Art. 2 Verlofregeling TBS, Algemene bepalingen
1. Het hoofd FPC dient de verlofaanvraag schriftelijk in bij de Minister en voert deze in, in het door de Minister voorgeschreven geautomatiseerde systeem.
2. Uit de verlofaanvraag blijkt dat deze is opgesteld op basis van multidisciplinair overleg en professioneel inhoudelijke toetsing.
3. In de verlofaanvraag wordt door het hoofd FPC de volgende informatie verschaft:
a. samenvatting (Box 0);
b. voorgeschiedenis (Box 1);
c. (delict)diagnostiek (Box 2);
d. behandeling (Box 3);
e. risicotaxatie en risicomanagement (Box 4);
f. aanvraag verlofmodaliteit en verlofplan (Box 5);
g. slachtofferonderzoek en maatschappelijke gevoeligheid (Box 5a);
h. houding ter beschikking gestelde (Box 8).
4. Uit de verlofaanvraag blijkt dat een slachtofferonderzoek heeft plaatsgevonden. Van een machtiging wordt slechts gebruik gemaakt indien – voor zover daartoe de verplichting bestaat – een financiële regeling met slachtoffers en/of hun omgeving is getroffen.
5. Indien de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde voor de datum voorwaardelijke invrijheidstelling in een FPC is geplaatst, wordt een machtiging niet verleend voor genoemde datum.
6. Een machtiging wordt niet verleend
a. ten behoeve van een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij begeleid verlof naar het oordeel van de Minister noodzakelijk is ten behoeve van het vertrek uit Nederland of ter voorbereiding op de resocialisatie van de vreemdeling in het land van herkomst;
b. ten behoeve van verlof in het buitenland, met inbegrip van de delen van het Koninkrijk buiten Europa;
c. ten behoeve van verpleegden die alleen tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld, indien de prognose en de behandeldoelen verlof niet toelaten; of
d. indien een levenslange gevangenisstraf wordt ondergaan, tenzij de verpleegde activiteiten worden aangeboden als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften en aan de overige voorwaarden voor het verlenen van verlof wordt voldaan.
7. De risicotaxatie bedoeld in artikel 2, derde lid onder e, is niet ouder dan een jaar, gerekend vanaf de datum van de verlofaanvraag.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4877
- Hof Arnhem-Leeuwarden 30 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8328
- Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1487
- ABRvS 20 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9264
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3364
- Rb. Den Haag 1 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5561
- Rb. Den Haag 28 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5408
- Hof Den Haag 29 augustus 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2500
- Rb. 's-Gravenhage 27 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9328
- Rb. Noord-Nederland 12 augustus 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:2888
- Rb. Noord-Nederland 27 mei 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:5399
- Rb. Gelderland 31 december 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:6988
- Rb. Den Haag 24 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4954
- Rb. Den Haag 21 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:9116
- Rb. Den Haag 4 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9600
- Rb. Den Haag 15 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11213
- Hof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6138
- Hof Arnhem-Leeuwarden 12 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7661
- Hof Arnhem-Leeuwarden 1 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11310