Rb. Rotterdam 22 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8228
Betrokkenen kunnen alleen respectievelijk als feitelijk leidinggever respectievelijk medeplegen worden beboet wegens de overtredingen die door de vennootschap zijn begaan. De rechtbank ziet gelet hierop aanleiding zich (ambtshalve) te buigen over de vraag of de vennootschap de gestelde beboetbare overtredingen heeft begaan. AFM heeft in haar besluitvorming aan haar standpunt dat de artikelen 4:9 lid 1 en 4:10 lid 1 Wft zijn overtreden uitsluitend ten grondslag gelegd dat [Persoon 1] in de periode van 1 januari 2015 tot 22 juni 2015 feitelijk het beleid van de vennootschap heeft bepaald, terwijl hij niet door de AFM is getoetst op betrouwbaarheid en geschiktheid. De AFM heeft – ook nadat de rechtbank partijen over die kwestie had bericht bij brief van 13 september 2019 – vastgehouden aan dit standpunt. Zij heeft er daarbij op gewezen dat uit artikel 4:10 lid 2 Wft volgt dat de betrouwbaarheid van [Persoon 1] niet buiten twijfel staat zolang hij niet is getoetst. De uitleg die de AFM geeft aan het tweede lid van artikel 4:10 Wft acht de rechtbank niet juist. De strekking van het tweede lid is dat een financiële onderneming niet hoeft te vrezen voor een (beboetbare) overtreding door het van kleur verschieten van de betrouwbaarheid van haar beleidsbepaler(s) vanwege een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden voordat een nieuwe beoordeling door de toezichthouder heeft plaatsgehad. Dit betekent dat een persoon waarvan de betrouwbaarheid niet langer buiten twijfel staat deze status niet verliest zolang hij niet is herbeoordeeld. Daaruit volgt niet a contrario dat een financiële onderneming in strijd handelt met artikel 4:10 lid 1 Wft indien haar beleid (mede) wordt bepaald door een persoon wiens betrouwbaarheid niet is beoordeeld. Bovendien bevat artikel 4:9 van de Wft niet een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 4:10, tweede lid, van de Wft. Voor het aanvullen van de juridische grondslag van de bestreden besluiten door zelf – in weerwil van het herhaaldelijk door de AFM in deze zaak ingenomen standpunt – vast te stellen dat de vennootschap artikel 4:26 lid 1 en lid 9 Wft, gelezen in samenhang met artikel 103 lid 1 BGfo, heeft overtreden ziet de rechtbank geen ruimte (ECLI:NL:CBB:2015:330). Omdat de boeteoplegging niet in stand blijft bestaat aanleiding om het beroep op overschrijding van de redelijke termijn op te vatten als een verzoek om schadevergoeding wegens geleden immateriële schade (ECLI:NL:RVS:2014:47 en ECLI:NL:CBB:2013:165).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 2:4 Awb
- Artikel 5:1 Awb
- Artikel 5:2 Awb
- Artikel 5:10a Awb
- Artikel 5:12 Awb
- Artikel 5:13 Awb
- Artikel 5:17 Awb
- Artikel 5:20 Awb
- Artikel 5:53 Awb
- Artikel 8:72a Awb
- Artikel 8:88 Awb
- Artikel 8:91 Awb
- Artikel 1:1 Wft
- Artikel 1:72 Wft
- Artikel 1:80 Wft
- Artikel 2:80 Wft
- Artikel 2:83 Wft
- Artikel 2:96 Wft
- Artikel 4:9 Wft
- Artikel 4:10 Wft
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Rotterdam 18 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4042
- Rb. Rotterdam 20 december 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:10909
- ABRvS 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3339
- ABRvS 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2115
- Rb. Rotterdam 5 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1701
- Rb. Rotterdam 5 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1725
- CBb 21 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:101
- Rb. Rotterdam 16 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:5553
- ABRvS 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2735
- CBb 22 september 2015, ECLI:NL:CBB:2015:330
- HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117
- CBb 31 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:116
- ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188
- ABRvS 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:47
- CBb 3 september 2013, ECLI:NL:CBB:2013:165
- CBb 31 mei 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW7462
- ABRvS 12 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW1281