Art. 8.2.3 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. Bevoegd tot het richten van een verzoek om rechtshulp aan de autoriteiten van een andere staat zijn de officier van justitie, de rechter-commissaris die onderzoek verricht op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 en het gerecht in feitelijke aanleg dat de zaak behandelt.

2. Het verzoek om rechtshulp kan worden gedaan door een opsporingsambtenaar indien het uitsluitend is gericht op het verkrijgen van inlichtingen van buitenlandse opsporingsambtenaren waarover die buitenlandse opsporingsambtenaren al beschikken of die betrekking hebben op elders vastgelegde gegevens voor het verkrijgen waarvan door die buitenlandse opsporingsambtenaren uitsluitend onderzoekshandelingen hoeven te worden verricht waartoe in een Nederlands onderzoek een opsporingsambtenaar zelfstandig bevoegd is.

3. Verzending van het verzoek om rechtshulp vindt plaats door Onze Minister. Wanneer een verdrag voorziet in rechtstreekse toezending van verzoeken aan justitiële autoriteiten, wordt het verzoek verzonden door de officier van justitie, de rechter-commissaris of het gerecht, bedoeld in het eerste lid. Verzending van verzoeken als bedoeld in het tweede lid kan door een opsporingsambtenaar plaatsvinden.

Verwijst naar

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen