Art. 54 Wet BOPZ, Bescheiden voor opneming en verblijf
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ)
1. Indien door of ten aanzien van een in een ziekenhuis, al dan niet zijnde een psychiatrisch ziekenhuis, op grond van één der in artikel 53, tweede lid, bedoelde beslissingen opgenomen persoon na verloop van de geldigheidsduur daarvan in de zin van hoofdstuk II geen blijk wordt gegeven van de bereidheid tot voortzetting van het verblijf, dan wel indien door of ten aanzien van een niet op grond van één der bedoelde beslissingen opgenomen persoon in de zin van hoofdstuk II blijk wordt gegeven van de wil tot beëindiging van het verblijf, wordt het verblijf door het ziekenhuis slechts voortgezet tegen overlegging van één der in het tweede lid bedoelde bescheiden, dat op die persoon betrekking heeft. In afwijking van het bepaalde in de voorgaande volzin betreffende het blijk geven van de bereidheid door de opgenomen persoon, dient in het geval dat een machtiging is verleend op grond van artikel 3, na verloop van de geldigheidsduur van die machtiging aan de in de eerste volzin gestelde voorwaarde te worden voldaan, indien door de opgenomen persoon blijk wordt gegeven aan verzet tegen voortzetting van het verblijf.
2. De in het eerste lid bedoelde bescheiden zijn:
a. een afschrift van een rechterlijke beschikking, houdende een machtiging als bedoeld in hoofdstuk II, paragrafen 1, 2, 3 of 4;
b. een mededeling van de officier van justitie ingevolge artikel 16, derde lid, juncto artikel 6, derde lid, dat door hem een verzoek is gedaan tot het verkrijgen van een machtiging tot voortgezet verblijf;
c. een afschrift van een beschikking van de strafrechter tot verlenging van de terbeschikkingstelling op grond van artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht;
d. een afschrift van een tot verlenging van het verblijf strekkende beslissing op grond van enige daartoe de mogelijkheid opende wettelijke bepaling.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 17 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0141
- Conclusie A-G Langemeijer 10 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:365
- HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8082
- Conclusie A-G Langemeijer 16 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:300
- Conclusie A-G Langemeijer 15 december 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AZ1112
- HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1114
- Conclusie A-G Langemeijer 30 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:744
- Conclusie A-G Langemeijer 16 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:301
- Conclusie A-G Langemeijer 22 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1533
- Conclusie A-G Langemeijer 4 januari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BY7755
- Conclusie A-G Langemeijer 12 februari 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK9150
- Conclusie A-G Fokkens 6 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ4747
- Conclusie A-G Langemeijer 17 november 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AZ0141
- Conclusie A-G Langemeijer 6 oktober 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY6205
- Conclusie A-G Langemeijer 8 december 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8892
- HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4747
- Hof Arnhem 3 maart 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AS8561