Art. 4 Wet BOPZ, Voorlopige machtiging

Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ)

1. Tot het indienen van een verzoek, gericht op het verkrijgen van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2, zijn bevoegd:

a. de echtgenoot;

b. de ouders dan wel een van hen, voor zover hun gezag niet is beëindigd, en elke meerderjarige bloedverwant in de rechte lijn, niet zijnde een ouder, en in de zijlijn tot en met de tweede graad;

c. de voogd, de curator of de mentor van de betrokkene.

2. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan aan de officier van justitie bij de ingevolge artikel 7 bevoegde rechtbank.

Uitspraken die dit artikel aanhalen