Art. 36 BIG, Voorbehouden handelingen
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG)
1. Tot het verrichten van heelkundige handelingen - waaronder worden verstaan handelingen, liggende op het gebied van de geneeskunst, waarbij de samenhang der lichaamsweefsels wordt verstoord en deze zich niet direct herstelt - zijn bevoegd: doch de onder b, c, d en f genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
a. de artsen,
b. de tandartsen,
c. de verloskundigen,
d. de physician assistants,
e. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
f. de klinisch technologen,
2. Tot het verrichten van verloskundige handelingen zijn bevoegd:
a. de artsen,
b. de verloskundigen, doch dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
3. Tot het verrichten van endoscopieën zijn bevoegd: doch de onder b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
a. de artsen,
b. de physician assistants,
c. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
4. Tot het verrichten van catheterisaties zijn bevoegd: doch de onder b, c en e genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
a. de artsen,
b. de verloskundigen,
c. de physician assistants,
d. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
e. de klinisch technologen,
5. Tot het geven van injekties zijn bevoegd: doch de onder b, c, d en f genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
a. de artsen,
b. de tandartsen,
c. de verloskundigen,
d. de physician assistants,
e. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
f. de klinisch technologen,
6. Tot het verrichten van punkties zijn bevoegd: doch de onder b, c en e genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
a. de artsen,
b. de verloskundigen,
c. de physician assistants,
d. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
e. de klinisch technologen,
7. Tot het brengen onder narcose zijn bevoegd:
a. de artsen,
b. de tandartsen, doch dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
8. Tot het verrichten van handelingen, op het gebied van de individuele gezondheidszorg, met gebruikmaking van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden, zijn bevoegd: doch uitsluitend voor zover zij voldoen aan de krachtens de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82) ter zake van het gebruiken van zodanige stoffen en toestellen gestelde eisen, alsmede, voor zover het betreft tandartsen en klinisch technologen, uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
a. de artsen,
b. de tandartsen,
c. de klinisch technologen,
9. Tot het verrichten van electieve cardioversie zijn bevoegd: doch de onder b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
a. de artsen,
b. de physician assistants,
c. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
10. Tot het toepassen van defibrillatie zijn bevoegd: doch de onder b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
a. de artsen,
b. de physician assistants,
c. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
11. Tot het toepassen van electroconvulsieve therapie zijn bevoegd: de artsen.
12. Tot steenvergruizing voor geneeskundige doeleinden zijn bevoegd: de artsen.
13. Tot het verrichten van handelingen ten aanzien van menselijke geslachtscellen en embryo's, gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand brengen van een zwangerschap, zijn bevoegd: de artsen.
14. Tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder s, van de Geneesmiddelenwet zijn bevoegd:
a. de artsen;
b. de tandartsen;
c. de verloskundigen, doch dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid;
d. verpleegkundigen, die behoren tot een ter bevordering van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg bij ministeriële regeling aan te wijzen categorie, doch dezen uitsluitend:
1°. voor zover een onder a, b of c bedoelde beroepsbeoefenaar de diagnose heeft gesteld met betrekking tot de patiënt voor wie het geneesmiddel is bestemd,
2°. voor zover medische protocollen en standaarden ter zake van het voorschrijven van UR-geneesmiddelen worden gevolgd,
3°. binnen de bij de regeling te stellen beperkingen ten aanzien van de reikwijdte van de in de aanhef bedoelde bevoegdheid, en
4°. voor zover van die bevoegdheid een aantekening in het register is gemaakt;
e. bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
f. de physician assistants, doch deze uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
15. Het ontwerp van de ministeriële regeling, bedoeld in het veertiende lid, onder d, treedt niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:652
- Hof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9631
- Hof Arnhem-Leeuwarden 16 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7315
- Hof Arnhem-Leeuwarden 10 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6232
- ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1191
- Rb. Gelderland 4 juli 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2950
- Hof 's-Hertogenbosch 28 augustus 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB2385
- ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1936
- Rb. Rotterdam 12 juni 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3348
- Rb. Amsterdam 21 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:722
- Conclusie A-G Harteveld 7 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:564
- HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:62
- Hof Den Haag 29 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1175
- CBb 17 december 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BP0452
- ABRvS 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2712
- Rb. 's-Gravenhage 19 december 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2320
- Rb. Rotterdam 30 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7494
- Rb. Oost-Brabant 14 april 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:1647
- Rb. Noord-Nederland 17 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1259
- Rb. Noord-Nederland 11 september 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:3851