Rb. Amsterdam 27 juni 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6762
Eiseres heeft in 2010 pensioen op grond van de AOW en tevens lijfrente-uitkeringen ontvangen in verband met tussen 1988 en 1991 aangekochte koopsompolissen. Op eiseres zijn ingevolge overgangsrecht (hoofdstuk 2, artikel I, onder O, eerste lid en aanhef en onder a, van de Invoeringswet van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001) voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen die de tegenwaarde vormen voor een prestatie, de regels van toepassing die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet IB 1964. Verweerder heeft niet bestreden dat de echtgenoot van eiseres in het jaar 2010 het hoogste inkomen genoot en dat de premies ter verkrijging van de koopsompolissen als persoonlijke verplichting bij hem in aanmerking zijn genomen. Op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de Wet IB 1964 en artikel 69, eerste lid, van de Wet IB 1964 worden de genoten lijfrente-uitkeringen in dat geval niet aangemerkt als bestanddelen van het persoonlijk inkomen van eiseres. Ingevolge artikel 5, vijfde lid, van de Wet IB 1964, vindt het eerste lid van artikel 5 van de Wet IB 1964 echter alleen toepassing indien zowel de belastingplichtige als de echtgenoot binnenlands belastingplichtig is. Deze bepaling maakt (indirect) onderscheid tussen ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, dat met de invoering van dit wettelijk voorschrift een legitiem doel is nagestreefd en dat deze bepaling ook in een redelijke verhouding staat tot dit legitieme doel. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is en derhalve niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Verweerder heeft de lijfrente-uitkeringen op goede gronden meegerekend bij het vaststellen van de Zvw-bijdrage van eiseres over het jaar 2010.
De uitspraak op rechtspraak.nl