Hof 's-Hertogenbosch 13 mei 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1239

Belanghebbende was tot 1 maart 2006 werkzaam voor de NATO en ontvangt daarna een invaliditeitspensioen. Vanaf 16 september 2016 ontvangt hij een ouderdomspensioen. Daarnaast ontvangt hij een household allowance en een tax-adjustment. Het hof oordeelt dat het invaliditeitspensioen verschilt van een ouderdomspensioen. Het voordeel vloeit voort uit het dienstverband met de NATO en is belast op grond van artikel 3.81 Wet IB 2001. Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat het invaliditeitspensioen op dezelfde wijze moet worden belast als het ouderdomspensioen. Ook het beroep op het Besluit Pensioenen Internationale Organisaties wordt verworpen, aangezien in dat besluit uitdrukkelijk is bepaald dat dit besluit niet van toepassing op invaliditeitspensioenen. Het ouderdomspensioen moet in de heffing worden betrokken overeenkomstig de uitspraak van het hof van 24 september 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2511, waarbij uitgegaan wordt van een opbouw in drie delen. De opgebouwde rechten tot 1 januari 1995 zijn onbelast, omdat sprake is van een onzuivere pensioenregeling. De rechten die zijn opgebouwd van 1 januari 1995 tot 1 januari 2001 worden via de saldomethode in de heffing betrokken. De tegenprestatie wordt verminderd met de werkgeversbijdrage, aangezien het loon in de jaren 1995 tot en met 2000 was vrijgesteld. De werknemersbijdrage wordt wel in aanmerking genomen als tegenprestatie. De na 1 januari 2001 opgebouwde rechten worden integraal in box 1 belast. Het hof oordeelt voorts dat de household allowance en tax-adjustment een integraal onderdeel vormen van de pensioenrechten en op dezelfde wijze in de belastingheffing worden betrokken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken