collectieve gedragingen waarvan de in 1994 vervolgde deelnemers niet dezelfde zijn als die in 1988. Zij hebben betrekking op dezelfde overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende dezelfde ondernemingen, aan wie alleen vanwege de werking van de procedureregels bij twee achtereenvolgende beschikkingen een sanctie is opgelegd.

103 Wat de overwegingen inzake de verjaring betreft, die door Elf Atochem worden genoemd als derde punt waarin beschikking PVC II verschilt van beschikking PVC I, is duidelijk dat dit zeker geen nieuw punt van bezwaar is, daar zij geen betrekking hebben op andere gedragingen dan die waarover de ondernemingen zich reeds hadden uitgelaten.

104 Ten slotte verwijten Wacker-Chemie en Hoechst het Gerecht dat het heeft verklaard dat het niet nodig was een nieuwe hoorzitting te houden omdat er geen nieuwe punten van bezwaar waren, terwijl in beschikking PVC II wordt uitgegaan van een langere duur van de inbreuk, de beschikking ongegrond is op het punt van het bevel om de in artikel 2 van de beschikking genoemde inbreuk te beëindigen, en de hoogte van de boete niet wordt bepaald overeenkomstig artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.

105 De duur van de geconstateerde inbreuk is volgens rekwiranten alleen door de datum van vaststelling van beschikking PVC II met vijf en een half jaar verlengd ten opzichte van de inbreuk zoals geconstateerd op de datum van vaststelling van beschikking PVC I.

106 Dienaangaande moet echter worden opgemerkt dat de artikelen 1 en 3 van beschikking PVC II, die evenals de artikelen 1 en 3 van beschikking PVC I respectievelijk de deelneming van rekwiranten aan de geconstateerde inbreuk vaststellen en deze ondernemingen geldboeten opleggen, moeten worden gelezen tegen de achtergrond van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Wat nu met name Wacker-Chemie en Hoechst betreft, wordt in punt 54 van zowel beschikking PVC I als beschikking PVC II verklaard dat de hoogte van de geldboeten is vastgesteld op basis van deelneming aan het kartel op zijn minst tot mei 1984". De vaststelling van beschikking PVC II op 27 juli 1994 heeft dus niet tot gevolg gehad dat de duur van de inbreuk ten opzichte van beschikking PVC I is verlengd, daar de daadwerkelijk in aanmerking genomen duur van de deelneming dezelfde was.

107 Wat het bevel om de inbreuk te beëindigen betreft, betogen Wacker-Chemie en Hoechst dat dit veronderstelt dat bewezen is dat de inbreuk heeft voortgeduurd tot het moment van vaststelling van beschikking PVC II, en dat bij gebreke van dit bewijs de rechtsgrondslag aan het bevel door het tijdsverloop is ontvallen. Bovendien hebben zij hun activiteiten op de PVC-markt gestaakt vóór de vaststelling van beschikking PVC II, zodat zij niet konden worden verplicht enige inbreuk te beëindigen.

108 De Commissie heeft in punt 50 van zowel beschikking PVC I als beschikking PVC II verklaard dat zij, niettegenstaande een aantal toezeggingen van enkele ondernemingen tijdens de administratieve procedure, niet wist of ooit wel een punt achter de bijeenkomsten [was] gezet en of niet op zijn minst enige vorm van communicatie tussen de ondernemingen over prijzen en hoeveelheden [was] blijven bestaan". Zij heeft daaruit geconcludeerd dat [i]n de beschikking formeel [dient] te worden geëist dat de ondernemingen die nog actief zijn in de PVC-sector, de inbreuk beëindigen". Zij heeft de ondernemingen daarom in artikel 2 van beschikking PVC II, evenals eerder in artikel 2 van beschikking PVC I, bevolen, de inbreuken onverwijld te beëindigen voorzover zij dit niet reeds [hadden] gedaan". Dit bevel gold dus enkel die ondernemingen die de inbreuk mogelijk op de datum van vaststelling van de beschikking nog voortzetten. Evenals het geval was in beschikking PVC I was het bevel in beschikking PVC II dus gewoon zonder voorwerp voor ondernemingen die op de datum van vaststelling van de beschikking de inbreuk reeds hadden beëindigd. Het was zonder voorwerp voor Wacker-Chemie en Hoechst voorzover dezen naar eigen zeggen hun activiteiten op de PVC-markt reeds hadden gestaakt, aangezien artikel 2 van beschikking PVC II, evenals artikel 2 van beschikking PVC I, is gericht tot ondernemingen die nog actief zijn in de PVC-sector".

