Art. 2 RWN, Algemene bepalingen
Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN)
1. Tenzij de wet anders bepaalt, hebben de verkrijging en het verlies van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht.
2. Behoudens in de bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen gevallen worden verklaringen en verzoeken in persoon afgelegd en ingediend.
3. Tenzij anders bepaald, worden verklaringen en verzoeken van minderjarigen door hun wettelijke vertegenwoordigers afgelegd en ingediend.
4. Het kind, mits het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, en zijn wettelijke vertegenwoordiger worden op hun verzoek in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging of medeverkrijging, of verlening of medeverlening van het Nederlanderschap. Indien de vertegenwoordiging van het kind van rechtswege is opgedragen aan één der ouders kan de andere ouder eenzelfde verzoek doen. Indien het kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt bedenkingen heeft tegen de verkrijging of medeverkrijging, of tegen de verlening of medeverlening, of indien zowel het kind als zijn wettelijk vertegenwoordiger of de in dit lid bedoelde andere ouder bedenkingen hebben tegen de medeverkrijging of medeverlening, deelt het kind daarin niet.
5. De verklaring van verbondenheid wordt door minderjarigen van zestien jaar en ouder zelfstandig afgelegd. Tenzij anders bepaald kunnen zij daarin niet worden vertegenwoordigd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942
- ABRvS 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4302
- ABRvS 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1270
- HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2377
- ABRvS 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:922
- Conclusie A-G Vlas 24 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:104
- ABRvS 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:401
- ABRvS 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4420
- ABRvS 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4419
- Rb. Den Haag 17 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14425
- Hof Den Haag 18 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4005
- ABRvS 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2988
- Rb. Den Haag 14 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9789
- Rb. Den Haag 20 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:16643
- Conclusie A-G Vlas 30 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2209
- ABRvS 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2960
- ABRvS 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:574
- ABRvS 21 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2979
- Rb. Rotterdam 22 maart 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL8629
- Rb. Oost-Brabant 15 december 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:6946