Art. 6.2c Wabo, Inwerkingtreding beschikkingen en rechtsbescherming
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
1. Onverminderd artikel 6.1 treedt een omgevingsvergunning met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, indien het te bouwen bouwwerk een bouwwerk betreft als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Woningwet en het bevoegd gezag op basis van het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, van die wet, dan wel uit anderen hoofde een redelijk vermoeden heeft dat ter plaatse van het bouwwerk sprake is van een vóór 1 januari 1987 ontstaan geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming, niet eerder in werking dan nadat:
a. op grond van artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming is vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden,
b. op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming met het saneringsplan, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, is ingestemd en het desbetreffende besluit in werking is getreden, of
c. een melding van een voornemen tot sanering als bedoeld in artikel 39b, derde lid, van de Wet bodembescherming is gedaan en de bij of krachtens het vierde lid van dat artikel gestelde termijn is verstreken.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, treedt de omgevingsvergunning in werking als in de beschikking, bedoeld in artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, is vastgesteld dat:
a. sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is,
b. geen sprake is van risico’s voor de mens, en
c. het bouwen de uitvoering van de sanering niet belemmert, mits degene die het nader onderzoek heeft overgelegd daarbij een met redenen omkleed verzoek heeft ingediend en de beschikking, bedoeld in de aanhef van dit lid, in werking is getreden.
3. Bij de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, vermeldt het bevoegd gezag of het een vermoeden heeft als bedoeld in dat lid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:133
- ABRvS 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2541
- ABRvS 16 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:69
- ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2678
- ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1338
- ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4521
- ABRvS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4958
- Rb. Utrecht 17 april 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW2931
- Rb. 's-Hertogenbosch 21 februari 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BV6335
- Rb. 's-Hertogenbosch 21 februari 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BV6331
- Rb. Noord-Holland 9 april 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:2751
- Rb. Noord-Holland 29 september 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:10451
- Rb. Den Haag 18 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22131
- Rb. Den Haag 16 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11541
- Rb. Den Haag 13 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12752
- Rb. Breda 11 mei 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ5753
- Rb. Amsterdam 15 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1449
- Rb. Amsterdam 15 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ6322