Art. 3:282 BW, Verhaalsrecht op goederen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 (BW3)
1. Indien door een executie een ander beperkt recht dan pand of hypotheek vervalt, omdat het niet kan worden ingeroepen tegen een pand- of hypotheekhouder of een beslaglegger op het goed, wordt aan de beperkt gerechtigde uit de netto-opbrengst van het goed, met voorrang onmiddellijk na de vorderingen van degenen tegen wie hij zijn recht niet kan inroepen, terzake van zijn schade een vergoeding uitgekeerd. De vergoeding wordt gesteld op het bedrag van de waarde die het vervallen recht, zo het bij de executie in stand zou zijn gebleven, ten tijde van de executie zou hebben gehad.
2. Indien in geval van executie een huurkoper van een onroerende zaak of een bestanddeel daarvan of een recht op die zaak niet kan inroepen tegen een hypotheekhouder of beslaglegger, wordt aan de huurkoper uit de netto-opbrengst van het goed, met voorrang onmiddellijk na de vorderingen van degenen tegen wie hij zijn recht niet kan inroepen, een vergoeding uitgekeerd ten bedrage van de schade die hij door de executie lijdt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Timmerman 21 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1513
- Rb. Overijssel 15 juni 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2381
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 18 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:986
- Conclusie A-G Strikwerda 14 december 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4933
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 23 januari 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:87