Art. 4 Wet BOPZ, Voorlopige machtiging
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ)
1. Tot het indienen van een verzoek, gericht op het verkrijgen van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2, zijn bevoegd:
a. de echtgenoot;
b. de ouders dan wel een van hen, voor zover hun gezag niet is beëindigd, en elke meerderjarige bloedverwant in de rechte lijn, niet zijnde een ouder, en in de zijlijn tot en met de tweede graad;
c. de voogd, de curator of de mentor van de betrokkene.
2. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan aan de officier van justitie bij de ingevolge artikel 7 bevoegde rechtbank.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926
- HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:957
- Conclusie A-G Langemeijer 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AN7550
- HR 2 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1113
- Rb. Rotterdam 7 november 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8714
- Rb. Maastricht 4 november 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO3709
- Rb. Limburg 20 maart 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:3098
- Rb. Haarlem 5 februari 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BH2869
- Conclusie A-G Langemeijer 22 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1533
- Conclusie A-G Langemeijer 25 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1847
- Conclusie A-G Langemeijer 18 juni 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM5150
- Conclusie A-G Langemeijer 22 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR1260
- Conclusie A-G Langemeijer 20 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7676
- Conclusie A-G Langemeijer 13 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7479
- Hof 's-Hertogenbosch 17 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3611