Art. 40 Hvw, Vordering
1. Burgemeester en wethouders kunnen, indien dat voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, van de eigenaar van een in de gemeente aanwezige leegstaande woonruimte, een leegstaand gebouw, niet zijnde een of meer woonruimten, of een leegstaand gedeelte van een zodanig gebouw, dan wel van een woonruimte die in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften zonder huisvestingsvergunning of vergunning ingevolge artikel 30 in gebruik genomen is, het gebruik daarvan als woonruimte vorderen. De vordering vindt niet plaats dan na overleg met de eigenaar. De vordering kan mede betrekking hebben op het gebruik van bij de woonruimte of het gebouw behorende of voor de toegang daartoe noodzakelijke andere ruimten en van de daarbij behorende centrale en nutsvoorzieningen.
2. Ten aanzien van leegstaande woonruimte die laatstelijk door de eigenaar gedurende een termijn van ten minste een jaar onafgebroken als eigenaar is bewoond geweest, maken burgemeester en wethouders gedurende een termijn van een jaar na het tijdstip waarop de bewoning door de eigenaar een einde heeft genomen, geen gebruik van hun in het eerste lid omschreven bevoegdheid, tenzij er gewichtige redenen zijn om niettemin tot vordering over te gaan. Onder eigenaar wordt in dit lid degene verstaan, die eigenaar is in de zin van het Burgerlijk Wetboek.
3. Ten aanzien van leegstaande woonruimte die nimmer is bewoond geweest, maken burgemeester en wethouders gedurende een termijn van een jaar na het tijdstip waarop de woonruimte voor bewoning is gereedgekomen, geen gebruik van hun in het eerste lid omschreven bevoegdheid, tenzij er gewichtige redenen zijn om niettemin tot vordering over te gaan.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 4 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:16373
- ABRvS 19 oktober 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD7668
- ABRvS 23 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU5422
- ABRvS 25 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9019
- ABRvS 14 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ8452
- ABRvS 2 augustus 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY5501
- ABRvS 31 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5944
- ABRvS 28 maart 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA5600
- Rb. Arnhem 15 augustus 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB2035
- Rb. Arnhem 10 februari 2000, ECLI:NL:RBARN:2000:AA5012
- Rb. Amsterdam 12 juli 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4604
- Conclusie A-G Harteveld 21 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1608
- Conclusie A-G Harteveld 21 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1607
- Conclusie A-G Harteveld 21 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1606
- Conclusie A-G Harteveld 21 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1605
- Conclusie A-G Mok 19 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:1
- Hof Amsterdam 18 november 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4823