Art. 6 Wet BOPZ, Voorlopige machtiging
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ)
1. Indien een verzoek als bedoeld in artikel 4, is gedaan, doet de officier van justitie bij de rechter een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging, tenzij hij het verzoek, bedoeld in artikel 4, kennelijk ongegrond acht of minder dan een jaar verstreken is sedert een vorig verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging is afgewezen dat op dezelfde persoon betrekking had, en uit het nieuwe verzoek als bedoeld in artikel 4 niet blijkt van nieuwe feiten.
2. Indien zich naar het oordeel van de officier van justitie een geval voordoet als bedoeld in artikel 2, doet hij, ook indien hij daartoe ingevolge het eerste lid niet verplicht is, bij de rechter een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging.
3. Indien de beslissing van de officier van justitie inzake het doen van het verzoek betrekking heeft op een persoon die reeds in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, deelt de officier zijn beslissing schriftelijk mede aan de geneesheer-directeur van dat psychiatrisch ziekenhuis.
4. Een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging ten aanzien van een persoon die reeds in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, wordt zo spoedig mogelijk gedaan, doch in elk geval binnen twee weken na de dag van verzending van de verklaring van de geneesheer-directeur, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
5. Bij het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging worden de in artikel 5 bedoelde bescheiden alsmede - indien aanwezig - het verzoek, bedoeld in artikel 4, overgelegd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842
- HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:165
- Conclusie A-G Langemeijer 10 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:365
- Conclusie A-G Langemeijer 16 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:300
- Conclusie A-G Langemeijer 30 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1455
- Conclusie A-G Langemeijer 10 april 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH6283
- Rb. 's-Gravenhage 25 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9765
- Rb. 's-Gravenhage 25 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9744
- Rb. 's-Gravenhage 3 augustus 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0928
- Rb. 's-Gravenhage 1 juli 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BI9984
- Rb. 's-Gravenhage 20 maart 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8225
- Rb. 's-Gravenhage 26 november 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BD0692
- Rb. 's-Gravenhage 18 augustus 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1485
- Rb. Rotterdam 7 november 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8714
- Rb. Maastricht 4 november 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO3709
- Rb. Den Haag 4 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:1258
- Rb. Den Haag 26 april 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1657
- Conclusie A-G Langemeijer 16 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:301
- Conclusie A-G Langemeijer 27 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1314
- Conclusie A-G Langemeijer 14 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2813