Art. 27 IW, Uitstel van betaling, kwijtschelding en verjaring
1. De ontvanger kan de verjaring van een rechtsvordering tot betaling stuiten door een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorhoudt.
2. Indien een belastingschuldige is opgehouden te bestaan of vermoedelijk is opgehouden te bestaan en voor zover voor zijn belastingschuld een aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, heeft plaatsgevonden, treedt de aansprakelijk gestelde voor die belastingschuld in de plaats van de belastingschuldige, voor zover het betreft de stuiting van de verjaring of de verlenging van de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling.
3. Indien een belastingschuldige is opgehouden te bestaan of vermoedelijk is opgehouden te bestaan en voor zover voor zijn belastingschuld geen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, heeft plaatsgevonden, kan de ontvanger de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling stuiten door verzending of uitreiking van een schriftelijke mededeling, waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorhoudt, aan het parket van een ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin de laatst bekende vestigingsplaats van de belastingschuldige is gelegen of aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag.
4. Indien de verjaring van een belastingaanslag op de wijze, bedoeld in het derde lid, is gestuit, worden zo spoedig mogelijk de volgende gegevens ter publicatie aan de Staatscourant verzonden of uitgereikt:
a. de naam van de belastingschuldige;
b. de soort belastingaanslag;
c. de belastingsoort;
d. het belastingjaar;
e. de dagtekening van het aanslagbiljet.
5. Bij toepassing van het vierde lid wordt een kopie van de schriftelijke mededeling, bedoeld in het derde lid, verzonden of uitgereikt aan de laatste bestuurders, aandeelhouders en vereffenaars van de belastingschuldige, bedoeld in het derde lid, voor zover die redelijkerwijs bij de ontvanger bekend kunnen zijn.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS A-G Keus 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159
- HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7066
- HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3743
- Conclusie A-G Hartlief 3 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:473
- HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5398
- HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5982
- Hof Amsterdam 16 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1385
- Rb. Zeeland-West-Brabant 1 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1236
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 14 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1424
- HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:111
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1600
- Rb. Den Haag 30 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6665
- Rb. Den Haag 30 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6664
- Conclusie A-G Wattel 20 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7151
- HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5396
- Hof Arnhem-Leeuwarden 1 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1678
- Hof Amsterdam 14 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1991
- Rb. Zeeland-West-Brabant 3 juni 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2817
- Rb. Arnhem 8 mei 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BG0183
- Conclusie A-G Snijders 25 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:394