Rb. Zutphen 31 juli 2001, ECLI:NL:RBZUT:2001:AB3076

Verwijtbare werkloosheid in de zin van WW valt niet onder besluitbegrip als bedoeld in art. 25.1 Ioaw. Verweerder heeft eiser medegedeeld dat diens echtgenote verwijtbaar werkloos is, zodat haar geen WW-uitkering is verstrekt. Verweerder legt daarom ex art. 5 Maatregelenbesluit Ioaw een maatregel op, inhoudend een korting van 100%. Verweerder is van oordeel dat de uitkering over de maand oktober 1998 ten onrechte is verleend omdat bij besluit van 18 maart 1999 aan eiser een maatregel is opgelegd, inhoudende dat deze uitkering voor 100% geweigerd wordt. Art. 25.1 Ioaw biedt echter uitsluitend een grondslag voor de terugvordering van de uitkering die als gevolg van een besluit ten onrechte is verleend, indien dit een besluit is als bedoeld in dit artikellid. Het desbetreffende onderdeel van het besluit van 18 maart 1999 luidt als volgt: "Uw echtgenote is ingaande 1 oktober 1998 verwijtbaar werkloos, waardoor zij geen WW heeft toegekend gekregen. Op grond van artikel 5 van het Maatregelen besluit Ioaw leggen wij, over de maand oktober 1998 een maatregel, korting, op van 100%. Omtrent de afwikkeling hiervan ontvangt u binnenkort bericht." Naar het oordeel van de rechtbank kan deze passage niet worden beschouwd als een besluit waarop art. 25.1 Ioaw het oog heeft. Weliswaar verwijst dit artikellid onder andere naar een besluit als bedoeld in art. 20 Ioaw en verleent laatstgenoemd artikel verweerder de bevoegdheid om in de daar bedoelde gevallen een maatregel op te leggen, maar de aangehaalde passage kan niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in art. 20. Ten eerste vermeldt de passage als grondslag voor de opgelegde maatregel niet artikel 20 Ioaw, maar art. 5 Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, welk artikel betrekking heeft op maatregelen ingevolge de Abw. Ten tweede valt de opgelegde maatregel inhoudelijk niet binnen de termen van art. 20 van de Ioaw. Het eerste lid van dit artikel bepaalt immers dat, indien de belanghebbende zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben, dan wel indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, burgemeester en wethouders de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven, tenzij het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigeren burgemeester en wethouders de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen als hiervóór bedoeld. De door verweerder opgelegde maatregel bestaat noch uit een blijvende weigering van uitkering naar de mate waarin eisers echtgenote bij voortzetting van de dienstbetrekking inkomen zou hebben kunnen verwerven, noch uit een gedeeltelijke weigering van de uitkering over een periode van 26 weken op de wijze als omschreven in art. 20.1 Ioaw. Bestreden besluit herroepen voorzover dit de terugvordering over de maand oktober 1998 betreft. Het college van burgemeester en wethouders van Putten, verweerder. mr. J.W.A. Fleuren

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen