Hof Arnhem-Leeuwarden 30 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8328

De vraag is of de vreemdelingenrechtelijke aspecten in de weg staan aan een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Uit de uitspraak in de zaak Rangelov tegen Duitsland van 22 maart 2012, no. 5123/07 valt af te leiden dat onder omstandigheden het anders behandelen van een vreemdeling dan een eigen onderdaan omwille van zijn vreemdelingenrechtelijke status in strijd kan komen met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in samenhang met artikel 5 van dat verdrag. Nu na de brief van de staatssecretaris van 28 januari 2014 aan de Tweede Kamer geen aanpassing van de Verlofregeling TBS heeft plaatsgehad en tevens binnen afzienbare termijn geen repatriëring met toepassing van artikel 38la van het Wetboek van Strafrecht valt te verwachten, waardoor de terbeschikkinggestelde in feite in een uitzichtloze situatie is komen te verkeren, is het hof van oordeel dat thans sprake is van een schending van het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 5 EVRM. Het hof zal behoudens de bepaling “dat de vreemdelingenrechtelijke positie van de terbeschikkinggestelde niet in de weg kan staan aan het toekennen van de bewegingsvrijheden die nodig zijn om invulling te geven aan de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging” de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2014 tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege bevestigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken