Art. 3.125 Wet IB 2001, Lijfrentevoorzieningen
Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
1. Als lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangemerkt:
a. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, waarvan de eerste termijn wordt uitgekeerd uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, en waarvan de termijnen uitsluitend eindigen bij zijn overlijden;
b. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn partner of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt;
c. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige en een looptijd hebben van ten minste vijf jaar en waarvan de eerste termijn niet eerder wordt uitgekeerd dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt en uiterlijk wordt uitgekeerd in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, voor zover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 27.192 per jaar.
2. In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden.
3. In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, is voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarvan de termijnen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt de grootte van de kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Niessen 16 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:160
- Conclusie A-G Niessen 16 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:159
- Conclusie A-G Niessen 8 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:417
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 23 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BR4559
- Rb. Zeeland-West-Brabant 18 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5366
- Rb. Zeeland-West-Brabant 24 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2814
- Rb. 's-Gravenhage 13 oktober 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5689
- Rb. 's-Gravenhage 27 april 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AX8294
- Rb. Rotterdam 4 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2114
- Rb. Rotterdam 18 november 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BK3862
- Rb. Overijssel 24 april 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2264
- Rb. Overijssel 26 juli 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:2213
- Rb. Oost-Brabant 2 juni 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2141
- Rb. Breda 18 april 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AX0644
- Rb. Amsterdam 27 juni 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6762
- Conclusie A-G Niessen 8 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:494
- Conclusie A-G Niessen 8 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:493
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 26 november 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM9268
- Conclusie A-G Niessen 18 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AR8881
- Hof 's-Hertogenbosch 19 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4036