Art. 4:11 Wft, Regels voor het werkzaam zijn op de financiële markten betreffende alle financiële diensten
Wet op het financieel toezicht (Wft)
1. Een beheerder van een icbe, icbe, beleggingsonderneming, bewaarder, kredietservicer of pensioenbewaarder voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van zijn onderscheidenlijk haar bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat:
a. belangenverstrengeling wordt tegengegaan;
b. wordt tegengegaan dat de financiële onderneming of haar werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;
c. wordt tegengegaan dat wegens haar cliënten het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kan worden geschaad; en
d. wordt tegengegaan dat andere handelingen door de financiële onderneming of haar werknemers worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad.
2. Een financiëledienstverlener voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van zijn bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat wordt tegengegaan dat de financiëledienstverlener of zijn werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de financiëledienstverlener of in de financiële markten kunnen schaden. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere onderwerpen worden aangewezen die tot de integere uitoefening van het bedrijf van een financiëledienstverlener worden gerekend.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet voldoen.
4. Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste of tweede lid verstrekt aan de Autoriteit Financiële Markten bij algemene maatregel van bestuur te bepalen informatie over incidenten die verband houden met de onderwerpen, bedoeld in het eerste en tweede lid.
5. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het derde lid bepaalde, met uitzondering van het met betrekking tot het verlenen van een beleggingsdienst of verrichten van een beleggingsactiviteit of nevendienst bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 12 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:326
- CBb 6 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:366
- CBb 3 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:104
- CBb 25 februari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:102
- CBb 30 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:419
- CBb 2 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:967
- CBb 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:496
- Rb. Rotterdam 17 juli 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:6328
- Conclusie A-G Hartlief 9 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:358
- Rb. Rotterdam 9 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2925
- CBb 26 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:284
- Rb. Rotterdam 5 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1701
- Rb. Rotterdam 15 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5395
- Conclusie A-G Hartlief 9 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:359
- Rb. Rotterdam 18 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4042
- Rb. Rotterdam 7 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1802
- CBb 15 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:983
- CBb 20 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:733
- Rb. Rotterdam 2 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:7345
- Rb. Rotterdam 20 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2405