Art. 19 UBIB 2001, Waardering; aanvullende regels; waardering periodieke uitkeringen
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (UBIB 2001)
1. De waarde van een levenslange, ingegane periodieke uitkering in geld afhankelijk van het leven van één mannelijke persoon, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag vermenigvuldigd met:
2. De waarde van een ingegane periodieke uitkering in geld die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, en vervolgens voor ieder vijftal jaren of, zo dat minder is, het aantal jaren gedurende welke de uitkering (nog) moet plaatshebben, vermenigvuldigd met vijf onderscheidenlijk het aantal jaren gedurende welke de uitkering (nog) moet plaatshebben, en vermenigvuldigd met de in de volgende tabel opgenomen factor: De overeenkomstig de eerste volzin vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering levenslang zou zijn.
3. De waarde van een levenslange periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan en die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld en na het twaalfde vijftal jaren geen jaren meer in aanmerking worden genomen. De aldus vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn.
4. De waarde van een periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan, die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld. De aldus vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn.
5. De waarde van een periodieke uitkering in geld voor onbepaalde tijd, die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag.
6. De waarde van een periodieke uitkering in geld die na een bepaalde tijd vervalt en die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke de uitkering moet plaatshebben, iedere vermenigvuldigingsuitkomst vermenigvuldigd met een van de volgende factoren: De overeenkomstig de eerste volzin vastgestelde waarde kan niet meer bedragen dan het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag.
7. Een periodieke uitkering in geld, afhankelijk van het leven van één vrouwelijke persoon, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon die vijf jaar jonger is dan vorenbedoeld vrouwelijk persoon.
8. Een periodieke uitkering in geld die vervalt bij het overlijden:
a. van de langstlevende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die tien jaar jonger is dan de jongste van de vorenbedoelde personen;
b. van de eerststervende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die vijf jaar ouder is dan de oudste van de vorenbedoelde personen.
9. Een periodieke uitkering in geld tot een onzeker jaarlijks bedrag wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering tot het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag.
10. Een periodieke uitkering die recht geeft op andere goederen dan geld, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering in geld tot een jaarlijks bedrag, gelijk aan de overeenkomstig afdeling 5.4 van de wet geschatte waarde van de goederen.
11. De waarde van een periodieke uitkering die niet valt onder een van de vorige leden, wordt gesteld op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden aangekocht.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Den Haag 5 februari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6434
- Rb. Zeeland-West-Brabant 4 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2211
- HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8048
- Hof 's-Hertogenbosch 24 september 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2511
- Hof Den Haag 9 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1969
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9607
- Rb. Zeeland-West-Brabant 4 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2210
- Rb. Noord-Holland 27 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2217
- Rb. Haarlem 14 april 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9810
- Rb. Breda 16 maart 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ0205
- Rb. Breda 11 september 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ1575
- Rb. Arnhem 17 maart 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BP9072
- Conclusie A-G Niessen 22 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1138
- Conclusie A-G WATTEL 21 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX4024
- Conclusie A-G Niessen 25 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BN9759
- Conclusie A-G Niessen 25 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BN9739
- Conclusie A-G OVERGAAUW 26 oktober 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AY5991
- Hof 's-Hertogenbosch 13 mei 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1239
- Hof 's-Hertogenbosch 8 januari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2772
- Hof 's-Hertogenbosch 23 november 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8735