Art. 61 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd, Bezette gebieden

Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd

De verdeling van de zendingen tot hulpverlening, bedoeld in de voorgaande artikelen, zal worden uitgevoerd met de medewerking en onder het toezicht van de beschermende Mogendheid. Deze taak mag ook, bij overeenkomst tussen de bezettende Mogendheid en de beschermende Mogendheid, worden gedelegeerd aan een onzijdige Staat, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere onpartijdige humanitaire organisatie.

Deze zendingen tot hulpverlening zullen in bezet gebied vrijgesteld zijn van alle rechten, belastingen of accijnzen, tenzij deze heffingen in het belang van de economie van het gebied noodzakelijk zijn. De bezettende Mogenheid moet een vlotte verdeling van deze zendingen vergemakkelijken.

Alle Verdragsluitende Partijen zullen er naar streven de doorvoer en het vervoer van deze voor bezette gebieden bestemde zendingen tot hulpverlening kosteloos toe te staan.

Artikelen die hiernaar verwijzen

Vorige artikelen

Volgende artikelen