Art. 7 Wet BOPZ, Voorlopige machtiging
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ)
1. Bevoegd is de rechtbank van de woonplaats van de betrokkene of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van zijn werkelijk verblijf dan wel, indien het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging wordt gedaan in een geval als bedoeld in artikel 2, vierde lid, de rechtbank van het arrondissement waarin het ziekenhuis waarin de betrokkene verblijft, gelegen is.
2. Indien, in een geval als bedoeld in artikel 2, vierde lid, de betrokkene, nadat de verklaring bedoeld in artikel 5, eerste lid, ter kennis van het openbaar ministerie is gekomen, is overgebracht naar een ziekenhuis in een ander arrondissement, kan de oorspronkelijk bevoegde officier van justitie dan wel - na het verzoek van de officier van justitie - de oorspronkelijk bevoegde rechter besluiten de behandeling van de zaak voort te zetten. De rechter kan evenwel verwijzing van de behandeling van het verzoek naar de rechter van dat andere arrondissement bevelen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316
- Conclusie A-G Langemeijer 5 november 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BN7892
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 21 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1085
- HR 16 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2123
- Conclusie A-G Langemeijer 10 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO2880
- Conclusie A-G Langemeijer 13 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD1500
- Conclusie A-G Langemeijer 9 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AN8082