Art. 4:10 Wft, Regels voor het werkzaam zijn op de financiële markten betreffende alle financiële diensten
Wet op het financieel toezicht (Wft)
1. Het beleid van een beheerder van een beleggingsinstelling, beleggingsmaatschappij, beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten, beleggingsonderneming, bewaarder, financiëledienstverlener, kredietservicer of pensioenbewaarder wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien binnen de financiële onderneming een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.
2. De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld dat de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat en welke feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen alsmede met betrekking tot de misdrijven die, indien begaan door die persoon, met het oog op de belangen die de wet beoogt te beschermen, tot de vaststelling leiden dat de betrouwbaarheid van die persoon niet buiten twijfel staat. Bij het vaststellen of de betrouwbaarheid van een persoon die het beleid van een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten bepaalt of mede bepaalt buiten twijfel staat, wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 91 van de richtlijn kapitaalvereisten.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op tijdelijk bewindvoerders aangesteld op grond van artikel 1:76a, en bijzondere bestuurders aangesteld op grond van artikel 3A:49.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 6 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:366
- CBb 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:496
- CBb 19 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA0275
- Conclusie A-G Hartlief 9 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:358
- Rb. Rotterdam 22 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8228
- Rb. Rotterdam 15 oktober 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:10083
- Rb. Rotterdam 5 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1701
- Conclusie A-G Hartlief 9 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:359
- CBb 22 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:625
- CBb 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:498
- Rb. Rotterdam 24 februari 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BH4114
- Rb. Rotterdam 26 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4289
- Rb. Rotterdam 5 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1725
- Rb. Rotterdam 16 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:5553
- CBb 22 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:46
- CBb 8 november 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BZ7801
- Rb. Rotterdam 16 september 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11948
- Rb. Rotterdam 17 november 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU5321
- Rb. Rotterdam 11 februari 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BC4396
- Rb. Rotterdam 13 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:3666