Art. 54 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd, Bezette gebieden
Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
Het is de bezettende Mogendheid verboden de staat van ambtenaren of van leden van de rechterlijke macht in het bezette gebied te wijzigen of op enigerlei wijze te hunnen aanzien strafmaatregelen toe te passen dan wel dwang- of discriminerende maatregelen te nemen, ingeval zij zich op grond van gewetensbezwaren van de uitoefening van hun functie mochten onthouden.
Dit verbod vormt geen belemmering voor de toepassing van het tweede lid van artikel 51. Het laat het recht van de bezettende Mogendheid om dragers van openbare ambten van hun functies te ontheffen onverlet.
Vorige artikelen
- Artikel 49 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 50 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 51 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 52 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 53 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
Volgende artikelen
- Artikel 55 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 56 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 57 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 58 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 59 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd