Art. 5 Besluit emissiearme huisvesting, (ammoniak hoofdcategorie varkens, kippen en kalkoenen)
Besluit emissiearme huisvesting
1. Degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, past in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens, de hoofdcategorie kippen en de hoofdcategorie kalkoenen geen huisvestingssystemen toe met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak die voor een tot die hoofdcategorieën behorende diercategorie is vermeld in bijlage 1, waarbij de maximale emissiewaarde in:
a. kolom A geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015;
b. kolom B geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015, met uitzondering van een dierenverblijf als bedoeld in onderdeel c;
c. kolom C geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 januari 2020 indien het dierenverblijf op het tijdstip van oprichting onderdeel is van een IPPC-installatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin varkens onderscheidenlijk pluimvee worden gehouden.
2. Het eerste lid, onderdeel a, geldt niet voor huisvestingssystemen die deel uitmaken van een dierenverblijf dat voor 1 januari 2007 is opgericht, indien de totale ammoniakemissie van de tot de inrichting behorende huisvestingssystemen niet hoger is dan de totale ammoniakemissie die de huisvestingssystemen op grond van het eerste lid, berekend op basis van de maximale emissiewaarden per afzonderlijk huisvestingssysteem, zouden mogen veroorzaken.
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015, waarvoor op uiterlijk 30 juni 2015 een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht onherroepelijk is en dat is opgericht voor 1 oktober 2016, kolom A in plaats van kolom B.
4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015, waarvoor op uiterlijk 30 juni 2015 een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is ingediend die voldoet aan de indieningsvereisten als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht waarbij die vergunning niet onherroepelijk is en dat is opgericht binnen 15 maanden nadat die omgevingsvergunning onherroepelijk is, kolom A in plaats van kolom B.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 21 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2463
- ABRvS 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:216
- Rb. Oost-Brabant 12 januari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:23
- ABRvS 29 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2824
- Rb. Oost-Brabant 18 mei 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2431
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 oktober 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:5301
- Rb. Oost-Brabant 25 mei 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2436
- Rb. Oost-Brabant 10 februari 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:529
- Rb. Oost-Brabant 26 oktober 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5603
- Rb. Limburg 6 augustus 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7738
- Rb. Limburg 29 april 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:3973
- Rb. Gelderland 28 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7322
- Rb. Gelderland 28 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7321
- Rb. Gelderland 12 september 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5129
- Conclusie A-G Aben 26 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:532
- Hof 's-Hertogenbosch 26 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2468