Rb. Zeeland-West-Brabant 1 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1236

Dividendbelasting / internationaal, tijdigheid verzoeken om teruggaaf, van toepassing zijnde verdragsvrijheid, standstill-bepaling, immateriëleschadevergoeding Belanghebbende, een Amerikaans beleggingsfonds, heeft (onder meer) geïnvesteerd in Nederlandse aandelen. Zij heeft verzocht om teruggaaf van de in Nederland ingehouden dividendbelasting en zich daarbij beroepen op het recht van de Europese Unie met het argument dat een Nederlandse fbi in deze jaren recht heeft op teruggaaf onderscheidenlijk recht heeft op een afdrachtvermindering. De rechtbank oordeelt dat de verzoeken om teruggaaf tijdig zijn voor zover deze zijn ingediend binnen drie jaren na afloop van het boekjaar. Daaraan doet niet af dat belanghebbende gedurende de procedure een andere grondslag voor haar verzoeken aanvoerde. Verder oordeelt de rechtbank dat de vrijheid van dienstenverkeer – zo al aan de orde – in het onderhavige geval volledig ondergeschikt is aan de vrijheid van kapitaalverkeer. Zo de teruggaveregeling (artikel 10, tweede lid Wet DB c.q. de artikelen 25 en 25a Wet Vpb) en later de afdrachtverminderingsregeling (artikel 11a Wet DB) leiden tot een verboden beperking van het kapitaalverkeer, valt deze beperking onder de standstill-bepaling. Weliswaar is de afdrachtverminderingsregeling pas per 1 januari 2008 ingevoerd, maar zij is op de voornaamste punten identiek aan de oude teruggaveregeling, gelet op de kring van gerechtigden en het voordeel. Belanghebbende heeft geen recht op vergoeding van immateriële schade, mede gelet op de complexiteit van de zaak. Beroepen ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken