Art. 4:17 BW, Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen
1. De echtgenoot kan, behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3, de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering en de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een betaling wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de hoofdsom, vervolgens op de verhoging, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald.
2. Indien een kind een bevoegdheid toekomt tot het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 19, 20, 21 of 22, gaan de echtgenoot of diens erfgenamen niet over tot voldoening dan na te hebben gehandeld overeenkomstig artikel 25 lid 3.
3. Is het in lid 2 bedoelde kind minderjarig, of meerderjarig doch heeft dit niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan behoeft de voldoening de goedkeuring van de kantonrechter. Deze beslist naar de maatstaf van artikel 26 lid 1.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Rotterdam 24 december 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:10418
- Rb. Rotterdam 25 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6011
- Hof Den Haag 14 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2954
- Rb. Zeeland-West-Brabant 9 juli 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:5502
- Rb. Noord-Nederland 23 januari 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1114
- Rb. Noord-Holland 15 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2295
- Hof Den Haag 7 augustus 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1863
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1647