Rb. Oost-Brabant 26 oktober 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5603

Naast de geldende revisievergunning is geen omgevingsvergunning beperkte milieutoets vereist op basis van artikel 2.2a, vierde lid, onderdeel a, onder 2° van het Bor. Een omgevingsvergunning beperkte milieutoets is volgens de aanhef van dat lid niet noodzakelijk, als het gaat om een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wabo. Op dit moment is sprake van een inrichting type C, bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wabo met de revisievergunning als geldende vergunningssituatie. De rechtbank kan zich voorstellen dat (in geval van verlening van een revisievergunning) een agrariër niet direct na de inwerkingtreding daarvan overgaat tot de oprichting of wijziging van zijn bedrijf. Immers, zolang de vergunning niet onherroepelijk is, handelt de agrariër voor eigen rekening en risico. Hij zal bovendien een aannemer bereid moeten vinden om de wijzigen in het bedrijf te realiseren en hij zal wellicht financiering moeten regelen. Deze periode biedt artikel 2.6, vierde lid, van de Wabo de agrariër niet. Strikt genomen handelt de inrichting in strijd met de revisievergunning op het moment dat deze onherroepelijk wordt en de eerdere vergunning is vervallen. De rechtbank is van oordeel dat een agrariër enige tijd moet worden gegund om de inrichting te bouwen of te wijzigen. Deze tijd is echter niet onbeperkt. Een agrariër zou een lopende ronde dieren moeten kunnen afmaken zonder te worden geconfronteerd met een handhavingsbesluit. Handhaving tijdens deze laatste lopende ronde dieren is onevenredig.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen