ABRvS 20 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9264
De rechter dient besluiten die de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van art. 3.4, lid 3 van het Vb 2000 betreffen terughoudend te toetsen. (…) De minister heeft zich (…), niet beperkt tot de vaststelling dat de vreemdeling niet verschilt van andere illegale vreemdelingen die in een TBS-kliniek verblijven, maar heeft tevens gemotiveerd het standpunt ingenomen dat de door de vreemdeling gestelde onmogelijkheid om verlof tijdens zijn TBS-behandeling te verkrijgen geen aanleiding geeft hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen met gebruikmaking van de bevoegdheid van art. 3.4, lid 3 van het Vb 2000. [Er] (…) bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister de enkele omstandigheid dat in de Verlofregeling TBS voor het verlenen van verlof aan een vreemdeling als voorwaarde is gesteld dat deze rechtmatig verblijf in Nederland heeft, niet in redelijkheid onvoldoende heeft kunnen achten om de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. (…) Anders dan waarvan de Rb. is uitgegaan, is in de door de vreemdeling aangespannen procedure tegen de weigering hem een verblijfsvergunning regulier te verlenen, geen plaats voor een inhoudelijke toetsing of zich in het geval van de vreemdeling de situatie voordoet dat enig uitzicht op vrijlating ("any prospect of release") ontbreekt en, zo ja, of om die reden jegens hem art. 3 EVRM wordt geschonden. Dat de weigering van de minister de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier te verlenen tot gevolg heeft dat ingevolge art. 2, lid 6, aanhef en onder a, van de Verlofregeling TBS ten behoeve van de vreemdeling geen machtiging tot verlof wordt verleend omdat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, leidt niet tot een ander oordeel. De beoordeling of verlenging van het verblijf van de vreemdeling in een TBS kliniek is aangewezen, is voorbehouden aan de rechter die beslist over de verlenging van de TBS maatregel.
De uitspraak op rechtspraak.nl