109 Wat ten slotte de bepaling van de hoogte van de boete betreft, stellen Wacker-Chemie en Hoechst dat een boete die lang na de ten laste gelegde feiten wordt opgelegd, niet noodzakelijk hetzelfde resultaat heeft als een sanctie onmiddellijk na de inbreuk, en dat de Commissie de omzet van het laatste boekjaar vóór beschikking PVC II diende te bepalen overeenkomstig artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, volgens hetwelk de boete die kan worden opgelegd ten hoogste tien procent van de omzet in het voorafgaande boekjaar bedraagt.

110 De verplichting om de omzet van het voorafgaande boekjaar te nemen, geldt in het stadium waarin de Commissie de uiteindelijke beschikking geeft, teneinde het maximumbedrag van de boete te bepalen. De noodzaak deze omzet aan te houden ontstaat dus na het horen van de ondernemingen, dat tot doel heeft de ondernemingen in staat te stellen hun opmerkingen over de tegen hen ingebrachte punten van bezwaren te formuleren. Bovendien komt deze verplichting eerst aan de orde indien de Commissie na de hoorzitting van mening is dat de inbreuk bewezen is. Het betoog van rekwiranten kan dan ook niet dienen als basis om in casu een verplichting tot het houden van een nieuwe hoorzitting aan te nemen.

111 Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar inzake het niet opnieuw horen van de betrokken ondernemingen moet worden afgewezen.

c) Het niet opnieuw raadplegen van het Adviescomité

112 Alle rekwiranten stellen dat de nietigverklaring van beschikking PVC I impliceerde dat voor de vaststelling van beschikking PVC II het Adviescomité opnieuw moest worden geraadpleegd ingevolge artikel 10, lid 3, van verordening nr. 17.

113 Zij verwijten het Gerecht dat het in de punten 256 en 257 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het Adviescomité slechts opnieuw behoefde te worden geraadpleegd ingeval ook een nieuwe hoorzitting noodzakelijk was.

114 Artikel 1 van verordening nr. 99/63 bepaalt:

Alvorens het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities te raadplegen, hoort de Commissie de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen overeenkomstig artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17."

115 In punt 256 van het bestreden arrest heeft het Gerecht er terecht aan herinnerd dat het horen van de belanghebbende ondernemingen en de raadpleging van het Adviescomité in dezelfde situaties vereist zijn (arrest van 21 september 1989, Hoechst/Commissie, 46/87 en 227/88, Jurispr. blz. 2859, punt 54).

116 Zoals in casu reeds is geconstateerd, had echter enerzijds de nietigverklaring van beschikking PVC I de geldigheid van de aan de vaststelling van die beschikking voorafgegane administratieve-procedurehandelingen niet aangetast, en noopte anderzijds deze nietigverklaring niet tot een nieuwe hoorzitting.

117 Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van verordening nr. 17 en artikel 1 van verordening nr. 99/63 was beschikking PVC II dus stellig een beschikking naar aanleiding van" een procedure houdende vaststelling van een inbreuk op artikel 85 van het Verdrag en had voorafgaand daaraan een hoorzitting van de ondernemingen plaatsgehad en was het Adviescomité geraadpleegd op 1 december 1988.

118 Aangezien beschikking PVC II geen substantiële wijzigingen bevatte ten opzichte van beschikking PVC I, waarvan een voorontwerp overeenkomstig artikel 10, lid 5, van verordening nr. 17 aan het Adviescomité was voorgelegd, heeft het Gerecht in punt 257 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat het Adviescomité niet opnieuw behoefde te worden geraadpleegd (zie naar analogie, betreffende de raadpleging van het Parlement tijdens de wetgevingsprocedure, arrest van 10 juni 1997, Parlement/Raad, C-392/95, Jurispr. blz. I-3213, punt 15).

