Art. 8.3.5 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De officier van justitie die betrokken is bij het gemeenschappelijk onderzoeksteam verbindt aan de terbeschikkingstelling, bedoeld in artikel 8.3.4, dan wel de doorgeleiding, bedoeld in artikel 8.3.3, de voorwaarden dat:

a. het Nederlandse recht ten aanzien van de voorwerpen en gegevens volledig wordt gerespecteerd;

b. de voorwerpen en gegevens niet als bewijsmiddel worden gebruikt.

2. Indien de strafvervolging van het strafbare feit zal plaatsvinden in een andere staat kunnen de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, door de officier van justitie worden opgeheven. In dat geval bedingt de officier van justitie dat de voorwerpen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt, tenzij aannemelijk is dat de rechthebbende op die voorwerpen niet in Nederland verblijf houdt.

3. Indien een klaagschrift als bedoeld in artikel 8.3.8 is ingediend of nog kan worden ingediend, overeenkomstig artikel 2.7.71, eerste lid, beroep is ingesteld of nog kan worden ingesteld dan wel op grond van artikel 8.3.9 verlof van de rechtbank is vereist, worden de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, pas opgeheven nadat onherroepelijk is beslist op het klaagschrift of het beroep of nadat de in artikel 8.3.8 genoemde termijn ongebruikt is verstreken dan wel nadat het verlof is verleend.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen