Rb. 's-Gravenhage 23 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP5534

Proces-verbaal terechtzitting. Vervolging in strijd met ne bis in idem-beginsel? Rechtstreekse werking van art. 50 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Disciplinaire bestraffing ex artikel 50 lid 1 Penitentiaire Beginselenwet. De directeur van een Penitentiaire Inrichting (P.I.) heeft aan de verdachte een disciplinaire straf van 14 dagen opsluiting in een cel opgelegd wegens mishandeling van een medegedetineerde. Verdachte wordt thans vervolgd terzake van (een poging tot) (zware) mishandeling c.q. bedreiging van een medegedetineerde. Zijn raadsman heeft een preliminair verweer gevoerd strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens strijd met het ne bis in idem-beginsel. De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011 (LJN: BM9102), waarin de maatstaf voor toepassing van art. 68 Sr en art. 313 Sv over “hetzelfde feit” is verduidelijkt. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” dienen de juridische aard van de feiten en de gedraging van de verdachte als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken. De rechtbank overweegt dat een disciplinaire bestraffing slechts de normbevestiging van de intern geldende (huis)regels in een P.I. dient en niet zozeer de regels die in het algemeen in de samenleving gelden. Daarin ligt een groot verschil met een strafrechtelijke vervolging. Voorts bestaat een groot verschil in de strafmaxima. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat in casu geen sprake is van “hetzelfde feit”. Dit betekent dat het in artikel 50 van voormeld Handvest neergelegde ne bis in idem-beginsel niet is geschonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen