Art. 50 PBW, Disciplinaire straffen
Penitentiaire beginselenwet (PBW)
1. Indien een ambtenaar of medewerker constateert dat een gedetineerde betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en hij voornemens is daarover aan de directeur schriftelijk verslag te doen, deelt hij dit de gedetineerde mede.
2. De directeur beslist over het opleggen van een disciplinaire straf zo spoedig mogelijk nadat hem dit verslag is gedaan.
3. Indien de directeur of zijn plaatsvervanger feiten als bedoeld in het eerste lid constateert, blijft het eerste lid buiten toepassing.
4. Een straf kan worden opgelegd dan wel ten uitvoer gelegd in een andere inrichting of afdeling dan waarin het verslag, bedoeld in het eerste lid, is opgemaakt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 22 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5970
- Rb. Den Haag 15 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12500
- HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5166
- Conclusie A-G Vellinga 15 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW5166
- Rb. 's-Gravenhage 23 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP5534
- Rb. 's-Gravenhage 6 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO6664
- Rb. Limburg 8 december 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:12091
- Rb. Amsterdam 15 april 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM2780
- Rb. Almelo 8 juli 2010, ECLI:NL:RBALM:2010:BN1369
- Hof Amsterdam 19 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:3908