119 Hieruit volgt dat het bezwaar inzake het niet opnieuw raadplegen van het Adviescomité moet worden afgewezen.

d) Het niet opnieuw inschakelen van de raadadviseur-auditeur

120 Degussa, Enichem en ICI stellen dat de Commissie ook de raadadviseur-auditeur opnieuw had moeten inschakelen; diens nieuwe rol was inmiddels gedefinieerd in de beschikking van de Commissie van 24 november 1990 betreffende de afwikkeling van hoorzittingen in het kader van de procedures voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag en de artikelen 65 en 66 van het EGKS-Verdrag (XXe Verslag over het mededingingsbeleid, blz. 351; hierna: beschikking van 24 november 1990").

121 Zij verwijten het Gerecht dat het in punt 253 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, dat aangezien de Commissie niet verplicht was de belanghebbende ondernemingen opnieuw te horen, zij niet in strijd had gehandeld met de bewoordingen van haar beschikking van 24 november 1990, die ratione temporis niet van toepassing was op de mondelinge fase van de administratieve procedure die aan de vaststelling van beschikking PVC II was voorafgegaan.

122 De Commissie heeft de functie van raadadviseur-auditeur per 1 september 1982 gecreëerd volgens een mededeling met de titel Bericht betreffende de procedure voor toepassing van de mededingingsregels van het EEG-Verdrag (de artikelen 85 en 86) en het EGKS-Verdrag (de artikelen 65 en 66)", bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 25 september 1982 (PB C 251, blz. 2).

123 In deze mededeling heeft zij deze functie gedefinieerd als volgt:

De Raadadviseur-auditeur heeft tot taak de vlotte afwikkeling van de hoorzitting te verzekeren en daardoor bij te dragen tot het objectieve karakter zowel van de hoorzitting als van de eventueel te geven beschikking. Hij ziet er met name op toe dat met alle relevante feiten, ongeacht of zij al dan niet gunstig zijn voor de betrokkenen, ten volle rekening wordt gehouden bij het uitwerken van ontwerp-beschikkingen van de Commissie op het gebied van de mededinging.

Hij zorgt bij de uitoefening van zijn functies voor de inachtneming van de rechten van de verdediging, daarbij terzelfdertijd rekening houdend met de noodzaak [van] een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels overeenkomstig de geldende verordeningen en de door het Hof van Justitie vastgestelde beginselen."

124 De functie van raadadviseur-auditeur is uitgewerkt in een tekst die is gepubliceerd als bijlage bij het XIIIe Verslag over het mededingingsbeleid, over 1983, waarvan artikel 2 gelijkluidend was aan de oorspronkelijke definitie. Deze tekst is vervangen door de beschikking van 24 november 1990, waarvan artikel 2 gelijkluidend was aan de oorspronkelijke definitie.

125 Uit de inhoud van de taak van de raadadviseur-auditeur in de procedure voorafgaand aan beschikking PVC I volgt reeds dat zijn optreden noodzakelijkerwijs gekoppeld was aan het horen van de ondernemingen met het oog op het geven van een eventuele beschikking.

126 Aangezien het Gerecht op goede gronden heeft vastgesteld dat een nieuwe hoorzitting na de nietigverklaring van beschikking PVC I niet noodzakelijk was, kon het Gerecht daaruit dus in punt 253 van het bestreden arrest met recht afleiden dat een nieuwe inschakeling van de raadadviseur-auditeur, overeenkomstig de beschikking van 24 november 1990, die inmiddels in werking was getreden, evenmin vereist was.

127 Derhalve moet het bezwaar inzake het niet opnieuw inschakelen van de raadadviseur-auditeur worden afgewezen.

e) De samenstelling van het dossier dat aan het college van leden van de Commissie is voorgelegd

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in