Hof Arnhem 29 mei 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA6047
Geïntimeerde is dus niet geslaagd in het bewijs van feiten en omstandigheden, dat tussen [A.] en hem in 1983/1984 geen pachtovereenkomst is tot stand gekomen. Daarom dient ervan te worden uitgegaan, dat overeenkomstig de vermelding in de pachtovereenkomst van 7 mei 1997, aangehaald in rechtsoverweging 4.1 van het tussenarrest van 12 juli 2005, vanaf 1978 tussen [A.] en geïntimeerde een pachtovereenkomst gold voor de vermelde oppervlakte van 3.95.00 ha. Het gevolg daarvan is, dat, zoals volgt uit rechtsoverweging 5.4 van dat tussenarrest, geïntimeerde gehouden is bij de beëindiging van de pachtovereenkomst mee te werken aan de overschrijving van het aan het verpachte verbonden melkquotum aan appellante, voor zover het verpachte heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het melkquotum.
De uitspraak op rechtspraak.nl